Uitgelicht bericht

La Belle Dame sans Merci, een ballade – John Keats

John Keats (1795-1821) is een van de belangrijkste romantische Engelse dichters.

Hij behoorde tot een groep dichters waartoe ook Percy Byssche Shelley en Lord Byron behoorden. Zijn dichterlijke productie kwam in ongeveer zes jaar tot stand, want hij overleed al heel vroeg – op 25-jarige leeftijd – aan tuberculose.

Zijn vader stierf toen hij acht was, en zijn moeder toen hij veertien was. Hij stierf in Rome en ligt ook daar begraven. Enkele weken na zijn dood schreef Shelley een gedicht ter herdenking aan Keats, onder de titel Adonais.

De biografische schets van Keats in de Encyclopaedia Brittannica vindt u hier.

Keats was heel productief in de weinige jaren die hem ter beschikking stonden. Het onderhavige gedicht, La Belle Dame sans Merci: A Ballad, is een van de beroemdste, romantische gedichten uit de Engelse letterkunde. Het werd voor het eerst gepubliceerd in 1820, en het wordt beschouwd als de tegenhanger van Keats’ gedicht The Eve of St. Agnes, een gedicht dat een idyllische liefde bezingt.

La Belle Dame sans Merci – de mooie meedogenloze dame – beschrijft de destructieve kant en de ontredderende gevolgen van een onvoorwaardelijke liefde die slechts in de vorm van valse verleidingskunst beantwoord wordt.

Keats ontleende de titel van het gedicht aan de Franse dichter Alain Chartier (1385 – ca. 1433).

Gerard Reve heeft zijn ‘Meedogenloze jongen’- een homoseksule pendant van de fatale vrouw – ontleend aan het romantische motief dat Keats in dit gedicht mede heeft gemunt.

Omdat het licht werpt op het romantische motief van de fatale dame, citeer ik een passage uit Klaus Beekman en Mia Meijer, Kort Revier, Gerard Reve en het oordeel van zijn medeburgers (1973), waarin ze Johan Polak uitgebreid citeren, als volgt:

“Een van de in het oog springende motieven in de romantiek, vooral in de late romantiek, is de fatale vrouw. Hoewel de eerste specimina van dit verschrikkelijke slag al optreden in de vroegste griekse literatuur in de gedaante van de Sirenen die Odysseus moeten verleiden, wemelt het in de romantische letteren van deze vrouwen. Klassiek is het gedicht van Keats: La belle dame sans merci (de uitdrukking zelf is gevleugeld geworden):

I saw pale kings and princes too,
Pale warriors, death-pale were they all;
They cried—‘La Belle Dame sans Merci
Thee hath in thrall!’

 

Op dit stramien zitten de andere fatale vrouwen geborduurd. Of ze nu pacteren met de duivel (en dat doen ze graag), geselend rondgaan (dit vooral is een geliefde fantasie: she slays and her hands are not bloody, zingt Swinburne), eindeloze masturbaties bedrijven bij de man die in haar macht is (Mirbeau), één motief blijft hetzelfde: de man die zich in haar macht bevindt, komt daar niet meer van los.”

Vertaling:

La Belle Dame sans Merci – een ballade

Wat scheelt eraan, O, ridder-met-de-helm,
Zo eenzaam, bleek, door schrik omringd?
De zegge langs het meer is al verdord,
Geen vogel zingt.

Wat scheelt eraan, O, ridder-met-de-helm,
Zo afgemat, zo aangedaan?
De eekhoorn-voorraadschuur is vol,
De oogst gedaan.

Een lelie prijkt er op je voorhoofd,
Hoe klam van angst, met koorts berijpt,
En op je wang een schrale roos
Die snel verkwijnt.

Ik trof een dame in het veld,
Ze was beeldschoon – een elfenkind,
Haar haar was lang, haar tred was licht,
Haar ogen waren wild.

Ik vlocht een krans voor om haar hoofd,
Een sjerp, een armband – geur en pracht;
Ze keek naar mij heel liefdevol,
En ze neuriede zacht.

Ik zette haar op mijn snelle hengst,
En wat ik zag was anders niet
Dan zij die zijwaarts hangend zong
Een elfenlied.

Ze vond mij bron van alle zoets,
Van wilde honing, manna-dauw,
Toen zei ze op haar vreemde wijs –
“’k hou echt van jou”.

Ze ontvoerde mij naar de elfengrot,
Ze huilde, zuchtte diep en puur,
Ik kustte toen haar wilde ogen
Met laaiend vuur.

Daar wiegde ze me toen in slaap,
Daar droomde ik – afgrondelijk erg! –
De laatste droom die ‘k heb gedroomd
Daar op die koude berg.

‘k Zag koningen en prinsen veel,
Ze waren allemaal lijkbleek,
Het klonk – ‘La Belle Dame Sans Merci,
Ze houdt je in de greep’

‘k Zag grauwe lippen in de schemering,
Hun wrede lessen, wijd gesperd,
En ik ontwaakte en bevond me
Daar op die koude berg.

En dit is waarom ik hier toef,
Zo eenzaam, bleek, door schrik omringd,
Al is de zegge langs het meer verdord,
Geen vogel meer die zingt.

Origineel:

La Belle Dame sans Merci: A Ballad

O what can ail thee, knight-at-arms,
Alone and palely loitering?
The sedge has withered from the lake,
And no birds sing.

O what can ail thee, knight-at-arms,
So haggard and so woe-begone?
The squirrel’s granary is full,
And the harvest’s done.

I see a lily on thy brow,
With anguish moist and fever-dew,
And on thy cheeks a fading rose
Fast withereth too.

I met a lady in the meads,
Full beautiful—a faery’s child,
Her hair was long, her foot was light,
And her eyes were wild.

I made a garland for her head,
And bracelets too, and fragrant zone;
She looked at me as she did love,
And made sweet moan

I set her on my pacing steed,
And nothing else saw all day long,
For sidelong would she bend, and sing
A faery’s song.

She found me roots of relish sweet,
And honey wild, and manna-dew,
And sure in language strange she said—
‘I love thee true’.

She took me to her Elfin grot,
And there she wept and sighed full sore,
And there I shut her wild wild eyes
With kisses four.

And there she lullèd me asleep,
And there I dreamed—Ah! woe betide!—
The latest dream I ever dreamt
On the cold hill side.

I saw pale kings and princes too,
Pale warriors, death-pale were they all;
They cried—‘La Belle Dame sans Merci
Thee hath in thrall!’

I saw their starved lips in the gloam,
With horrid warning gapèd wide,
And I awoke and found me here,
On the cold hill’s side.

And this is why I sojourn here,
Alone and palely loitering,
Though the sedge is withered from the lake,
And no birds sing.

 

Uitgelicht bericht

Sestina – Elizabeth Bishop

Elizabeth Bishop

Elizabeth Bishop

Elizabeth Bishop (1911-1979) was een Amerikaans schrijfster van gedichten en korte verhalen.

Uit het Nederlandse Wikipedia-artikel citeer ik een passage omdat die relevant is om het gedicht Sestina te begrijpen:

Bishops vader stierf kort na haar geboorte. Haar moeder kampte vaak met depressies en werd in later ook in een inrichting opgenomen. Vanaf haar derde tot haar zesde jaar werd Elizabeth liefdevol opgevoed door haar grootouders van moederszijde, in Great Village (Nova Scotia). Daarna werd de voogdij toegewezen aan de familie van haar vader in Worcester en twee jaar later werd ze ondergebracht bij de oudste zus van haar moeder in Revere, die leefden in relatief armoedige omstandigheden. Na de scheiding van haar grootouders had ze een ongelukkige kindertijd. Ze ontwikkelde ze chronische astma, die haar de rest van haar leven parten zou spelen.

De vorm van dit gedicht is een Sestina, ‘zesregelige strofe’ in het Italiaans. Uit het Lexicon der poëzie, p.291 (beschikbaar via de dbnl) citeer ik de volgende beschrijving:

[Het betreft] een Italiaanse laatmiddeleeuwse dichtvorm die tijdens de renaissance geïmiteerd werd in West-Europa en een heropleving kende in de 19de eeuw. Hij bestaat uit zes strofen van elk zes versregels, en een drieregelige eindstrofe. De rijmwoorden uit de eerste strofe keren alle terug als rijmwoorden in de volgende strofen, in een welbepaalde conventionele orde. Voorbeelden vinden we bij Petrarca, Dante en Camões.

Deze vorm wordt soms ook een sextine genoemd.

De volgorde van de slotwoorden van de versregels dient als volgt gekozen te worden (a is het slotwoord van de eerste regel, f is het slotwoord van de zesde regel):

1e strofe – abcdef
2e strofe – faebdc
3e strofe – cfdabe
4e strofe – ecbfad
5e strofe – deacfb
6e strofe – bdfeca
7e strofe – eca of ace

De slotstrofe van drie regels wordt wel de ‘envoi’ genoemd. Meestal komen alle zes slotwoorden terug in de envoi.

De vorm van dit gedicht is – zoals elke poëtische vorm – een spel. Het gedicht opent met heel gewone dingen: een huis, een kacheltje, een almanak, een grootmoeder, een kind.

Maar er zijn ook de tranen van de grootmoeder.

De verschuiving van de slotwoorden en de verschuiving van de rollen die die woorden in het gedicht spelen, maken dat het gedicht zich op een verrassende manier ontwikkelt.

Op de achtergrond lijkt zich een onuitgesproken drama af te spelen, waar het kind met haar fantasie op een geheel eigen manier op reageert. De instabiliteit van de situatie wordt in de slotstrofen gecontrasteerd met de schepping van een robuust huis in tweevoud, weliswaar vooralsnog in de tekeningen van het kind.

Bishops biografie verklaart het gedicht niet, maar maakt de keuze van deze thematiek wel begrijpelijk. Een vroege werktitel – Early Sorrow – werd later door Bishop vervangen door Sestina.

Wie iets meer over dit gedicht wil lezen, kan hier terecht, of hier.

Vertaling:

Sestina

De herfstregen valt op het huis.
In het slechte licht zit de oude grootmoeder
in de keuken samen met het kind
naast het Kleine Wonder-Kacheltje;
ze leest grapjes voor uit de almanak,
verbergt met gelach en gepraat haar tranen.

Ze denkt dat haar equinoctische tranen
en de regen die slaat op het dak van het huis
beide waren voorspeld door de almanak,
zij het slechts bekend bij een grootmoeder.
De fluitketel zingt op het kacheltje.
Ze snijdt wat brood en zegt tot het kind,

Het is nu theetijd; maar het kind
kijkt naar de kleine, harde theepot-tranen
die driftig dansen op de plaat van het kacheltje,
zoals de regen ook vast zal dansen op het huis.
Bij het opruimen hangt de oude grootmoeder
hem op aan z’n touwtje, de almanak

die zo wijs is. Als een vogel spreidt de almanak
zich half geopend uit boven het kind,
spreidt zich uit boven de oude grootmoeder
en haar theekopje vol donkerbruine tranen.
Ze huivert en zegt dat het misschien in huis
koud aanvoelt, en doet wat hout in het kacheltje.

Het moest zo zijn, zegt het Wonder-Kacheltje.
Ik weet wat ik weet, zegt de almanak.
Met krijtjes tekent het kind een standvastig huis
en een kronkelig paadje. Dan voegt het kind
er een mannetje aan toe met knopen als tranen
en laat het trots zien aan de grootmoeder.

Maar stiekem, terwijl de grootmoeder
druk bezig is met het kacheltje
vallen de maantjes omlaag als tranen
van tussen de bladzijden van de almanak
recht in het bloembed dat het kind
zo netjes heeft neergezet in het voorhuis.

Tijd om tranen te zaaien, zegt de almanak.
De grootmoeder zingt tot het wonderlijke kacheltje
en het kind tekent nog een ondoorgrondelijk huis.

Origineel:

Sestina

September rain falls on the house.
In the failing light, the old grandmother
sits in the kitchen with the child
beside the Little Marvel Stove,
reading the jokes from the almanac,
laughing and talking to hide her tears.

She thinks that her equinoctial tears
and the rain that beats on the roof of the house
were both foretold by the almanac,
but only known to a grandmother.
The iron kettle sings on the stove.
She cuts some bread and says to the child,

It’s time for tea now; but the child
is watching the teakettle’s small hard tears
dance like mad on the hot black stove,
the way the rain must dance on the house.
Tidying up, the old grandmother
hangs up the clever almanac

on its string. Birdlike, the almanac
hovers half open above the child,
hovers above the old grandmother
and her teacup full of dark brown tears.
She shivers and says she thinks the house
feels chilly, and puts more wood in the stove.

It was to be, says the Marvel Stove.
I know what I know, says the almanac.
With crayons the child draws a rigid house
and a winding pathway. Then the child
puts in a man with buttons like tears
and shows it proudly to the grandmother.

But secretly, while the grandmother
busies herself about the stove,
the little moons fall down like tears
from between the pages of the almanac
into the flower bed the child
has carefully placed in the front of the house.

Time to plant tears, says the almanac.
The grandmother sings to the marvelous stove
and the child draws another inscrutable house.

 

 

Uitgelicht bericht

Zeventigste verjaardag – R.S. Thomas

r.-s.-thomas-4da1a5eab4f6b_360x225

R.S. Thomas

Ronald Stuart Thomas (1913-2000) was een Welshe dichter die ook zijn leven lang in Wales woonde en werkte als een Anglicaans priester. Hij was een groot natuurliefhebber, had een vrij vergaande afkeer van moderne zaken die hij vond afleiden van waar het in het leven echt om ging, en hij schreef in het Engels.

Een aardige bespreking door Theodore Dalrymple van zijn biografie – Byron Rogers, The Man Who Went into the West: The Life of R. S. Thomas, Aurum Press – vindt u hier.

Hij was een merkwaardige, eenzelvige figuur die prachtige gedichten schreef, getrouwd was met de schilder Mildred (Elsi) Eldridge, aan wie hij, behalve dit gedicht, nog een paar fraaie gedichten heeft gewijd – zie elders op dit blog (bereikbaar via het menu op de hoofdpagina, onder de naam R.S. Thomas).

Kingsly Amis – zeker geen geestverwant – schreef dat zijn poëzie “reduces most other modern verse to footling whimsy” (=triviale gekkigheid). Hij is in Nederland niet zeer bekend.

Dit gedicht is wel geheimzinnig, maar niet heel moeilijk.

De openingsstrofe begint met het hart als een samenstel van chemische en histologische (weefselkundige) elementen, neemt dan een bewust-archaïsche wending – legend / oude held – en eindigt met de ietwat spottende vraag: zit je er nog wel in?

De tweede strofe proclameert de definitieve overwinning van de aangesproken vrouw – ongetwijfeld zijn eigen vrouw, Mildrid Eldridge. Vervolgens wordt de tijd die het leven aantast benoemd met een aan Yeats  – dat is de beroemde dichter William Butler Yeats – ontleende humoristische beeldspraak: de tijd die als een rups de kroonblaadjes van de roos aanvreet.

De slotstrofe is ontroerend: deze beschrijft beeldend de effecten die het klimmen van de jaren heeft op de geliefde en op hemzelf, met een slotregel die, ondanks het voortschrijden van de onverbiddelijke tijd, voelt als een triomf: de liefde zal worden behouden.

Het gedicht komt voor in de Collected Poems op p.384.

In het boek van M. Wynn Thomas, R.S. Thomas: Serial Obsessive, University of Wales Press, p.142, kunt u nog iets meer over dit gedicht lezen.

Vertaling:

Zeventigste verjaardag

Gemaakt van weefsel en H2O,
en bewogen door aanvurende
cellen – Ah, hart, de oude held
van jouw wezen! Verzon ik
hem, en zit hij er nog steeds in?

In de strijd met andere vrouwen
is jouw overwinning verzekerd.
Het is de tijd, zei Yeats, die
de rups is in de roos van de wang,
de taaie uitzuiger van je kroonbladeren.

Je drijft nu van me weg
op de grijzende golf van je haren.
Ik buig ver af van de hoofdtak van mijn gebeente,
wel wetend dat de hand die ik uitstrek
niets van je kan behouden, alleen je liefde.

Origineel:

Seventieth Birthday

Made of tissue and H2O,
and activated by cells
firing – Ah, heart, the legend
of your person! Did I invent
it, and is it in being still?

In the competition with other
women your victory is assured.
It is time, as Yeats said, is
the caterpillar in the cheek’s rose,
the untiring witherer of your petals.

You are drifting away from
me on the whitening current of your hair.
I lean far out from the bone’s bough,
knowing the hand I extend
can save nothing of you but your love.

Uitgelicht bericht

Wanneer ik vrees – John Keats

John Keats (1795-1821) is een van de belangrijkste romantische Engelse dichters.

Hij behoorde tot een groep dichters waartoe ook Percy Byssche Shelley en Lord Byron behoorden. Zijn dichterlijke productie kwam in ongeveer zes jaar tot stand, want hij overleed al heel vroeg – op 25-jarige leeftijd – aan tuberculose.

