Tagarchief: Shakespeare

Sonnet 81 – Shakespeare

Vertaling:Sonnets-Titelblatt_1609

Sonnet 81

Of ík leef nog, en zal jouw grafschrift schrijven,
Of jíj blijft hier, als ik voorgoed verdwijn.
Maar dan: jouw heugenis zal altijd blijven,
Van mij zal geen restant meer over zijn.

Jouw naam wacht roemrijk ‘t eind der tijden af,
De mijne vindt beslist vergetelheid.
De aarde biedt mij slechts een simpel graf,
Terwijl jij in ons hart wordt bijgezet.

Mijn teder vers is straks jouw monument,
Dat ongeschapen ogen ooit nog zullen lezen,
En door de tong van straks niet wordt miskend,
Als ieder die nu ademt dood zal wezen.

Jij leeft nog voort, door wat mijn pen vermocht;
Waar adem is, troon jij op ieders ademtocht.

Zojuist (25-1-2016) tot mijn afgrijzen ontdekt dat mijn twaalfde regel identiek is aan de twaalfde regel in de (mooie) vertaling van Arie van der Krogt.

Sonnet 81

Or I shall live your epitaph to make,
Or you survive when I in earth am rotten.
From hence your memory death cannot take,
Although in me each part will be forgotten.

Your name from hence immortal life shall have,
Though I, once gone, to all the world must die.
The earth can yield me but a common grave
When you entombèd in men’s eyes shall lie.

Your monument shall be my gentle verse,
Which eyes not yet created shall o’er-read,
And tongues to be your being shall rehearse
When all the breathers of this world are dead.

You still shall live – such virtue hath my pen –
Where breath most breathes, even in the mouths of men.

Sonnet 29 – Shakespeare

 

Shakespeare_(oval-cropped) (1)

Shakespeare (Wikimedia Commons)

Vertaling:

Nu ik, door lot en medemens veracht,
Mijn uitgestotenheid beween in eenzaamheid,
Een dove hemel hinder met mijn loze klacht,
Mijn lot vervloek, bedroefd door zelfverwijt

Verlang te zijn als wie nog toekomst heeft,
Als één die door zijn vrienden wordt geprezen
Om zijn talent en het gemak waarmee hij leeft,
Met wat hij ’t meest bemint het allerminst tevreden,

Toch stijgt, als ik soms denk aan uw beminde lach,
Mijn door gekweld getob bezwaard gemoed,
Als de leeuwerik omhoog, die bij het krieken van de dag
uit norse sluimering, jubelend de hemel groet.

Uw liefde zingt in zulke zoete jubeltonen
Dat ik mijn staat niet ruilen wil met die van godenzonen.

Origineel:

When, in disgrace with Fortune and men’s eyes,
I all alone beweep my outcast state,
And trouble deaf heaven with my bootless cries,
And look upon myself and curse my fate,

Wishing me like to one more rich in hope,
Featured like him, like him with friends possessed,
Desiring this man’s art and that man’s scope,
With what I most enjoy contented least:

Yet in these thoughts myself almost despising,
Haply I think on thee, and then my state,
Like to the lark at break of day arising
From sullen earth, sings hymns at heaven’s gate;

For thy sweet love remembered such wealth brings
That then I scorn to change my state with kings’.

Sonnet 127 – Shakespeare

Dedication page from The Sonnets

Opdracht in The Sonnets

Op Wikipedia heb ik (onder het pseudoniem Theobald Tiger) op 6 maart 2014 een vertaling van Shakespeare’s ‘Sonnet 127′ gepubliceerd.

Vertaling (zie ook deze overlegpagina):

Sonnet 127

Eertijds gold zwart niet als mooi of voornaam,
En als het zo was, werd het niet zo genoemd.
Maar nu is zwart toch schoonheids erfgenaam,
En wordt goudblonde schoonheid als bastaard verdoemd.

Want sinds de mens de natuur heeft gebreideld,
Wanstaltigheid schiep, namaak die doorgaat voor echt,
Wordt de schoonheid ontwijd, haar streven verijdeld,
Haar lustoord onteerd, haar bestaansrecht ontzegd.

De ogen van mijn lief zijn zwart, godlof!
Haar zwarte wenkbrauwen tonen haar pijn
Om al wat niet mooi is, maar toch doet alsof,
De schepping schofferend met valsheid en schijn.