Zijn vader stierf toen hij acht was, en zijn moeder toen hij veertien was. Hij stierf in Rome en ligt ook daar begraven in een graf naast zijn vriend, de romantische kunstschilder Joseph Severn.

Enkele weken na zijn dood schreef Shelley een gedicht ter herdenking aan Keats, onder de titel Adonais. Ook Shelley ligt op diezelfde begraafplaats in Rome begraven – de Cimitero acattolico (de protestantse begraafplaats).

Het onderhavige gedicht is een sonnet in de traditie van Shakespeare, dat wil zeggen het heeft veertien regels, met twee afsluitende slotregels die een soort pointe bevatten. Het rijmschema is abab cdcd efef gg. Het gedicht wordt vaak als één blok tekst afgedrukt, maar ik heb er bij de opmaak de gebruikelijke drie kwatrijnen en een afsluitend distichon van gemaakt, vooral omwille van de leesbaarheid. Ik heb de regels soms iets langer gemaakt dan in het origineel om de inhoud recht te kunnen doen.

FannyBrawne1833_color

Fanny Brawne, c.1833 (R. Goodsell, Keats House)

Het gedicht is een meditatie over de dood, en het beschrijft de gevoelens van iemand die beseft dat de dood misschien wel eens eerder zou kunnen komen dan dat hij zijn droom van een onsterfelijk dichterschap zal kunnen verwezenlijken.

Het verdrietige is dat John Keats inderdaad heel vroeg gestorven is, maar het mooie is dat hij vrij veel verzen heeft geschreven die we vandaag nog steeds met plezier en ontroering lezen.

De ‘you’ in de derde strofe is naar alle waarschijnlijkheid Keats’ geliefde Fanny Brawne, met wie hij een niet altijd even gemakkelijke relatie had, en met wie hij door zijn voortijdige dood nooit getrouwd is geweest.

Wie iets meer wil weten, kan hier een beknopte toelichting vinden die niet al te vervelend is – wat niet vanzelf spreekt bij gedichten.

Dit is een aardige website over Keats: Mapping Keats’s Progress, A Critical Chronology.

En hier is A chapter from the biography of John Keats that inspired the Jane Campion film Bright Star.

Vertaling:

Wanneer ik vrees …

Wanneer ik vrees dat straks m’n einde aan zal breken
Eer ooit mijn pen geproefd heeft van mijn gulle geest,
Eer stapels boeken, rijk van taal en teken,
Als rijpe akkers zijn, waarop men aren leest;

Als ik aanschouw ’t gelaat van de besterde nacht,
Enorme wolksymbolen van de diepste innigheid,
En weet dat geen gelukshand mij ooit onverwacht
Hun schaduw zal doen schetsen bij gelegenheid;

En als ik voel – een breekbaar mensenkind –
Dat nu mijn blik voor ‘t laatst nog op jou rust,
Maar dat ik nooit de tovermacht meer ondervind
Van redeloze liefde – dan sta ik uitgeblust

Aan ‘t einde van de aarde, om te overwegen
Hoe roem en liefde schrompelden en zwegen.

Origineel:

When I have fears that I may cease to be

When I have fears that I may cease to be
Before my pen has gleaned my teeming brain,
Before high-pilèd books, in charactery,
Hold like rich garners the full ripened grain;

When I behold, upon the night’s starred face,
Huge cloudy symbols of a high romance,
And think that I may never live to trace
Their shadows with the magic hand of chance;

And when I feel, fair creature of an hour,
That I shall never look upon thee more,
Never have relish in the faery power
Of unreflecting love—then on the shore

Of the wide world I stand alone, and think
Till love and fame to nothingness do sink.

Uitgelicht bericht

Ode aan de herfst – John Keats

John Keats (1795-1821) is een van de belangrijkste romantische Engelse dichters.

Hij behoorde tot een groep dichters waartoe ook Percy Byssche Shelley en Lord Byron behoorden. Zijn dichterlijke productie kwam in ongeveer zes jaar tot stand, want hij overleed al heel vroeg – op 25-jarige leeftijd – aan tuberculose.

Zijn vader stierf toen hij acht was, en zijn moeder toen hij veertien was. Hij stierf in Rome en ligt ook daar begraven. Enkele weken na zijn dood schreef Shelley een gedicht ter herdenking aan Keats, onder de titel Adonais.

Keats was heel productief in de weinige jaren die hem ter beschikking stonden. Het onderhavige gedicht, To Autumn, is een van de beroemdste gedichten uit de Engelse letterkunde en het behoort tot de ‘odes’ die Keats schreef in 1819, een jaar waarin hij veel problemen kende.

Het gedicht heeft drie strofen van elf regels, elk met een vrij strikt rijmschema en lettergreepaantal. In mijn vertaling ben ik soms van dat rijmschema en dat aantal afgeweken om in staat te zijn om ook de inhoud enigszins getrouw over te brengen. Ik heb vanzelfsprekend wel gestreefd naar beknoptheid en zeggingskracht.

In de eerste strofe wordt de herfst gepersonifieerd en voorgesteld als iemand die complotten smeedt met zijn boezemvriend, de zon. De rijkdom van de oogst wordt bezongen. De personificatie wordt het gehele gedicht volgehouden.

De tweede strofe roept de herfstsfeer op die gepaard gaat met verschillende vormen van oogstverwerking.

In de derde strofe worden de kleuren en de geluiden aan het einde van een herfstdag opgeroepen.

Het gedicht wordt – volgens de intro van het Engelse Wikipedia-artikel, dat voldoet aan hoge encyclopedische eisen (het heeft de etalagestatus) – op verschillende manieren geïnterpreteerd: als een bespiegeling over de dood, of als een allegorie over scheppende arbeid, of als een commentaar op de Peterloo Massacre (een cavaleriecharge in 1819 tegen een verzamelde menigte met gruwelijke afloop), of – ten slotte – als een nationalistisch gedicht.

Ik geloof daar allemaal weinig van.

Natuurlijk is elk gedicht ook een triomf, en als zodanig een lofzang op de scheppende arbeid, en bijna elk gedicht laat je voelen wat eindigheid en schoonheid betekenen, maar met die massaslachting en met dat nationalisme heeft dit gedicht niets te maken. Het gedicht ontstond na een herfstwandeling, en het is wat de titel ook zegt: een ode aan de herfst, het maakt de ontroering voelbaar van iemand die de herfst echt beleeft.

Dit gedicht is heel strak van vorm, heel natuurlijk van zegging, en heel mooi van sfeer. Het was daarom voor mij bijzonder moeilijk te vertalen. Ik hoop dat het althans een beetje gelukt is.

Mijn favoriete jaargetijde is de herfst, en ik ben ook persoonlijk bijzonder gesteld op dit gedicht. Commentaar, suggesties ter verbetering zijn altijd welkom. Mijn e-mailadres wordt vermeld op de pagina Over de vertaler/auteur.

[Slotregel verbeterd, 18 maart 2020, met dank aan Henny van den Born.]

Vertaling:

Ode aan de herfst

Seizoen van mist en malse overvloed!
Naaste hartsvriend van de rijpende zon,
Samen smoezend hoe je de wijnrank zoet
En zwaar langs rieten daken leiden kan,
Hoe de bemoste appeltak kan buigen,
En alle fruit kan geuren en kan gloeien,
De kalebas kan zwellen, hazelnoten kraken
Met puike kern, knoppen weer gaan groeien,
Steeds opnieuw, en bijen verse bloemen krijgen,
Totdat ze denken dat ze eeuwig kunnen zuigen,
De zomer zal hun kleverige raat bewaken.

Wie zou jou niet herkennen in die weelde?
En wie jou elders zocht, zag dat je goedgezind,
En rustig in de voorraadschuur verwijlde,
De haren wiegend in de dorsvloerwind,
Of dat je heerlijk sliep in half gemaaide voren,
Bedwelmd door klaproosgeuren, terwijl jouw zeis
De slag liet lopen met de bloemen en het koren;
En soms, net als wie aren leest, ben je in een staat
Van diepe ernst, als je uit een beek oprijst,
Of als je, bij de ciderpers, met kalm gelaat,
Het uitknijpen beziet, dat alsmaar verdergaat.

Waar zijn de lenteliederen. Waar zijn ze? Ach,
Vergeet ze maar, jij hebt je eigen lied, –
Een lage lucht bloost op de kwijnende dag
En dekt het stoppelveld met rozig coloriet;
Daar is de treurzang van het muggenkoor
Tussen de waterwilgen, hoger, alsmaar door,
Of dalend, als de wind weer komt of gaat,
En zie het forse lam dat bij het kreekje blaat,
De krekels zingend in de haag – nu komt het uur
Dat de roodborst in de tuin zijn triller horen laat;
En daar gaan de zwaluwen, kwetterend in ’t azuur.

Origineel:

To Autumn

Season of mists and mellow fruitfulness!
Close bosom-friend of the maturing sun;
Conspiring with him how to load and bless
With fruit the vines that round the thatch-eaves run;
To bend with apples the mossed cottage-trees,
And fill all fruit with ripeness to the core;
To swell the gourd, and plump the hazel shells
With a sweet kernel; to set budding more,
And still more, later flowers for the bees,
Until they think warm days will never cease,
For Summer has o’erbrimmed their clammy cells.

Who hath not seen thee oft amid thy store?
Sometimes whoever seeks abroad may find
Thee sitting careless on a granary floor,
Thy hair soft-lifted by the winnowing wind;
Or on a half-reaped furrow sound asleep,
Drowsed with the fume of poppies, while thy hook
Spares the next swath and all its twined flowers;
And sometimes like a gleaner thou dost keep
Steady thy laden head across a brook;
Or by a cider-press, with patient look,
Thou watchest the last oozings, hours by hours.

Where are the songs of Spring? Ay, where are they?
Think not of them, thou hast thy music too, –
While barred clouds bloom the soft-dying day
And touch the stubble-plains with rosy hue;
Then in a wailful choir the small gnats mourn
Among the river sallows, borne aloft
Or sinking as the light wind lives or dies;
And full-grown lambs loud bleat from hilly bourn;
Hedge-crickets sing, and now with treble soft
The redbreast whistles from a garden-croft;
And gathering swallows twitter in the skies.

Uitgelicht bericht

Op de helft – Friedrich Hölderlin

friedrich-holderlin-dbp-200-jahre-30-pfennig-1970

Postzegel van 30 Pfennig

Friedrich Hölderlin (1770-1843) is een belangrijke Duitse dichter. Zijn verzen zijn klassiek van vorm, soms romantisch van inhoud, bijna altijd lyrisch van toon. Hij slaagt er vaak in je mee te slepen, je te vervoeren.

Zijn vader en stiefvader overleden toen hij nog vrij jong was. Zijn moeder had een toekomst als predikant voor hem in gedachten, maar hij koos betrekkelijk vastberaden voor zijn ware roeping: dichter. Hij bezat een aan de klassieke Griekse cultuur ontleende tragische levensopvatting. Zijn werk getuigt tevens van een religieus, maar niet-christelijk, levensbesef. Friedrich Nietzsche was een bewonderaar.

Hölderlin was filosofisch ingesteld. Hij heeft, naast gedichten, een wijsgerig werk geschreven (Urteil und Seyn), een filosofische roman (Hyperion oder Der Eremit in Griechenland), een treurspel (Empedokles); hij vertaalde ook Sophocles.

Het onderhavige gedicht, Hälfte des Lebens, is geschreven kort voor een zenuwinzinking.

Het gedicht is een van de beroemdste Hölderlin-gedichten. Het kent twee strofen, beide van zeven versregels. De eerste strofe roept een stralende, rijpe levensrijkdom op, de tweede een weeklacht over een kil, duister en zwijgzaam levenseinde. De enjambementen lopen over de gehele strofe heen en verschaffen dichterlijke samenhang. De versregels zijn kort; er is geen eindrijm. Hölderlin volgde hierin klassieke voorbeelden na.

De eerste levenshelft wordt opgeroepen met beeldspraak: rijpe vruchten, fraaie bloesems, een weelderige oever, dichterlijke zwanen, warme liefde, vervoering. De beelden zijn zowel natuurlijk als sacraal en religieus. Het adjectief ‘heilignuchter’ brengt beide aspecten samen.

De tweede strofe, en daarmee de tweede levenshelft, begint met een weeklacht: het roept gemis op, een ruïneuze cultuur, licht dat gedoofd is, kilte, ontnuchtering, vlaggen die nog wapperen terwijl de geest reeds is geweken.

Via deze link kunt u een wat uitgebreidere interpretatie van het gedicht lezen (in het Duits).

Vertaling:

Op de helft

Met gele peren hangt,
en overdekt met wilde rozen,
het land in het meer,
gij aanbiddelijke zwanen,
en dronken van kussen,
doopt ge het hoofd
in het heilignuchtere water.

Wee mij, waar oogst ik, als
het winter is, de bloemen, waar
de zonneschijn,
en schaduwen der aarde?
De muren staan hier
sprakeloos en koud; in de wind
klapperen de vlaggen.

Origineel:

Hälfte des Lebens

Mit gelben Birnen hänget
Und voll mit wilden Rosen
Das Land in den See,
Ihr holden Schwäne,
Und trunken von Küssen
Tunkt ihr das Haupt
Ins heilignüchterne Wasser.

Weh mir, wo nehm’ ich, wenn
Es Winter ist, die Blumen, und wo
Den Sonnenschein,
Und Schatten der Erde ?
Die Mauern stehn
Sprachlos und kalt, im Winde
Klirren die Fahnen.

Uitgelicht bericht

Spoorwegkinderen – Seamus Heaney

Seamus_Heaney_Photograph_Edit

Seamus Heaney (Bron)

Seamus Heaney (1939-2013) was een Noord-Iers dichter die veelal in Dublin woonde, die een tijdlang in Amerika werkte als hoogleraar, en die in 1995 de Nobelprijs voor literatuur ontving. Hij schreef ook voor toneel en was vertaler. Zijn voornaam rijmt op ‘famous’.

Heaney kwam uit een groot gezin, en zijn vader was boer. Je kunt aan dit gedicht merken dat hij gewend was aan ‘buiten spelen’, dat de vanzelfsprekendheid van rijkdom en luxe hem niet van kindsbeen aan bekend was. Ik stel dat – als tuinderszoon die geboren werd in de jaren ’60 en die sindsdien met toenemende welvaart te maken kreeg – met enig plezier vast.

Hij was bevriend met Joseph Brodsky, een Russische dichter en Nobelprijs-winnaar, en schreef over hem een treffende en roerende necrologie.

Het gedicht gaat over kinderen die het talud langs de spoorweg beklimmen. De titel lijkt te verwijzen naar Railway Children (1906) van Edith Nesbit.

Het gedicht maakt voelbaar hoe jonge kinderen, ondanks hun overweldigende gevoel van nietigheid, kunnen opgaan in iets dat veel groter is dan zijzelf.

Het ‘oog van de naald’ in de slotregel is een verwijzing naar de uitspraak van Jezus dat het gemakkelijker is dat een kameel gaat door het oog van een naald dan dat een rijke het Koninkrijk Gods binnen gaat. Deze uitspraak van Jezus wordt in de gangbare bijbelvertalingen letterlijk vertaald. Waarschijnlijk wordt met ‘oog van een naald’ een nevenpoortje van de hoofdpoort bedoeld, een doorgang die veel te laag was voor een passerende kameel.

Het gedicht Railway Children, voorgedragen door Heaney zelf, kunt u hier beluisteren. Het gedicht is al eerder vertaald in het Nederlands, onder anderen door Cees Buddingh, zie hier.

Vertaling:

Spoorwegkinderen

Toen we de helling van de tunnelbak beklommen
stonden we oog in oog met de witte knoppen
van de bovenleidingen, met hun gonzende draden.

Als een dansend handschrift golfden ze verder,
mijlenver oostwaarts en westwaarts,
doorzakkend onder de last van hun zwaluwen.

We waren klein, we dachten niet dat we iets wisten
dat van belang was. We dachten dat woorden reisden
langs draden, in de zakjes van regendruppels,

vervuld en verzadigd met een hemels
licht, met de glans van lijnen, en wij, we waren
daarnaast zo oneindig nietig

dat we konden glijden door het oog van een naald.

Origineel:

The Railway Children

When we climbed the slopes of the cutting
We were eye-level with the white cups
Of the telegraph poles and the sizzling wires.

Like lovely freehand they curved for miles
East and miles west beyond us, sagging
Under their burden of swallows.

We were small and thought we knew nothing
Worth knowing. We thought words travelled the wires
In the shiny pouches of raindrops,

Each one seeded full with the light
Of the sky, the gleam of the lines, and ourselves
So infinitesimally scaled

We could stream through the eye of a needle.

Uitgelicht bericht

Daar komt de dood – Heinrich Heine

Heinrich Heine (1797-1856) is de grootste lyrische dichter van het Duitse taalgebied. Hij was joods, hij voelde vaak als een goi, hij was ernstig, hij was ironisch, hij was trots, hij was onzeker, hij was ernstig, hij was speels, hij was romantisch, hij was klassiek – hij lijkt weliswaar eenvoudig – maar toch zijn veel van zijn gedichten diepzinniger dan die van al zijn diepzinnige tijdgenoten.

Friedrich Nietzsche, Peter Vos en Karel van het Reve waren bewonderaars. Er zijn ook schrijvers geweest die Heinrich Heine met Toon Hermans vergeleken (Boudewijn Büch) of die Heine de Piet Paaltjens der Duitse letteren noemden (J.P. Guépin). Martin van Amerongen – aan wiens artikel ik dit ontleen – was een groot bewonderaar.

Het conflict tussen besef van eigenwaarde en besef van nietigheid veroorzaakt de spanning in dit gedicht.

Toelichting is verder overbodig: er is geen woord latijn bij.

Ik kwam het gedicht voor het eerst tegen bij Karel van het Reve, die een groot liefhebber van Heine was, net als Van het Reve’s leermeester Jacques Presser, die ooit een bloemlezing samenstelde van Heine’s gedichten: Ich weiss nicht was soll es bedeuten. Een bloemlezing (1956, met een prachtige inleiding).

Het gedicht behoort tot Heines Nachgelesene Gedichte 1845 – 1856.

Vertaling:

Daar komt de dood

Daar komt de dood – nu gaat het dagen
wat steeds mijn trots verbergen wou
tot in de eeuwigheid: voor jou, voor jou,
mijn hart heeft steeds voor jou geslagen.

De kist is klaar, men laat mij dalen
in het graf. Dan ben ik vrij.
maar jij, maar jij, Maria, jij
zult huilend naar mij blijven talen.

Ik zie je zelfs je mooie handen wringen –
O huil toch niet – dat is het lot gewoon,
het mensenlot: – wat goed en schoon
en groot is, zal een droevig slotlied zingen.

Origineel:

Es kommt der Tod

Es kommt der Tod – jetzt will ich sagen,
Was zu verschweigen ewiglich
Mein Stolz gebot: für dich, für dich,
Es hat mein Herz für dich geschlagen!

Der Sarg ist fertig, sie versenken
Mich in die Gruft. Da hab ich Ruh.
Doch du, doch du, Maria, du
Wirst weinen oft und mein gedenken.

Du ringst sogar die schönen Hände –
O tröste dich – Das ist das Los,
Das Menschenlos: – was gut und groß
Und schön, das nimmt ein schlechtes Ende.

Uitgelicht bericht

Gebed – Carol Ann Duffy

Carol_Ann_Duffy

Carol Ann Duffy (Wikimedia Commons)

Carol Ann Duffy is een Schotse dichter en toneelschrijver. Ze was van 2009 tot 2019 Poet Laureate van het Verenigd Koninkrijk. Ze is hoogleraar Contemporary Poetry aan de Manchester Metropolitan University. Duffy is openlijk biseksueel.

Duffy kreeg een katholieke opvoeding, maar werd al betrekkelijk jong atheïst. Over de relatie tussen gebed en poëzie zei ze ooit dat die twee erg op elkaar lijken.

Ze houdt van gewone taal, gebruikt op een gelaagde manier. Ze houdt niet – vertelde ze in een interview – van interessante ‘Seamus Heaney-woorden’, wat in deze context betekent dat die woorden vreemd zijn en de woordbetekenissen nauwelijks bekend.

Het gedicht Prayer is de Engelse vertaalopgaaf van de vertaalwedstrijd Nederland vertaalt 2020. De uiterste inzenddatum was 28 februari 2020. Onderstaande vertaling is mijn inzending.

Het gedicht beschrijft niet-godsdienstige vormen van de gebedshouding, een houding van intense aandacht: een vrouw die haar hoofd opheft als ze de bomen hoort ruisen, een man die verstijft als hij aan zijn middelbareschool-tijd terugdenkt bij het geluid van een langskomende trein, de kamerhuurder die geroerd wordt door een uiterst eenvoudig pianomuziekje dat onverwacht opklinkt, het desolate effect van een kindernaam die luidkeels geroepen wordt, de radio die een routine prevelt en daarmee een trance opwekt.

Bij mijn opvoeding werd een zin van Paulus vaak aangehaald: ‘Het geloof is uit het horen’ (Rom. 10:17). Alle gebedservaringen die door Carol Ann Duffy worden opgeroepen, worden door geluiden opgewekt, en die geluiden worden bovendien steeds taliger: eerst ruisen, dan het metrische geratel en gestamp van een trein dat aan Latijnse verzen doet denken, dan het roepen van een kindernaam, en ten slotte de bijna gescandeerde berichten voor de scheepvaart.

Shipping Forecast

De Engelse zeedistricten inclusief Finisterre (Bron)

De Engelse zeedistricten in de slotregel komen voor in de Shipping Forecast, een nieuwsbericht met een heel strakke vorm. Als u er een poosje naar wilt luisteren, dan kunt u op youtube terecht. Deze namen heb ik in vertaling vervangen door de plaatsnamen die op de Nederlandse radio voorkwamen in de berichten over de waterstanden, berichten die tot 1985 werden voorgelezen, en die ook een vast stramien volgden. Hier is een voorbeeld (met helaas vrij slechte geluidskwaliteit).

Aardig is dat de zeedistricten voor de Engelsen een vergelijkbare existentiële betekenis hebben als de waterstanden voor de Nederlanders.

De Engelse slotnaam Finisterre – een naam die nu niet meer gebruikt wordt voor het betreffende zeedistrict – betekent ‘einde der aarde’. Die betekenis heb ik niet helemaal kunnen overbrengen. Het Grave beneden de Sluis – in latere edities van de berichtgeving over de waterstanden in onbruik geraakt – roept wel een vergelijkbaar eeuwigheidsbesef op.

De dichter Ida Gerhardt gebruikte in haar gedicht Radiobericht eveneens het trance-effect van de radiostem die de waterstanden voorlas.

Op Twitter hebben eerder al twee Twitter-collega’s – Jelle van Baardewijk en Karel Smouter – hun vertaling openbaar gemaakt. Leuk om te lezen! Het zijn heel andere – veel vrijere – vertalingen dan de mijne die betrekkelijk streng de sonnetvorm volgt: ik heb rijm, metrum en aantal regels gehandhaafd: de vrijheden die ik me heb veroorloofd betreffen kleine inhoudelijke aanpassingen (bijv. waterstanden i.p.v. scheepvaartberichten) en in een paar gevallen de toevoeging van een extra versvoet (de metrische eenheid, twee extra lettergrepen).

Het oorspronkelijke gedicht is gepubliceerd in de bundel Mean Time (1993).

Vertaling:

Gebed

Soms overdag, al lukt bidden ons niet, dient een gebed
zich aan. Een vrouw die plots haar hoofd opheft
uit de zeef van haar handen, als ze de wet
van de trage zang der bomen, een genade, beseft.

Soms ‘s nachts, al geloven we niets, dringt door
wat waar is, de kleine vertrouwde pijn;
een man die verstijft, die zijn jeugd terughoort
in de verre Latijnse cadans van een trein.

Nu dan, bid voor ons. De huurder wordt ongewild
vertroost door ’t prille loopje van een pianist
dat uit het stadje opklinkt. Schemer; iemand gilt
de naam van een kind alsof het is vermist.

Buiten is ‘t donker, de radio bidt binnenshuis –
IJsselkop. Lobith. Grave beneden de Sluis.

Origineel:

Prayer

Some days, although we cannot pray, a prayer
utters itself. So, a woman will lift
her head from the sieve of her hands and stare
at the minims sung by a tree, a sudden gift.

Some nights, although we are faithless, the truth
enters our hearts, that small familiar pain;
then a man will stand stock-still, hearing his youth
in the distant Latin chanting of a train.

Pray for us now. Grade 1 piano scales
console the lodger looking out across
a Midlands town. Then dusk, and someone calls
a child’s name as though they named their loss.

Darkness outside. Inside, the radio’s prayer –
Rockall. Malin. Dogger. Finisterre.

Uitgelicht bericht

Over de dood – John Keats

John_Keats_by_William_Hilton

John Keats (Wikimedia Commons)

De Engelse dichter John Keats (1795-1821) is een van de belangrijkste dichters van de Romantiek. Hij behoorde tot een groep dichters waartoe ook Percy Byssche Shelley en Lord Byron behoorden. Zijn dichterlijke productie kwam in ongeveer zes jaar tot stand, want hij overleed al heel vroeg – op 25-jarige leeftijd – aan tuberculose.

Zijn vader stierf toen hij acht was, en zijn moeder toen hij veertien was. Hij stierf in Rome en ligt ook daar begraven. Enkele weken na zijn dood schreef Shelley een gedicht ter herdenking aan Keats, onder de titel Adonais.

Het vertaalde gedicht bevat een zowel hoogst ernstige als vermakelijke omkering. Ik denk niet dat iemand veel baat heeft bij een uitgebreide toelichting. Het gedicht blijft geheimzinnig, maar het spreekt toch voor zichzelf, zonder dat het ook maar in de geringste mate faciel is.

Arie Storm

Arie Storm

Het zijn twee kwatrijnen met een streng rijmschema en een duidelijk metrum. De strenge vorm werkt toch niet storend omdat het fraaie ritme het gedicht laat zingen.

De aanleiding tot deze vertaling was een korte en prettige tweetwisseling (hier en hier) met de Nederlandse romanschrijver en literatuurcriticus Arie Storm op Twitter. De tweetwisseling eindigde met de dood, en Storm poste vervolgens On Death van John Keats. Aanvankelijk dacht ik dat het niet te vertalen was, maar ik heb het toch geprobeerd.

Op hoop van zegen.

Vertaling:

Over de dood

Kan dood soms slapen zijn, als leven dromen is,
elk zalig tafereel voorbij gaat als een waan?
Vergankelijk gerief wordt spookgeschiedenis,
de grootste angst blijft toch om dood te gaan.

Hoe vreemd dat ’t mensenkind op aarde dwaalt,
een treurig leven leidt, en ferm en onverkort
zijn ruige paden volgt; en hij er evenmin naar taalt
zijn vloek te zien, die is dat hij straks wakker wordt.

([20-2-2020] De regel ‘en scènes van geluk verzwinden als een waan?’ vervangen door ‘elk zalig tafereel voorbij gaat als een waan?’ En ‘deze mens’ is vervangen door ”t mensenkind’.)

 

Origineel:

On Death

Can death be sleep, when life is but a dream,
And scenes of bliss pass as a phantom by?
The transient pleasures as a vision seem,
And yet we think the greatest pain’s to die.

How strange it is that man on earth should roam,
And lead a life of woe, but not forsake
His rugged path; nor dare he view alone
His future doom which is but to awake.

Uitgelicht bericht

Naar de kust – Mary Oliver

Mary Oliver - Kevork Djansezian

Mary Oliver in 2010 (Women’s Conference in California).

KEVORK DJANSEZIAN / GETTY IMAGES

Mary Oliver (1935-2019) is een Amerikaanse dichter, en ze werd geboren in een landelijk plaatsje, vlakbij Cleveland in Ohio. Daar ontwikkelde ze een grote voorliefde voor de natuur.

Ze woonde een groot deel van haar leven in Provincetown, Massachusetts, een kustplaats waar de kust niet erg steil is.

Ze begon betrekkelijk vroeg met dichten. Ze schrijft verzen met een fraai ritme en een gevoelige toon, waarin vaak rijm ontbreekt, waarin een dichterlijke stroom en tegenstroom nooit ontbreken, verzen die ons gevoelig maken en verrijken – zoals elk goed gedicht – voor de gruwelen en de schoonheden en de geheimenissen van het bestaan – “We are nourished by the mystery” (The Fish).

Ze was bevriend met de zus van  Edna St. Vincent Millay, en heeft met haar de nagelaten papieren van de dichteres geordend.

Het gedicht heeft weinig toelichting nodig. De grootsheid van de natuur is het antwoord op het gevoel van ellendigheid – een gevoel dat natuurlijk vaak maar moeilijk door ons, arme mensen, gerelativeerd kan worden – dat de ik-figuur haar vraag aan de zee deed stellen.

Het gedicht is gepubliceerd in A Thousand Mornings (2012).

Een necrologie, geschreven door Lynn Neary, ‘Beloved Poet Mary Oliver, Who Believed Poetry ‘Mustn’t Be Fancy,’ Dies At 83‘ op de website van New Hampshire Public Radio (17 januari 2019), vindt u hier.

De slotregel van dat stuk is een ontroerend en ook veelzeggend citaat uit een gedicht dat Mary Oliver’s houding tegenover de naderende dood beschrijft:

“When it’s over, I want to say all my life / I was a bride married to amazement.”

Vertaling:

Naar de kust

Ik ga naar de kust als het licht wordt,
en, gebonden aan het uur, zie ik golven
die aanrollen of zich verwijderen,
en ik zeg: O, ik voel me ellendig,
wat zal –
wat moet ik doen? En de zee zegt
met zijn lieflijke stem:
Het spijt me, ik heb het nu te druk.

Origineel:

I Go Down To The Shore

I go down to the shore in the morning
and depending on the hour the waves
are rolling in or moving out,
and I say, oh, I am miserable,
what shall–
what should I do? And the sea says
in its lovely voice:
Excuse me, I have work to do.

Uitgelicht bericht

Getreiter – R.S. Thomas

RS Thomas Obituary

R.S. Thomas

Ronald Stuart Thomas (1913-2000) was een Welshe dichter die (meestal) in het Engels schreef. Hij was een anglicaans priester die getrouwd was met de schilderes Mildrid Eldridge (1909-1991).

Thomas was een enigszins zonderlinge, eenzelvige figuur, een groot liefhebber van het vaak desolate Welshe landschap, een vogelkenner, vaak in verzet tegen een tijdgeest die meer waarde hechtte aan materiële luxe en lichamelijk genot dan aan de geestelijke zaken waar het – in zijn visie – werkelijk om ging. John Betjeman en Kingsley Amis waren bewonderaars. Met Seamus Heaney was hij bevriend.

A Welsh Landscape

Welsh landschap

Een aardig artikel over Thomas’ leven en werk is van de hand van Theodore Dalrymple: A Man Out of Time.

Ik verwijs verder naar mijn vorige blogbericht dat een vertaling van ‘Via Negativa’ betrof. Een aantal opmerkingen die ik bij dat gedicht ter toelichting maakte, zijn ook van toepassing op dit gedicht.

Een klein stukje van het gedicht wordt hier voorgedragen door R.S. Thomas op een Amazon-website die de gelijknamige CD met door de auteur zelf voorgedragen gedichten verkoopt.

Het gedicht is te vinden in No Truce With the Furies, Bloodaxe: 1995, p. 45 en in Collected Later Poems, Bloodaxe: 2004, p.249.

In het gedicht dat ik vertaald heb ontbreekt de afsluitende zwevende komma die zou moeten volgen op de zwevende komma waarmee ‘I have lived with nothingness … opent. Ik heb inmiddels navraag gedaan, maar voorlopig heb ik de afsluitende komma aan het eind van het gedicht geplaatst.

Vertaling:

Getreiter

‘O’, zei hij, ‘Ik leef al met zinloosheid
sinds het begrip zijn betekenis verloor.
Ik heb even vaak “ja” gezegd tegen de kosmos
Als de keren dat de echo’s
alsmaar sterker terugkeerden als “nee”.
Mijn negatieven van het goddelijke heb ik
ontwikkeld en hun kunstkleur bewaard
in een album met luchtspiegelingen. Ik weet
dat de verbeelding slechts kan toeven
in een geoxydeerde wereld. De waarheid
is minder adembenemend dan het vacuüm
waarin ze zich terugtrekt. Maar
desalniettemin heb ik het lam
toch even zien dartelen, alsof
het leven iets moois was. Dit, zei ik toen,
is Gods schurkenstreek, diens geknoei
met de balans, waarbij de ene schaal
eerst wordt volgestapeld met kwaad
om hem dan opeens omhoog te laten
schieten, met in de ander een traan
die drupte uit een hardvochtig oog.’

Origineel:

Mischief

‘Oh,’ he said, ‘I have lived with nothingness
so long it has lost its meaning.
I have said “yes” to the universe
so many times its echoes
have returned increasingly as “no”.
I have developed my negatives
of the divine and preserved their technicolour
in a make-belief album. I realise
the imagination is alive only
in an oxygenated world. The truth
is less breath-taking than the vacuum
into which it withdraws. But against
all this I have seen the lamb
gambolling for a moment, as though
life were a good thing. This, I have said,
is God’s roguery, juggling
with the scales, weighting the one
pan down with evil piled
upon evil then sending it suddenly
sky-high with in the other a tear
fallen from the hardest of eyes.’

Uitgelicht bericht

Via Negativa – R.S. Thomas

RS Thomas in a Welsh landscape seen on the back

R.S. Thomas

Ronald Stuart Thomas (1913-2000) was een Welshe dichter die (meestal) in het Engels schreef. Hij was een anglicaans priester die getrouwd was met de subtiele schilderes Mildrid Eldridge (1909-1991).