Maar ieder zal zeggen, hoezeer ze ook klagen,
Wat schoonheid is, hoef je nooit meer te vragen.

Origineel:

Sonnet 127

In the old age black was not counted fair,
Or if it were, it bore not beauty’s name;
But now is black beauty’s successive heir,
And beauty slandered with a bastard shame:
For since each hand hath put on nature’s power,
Fairing the foul with art’s false borrowed face,
Sweet beauty hath no name, no holy bower,
But is profaned, if not lives in disgrace.
Therefore my mistress’ eyes are raven-black,
Her brow so suited, and they mourners seem
At such who, not born fair, no beauty lack,
Sland’ring creation with a false esteem.

Yet so they mourn, becoming of their woe,
That every tongue says beauty should look so.

 

Sonnet 18 – Shakespeare

250px-ShakespeareOp Wikipedia heb ik (onder het pseudoniem Theobald Tiger) op 27 februari 2014 een vertaling van ‘Sonnet 18′, het beroemdste sonnet van Shakespeare, gepubliceerd.

Vertaling (zie ook deze overlegpagina):

Sonnet 18

Lijk jij soms op een mooie dag in mei?
Je bent bekoorlijker en hebt meer tederheid.
Een rukwind schudt wat uitbot ruw opzij,
Kort duurt des zomers toegemeten tijd.

Het hemeloog verzengt het groene loof.
Zijn gulden gloed is van beperkte duur.
Zijn schittering wordt kortelings gedoofd,
Ontregeld door een speling der natuur.

Jouw zomers aureool blijft eeuwig reisgenoot;
Jouw schoonheid heeft een duurzaam coloriet;
Jij dwaalt niet in de schaduw van een fiere dood,
Wanneer jij blijvend voortleeft in een lied.

Zolang het mensdom oog en adem heeft,
Zolang zorgt dit gedicht dat jij nog leeft.

Origineel:

Sonnet 18

Shall I compare thee to a summer’s day?
Thou art more lovely and more temperate.
Rough winds do shake the darling buds of May,
And summer’s lease hath all too short a date.

Sometime too hot the eye of heaven shines,
And often is his gold complexion dimmed,
And every fair from fair sometime declines,
By chance or nature’s changing course untrimmed;

But thy eternal summer shall not fade
Nor lose possession of that fair thou ow’st,
Nor shall death brag thou wander’st in his shade
When in eternal lines to time thou grow’st.

So long as men can breathe or eyes can see,
So long lives this, and this gives life to thee.

 

 

Sonnet 116 – Shakespeare

Sonnets-Titelblatt_1609Op Wikipedia heb ik (onder het pseudoniem Theobald Tiger) op 13 december 2010 een vertaling van Shakespeare’s ‘Sonnet 116’ gepubliceerd.

Vertaling (zie ook deze overlegpagina):

Sonnet 116

Laat mij niet tussen innig echtverbonden geesten
Een wig drijven. Liefde is liefde niet
Als zij zich temperen laat door de tempeesten,
Of gaat zodra men haar tot gaan gebiedt.

O nee, zij is een baken van bestendigheid
Dat in de storm onschokbaar op de baren ziet,
De ster die ’t dolend schip naar zijn bestemming leidt;
Haar hoogte is meetbaar, maar haar waarde niet.

Liefde is niet de Nar van de Tijd, wiens zeis
Eerlang uit vurige lippen de gloed zal verdringen;
Van maand noch jaar raakt zij ooit van de wijs,
Ze is standvastig tot het einde aller dingen.

En wie dit woord op goede gronden zal doen sneven,
Heeft dan mijn werk en ook de liefde afgeschreven.

Origineel:

Sonnet 116

Let me not to the marriage of true minds
Admit impediments. Love is not love
Which alters when it alteration finds,
Or bends with the remover to remove.

O no, it is an ever fixèd mark
That looks on tempests and is never shaken;
It is the star to every wand’ring barque,
Whose worth’s unknown although his height be taken.

Love’s not time’s fool, though rosy lips and cheeks
Within his bending sickle’s compass come;
Love alters not with his brief hours and weeks,
But bears it out even to the edge of doom.

If this be error and upon me proved,
I never writ, nor no man ever loved.