Thomas was een enigszins zonderlinge, eenzelvige figuur, een groot liefhebber van het vaak desolate Welshe landschap, een vogelkenner, vaak in verzet tegen een tijdgeest die meer waarde hechtte aan materiële luxe en lichamelijk genot dan aan de geestelijke zaken waar het – in zijn visie – werkelijk om ging. John Betjeman en Kingsly Amis waren bewonderaars. Met Seamus Heaney was hij bevriend.

Een aardig artikel over Thomas’ leven en werk is van de hand van Theodore Dalrymple: A Man Out of Time.

Hij schreef veel religieuze poëzie. Volgens Christopher Morgan, de schrijver van R.S.Thomas: Identity, Environment, Deity (Manchester University Press, 2003, p.150-151; het boek is via de link online beschikbaar), maakte Thomas een ontwikkeling door van een mythische, deïstische religiositeit naar een houding die in de theologie wel wordt aangeduid met het begrip via negativa – de weg van de ontkenning. Dit is een spirituele houding waarin de relatie met een alomtegenwoordige God die de grond van ons bestaan is (in tegenstelling tot een veraf zijnde Schepper-God), wordt gevonden door zich te concentreren op afwezigheid en gemis.

In de samenvattende woorden van Christopher Morgan (p.172):

The shift one encounters between the God of the mythic poems and that of the via negativa poems is a shift primarily from the deistic paradigm of an anthropomorphised creator-God which is ‘out there’ to a ground of being, a ‘majestic intellect’, an eternal reality which is interior but unlimited, which is intimately personal, but which, as a ubiquitous source, simultaneously spills the boundaries of ‘personality’ or ‘being’.

r.-s.-thomas-4da1a5eab4f6b_360x225

R.S. Thomas (Bron: Wikimedia Commons)

Thomas vond daarbij aansluiting bij een traditie die ook door de mystici werd gevolgd en vormgegeven, Meister Eckhart bijvoorbeeld, en die ook door existentialistische denkers als Paul Tillich en Søren Kierkegaard werd beschreven en verdiept. Thomas heeft ten slotte ook gedichten geschreven die eerder van een ‘aanwezigheid’ getuigen  – gedichten die dus een uitdrukking zijn van de via affirmativa (weg van de aanvaarding).

Het gedicht Via Negativa verscheen in de bundel H’m (1972), de bundel waarin Thomas’ toewending tot de gelijknamige spirituele houding het duidelijkst aan het licht trad.

Helemaal onderaan dit blogstukje geef ik een wat uitgebreider citaat uit het boek van Morgan over de betekenis van de via negativa.

Hier kunt u ten slotte een artikel vinden over het onderwerp via negativa van J.D. Vicary, ‘Via Negativa, absence and precence in the recent poetry of R.S. Thomas’, Critical Quarterly, Volume 27, Issue 3 (sept. 1985).

Vertaling:

Via Negativa

Hoezo nee! Nooit anders gedacht dan
dat God voor ons de rol speelt van
grote afwezige, de vacante stilte
diep van binnen, de plaats waar we gaan
zoeken, zonder hoop thuis te komen
of wat te vinden. Hij bewaakt de loze kieren
in onze kennis, de duisternis
tussen de sterren. Van hem zijn de echo’s
die we volgen, de voetafdrukken die hij
zojuist verliet. We steken onze hand in
zijn zijde, hopend er warmte
te voelen. We kijken naar mensen
en plaatsen alsof ook hij ernaar had
gekeken; alleen de afspiegeling ontbreekt.

Origineel:

Via Negativa

Why no! I never thought other than
That God is that great absence
In our lives, the empty silence
Within, the place where we go
Seeking, not in hope to
Arrive or find. He keeps the interstices
In our knowledge, the darkness
Between stars. His are the echoes
We follow, the footprints he has just
Left. We put our hands in
His side hoping to find
It warm. We look at people
And places as though he had looked
At them, too; but miss the reflection.

 

Over de betekenis van de via negativa, Christopher Morgan (p. 173):

Via negativa, meaning literally ‘by way of what is not’, is an idea associated largely with mystical theology. Thomas himself uses the term as a poem title in H’m. Perhaps the earliest and most comprehensive discussion of via negativa occurs in ‘The Mystic Theology’, the work of the sixth-century Syrian mystic Dionysus the Areopagite, although the idea is perhaps best known in the West through the anonymous English classic of medieval mysticism The Cloud of Unknowing. Regardless of particular sources, the idea of via negativa is common to eastern mystical traditions predating Christianity, as well as to Christian monastic traditions in the West, both as an approach to and as an experience of divinity. As a technique of approach via negativa signifies a deliberate mortification not only of the sensual appetites but of the whole desire of the ego for its own realisation and dominance, as well as of the distraction seen to be posed by the physical world. It insists upon an emptying of the self, a silencing of the individual will, and a patient waiting and watching in these privations for God’s approach.

Uitgelicht bericht

Een koude kade

Een koude kade

Herstellen doen wij niks; wij halen neer.
Toen schiepen wij de vorm van Gods genade.
Wat mij belaagt, is dat wat ik begeer.

De liefde bleek ludiek geslachtsverkeer.
Vaak hebben wij elkaar voorgoed verraden.
Herstellen doen wij niks; wij halen neer.

Hoe goedertieren Hij ook was als Heer,
Zijn lijk stond op uit een betwiste wade.
Wat mij belaagt, is dat wat ik begeer.

De dood bleef ons ontglippen, telkens weer.
Er blijft emplooi voor de verroeste spade.
Herstellen doen wij niks; wij halen neer.

Wat Hij gezegd had, stolde tot een leer.
Wij maken nieuw, betreden verse paden.
Wat mij belaagt, is dat wat ik begeer.

Hij kwam van ver en daalde tweemaal neer.
Wij staan te staren op een koude kade.
Herstellen doen wij niks; wij halen neer.
Wat mij belaagt, is dat wat ik begeer.

(eigen werk)

Uitgelicht bericht

Elizabeth Barrett Browning – Hoe ik je liefheb?

Elizabeth Barrett Browning

Elizabeth Barrett Browning

De Engelse dichter Elizabeth Barrett Browning (1806-1861) is een merkwaardige figuur. Ze stamde uit een aanzienlijke familie met ‘oud geld’, mocht niet trouwen van haar vader, was religieus van aanleg en houding, tobde met haar gezondheid, leefde tot haar huwelijk een vrij teruggetrokken leven, trouwde uiteindelijk met de zes jaar jongere dichter Robert Browning (1812-1889) (die anders dan zijzelf in zekere zin een society-figuur was), werd als gevolg van dat huwelijk onterfd, bestreed de slavernij (waar haar familie veel aan te danken had), was in sommige opzichten feministisch (maar in andere niet), woonde na haar huwelijk bijna voortdurend in Florence, schreef een beroemde sonnettenreeks onder de misleidende titel ‘Sonnets from the Portugese’ (want suggererend dat het hier een vertaling betrof – quod non), leed zeer onder de onfortuinlijke dood van haar geliefde broer (ze had meer broers), en schreef poëzie die nog steeds met plezier wordt gelezen.

Ze werd bewonderd door Edgar Allan Poe, Emily Dickinson en anderen. Ze correspondeerde met bekende cultuurdragers, onder wie Alfred Tennysson, William Makepeace Thackeray, Harriet Hosmer, Isa Blagden, George Sand, Charles Kingsley en John Ruskin. Met sommigen van hen raakte ze ook bevriend.

In de slaapkamer van de beroemde Amerikaanse dichteres Emily Dickinson (1830-1886) hing een portret van Elizabeth Barrett Browning.

In de cyclus Sonnets from the Portugese staat haar liefde voor Robert Browning centraal. De cyclus omvat 44 sonnetten, waarin Sonnet 43 – How do I love thee? – het gedicht dus dat ik hier vertaald heb – het bekendst is geworden. De cyclus werd geschreven in 1845/46, maar werd voor het eerst, op aandringen van Robert Browning, gepubliceerd in 1850.

Mijn vertaling van het gedicht How do I love thee? heeft de eerste prijs gekregen bij de poëzievertaalwedstrijd die georganiseerd werd door De Bibliotheek Huizen-Laren-Blaricum, i.s.m. Stichting Kunst en Cultuur Huizen en het Kunst- en Cultuurcafé Huizen.

Informatie over de wedstrijd, de bekendmaking van de uitslag, de vertalingen die een prijs hebben ontvangen, en het juryrapport vindt u hier. Er waren 32 vertalers die een vertaling hadden ingezonden. Er waren drie prijzen en een aanmoedigingsprijs voor een aantal jonge studenten uit Boekarest die gezamenlijk een vertaling hadden ingezonden.

De jury bestond uit Henk Aertsen, oud-hoogleraar Engelse Taal- en Letterkunde van de Middeleeuwen en oud-docent Literair Vertalen aan de VU, Joni Zwart, vertaalster, literair redacteur en docente (die een prachtige inleiding hield), en Petra Kos, docent Engels Erfgooiers College Huizen (die het gedicht heel mooi voordroeg).

De zinnen in het juryrapport die betrekking hebben op mijn vertaling luiden:

De eerste prijs gaat naar de inzender met nummer 22. Haar of zijn vertaling leest prima, ook hier weer mooie, korte regels in overeenstemming met het metrum van het origineel, waardoor zij of hij erin geslaagd is de beknoptheid van het origineel te handhaven, er staat geen woord teveel in, en de vertaling geeft de inhoud en strekking van het origineel goed weer. En deze inzender heeft het slot van het eerste terzet en het begin van het tweede, I love thee with a love I seemed to lose / with my lost saints, heel sterk vertaald met “ik heb je lief met vuur – passion – dat bijna doofde in rouw / omdat mijn engel ging” – dat beantwoordt precies aan de strekking van het sextet: na de gevoelens die spreken in het octaaf , de eerste acht regels, volgt in het sextet een conclusie, hier met een religieuze boventoon. Gefeliciteerd.

Vertaalwedstrijd 2020 Huizen

Ikzelf sta hier helemaal links, naast  Henk Aertsen, Odette Jonkers, Dini Hauptmeijer, Frits Spits, Petra Kos en Joni Zwart

Een kort filmpje waarop de prijsuitreiking in beeld wordt gebracht is geplaatst op YouTube. Hierop ziet u de voordracht door Petra Kos van het oorspronkelijke gedicht – How Do I Love Thee? – de bekendmaking van de prijs door Frits Spits, een korte gedachtewisseling met ondergetekende, Maartje van Weegen die als een duveltje uit een doosje verschijnt, en de voordracht van de vertaling door mijzelf.

Tijdens de culturele avond in De Boerderij in Huizen waarin de bekendmaking plaatsvond, werd ook de Kunst- en Cultuurprijs van Huizen uitgereikt aan Cees Kranenburg, een van de grootste (jazz-)drummers die Nederland ooit heeft voortgebracht.

En er was een fantastisch optreden met muziek van Mendelssohn en Grieg van het piepjonge strijkkwartet dat ook al eens heeft opgetreden bij Podium Witteman: Viride.

Huizen - Hen Aersen en de nummers 1 en 2

De voorzitter van de jury, Henk Aertsen, tussen Odette Jonkers en ondergetekende

Het gedicht is een sonnet. Ik las ergens dat het gedicht een ‘Italiaans sonnet’ werd genoemd. Voor mijn gevoel is het een vorm die ergens tussen het Italiaanse sonnet en het Shakespeare-sonnet in ligt. Het heeft geen duidelijk afsluitend distichon (twee goed gemarkeerde slotregels), maar de wending tussen de eerste acht regels en het afsluitende sextet is ook niet al te duidelijk.

Door Cornelis W. Schoneveld is een vertaling gepubliceerd van alle 44 sonnetten onder de titel Liefdesbiecht in klinkdicht (uitg. Liverse, Dordrecht, 2014). Zijn vertaling van onder andere het onderhavige gedicht, vindt u hier. Ritmisch en inhoudelijk vind ik Schonevelds vertaling, hoewel bekwaam uitgevoerd, een beetje rommelig.

Een mooie vertaling van dit gedicht is door Rainer Maria Rilke gemaakt in 1908 (Sonette aus dem Portugiesischen).

Vertaling:

Hoe ik je liefheb?
(Sonnet 43)

Hoe ik je liefheb? Laat me ‘t eens nagaan.
Ik heb je lief zo diep en hoog en wijd
als mijn ziel reikt, die onbespied een tijd
in dienst van Zijn en zaligheid mag staan.

Bij elk klein ongerief van het bestaan,
heb ik je lief, bij zon, in schemertijd.
Ik heb je lief om niet, als uit gerechtigheid.
Ik heb je zuiver lief, al wijkt de lof voor blaam.

Ik heb je lief met kinderlijke trouw,
met gloed die ooit aan bitterheid ontsproot.
Ik heb je lief met vuur dat bijna doofde in rouw

omdat mijn engel ging. Ik heb je lief als deelgenoot
in vreugde en verdriet, en als ‘k op God vertrouw,
verdiept mijn liefde zich nog na de dood.

Origineel:

How Do I Love Thee?
(Sonnet 43)

How do I love thee? Let me count the ways.
I love thee to the depth and breadth and height
My soul can reach, when feeling out of sight
For the ends of being and ideal grace.

I love thee to the level of every day’s
Most quiet need, by sun and candle-light.
I love thee freely, as men strive for right.
I love thee purely, as they turn from praise.

I love thee with the passion put to use
In my old griefs, and with my childhood’s faith.
I love thee with a love I seemed to lose

With my lost saints. I love thee with the breath,
Smiles, tears, of all my life; and, if God choose,
I shall but love thee better after death.

Uitgelicht bericht

Immanuel

Immanuel

De kikkers kwaken in de zwarte beek.
Een stille schaduw nadert hoog en snel.
De hemel is de voorhof van de hel.
Het goede nieuws is vrijwel altijd fake.

Maar weinig is wat het zojuist nog leek.
Een kikker kwaakt luidkeels ‘Immanuel’,
want driemaal heilig is het liefdesspel:
“En zeg tot wie geen tong heeft: ‘spreek’!”

De schaduw is een vorm van blasfemie.
Verlustigend en zwijgend ziet hij toe:
gekonkel, brouille, seks of sodomie,

het alsmaar kijken wordt hij nimmer moe.
De dood is het domein van de historici.
En genoten vlees is eeuwig taboe.

(Eigen werk)

Uitgelicht bericht

Herfstziel – Georg Trakl

De dichter Georg Trakl (1887-1914) was een Oostenrijks dichter die overrompelende verzen schreef met een expressionistische vorm en toon. (Ik laat de hyperlink wijzen naar het Duitse Wikipedia-artikel, want het Nederlandse artikel is bar slecht en klinkt bovendien te vertaald.)

Voor een klein overzichtje van wat het ‘expressionisme’ betekende voor de lyrische dichtkunst, verwijs ik eveneens naar een Duits Wikipedia-artikel: Expressionismus (Literatur), onder het subkopje Lyrik.

Trakl groeide betrekkelijk gelukkig op in een groot gemengd luthers/katholiek gezin, maar bezat een zwaarmoedige aard. De beroemde filosoof van taal en logica Ludwig Wittgenstein heeft hem een tijdlang ondersteund met een financiële toelage. Hij was enigszins religieus in christelijke zin, zij het volstrekt onorthodox, maar zijn oog voor schuld en zonde was aanmerkelijk groter dan zijn besef van verlossing: hij is op 27-jarige leeftijd aan een overdosis cocaïne overleden.

In de titel van dit gedicht komen de begrippen ‘herfst’ en ‘ziel’ samen, twee begrippen die vaak voorkwamen in Trakls gedichten: het najaar resoneerde het best met zijn geestelijke toestand, en de ziel met zijn pijnigingen was een van zijn hoofdthema’s.

Het gedicht heeft vier strofen met regels die zeven (staand of mannelijk rijm) of acht (slepend of vrouwelijk rijm) lettergrepen kennen. Het metrum is trochaeïsch, dat wil zeggen dat het een afwisseling van beklemtoonde en onbeklemtoonde lettergrepen heeft en begint met een beklemtoonde lettergreep. (De meeste Nederlandse gedichten zijn jambisch en beginnen dus met een onbeklemtoonde lettergreep.)

Het rijm van elke strofe is abba – waarbij de a-rijmen staand zijn en de b-rijmen slepend. Ik heb soms een halfrijm toegepast waar in het origineel een volrijm werd gebruikt.

Dit gedicht is geschreven in augustus 1913, nadat hij een tijd vaak wel gelukkig, maar soms ook angstig had doorgebracht met vrienden als Karl Kraus, Adolf Loos und Bessie Bruce in Venetië.

In elke strofe staat een kleur centraal: bruin (herfstig), zwart (somber), blauw (afgezonderd), rood (pijnlijk).

Vertaling:

Herfstziel
(2e versie)

Jachtgeroep, geblaf om bloed;
achter kruis en bruine heuvel
schittert zacht de waterspiegel,
schreeuwt de havik schel en luid.

Boven stoppelveld en pad
siddert reeds een inktzwart zwijgen;
pure hemel tussen twijgen;
slechts de beek vloeit stadig af.

Dra ontglipt ons vis en wild.
Blauwe ziel, dit duister dwalen,
maakte ons eenzaam, telkenmale.
Avond wisselt zin en beeld.

Eenvoud, goedheid – brood en wijn,
God in uw clemente handen
legt de mens het duister einde,
alle schuld en rode pijn.

Origineel:

Herbstseele
(2. Fassung)

Jägerruf und Blutgebell;
Hinter Kreuz und braunem Hügel
Blindet sacht der Weiherspiegel,
Schreit der Habicht hart und hell.

Über Stoppelfeld und Pfad
Banget schon ein schwarzes Schweigen;
Reiner Himmel in den Zweigen;
Nur der Bach rinnt still und stad.

Bald entgleitet Fisch und Wild.
Blaue Seele, dunkles Wandern
Schied uns bald von Lieben, Andern.
Abend wechselt Sinn und Bild.

Rechten Lebens Brot und Wein,
Gott in deine milden Hände
Legt der Mensch das dunkle Ende,
Alle Schuld und rote Pein.

Uitgelicht bericht

Doodsfuga – Paul Celan

De dichter Paul Celan (1920-1970) was een duitstalige jood die in Tsjernivtsi – toenmalig Roemenië, tegenwoordig Oekraïne – werd geboren. Hij wordt beschouwd als een van de grootste lyrische dichters van het Duitse taalgebied. Zijn ouders werden door de nazi’s vermoord. Zelf maakte hij in Parijs in 1970 een einde aan zijn leven.

Het gedicht Todesfuge is een van de beroemdste gedichten uit zijn oeuvre. Het is overduidelijk een Holocaust-gedicht met een bezwerende toon, en het maakt gebruik van een obsessieve herhaling van zinsneden. Een fuga is een muziekvorm waarin ook bepaalde muzikale frasen op wisselende toonhoogten herhaald worden.

In het gedicht wordt zwarte melk gedronken, op alle tijden van de dag, en het is niet overdreven om te vermoeden dat het de bedoeling is dat je als lezer of toehoorder het gevoel krijgt dat er hier wordt gekokhalsd.

In het gedicht wordt een kampcommandant opgevoerd die kennelijk diepe gevoelens heeft voor een hoogblonde germaanse dame die luistert naar de naam Margarete, terwijl tezelfdertijd een joodse dame met de naam Sulamith wordt ontmenselijkt en vermoord.

dein-aschenes-haar-sulamith-anselm-kiefer-72578-copyright-kroller-muller-museum (1)

Anselm Kiefer, Dein aschenes Haar Sulamith, 1981 (copyright Kröller Müller  Museum)

De donkerte, de zwarte lucht die schemert naar Duitsland, is een beeld voor de rook die de schoorsteen van het moordcrematorium verlaat. De scène die wordt opgeroepen is een beeld van joodse gevangen die een graf graven terwijl andere gevangen daarbij geestdriftig dienen te musiceren terwijl de bruut zelf hen met zijn honden opjaagt en hoont.

Hier is een geluidsfragment waarin Paul Celan zijn gedicht zelf (heel mooi) voordraagt.

Er zijn geen leestekens, maar ik denk niet dat iemand daarover hoeft te struikelen. Het geeft een effect van grote wanhopige koortsachtigheid, met twee wegstervende slotzinnen.

Margarete is een verwijzing naar de blonde Gretchen in Goethes Faust. Sulamith is een joodse naam en zij komt voor in Hooglied 6:13 (SV): “Keer weder, keer weder, o Sulammith! Keer weder, keer weder, dat wij u mogen aanzien. Wat ziet gijlieden de Sulammith aan? Zij is als een rei van twee heiren.”

Het gedicht heeft Anselm Kiefer geïnspireerd tot verschillende kunstwerken, waarvan er één hierboven is afgebeeld.

Een collega-twitteraar die zich op dat forum Maarten Devant noemt, heeft me onlangs uitgedaagd om dit gedicht te vertalen. Dank – die uitdaging heb ik aangenomen.

Vertaling:

Doodsfuga

Zwarte melk van de vroegte wij drinken die ‘s-avonds
wij drinken die ’s-middags en ’s-morgens wij drinken die ‘s-nachts
wij drinken en drinken
wij delven een graf in de luchten daar lig je wat minder benauwd
In het huis woont een man die speelt met de slangen die schrijft
die schrijft als het duistert naar Duitsland
jouw goudblonde haar Margarete

Hij schrijft het en opent de deur en er fonkelen sterren
hij fluit dan zijn honden nabij
hij fluit dan zijn joden tevoorschijn laat delven een graf in de aarde
hij beveelt ons zweep je nu op tot de dans

Zwarte melk van de vroegte wij drinken die ‘s-nachts
wij drinken die ’s-middags en ’s-morgens wij drinken die ‘s-avonds
wij drinken en drinken
In het huis woont een man die speelt met de slangen die schrijft
die schrijft als het duistert naar Duitsland
jouw goudblonde haar Margarete
jouw asgrauwe haar Sulamith wij delven een graf in de luchten daar lig je wat minder benauwd

Hij roept steek dieper de grond in ja jullie en jullie anderen zing maar en speel
hij grijpt in zijn koppel naar ijzer en zwaait het zijn ogen zijn blauw
steek dieper die spaden ja jullie en jullie anderen zweep weer op tot de dans

Zwarte melk van de vroegte wij drinken die ‘s-nachts
wij drinken die ’s-middags en ’s-morgens wij drinken die ‘s-avonds
wij drinken en drinken
in het huis woont een man jouw goudblonde haar Margarete
jouw asgrauwe haar Sulamith hij speelt met de slangen

Hij roept speel de dood lekker lokkend de dood is een meester uit Duitsland
hij roept strijk donkerder nog die violen dan stijg je als rook in de lucht
dan heb je een graf in de wolken daar lig je wat minder benauwd

Zwarte melk van de vroegte wij drinken die ‘s-nachts
wij drinken die ’s-middags de dood is een meester uit Duitsland
wij drinken die ’s-avonds en ’s-morgens wij drinken en drinken
de dood is een meester uit Duitsland zijn oog schittert blauw
hij treft je met kogels van lood hij raakt je dan rauw
in het huis woont een man jouw goudblonde haar Margarete
hij stuurt dan zijn honden recht op ons af hij schenkt ons een graf in de lucht
hij speelt met de slangen en droomt met dwang de dood is een meester uit Duitsland

jouw goudblonde haar Margarete
jouw asgrauwe haar Sulamith

Origineel:

Todesfuge

Schwarze Milch der Frühe wir trinken sie abends
wir trinken sie mittags und morgens wir trinken sie nachts
wir trinken und trinken
wir schaufeln ein Grab in den Lüften da liegt man nicht eng
Ein Mann wohnt im Haus der spielt mit den Schlangen der schreibt
der schreibt wenn es dunkelt nach Deutschland
dein goldenes Haar Margarete

er schreibt es und tritt vor das Haus und es blitzen die Sterne
er pfeift seine Rüden herbei
er pfeift seine Juden hervor läßt schaufeln ein Grab in der Erde
er befiehlt uns spielt auf nun zum Tanz

Schwarze Milch der Frühe wir trinken dich nachts
wir trinken dich morgens und mittags wir trinken dich abends
wir trinken und trinken
Ein Mann wohnt im Haus der spielt mit den Schlangen der schreibt
der schreibt wenn es dunkelt nach Deutschland
dein goldenes Haar Margarete
Dein aschenes Haar Sulamith

wir schaufeln ein Grab in den Lüften da liegt man nicht eng

Er ruft stecht tiefer ins Erdreich ihr einen ihr andern singet und spielt
er greift nach dem Eisen im Gurt er schwingts seine Augen sind blau
stecht tiefer die Spaten ihr einen ihr anderen spielt weiter zum Tanz auf

Schwarze Milch der Frühe wir trinken dich nachts
wir trinken dich mittags und morgens wir trinken dich abends
wir trinken und trinken
ein Mann wohnt im Haus dein goldenes Haar Margarete
dein aschenes Haar Sulamith er spielt mit den Schlangen

Er ruft spielt süßer den Tod der Tod ist ein Meister aus Deutschland
er ruft streicht dunkler die Geigen dann steigt ihr als Rauch in die Luft
dann habt ihr ein Grab in den Wolken da liegt man nicht eng

Schwarze Milch der Frühe wir trinken dich nachts
wir trinken dich mittags der Tod ist ein Meister aus Deutschland
wir trinken dich abends und morgens wir trinken und trinken
der Tod ist ein Meister aus Deutschland sein Auge ist blau
er trifft dich mit bleierner Kugel er trifft dich genau
ein Mann wohnt im Haus dein goldenes Haar Margarete
er hetzt seine Rüden auf uns er schenkt uns ein Grab in der Luft
er spielt mit den Schlangen und träumet der Tod ist ein Meister aus Deutschland

dein goldenes Haar Margarete
dein aschenes Haar Sulamith

Uitgelicht bericht

A Leap in the Dark

A Leap in the Dark

Voor RvK

Misschien ben je een huismus of een heks,
Een hinde die in herfstigheden kan verdwijnen,
Een Netflix-kijkster die van plan is te gaan lijnen,
Frigide soms, beschimmeld, dol op seks.

Straks kus je nog Tyrannosaurus Rex –
Er volgt een Nacht der Girondijnen,
De angst, Me Too, en helse pijnen.
Je wou een maatje, en je wordt zijn ex.

Je wou iets anders, en je wou iets geks.
Je hing als kat te krijsen in gordijnen,
Er bleef iets dromerigs uit groene ogen schijnen,
Geluk is raar en moeilijk en complex.

Daar staat hij dan, de man met duizend zielen,
Hij velt een Goliath, zijn geest omspant de eeuw,
Een Simson die kan vechten met een leeuw,
Die sneller is dan duurbetaalde imbecielen.

Hij is een man die seculier kan knielen,
Snel als een zwaluw, wendbaar als een meeuw,
Met mooier nest dan mus of spreeuw,
Bij wie de rest afsteekt als dode zielen.

Vergeet onmiddellijk die andere fossielen,
De Himalaya ligt bevroren in de sneeuw,
Beklim de top en slaak een luide schreeuw:
Hij weet de dooie dood nog te bezielen.

(Eigen werk. Dit gedicht is op verzoek gemaakt.)

Uitgelicht bericht

Sterveling

Sterveling

Als ik boos ben, hak ik uw kop eraf,
als ik blij ben, kus ik uw wangen.

Ik prijs Banksy als ik de blits maak,
als ik hip ben, draag ik een baard.

Als ik geil ben, denk ik heel goed na –
geen zorgen – over pudeur,
over de Aufforderung zum Tanz.

Nadenken staat in een kwade reuk,
maar als ik de geest krijg,
schrijf ik u verzen.

Als ik God ben, verlos ik u onmiddellijk –
gratis en voor niks – stem op mij!

Als duivel houd ik mij in:
met gekken is het heelal reeds gevuld.

Soms lach ik sardonisch;
als zondaar veins ik berouw.

Als sterveling zoek ik u misschien,
en knip ik – dat staat vast –
mijn nagels.

Zullen ze doorgroeien
als ik dood ben,
tot in de eeuwen der eeuwen?

(Eigen werk)

Uitgelicht bericht

Herfst – Rainer Maria Rilke

Rainer_Maria_Rilke_Author-869x1024 (1)

Rainer Maria Rilke

Rainer Maria Rilke (1875-1926) is een van de grootste lyrische dichters van het Duitse taalgebied. Het gedicht Herbst oogt eenvoudig en is een beroemd gedicht in zijn oeuvre.

Een kleine excursie vooraf: ooit heb ik het verzameld proza van Martinus Nijhoff (1894-1953) gelezen, uiteraard nadat ik een bewonderaar van zijn gedichten was geworden. Nijhoff besprak veel boeken, en op zeker moment werd hij geacht Uren met Dirk Coster van E. du Perron (1899-1940) te bespreken (Du Perron was iemand met wie hij ook letterlijk op de vuist zou gaan). Dirk Coster was een man van gezag in zijn tijd, over wie Henriëtte de Beaufort (1890-1982) in haar levensbericht voor de Maatschappij der Nederlandse Letterkunde schreef:

Nooit is hij afgeweken van zijn beginsel, dat ook de literaire schoonheid verworteld is met religieuze moraal, die hij soms liefde, een andermaal goedheid noemt. Wordt de schoonheid van deze groeibodem afgesplitst, dan kan zij geen levenskracht blijven en is gedoemd uiteen te vallen.

Dat kon natuurlijk niet verder afstaan van de beginselen van Forum, het tijdschrift waarin Ter Braak en Du Perron schreven. En Du Perron ondernam dan ook een poging om Coster te verpletteren, een poging die grotendeels geslaagd moet worden genoemd. Niemand weet meer wie Dirk Coster is.

Nijhoff kon destijds dat vernietigende boek van Du Perron over Coster niet bespreken; hij vond Du Perrons boek te polemisch, te vernietigend, te negatief. En dat schreef hij toen ook, een heel kort stukje, in plaats van de gevraagde bespreking.

Er zijn duidelijke overeenkomsten tussen Nijhoff en Rilke: beiden zijn het ‘witte magiërs’ – de term is van de dichter Hendrik de Vries (1896-1989) – dat wil zeggen sensitieve dichters die probeerden alles wat ze voelden en beseften, en ook alle dromen, gruwelen, verwachtingen, angsten, hoge gedachtevluchten, een plaats te geven in hun poëzie. Felle pennetwisten, meningenstrijd, polemiek konden ze daar eigenlijk niet bij gebruiken.

Het onderhavige gedicht lijkt op het eerste gezicht een relatief eenvoudig gedicht over de herfst, een vers dat het lot van vallende blaadjes thematiseert, algemeen maakt, zodat het ook over onszelf, onze dood, onze existentiële angsten, onze mislukkingen gaat. En dat is het ook.

Maar er is nog wel iets meer over te zeggen: verreweg de beste tekst die ik over dit gedicht ken, is van de hand van Coen Wessel, een PKN-predikant uit Hoofddorp. Hij heeft heel aannemelijk gemaakt dat de beeldtaal van de beeldhouwer Auguste Rodin belangrijk is om dit gedicht goed te begrijpen. Wessels verbazing (ook de mijne) betrof de introductie van de ‘handen’ – wat niet zo voor de hand ligt als het over vallende blaadjes gaat. Wessel maakt aannemelijk dat Rilkes metafoor ontleend is aan de beeldtaal van Rodin. Het artikel van Wessel vindt u hier. (Een link naar de uitgebreidere Duitse tekst die verschenen is in een liber amicorum van Andreas Pangritz vindt u onderaan het artikel.)

Wessel heeft in dit artikel ook zelf een vertaling van eigen hand opgenomen die ik mooi vind. Diens slotregels vind ik metrisch niet helemaal goed lopen, en hij mist het rijm fält/hält. Het halfrijm gaarden/gebaren had ik onafhankelijk van hem gevonden, maar hij was er eerder mee.

Een vertaling van de gelauwerde vertaler Peter Verstegen vindt u hier. Deze vertaling ligt, vrees ik, ver beneden het peil dat Verstegen met andere vertalingen wist te bereiken.

Vertaling:

Herfst

De bladeren vallen – als uit oneindigheid,
Als dorden er verre hemelse gaarden;
Ze vallen met afwerende gebaren.

En ’s-nachts, dan valt de zware aarde,
Weg van de sterren, in de eenzaamheid.

Wij allen vallen. Het geldt ook deze hand.
En zie naar de andere: het is in allen.

Toch is er Iemand die dit algemene vallen
Oneindig teder met zijn hand omvaamt.

Origineel:

Herbst

Die Blätter fallen, fallen wie von weit,
als welkten in den Himmeln ferne Gärten;
sie fallen mit verneinender Gebärde.

Und in den Nächten fällt die schwere Erde
aus allen Sternen in die Einsamkeit.

Wir alle fallen. Diese Hand da fällt.
Und sieh dir andre an: es ist in allen.

Und doch ist Einer welcher dieses Fallen
unendlich sanft in seinen Händen hält.

Uitgelicht bericht

Sonnet 130 – Shakespeare

Shakespeare_(oval-cropped) (1)

William Shakespeare

Dit sonnet van William Shakespearesonnet 130, een van de 154 – is gericht aan de Zwarte Dame, The Dark Lady. Het is geen moeilijk en zelfs een heel toegankelijk gedicht, maar je moet wel even begrijpen dat Shakespeare hier de draak steekt met de petrarkistische conventies (de door Petrarca in het leven geroepen dichterlijke gewoonten) om de geliefde met fraaie beeldspraak te overladen: lippen zijn koraalrood, de geliefde beweegt zich voort als een godin, de haren zijn gouden draden en de ogen stralen zeker zo intens als de zon.

Al deze dingen zijn op Shakespeare’s geliefde niet van toepassing, en dan komt de pointe: nochtans houdt hij zielsveel van haar.

Het oorspronkelijke gedicht is geschreven in jambische vijfvoeten (het metrum van elke versregel is dus als volgt: pom-póm, pom-póm, pom-póm, pom-póm, pom-póm). Ik heb de meeste (12 van de 14) regels vertaald met een jambische zesvoet (één keertje extra pom-póm).

Het Shakespeare-sonnet wijkt af van het Italiaanse sonnet. De wending of volte komt niet na de achtste regel, maar na de twaalfde. De laatste twee regels geven de pointe.

Ik heb de eerste twaalf regels weergegeven in kwatrijnvorm omwille van de leesbaarheid – wat in de oorspronkelijke Shakespeare-uitgaven vaak niet gebeurde.

Vertaling:

Sonnet 130

De ogen van mijn lief zijn echt niet hemelsblauw;
Haar lippen steken bleekjes af bij rood koraal,
Als sneeuw dan wit is, is haar boezem zeker grauw?
Die zwarte draden maken haar nog net niet kaal.

Ik zag soms rozen, damascener-rood en -wit,
Maar zulke blossen tonen toch haar wangen niet.
Waar menig parfum een verfijnd bouquet bezit,
Blijkt dat haar adem naar iets anders riekt.

Ik luister graag naar haar, maar weet heel goed
Dat het nou niet bepaald muziek der sferen is.
Godinnen komen je soms zwierig tegemoet,
Terwijl mijn lief weer aan het klossen is.

Maar toch, hoezeer zij met die beelden wordt onteerd,
Ik heb haar lief – en er is niets dat mij nog deert.

Origineel:

Sonnet 130

My mistress’ eyes are nothing like the sun;
Coral is far more red than her lips’ red.
If snow be white, why then her breasts are dun;
If hairs be wires, black wires grow on her head.

I have seen roses damasked, red and white,
But no such roses see I in her cheeks;
And in some perfumes is there more delight
Than in the breath that from my mistress reeks.

I love to hear her speak, yet well I know
That music hath a far more pleasing sound.
I grant I never saw a goddess go:
My mistress when she walks treads on the ground.

And yet, by heaven, I think my love as rare
As any she belied with false compare.

Uitgelicht bericht

Maanreis

Maanreis

Naar de maan
Ga ik misschien
Morgen,
Of overmorgen.

Kaartjes
Zijn goedkoop.
Er staan rijen
Voor het loket.

Er moet wel
Wat gebeuren
Aan die enorme
Kale kraters,
Aan dat gebrek
Aan water.

Er hangen geen rozen
Zwaar aan de muren.
Er tsjilpen misschien
Geen mussen.

Niemand spreekt af
Onder het beeld.

Er klinkt geen muziek.
Er is geen kliniek.

Maar er is,
God zij geloofd
En gedankt,
En geprezen,
Geen spoor
Van ressentiment.

Ik weet niet
Of dat genoeg is
Om naar de maan
Te gaan.

(Eigen werk)

Uitgelicht bericht

The Big Baboon

Donald Trump Stairs

Descending from the stairs

Spotversje over Onze Grote Transatlantische Broeder:

The Big Baboon

As he descends
– Recording blurred –
From silver stairs,
No laugh was heard.

The Airforce One
Inhaled, relieved,
The scattered words
No one believed.

On his Grand Slam
He’s holding forth,
Without intent
To kiss the earth.

As pompous
As his wife is lean,
He takes a selfie
With the Queen.

He’s with the Universe
At odds.
He’s at the banquets
With the gods.

We always knew
He’s coming soon,
In tailored suit:
The Big Baboon.

Christ told us
Not to call our fellows fools.
It is not always easy
To obey His rules.

(Eigen werk)

Uitgelicht bericht

De afwezigheid – R.S. Thomas

r.-s.-thomas-4da1a5eab4f6b_360x225

Ronald Stuart Thomas

Ronald Stuart Thomas (1913-2000) was een Welshe dichter die ook zijn leven lang in Wales woonde en werkte als een Anglicaans priester. Hij was een groot natuurliefhebber, had een vrij vergaande afkeer van moderne zaken die hij vond afleiden waar het in het leven echt om ging, en hij schreef in het Engels.

Een aardige bespreking door Theodore Dalrymple van zijn biografie – Byron Rogers, The Man Who Went into the West: The Life of R. S. Thomas, Aurum Press – vindt u hier.

Hij was een merkwaardige, eenzelvige figuur die prachtige gedichten schreef, getrouwd was met de schilder Mildred (Elsi) Eldridge (aan wie hij een paar zeer fraaie gedichten heeft gewijd – zie elders op dit blog). Kingsly Amis – zeker geen geestverwant – schreef dat zijn poëzie “reduces most other modern verse to footling whimsy” (=triviale gekkigheid). Hij is in Nederland niet zeer bekend.

Dit gedicht is wel geheimzinnig, maar niet heel moeilijk.

Het gaat over het bidden tot een God wiens aanwezigheid bijna net zo reëel is als zijn maar al te reële afwezigheid.

Ik ben opgegroeid in een gereformeerd-vrijgemaakt milieu, een GPV-milieu, waarin dit gedicht zonder twijfel met onbegrip en afwijzing ontvangen zou zijn, althans in mijn vormende jaren (jaren ’70-’80).

In SGP-kringen – een milieu van bevindelijke christenen – heb ik soms wel begrip gevonden voor de in dit gedicht uitgedrukte gevoelens van godsvrucht die gewoon kunnen samengaan met gevoelens van godverlatenheid.

Je kunt het gedicht misschien als lakmoesproef gebruiken om refo’s van grefo’s (orthodox-gereformeerden van bevindelijk-gereformeerden) te onderscheiden.

De slotregel verwijst naar de Horror Vacui – angst voor de leegte – een begrip uit de oudheid dat natuurkundige en filosofische betekenissen draagt.

Vertaling:

De afwezigheid

Het is deze immense afwezigheid,
bijna een aanwezigheid, die me ertoe
noopt iets te zeggen zonder hoop
op antwoord. Een kamer die ik binnenga

waaruit net iemand is verdwenen,
een vestibule in afwachting
van iemand die nog niet is gekomen.
Ik probeer mijn anachronistische taal

te moderniseren, maar evengoed
blijft hij weg. Genen, moleculen
hebben net zo min kracht hem op te roepen
als de wierook der Hebreeën

aan het altaar. Mijn vergelijkingen deugen niet,
net als mijn woorden. Welk middel heb ik,
behalve de goddeloze leegheid van mijn wezen,
een vacuüm waarvoor hij misschien niet terugdeinst?

Origineel:

The Absence

It is this great absence
that is like a presence, that compels
me to address it without hope
of a reply. It is a room I enter

from which someone has just
gone, the vestibule for the arrival
of one who has not yet come.
I modernise the anachronism

of my language, but he is no more here
than before. Genes and molecules
have no more power to call
him up than the incense of the Hebrews

at their altars. My equations fail
as my words do. What resources have I
other than the emptiness without him of my whole
being, a vacuum he may not abhor?

Uitgelicht bericht

Naar het einde – R.S. Thomas

rs_thomas_01

Ronald Stuart Thomas

De Welshe dichter Ronald Stuart Thomas (1913 – 2000) was een anglicaanse dominee die meest Engelse gedichten schreef. Kingsley Amis zei ooit dat Thomas’ poëzie de meeste moderne gedichten degradeert tot triviale gekkigheid.

Hij heeft met zijn religieuze houding, met zijn neiging om zich met de profetenmantel te behangen, en toch ook wel met de klap waarmee zijn versregels soms aankomen, wel enige overeenkomst met Ida Gerhardt.

Dit gedicht is niet heel moeilijk: wijze mensen worden niet gehoord in het tumult van de tijd, en de meeste mensen luisteren naar raadgevers die adviseren om je rust aanstonds te verkopen, met – uiteraard – tumult als gevolg.

De titel is dubbelzinnig: deze betekent ‘periode’, ‘tijdperk’, maar natuurlijk ook ‘punt’, ‘afsluiting’. Ik heb deze daarom vertaald met ‘Naar het einde’.

Het origineel is hier raadpleegbaar (R.S. Thomas, Collected Poems: 1945-1990).

Naar het einde

’t Was een tijd waarin wijze mensen
Niet zwegen, maar werden gesmoord
In rumoer en geraas. Ze doken onder
In boeken die niemand las.

Het publiek leende gaarne het oor
Aan twee raadgevers. De een riep
Uitentreuren: ‘Koop’; de ander, nog
Overtuigender: ‘Verkoop hier uw rust’.

Origineel:

Period

It was a time when wise men
Were not silent, but stifled
By vast noise. They took refuge
In books that were not read.

Two counsellors had the ear
Of the public. One cried ‘Buy’
Day and Night, and the other,
More plausibly, ‘Sell your repose’.

 

Uitgelicht bericht

Vredesplan

Vredesplan

Hij was een stille, slanke man,
Met kleine ogen en een klein gebrek.
De mensen vonden hem maar gek;
De tijd vroeg om een vredesplan.

Niemand wist er het fijne van.
Hij zat te staren op een hek.
Hij sprak soms tot een blauw verstek.
Ik hoop dat u hem volgen kan.

De meeuwen doken om hem heen.
Ze vreesden voor hun pril gebroed.
Ze krijsten, maar de man zei: “Neen,

Niet altijd komen dingen goed.”
De wereld werd weer stukken steen,
En ergens sijpelde nog bloed.

(Eigen werk)

Uitgelicht bericht

 Ik ga Angelina, ga jij met me mee?

Ik ga Angelina, ga jij met me mee?

‘Ik ga Angelina, ga jij met me mee? –
De kusten zijn woest en de luchten subliem.’
Ik stond op een rots en ik keek naar de zee.

Ze zei eerst geen ‘ja’, maar ze zei ook geen ‘nee’.
Ze speelde haar spel – het spel was een mime.
‘Ik ga Angelina, ga jij met me mee?’

Ze ontvouwde zichzelf als een pracht-orchidee.
Ze kuste mij vurig, langdurig, intiem.
Ik stond op een rots en ik keek naar de zee.

We sliepen die nacht zonder breedbeeld-tv.
Wie schikt zich niet gaarne in Amors regime?
‘Ik ga Angelina, ga jij met me mee?’

Ze lag onbeweeglijk en leek heel tevree.
Er schuilt in de liefde een giftige kiem.
Ik stond op een rots en ik keek naar de zee.

Gods goedheid, Gods almacht, de theodicee,
Bracht niemand ter sprake – ik bleef anoniem.
‘Ik ga Angelina, ga jij met me mee?’
Ik stond op een rots en ik keek naar de zee.

(Eigen werk)

Uitgelicht bericht

Alles went

Alles went

De blijde wetenschap dat alles went
Geeft rust aan wie haar grondig kennen;
Je hoeft niet dood te vallen op een cent.

Misschien wil je wel worden wie je bent:
Het mooiste is om anderen te jennen;
Je weet dat ook de vroomste leugen went.

Had deze dame goesting in een vent?
Ze liet zich af en toe intiem verwennen;
Je hoeft niet dood te vallen op een cent.

Ik denk dat u het zuigende ‘appeal’ wel kent
Van tafelpoten en van jonge dennen,
Al klopt het wel dat ook hun aanblik went.

Dat geldt niet voor een lubberende krent,
Welks vadsigheden wij wat graag ontkennen:
Een liposuctie kost een lieve cent.

Roep niet te snel om straf of een agent;
Wie omziet, ziet de dood al rennen:
Hein weet heel goed dat doodgaan went,
Ook voor degeen die doodvalt op een cent.

(Eigen werk)

Uitgelicht bericht

Sonnet 78 – Shakespeare

Shakespeare_(oval-cropped) (1)De Engelse dichter, toneelschrijver en acteur William Shakespeare (1564-1616) wordt algemeen beschouwd als een van de grootste dichters die ooit heeft geleefd. Naast toneelwerk in verzen heeft hij ook 154 sonnetten geschreven die al vaker in het Nederlands vertaald zijn. Veel van die vertalingen zijn ook wel online te vinden.

In Sonnet 78 blijkt dat Shakespeare te maken heeft met geleerde concurrenten. Het betreft hier waarschijnlijk “een groep elizabethanen, bekend als de […] University Wits, (…)”, althans volgens Peter Verstegen, die een tweetalige editie van de sonnetten heeft gemaakt en ook een commentaar heeft geschreven bij elk sonnet (William Shakespeare, Sonnetten, Amsterdam: G.A. van Oorschot, 1993, p.268).

Shakespeare steekt de draak met de geleerdheid van zijn rivalen, en de aanbedene zorgt er in de slotregels voor dat Shakespeare zelfs nog als geleerde in de schaduw van zijn concurrenten kan staan. Veel toelichting heeft het gedicht verder niet nodig.

In veel gevallen worden de eerste twaalf regels als één blok geschreven. Ik heb ze als kwatrijnen genoteerd omwille van de leesbaarheid.

Vertaling:

Sonnet 78

Heel dikwijls riep ik jou als muze aan,
Wat al mijn verzen zeer te stade kwam;
Door vreemde pennen werd het nagedaan,
Zodat men nog wat van hun poëzie vernam.

Jouw ogen leerden zwijgers kwinkeleren,
Verhieven logge domheid in de lucht,
Geleerde wieken kregen heuse veren,
Waar gratie was, nam die nog hoger vlucht.

Verhef je maar op wat ik nederschrijf,
Jij bent de oorsprong, en jij bent het vuur.
Kunst die zich warmt aan jou, beklijft,
Bij broeders geeft het hooguit wat structuur.

Kern van mijn kunst ben jij, en zelfs bereid
Jij nog geleerdheid uit mijn dommigheid.

Origineel:

Sonnet 78

So oft have I invoked thee for my muse,
And found such fair assistance in my verse
As every alien pen hath got my use,
And under thee their poesy disperse.

Thine eyes, that taught the dumb on high to sing
And heavy ignorance aloft to fly,
Have added feathers to the learned’s wing
And given grace a double majesty.

Yet be most proud of that which I compile,
Whose influence is thine, and born of thee.
In others’ works thou dost but mend the style,
And arts with thy sweet graces gracèd be;

But thou art all my art, and dost advance
As high as learning my rude ignorance.

Uitgelicht bericht

Zwarte trocheeën

Zwarte trocheeën

Niemand durf ik iets te vragen,
Angst is alles wat ik voel.
Leed is steevast onvoldragen,
Bid een mincha in de sjoel.

Ongenadig is het leven,
Tragisch is ons aards bestaan,
Gratis is al wat wij geven,
Graven zien ons grijnzend aan.

Ritmisch leven, ritmisch denken,
Wissel kalmte af met vuur.
Laat het Schip van Staat maar zwenken,
Blijf de baas van eigen stuur.

Graaf een kuil en jammer bitter,
Aan de dood ontkomt niet een.
Schrijf geen vuig bericht op Twitter.
Vloek geen vromen, werp geen steen.

Houd maar vast aan je conundrum,
Aan je wanhoop en je lust.
Liefde lonkt als een postscriptum,
Slechts voor wie zijn noodlot kust.

(Eigen werk)

Uitgelicht bericht

Terugdenken aan schoonheid – George S. Fraser

Gisteravond, 30 januari 2019, was in Theater De Boerderij in Huizen de prijsuitreiking van de poëzie-vertaalwedstrijd die werd georganiseerd door de Stichting Kunst en Cultuur Huizen en de Bibliotheek Huizen-Laren-Blaricum. Ik won de derde prijs met mijn vertaling van On a Memory of Beauty van George S. Fraser. Door omstandigheden kon ik helaas niet aanwezig zijn.

De Schotse dichter George Sutherland Fraser (1915-1980) is niet heel erg bekend, en als u zijn naam wel eens tegenkomt, dan misschien vaker als criticus en man of letters dan als dichter, wat hij ook was.

oorkondepoc3abzievertaalwedstrijdHet gedicht is gepubliceerd in The Traveller has Regrets and Other Poems (1948).

Het juryrapport kunt u hier nalezen.

De voor mijn vertaling relevante passages uit het juryrapport luiden:

 

“Een enkeling koos voor een wat vrijere vertaling [van de titel] en daar is niets op tegen, zoals Terugdenken aan schoonheid. Mooi gevonden. Ik moest toen ik dat las, denken aan de beginregel van het gedicht van Hendrik Marsman: Denkend aan Holland zie ik brede rivieren traag door oneindig laagland gaan.”

“Deze inzender dankt zijn prijs aan de compacte stijl, goed lopende en ritmisch verantwoorde regels die op een natuurlijke manier rijmen (d.w.z. zonder rijmdwang). Een regel als haar welving in het woelen der zee is een fraaie vondst. Daar stond wel weer tegenover dat de inzender een paar keer qua stijl en woordgebruik de plank misslaat en is daarom op de derde plaats gekomen.”

(Het is mij niet geheel duidelijk waar ik “qua stijl en woordgebruik” de plank heb misgeslagen, maar het is altijd goed om ter zake oplettend te blijven.)

Een interpretatie van het gedicht door jurylid Petra Kos, vindt u hier.

Vertaling:

Terugdenken aan schoonheid

Hoe komt het dat het hart verflauwt
Bij zee en rots, gekweld door leed
Dat het een lief gezicht maar niet onthoudt –
‘t Decor bewaart, de vrouw vergeet?

Maar is het ondeelbaar of zijn het er twee,
Was het een meisje of een sculptuur?
Schuimt haar welving in het woelen der zee,
Herstelt de lente opnieuw haar figuur?

Zo vluchtig als schoonheid ons bescheen,
Zo snel wordt ook van golf of wolk het beeld,
Hun vluchtig aspect, dat verdween,
In de geheugenzeef verspeeld.

En wat ik diep van binnen vind?
Rare, wilde dingen,
Zwoegend als zwanen in de sneeuw, half-blind –
Hoor de stervende zwaan zingen.

Origineel:

On a Memory of Beauty

How can the heart for sea and stone
Be cumbered, and forget a face
That moved it once to fret and moan—
Forget the woman, see the place?

But was it one or was it two,
Was it a statue or a girl?
Might every spring her form renew,
And the white sea-froth be her curl?

Beauty but for a moment shone,
The likeness of a cloud or wave
Whose momentary aspect, gone,
The sieve of memory cannot save.

Right at the back of my head I know
Incredible wild things
Struggle like swans half-blind with snow—
And the dying swan sings.

 

 

 

Uitgelicht bericht

De Profundis

De Profundis

Waar kan ik hier,
Als ik mag vragen,
Ik ben hier nieuw,
Mijn ongerief kwijt,
De herrie,
Het loos alarm,
Dat driftige getok,
Losgaande regen
Op een golfplaten dak?

De stank die zich hier
Aan je opdringt,
Is een muffe sjaal,
Zo’n tiranniek breisel
Dat om en om moest
Van je moeder
Als het best meeviel.

Waar kan ik hier
Mijn tranen storten?

En waarom
Heb ik geen poes,
Metafoor met pootjes
En lieve oortjes,
Die ligt te spinnen
Tussen de geraniums?

Kan ik hier ook
Mijn trouwe demonen
Fatsoenlijk uitlaten
(Ik zoek nog naar de bak
Voor hun poep)?

Wie wil er eigenlijk
Met mij naar bed?

Wie luistert naar mij
Als ik bid?

(Eigen werk)

Uitgelicht bericht

Alle lust wil eeuwigheid – Friedrich Nietzsche

nietzsche1882

Friedrich Nietzsche, 1882 (Photographie von Gustav Adolf Schultze)

Friedrich Nietzsche (1844-1900) is een belangrijke 19e-eeuwse Duitse schrijver en taalgeleerde die na zijn dood beroemd is geworden als filosoof. Een filosoof in eigenlijke zin is hij (volgens mij) nauwelijks – er is geen filosofisch systeem dat zijn naam draagt – maar zijn boeken hebben veel invloed gehad op het wijsgerige denken, een invloed die voortduurt tot in onze tijd.

Hij was een van de eersten die probeerden onder woorden te brengen wat het betekent als het christendom – Nietzsche was zelf een domineeszoon – voorgoed zou verdwijnen. Enerzijds juichte hij dat toe; anderzijds leed hij daaronder – de resulterende mentale spanning kon hij uiteindelijk niet aan, en hij bracht zijn laatste jaren als een geesteszieke door.

Diepzinnigheid – al schold hij daarop – was zijn geestesmerk, in een tijd dat de diepzinnigheid verschoof van de religie naar de ideologie.

Nietzsche was een heel goed, maar wel zeer geëxalteerd, poëtisch schrijver. Een van zijn meest dichterlijke boeken is Also sprach Zarathustra. Hierin komt het titelloze gedicht voor dat hier is vertaald. Ik heb dit gedicht een titel gegeven om reden dat het op die manier gemakkelijker is om te onthouden en terug te vinden, maar het is goed te beseffen dat het oorspronkelijke gedicht geen titel droeg.

De Oostenrijkse componist Gustav Mahler heeft het gedicht gebruikt in zijn Derde Symfonie, het vierde deel: 4. Sehr langsam. Misterioso. Een opname (Birmingham Symphony Orchestra) kunt u hier beluisteren.

Het gedicht voldoet niet aan een vast poëtisch stramien, maar is wel ritmisch en bovendien overladen met rijm, wat maakt dat de lezer of luisteraar de intensiteit ervan sterk ervaart. Na de twee openingsregels is de rest van het gedicht datgene wat Middernacht ons te vertellen heeft.

Vertaling:

Alle lust wil eeuwigheid

O Mens! Sla acht
Op ‘t woord van middernacht!
“Ik sliep, ik sliep –
Ontwaakt uit wat de droom mij bracht –
De wereld is zo diep,
Nog dieper dan de dag bedacht.
Diep is haar pijn –
O lust – die dieper is dan treurigheid.
Pijn zegt: Verdwijn!
Maar alle lust wil eeuwigheid,
Wil diepe, diepe eeuwigheid.”

Origineel:

O Mensch! Gib acht!
Was spricht die tiefe Mitternacht?
“Ich schlief, ich schlief –
Aus tiefen Traum bin ich erwacht –
Die Welt ist tief,
Und tiefer als der Tag gedacht.
Tief ist ihr Weh –
Lust – tiefer noch als Herzeleid.
Weh spricht: Vergeh!
Doch alle Lust will Ewigkeit,
will tiefe tiefe Ewigkeit!”

Uitgelicht bericht

De laatste envelop

De laatste envelop

Langzaam maak ik de enveloppen open:
Een bon, een bankafschrift, een sterfgeval.
Bewolkte debetposten, al met al;
Wie durft er nog op wonderen te hopen?

De argumenten om je op te knopen
Groeien per postbezorging in getal.
De weg naar het geluk is lang en smal.
Je moet die eenzaam in het donker lopen.

De laatste envelop die ik tot slot
En met een lichte huiver openmaak –
Hoewel het ding eruit ziet als een vod –

Bewerkt dat ik mijn tobberijen staak.
Ik merk dat iemand met mijn wanhoop spot,
En ik in zalige verwarring raak.

(Eigen werk: een gelegenheidsgedicht als dankbetuiging.)

Uitgelicht bericht

Een kaartje naar de Melkweg

Een kaartje naar de Melkweg

Zacht schoof ik de gordijnen open.
De straten glommen in het zwakke licht.
Een autodeur sloeg woedend dicht.
Ik zag de schimmen door de regen lopen.

Er viel geen touw meer vast te knopen
aan wat, uit noodzaak, sleur of plicht,
door mij was opgeschreven of verricht.
Ik wou een kaartje naar de Melkweg kopen.

Wie laks is en niet goed is voorbereid,
lijdt in de hoogte kans op helse pijnen
en valt ten prooi aan hemelgruis en strijd.

Voilà, een visum, krachtvoer, medicijnen.
Ik wist wat ik moest doen, ik nam de tijd.
De grootste opgaaf is om te verdwijnen.

(Eigen werk)

Uitgelicht bericht

De heks

De heks

De heks zat blakend voor de microfoon.
Haar rode sjaaltje hing een beetje scheef.
Ze sprak op een verleidelijke toon.

Ze weet niet, overwoog ik, waar ik woon.
Het was alsof het parfum overdreef.
De heks zat blakend voor de microfoon.

Haar broche leek sprekend op een anemoon,
Waaraan mijn blik steeds haken bleef.
Ze sprak op een verleidelijke toon.

Haar borsten dansten lichtelijk asynchroon.
‘k Begon te vrezen dat ik iets misdreef.
De heks zat blakend voor de microfoon.

Mijn ouders hielden innig van hun zoon.
Het is geen wonder dat ik verzen schreef.
Ze sprak op een verleidelijke toon.

Voorzichtig kom ik uit mijn comfort zone,
En als ik mij ten slotte aan haar geef,
Zie ik haar blakend voor de microfoon.
Ze sprak op een verleidelijke toon.

(Eigen werk)

Uitgelicht bericht

Over de uitleg van grap en gedicht

Over de uitleg van grap en gedicht

De uitleg van een grap is nooit grappig. Uitleg is voor mijn gevoel meestal ook strijdig met de geest van de grap. De grap blust het vuur van de twist, toont dat het sop de kool niet waard is, ontgrendelt onze gefixeerde blik, stookt een vreugdevuur van onze domheid; de grap relativeert, zegt men dan.

Ons twistmotief wordt door de grap bespot, en ook de gerichtheid van ons streven blijkt verdacht – de grappenmaker vergist zich zelden. De grap gelooft niet in de mogelijkheid dat twistzoekers, zwaarwichtige praters, radicale geesten, dwaallichten op dit moment voor rede of kritiek vatbaar zijn.

De grap gelooft ook niet dat de soep zo heet wordt gegeten als ze wordt opgediend. Deze eigenschap van de grap wekt soms abusievelijk de indruk dat de grappenmaker ‘positief’ in het leven staat, dat hij sombere uitkomsten, gruwelijke gevolgen, akelige verminkingen, massamoord, allerhande ellende onwaarschijnlijk acht.

Niets is minder waar. De meeste grappenmakers zijn – net als de meeste dichters – innig vertrouwd met wanhoop.

De rede is voor ons allemaal meestal heel ver weg, het is onduidelijk of de rede van binnen of van buiten komt, kritiek wordt als ondraaglijk beleefd of als een anomalie beschouwd, en het is zelfs niet helemaal zeker of de mens überhaupt een redelijk wezen is. Denkt u echt dat de mens over zelfkritiek beschikt? Ik doe manhaftig mijn best het te geloven.

Overigens vind ik het wel zeer aanbevelenswaardig om naar redelijkheid te streven, hoe moeilijk het misschien ook is.

Uitleg van de grap is niet een voortzetting, maar wel een terugkeer naar het belachelijk gemaakte streven, de radicaliteit, de twist, het gedram, de geketende blik.

Gedichten en grappen hebben deze belangrijke overeenkomst: ze hebben allebei een transcendent doel en uitleg is dodelijk.

De middelen zijn geheel verschillend, maar gedicht en grap proberen ons te bevrijden van onze gefixeerde blik, onze verbetenheid, ons vanzelfsprekendheidsgevoel, het gevoel dat we terecht boos zijn, het gevoel dat onze goede bedoelingen boven elke kritiek verheven zijn, het gevoel dat we heus alles al wel eens eerder hebben gezien.

Ongecorrigeerde zelfvoldaanheid jaagt ons in galop voort naar onze ondergang. En wie wil dat nou?

Ik doe altijd erg mijn best op m’n poëzievertalingen, en al geef ik soms wel wat summiere toelichting – meestal over zaken die aanvankelijk voor mijzelf een struikelblok vormden – met interpretatie blijf ik toch heel terughoudend.

Overigens staat elk gedicht gewoon op papier. Het ontstaat volgens mij niet alleen in het hoofd van de lezer. Als dat laatste alleen-zaligmakend zou zijn, was het onmogelijk om vertalingen kwalitatief met elkaar te vergelijken.

Dichters hebben wel degelijk iets te zeggen, en ik vind het de moeite waard om te achterhalen wat dat is. Het is daarom dat ik vertaal.

Als u deze tekst een beetje belachelijk vindt, kan ik u geen ongelijk geven.

Uitgelicht bericht

De mooiste kleuren – Karl Ernst Knodt

 

Karl Ernst Knodt (1856-1917) was een Duitse dichter die niet erg bekend is geworden – of althans gebleven. Hij was een domineeszoon uit een Luthers theologengeslacht, en werd ook zelf dominee. Hij is predikant geweest in Gernsheim en Ober-Klingen, stond bekend als de “Waldpfarrer”, onderhield een uitgebreide briefwisseling met Hermann Hesse, en was een steun en toeverlaat voor andere dichters en mensen met dichterlijke aspiraties.

Het gedicht dat ik vertaald heb is niet moeilijk te begrijpen: het verbindt de kleurenpracht vlak voor het vallen van de herfstschemering met het besef dat je niet lang meer te leven hebt.

Het zijn twee kwatrijnen, waarvan alleen de tweede en de vierde regel rijmen.

Vertaling:

De mooiste kleuren

De mooiste kleuren zijn de laatste:
zo zalig vredig, zuiver en sereen.
We zien in dit gerijpte weefsel
De gunsten van het jaar bijeen.

En zo zien onze rijpe zielen
de diepte in die kleurenpracht,
het raadsel van de laatste gloed,
bij ‘t naderen van de laatste nacht.

Origineel:

Die schönsten Farben

Die schönsten Farben sind die späten:
ganz friedensselig, reif und rein.
Gewoben sind in ihre Ruhe
die Jahressegnungen hinein.

So schaut die reife Menschenseele
die Helle höchster Farbenpracht
und das Geheimnis letzten Leuchtens
just an der Pforte letzter Nacht.

Uitgelicht bericht

Als je aan kunst doet

Als je aan kunst doet

Als je aan kunst doet, moet je beelden maken:
Di Lampedusa schiep een zeemeermin uit schelpen;
‘k Plavei met pindakaas, en stut met bonenstaken.

De lampenkap leek wel gemaakt van gouden knaken,
En warmt niet alle liefde zich aan vossenwelpen?
Als je aan kunst doet, moet je beelden maken.

Sint Joris bond de strijd aan met de draken,
Het culturele raamwerk is van elpen,
Ik verf met pindakaas, en klim in bonenstaken.

De wetenschap kan slechts wat codes kraken,
Wie weet nog hoe de publicatievloed te stelpen?
Als je aan kunst doet, moet je beelden maken.

Geneeskracht schuilt, zegt men, in gele pastinaken,
Een halfrijm helpt een vers soms aan te sterken,
‘k Vervloek de pindakaas, en walg van bonenstaken.

Uit welke droom zal niemand ooit ontwaken?
De porno helpt de mens zichzelf te helpen.
Als je aan kunst doet, moet je beelden maken,
Al eet je pindakaas, en plaats je bonenstaken.

(eigen werk)

Uitgelicht bericht

De angst voor de dood

Experiment met klank en metrum.

De angst voor de dood

De angst voor de dood is het grootst in de Doeroelizanen,
En zij krakelieren hun nakroost zo gauw ze voor ’t eerst zijn gekrield.
Verlateringskloet heeft zich snel in hun klompige armen ontzield,
En niemand heeft ooit nog de Karmitoet durven vermanen.

De Karmitoet is, met zijn keilige stroken en platsige wenden,
Door Doerilizanen en Elpen en Pinok met vreugde aanvaard,
Al had onze Pinok bitoeren, en heeft hij dramentig in tarsoe verklaard
Dat hij zijn krawatsen, zijn heil en zijn konterziek spoedig zal zenden.

Zo komt het dat Karmitoet Pinok de droesem amechtig doet klieven,
En Elp zich versnaterd ten koste van Pinok en Doerilizaan.
Het helpt niet bepaald dat dezulken zich troekus en krenk laten gaan,
Maar ach, de graven beslinken zodra het behaagt aan de krong der gelieven.

(Eigen werk)

Uitgelicht bericht

De boom der liefde

De boom der liefde

Ze hoopte dat haar man weer aan zou sterken,
En bette liefdevol het transpirerend hoofd.
Het fraaie kerkhof telt wel duizend zerken.

Een kraai verhief zich schielijk op zijn vlerken:
Wat hij gezien had, had geen mens geloofd.
Ze hoopte dat haar man weer aan zou sterken.

De vogel vloog nu zonder aarzeling ter kerke:
Het liefdesloon is dat men eeuwig slooft.
Het kerkhof zwijgt en telt wel duizend zerken.

De hovenier verzorgde plichtsgetrouw de perken.
De boom der liefde droeg een bitter ooft.
Ze hoopte dat haar man weer aan zou sterken,

En dat de buren nooit iets zouden merken:
Het lijk was van zijn waardigheid beroofd.
Het fraaie kerkhof telt wel duizend zerken.

Ze werd geroerd door ’t bloeden van de berken.
Ze had zijn schedel met een bijl gekloofd.
Ze had gehoopt dat hij weer aan zou sterken.
Het kerkhof telt nu meer dan duizend zerken.

(Eigen werk)

Uitgelicht bericht

Hoofdpiet wordt Heiligman

Graag draag ik ook een steentje bij aan het hier te lande zo welig tierende Zwartepietendebat.

Ik koos voor de vorm van het Ollebolleke of de Dubbele Dactylus, ook wel Dartele Dactylus. Deze  versvorm heeft twee strofen die allebei als metrum hebben: ollekebolleke, ollekebolleke, ollekebolleke, ollekebom. De eerste regel is een soort motto, de tweede een naam, en de tweede regel van de slotstrofe moet uit één woord bestaan. De slotregels van de beide strofen moeten rijmen.

De aanleiding was het bericht dat de hoofdpersoon van het vers, Erik van Muiswinkel, na jarenlang op de televisie Hoofdpiet te zijn geweest, ervoor gekozen heeft om dit jaar als hoofdstedelijke Sinterklaas op te treden.

Hoofdpiet wordt Heiligman –
Erik van Muiswinkel
Koos voor de lijkkleur,
De baard en de staf.

O wat een tragische
Huidkleurverandering,
Want al die wittigheid
Gaat er nooit af!

Uitgelicht bericht

Ergens – R.S. Thomas

De dichter Ronald Stuart Thomas – plattelandsdominee in Wales – was een eigenaardig man. Hij was Welsh, sprak en schreef ook in het Welsh, maar zijn poëzie is vrijwel geheel in het Engels geschreven. Hij verzette zich zijn hele leven tegen bijna alle aspecten van onze moderne wereld, van apparaten tot bikini’s, van glamour tot ronkende tractoren, van popmuziek tot milieuvervuiling. Voordat u nu denkt dat we hier met een idioot te maken hebben, citeer ik nog even de atheïst Kingsly Amis die over zijn dichtkunst zei: “[Thomas’s poetry] reduces most other modern verse to footling whimsy” (footling whimsy = triviale gekkigheid).

Hij was getrouwd met Mildrid Eldrige, een verfijnde schilder, hij hield van vogels kijken en wandelen in het bijna verlaten Welshe landschap.

In dit gedicht steekt hij de draak met onze neiging tot gemakzuchtige nabootsing en de oppervlakkigheid van het moderne toerisme, het zoeken naar ervaringen en thrills die een imitatie zijn van wat je bij anderen hebt gezien of gehoord, de illusie dat je iets meemaakt als je iets nadoet wat een ander reeds voor jou heeft gedaan.

Hij gebruikt alledaagse taal, is treffend in zijn beeldspraak, zijn verzen lopen heel natuurlijk, maar hij gebruikt weinig rijm. Hij gebruikt wel veel enjambementen, zinnen die over de versregels heenlopen.

Misschien zou hij ook wel de draak hebben gestoken met vertalingen.

Vertaling:

Ergens

Iets om mee te nemen zodat je kan
laten zien dat je er was: een lok van Gods
haar, stiekem gestolen toen hij
lag te slapen; een kiekje van de tuin
van de geest. Zoals bekend gaat het
bij het reizen niet om de aankomst,
maar om de thuiskomst, beladen
met stuifmeel die je moet opwerken
Tot de honing waarop de ziel kan teren.

Zijn onze levens niet eigenlijk havens
waarvan we steeds bezig zijn te
vertrekken, vliegvelden die we aandoen,
maar waarop we te kort verblijven
om te zeggen waaraan ze ons doen
denken? En altijd zoeken we
bij de ander de zekerheid van een
ervaring die het waard is om voor te sterven.

Er zal toch wel een reeds afgedragen,
vurig kleed zijn, dat als een uniek
schapenvachtje is opgehangen in de eregalerij?
We vergissen ons toch niet dat het huwelijk
van deze mannen en vrouwen steevast geurt
naar het vroege voorjaar? Ergens moet toch wel
– de rechtvaardiging van al ons speuren –
dat ene licht zijn dat zulke schaduwen werpen kan?

Origineel:

Somewhere

Something to bring back to show
you have been there: a lock of God’s
hair, stolen from him while he was
asleep; a photograph of the garden
of the spirit. As has been said,
the point of travelling is not
to arrive, but to return home
laden with pollen you should work up
into the honey the mind feeds on.

What are our lives but harbours
we are continually setting out
from, airports at which we touch
down and remain in too briefly
to recognise what it is they remind
us of? And always in one
another we seek the proof
of experiences it would be worth dying for.

Surely there is a shirt of fire
this one wore, that is hung up now
like some rare fleece in the hall of heroes?
Surely these husbands and wives
have dipped their marriages in a fast
spring? Surely there exists somewhere,
as the justification for our looking for it,
the one light that can cast such shadows?

Uitgelicht bericht

Rozen

Rozen

Je vouwde
van mijn sidderingen
rode rozen,
rozen die geurden.

Getuite lippen
zonden kleurige bellen
langzaam naar omhoog,
bellen die eindelijk,
zweven konden,
gevuld met huiver.

“Ik geloof
in de regenboog”,
sprak ik ferm,
en strekte
mijn hand
naar haar uit
als een bescheiden
god.

Met onvaste stem
zong ik een lied.

Toen plukte ik
langzaam
de rozen
van haar borsten,
blies zacht
het dons
van haar billen,
en vlijde mezelf,
onder de traag
neerdalende bellen,
geriefelijk
in haar lendenen,
vergenoegd
als een kind.

Wij lachten.
Wij stamelden.
Wij kusten.
Wij ademden.

Wij vergingen
onafwendbaar
in de vlammen
van ons vlees.

“Kom liefste”, riep ik,
“er zijn nog meer bloemen!”

(Eigen werk)

Uitgelicht bericht

Het Derde Rijk – Kurt Tucholsky

Stamps_of_Germany_(Berlin)_1985,_MiNr_748Ik eer op mijn manier – citeren, ter sprake brengen, prijzen – al enkele decennia Kurt Tucholsky (1890-1935), een Duitse dichter en columnist die soms nu nog bewondering wekt bij Nederlandse schrijvers.

Tucholsky was een zeer levendige, dwarse, humoristische en daarmee ook zeer serieuze schrijver, die de opkomst van het nationaalsocialisme niet heeft kunnen meemaken, en die in 1935 zelfmoord pleegde in Zweden.

Vorige week kocht ik in een kringloopwinkel aan de Veluwezoom de Rowohlt-uitgave van de Gedichte van Kurt Tucholsky voor vijftig eurocent. Ik ben er erg blij mee.

Kurt Tucholsky - GedichteKarel van het Reve schreef ooit dat Tucholsky niet erg expliciet over de opkomst van Hitler geschreven had. Hij citeerde toen de zin die hij erg mooi vond, en die ook erg mooi is: “Um mich herum verspüre ich ein leises Wandern. Sie rüsten zur Reise ins Dritte Reich.”

In de bundel die ik gekocht heb, merk ik dat Tucholsky in zekere zin na 1930 over weinig anders schreef. Zijn wereld ging ten onder.

“Wendisch und kaschubisch” zijn aanduidingen van slavische volkeren binnen de Duitse gemeenschap.

Er zijn een paar niet-bestaande Duitse woorden die ik heb vervangen door niet-bestaande Nederlandse woorden.

Ik heb overwogen om een foto van obsceniteiten schreeuwende Zwarte Piet-voorvechters op te nemen. Ik heb dat bewust en opzettelijk niet gedaan.

Vertaling:

Het Derde Rijk

Gewenst: een verheven ideaal
Voor de nationale mens,
Dat men een- en andermaal
Kan bijsnijden naar wens.
Men heeft met duitse mannenmoed
In zegenrijke uren
Een ideaal nieuw opgewroet
Dat ons niet zal bezuren:
Nee, het is niet het Eerste Rijk,
Nee, het is niet het Tweede Rijk…

Het Derde Rijk?
Alstublieft, liefst nu gelijk!

We mogen niet meer massalig zijn –
We moeten eindelijk raszalig zijn –
En vrijduits, jongduits, haard-en-erfjes-wolkerig,
En samenklontend, volks en volksig, volkerig,
En wat dan ook.
Wie het gelooft
Zal zalig zijn. Wie ’t niet gelooft, is
Heus een uitgezakte Paci- en Bolsjewist.

Het Derde Rijk?
Alstublieft, liefst nu gelijk!

Het Derde Rijk is vol van loos geluk.
We halen onze broeders eindelijk weer terug:
Sudetenduitsers, Saarduitsers,
Eupenduitsers en Deenseduitsers…
We staan steevast pal! Bejubelen de vrede.
Tijd nu voor oorlog. Wat zijn we hier beneden?
In ‘t Derde Rijk is de overwinning zeker,
Lekker onder mekaar.

Maar zacht gezegd, wat zien we daar?
Daar heerst de knoet, de sabel, de karwats,
Daar schittert zilver, bonte linten op het pak,
Daar wordt het tijdrad weer teruggedraaid –
We roepen ‘vaderland’ als ‘t echt niet langer gaat…
Daar zijn we allen rijk, gelijk
In ’t Derde Rijk.
De puurste wendische, slavische ariërs.

Ja, heus… En ook nog proletariërs!
Die ons vast als bevrijders zullen zien!
Die God gaan danken in de morgendienst –
Ze merken meteen:
We zijn sloebers als voorheen,
Opnieuw het zwoegende, grauwe gemeen,
Arme schelmen zonder hooi en haver –
Maar wel:
In ‘t Derde Rijk.

Ja, dat zijn wij.
Een blik in de statistiek:
We fabriceren veel. Meest vaderlandmystiek.

Origineel:

Das Dritte Reich

Es braucht ein hohes Ideal
der nationale Mann,
daran er morgens allemal
ein wenig turnen kann.
Da hat denn deutsche Manneskraft
in segensreichen Stunden
als neueste Errungenschaft
ein Ideal erfunden:
Es soll nicht sein das erste Reich,
es soll nicht sein das zweite Reich…

Das dritte Reich?
Bitte sehr! Bitte gleich!

Wir dürfen nicht mehr massisch sein –
wir müssen durchaus rassisch sein –
und freideutsch, jungdeutsch, heimatwolkig
und bündisch, völkisch, volkisch, volkig…
und überhaupt.
Wers glaubt,
wird selig. Wer es nicht glaubt, ist
ein ganz verkommener Paz- und Bolschewist.

Das dritte Reich?
Bitte sehr! Bitte gleich!

Im dritten Reich ist alles eitel Glück.
Wir holen unsre Brüder uns zurück:
die Sudetendeutschen und die Saardeutschen
und die Eupendeutschen und die Dänendeutschen…
Trutz dieser Welt! Wir pfeifen auf den Frieden.
Wir brauchen Krieg. Sonst sind wir nichts hienieden.
Im dritten Reich haben wir gewonnenes Spiel.
Da sind wir unter uns.

Und unter uns, da ist nicht viel.
Da herrscht der Bakel und der Säbel und der Stock –
da glänzt der Orden an dem bunten Rock,
da wird das Rad der Zeit zurückgedreht –
wir rufen »Vaterland!«, wenns gar nicht weitergeht…
Da sind wir alle reich und gleich
im dritten Reich.
Und wendisch und kaschubisch reine Arier.

Ja, richtig… Und die Proletarier!
Für die sind wir die Original-Befreier!
Die danken Gott in jeder Morgenfeier –
Und merken gleich:
Sie sind genau so arme Luder wie vorher,
genau solch schuftendes und graues Heer,
genau so arme Schelme ohne Halm und Haber –
Aber:
im dritten Reich.

Und das sind wir.
Ein Blick in die Statistik:
Wir fabrizieren viel. Am meisten nationale Mistik.

Uitgelicht bericht

Straten van goud

Straten van goud

De Heilige Stad heeft straten van goud.
Een vlammengloed besluit het jaargetijde.
Zie toe – dit tafereel is eeuwen oud.

Van haat vervulden doen haast alles fout.
’t Klimaatvooruitzicht stemt niet tot verblijden.
De Heilige Stad heeft straten van goud.

Soms word je door de goden afgesnauwd.
De zoutpilaren zijn niet te benijden.
Zie toe – dit tafereel is eeuwen oud.

De harten van de mensen worden koud.
De dichtkunst weet geen warmte te verspreiden.
De Heilige Stad heeft straten van goud.

Een bloeddoorlopen eeuw is ons vertrouwd,
Voor wie geleden heeft, wie heeft doen lijden.
Zie toe – dit tafereel is eeuwen oud.

Kloekmoedigheid was vroeger meestal ‘stout’,
(Wat ons nog slechts tot geilheid kan verleiden).
De Heilige Stad heeft straten van goud.
Zie toe – dit tafereel is eeuwen oud.

(Eigen werk)

Uitgelicht bericht

Hersenspoeling

Dit is een kleine oefening in het schrijven van een villanelle, een heel strenge versvorm waarin twee regels die onmiddellijk in de eerste strofe van drie regels worden genoemd, afwisselend worden herhaald in de volgende strofen, om uiteindelijk, na elkaar in het slotkwatrijn op te treden als slotregels.

Een villanelle heeft negentien regels: vijf strofen van drie regels waarin de refreinregels uit het openingsterzine afwisselend worden herhaald, en een afsluitend kwatrijn waarin de refreinregels optreden als slotregels. Er komen slechts twee rijmklanken in voor.

Hersenspoeling

Het spoelen van de hersens kun je leren:
Soms louter weerstand wat je tegenkomt.
Het is het privilege van de hoge heren

Om zomaar iets zelfzuchtigs te beweren,
En door te lullen tot de tegenstand verstomt.
Het spoelen van de hersens kun je leren.

Het hebben van bezit wekt alom ons begeren,
En wie niks heeft, denkt meestal dat dat komt
Door ’t privilege van de hoge heren.

Een duffe garderobe met confectiekleren
Wordt niet door simpel kletsen uitgegomd.
Het spoelen van de hersens kun je leren.

Maar wie zich met het eigentijdse redeneren
Onledig houdt, en zich als populist vermomd,
Omzeilt het privilege van de hoge heren.

Toch hoeft de lezer niet te dispereren,
Want het komt hoe dan ook weer goed: verdomd,
Het spoelen van de hersens kun je leren,
Dat blijft het privilege van de hoge heren.

(Eigen werk)

 

Uitgelicht bericht

Schapen zoeken op de maan

Schapen zoeken op de maan

Schapen zoeken op de maan naar water.
Het veer glijdt zacht over de doodsrivier.
De wespen doen zich hier te goed aan bier.
Successen komen nu, of nooit, of later.

De godsdienststichter stortte in een krater.
Een witte eenhoorn danste van plezier.
De tederheden dwalen op papier,
Je ziet het misschien niet, maar toch, het staat er.

Ik ben, weet ik, geen man van bacchanalen,
Geen god meer die triomfen viert in bed,
Al trek ik in gedachten volle zalen,

En schrijf ik vlijtig voort aan dit sonnet.
Ze kunnen desgewenst me komen halen:
‘k Woon driehoog achter, in een serviceflat.

(Eigen werk)

Ik had dit gedicht ingezonden voor de Turing Gedichtenwedstrijd 2018. Er waren ongeveer 7000 inzendingen. De beoordeling vond in een aantal ronden plaats. Mijn gedicht was doorgedrongen tot de tweede ronde waarin nog 1000 gedichten over waren gebleven. Elk van deze 1000 gedichten ontving een beknopt juryrapport. Mijn rapport luidde:

Pittig, prettig gedicht. De onverwachte beelden en contrasten intrigeren meteen. Het rijm sluipt handig binnen, zonder al te veel nadrukkelijkheid. In de eerste en tweede strofe zwermt het sonnet vele kanten op, wat een zekere vaagheid teweegbrengt. Na de volta wordt het persoonlijker en duidelijker, maar tevens eenduidiger. Het gedicht zwakt af naar het einde toe. Desalniettemin getuigt het sonnet van vakmanschap.

Uitgelicht bericht

Sonnet 66 – Shakespeare

De dichter William Shakespeare (1564-1616) heeft, behalve een heleboel toneelwerk in verzen (verreweg het meeste daarvan is trouwens pure poëzie), ook 154 sonnetten geschreven. Hier volgt de vertaling van Sonnet 66. Het is geen moeilijk sonnet. De dichter somt, na eerst gezegd te hebben dat hij om al deze dingen liever dood zou zijn, allerhande akeligs op, en zegt vervolgens dat hij er al lang niet meer geweest zou zijn, ware het niet dat hij het niet over zijn hart kan krijgen om zijn geliefde alleen te laten.

Het is dus de liefde die zin geeft aan een bestaan dat zinloos zou zijn door alle onheil en krankzinnigheid die de wereld te zien en te verstaan geeft. Opmerkelijk is dat alle akelige dingen abstracties zijn: een bedelende deugd, versmade trouw, eerbetoon aan de lafheid, misbruikte kuisheid, besmeurde zuiverheid, misleide goedheid.

De vorm van het gedicht is het Engelse sonnet (of Shakespeare-sonnet): drie rijmende kwatrijnen (strofen van vier regels), afgesloten met een rijmend distichon (een strofe van twee regels). De wending, cesuur of volte komt pas na de eerste twaalf regels.

Vertaling:

Sonnet 66

Hier walg ik van, het liefste was ik dood:
Neem nou de deugd die bedelt aan de straat,
En geile niksigheid, getooid in kirrend rood,
En echte trouw die akelig wordt versmaad,

En eer die op de lafheid wordt gespeld,
En kuisheid die aan pooiers valt ten prooi,
En zuiverheid die wordt besmeurd voor geld,
En sterkte die voor misbruik wordt vergooid,

En kunst die wordt gemuilkorfd door gezag,
En eenvoud, weggehoond voor dommigheid,
En dwaasheid, met kordate oogopslag,
En goedheid, door sirenenzang misleid.

Hier walg ik van, en ‘k was al lang gegaan,
Als ik mijn liefste niet in tranen had zien staan.

Origineel:

Sonnet 66

Tired with all these, for restful death I cry:
As, to behold desert a beggar born,
And needy nothing trimm’d in jollity,
And purest faith unhappily forsworn,

And gilded honour shamefully misplaced,
And maiden virtue rudely strumpeted,
And right perfection wrongfully disgraced,
And strength by limping sway disablèd,

And art made tongue-tied by authority,
And folly, doctor-like, controlling skill,
And simple truth miscalled simplicity,
And captive good attending captain ill.

Tired with all these, from these would I be gone,
Save that to die I leave my love alone.