Uitgelicht bericht

De therapie – R.S. Thomas

Ronald Stuart Thomas (1913-2000) was een Engels dichter die afkomstig was uit Wales en daar ook woonde en werkte als een Anglicaans priester. Hij was getrouwd met de schilder Mildred (Elsi) Eldridge. Hij is in Nederland niet zeer bekend.

De stijlvorm van het gedicht The Cure – vrije verzen met goed gekozen enjambementen (de zin loopt over de versregels heen) – wordt vaak gebruikt door R.S. Thomas.

Het onderhavige gedicht, afkomstig uit de bundel Poetry for Supper (1958), p.41, is een gedicht waarin wordt getwijfeld.

Er wordt in de eerste plaats gewezen op de navelstaarderij waartoe de dichter geroepen is sinds hij zich een buitenstaander voelt en er buiten hemzelf nauwelijks nog zielzorg wordt bedreven. R.S. Thomas lijkt zich hoogst ongemakkelijk te voelen bij het idee dat de dichter zichzelf zou moeten genezen. (Een schrijver is zijn eigen therapeut, zei W.F. Hermans.)

Maar er wordt vervolgens getwijfeld aan de mogelijkheden die de dichter heeft om de cultuur te redden, om zich met de profetenmantel te behangen, om politiek heil te brengen, niet omdat “Poetry makes nothing happen“, zoals W.H. Auden zei, maar omdat de cultuur er misschien zelden beter van wordt.

Karel van het Reve schreef ooit een limerick waarin dezelfde twijfel wordt uitgesproken (in dit geval uiteraard op een spottende manier):

Gij wilt bij de mensen in tel zijn
En strijden voor ’t algemeen welzijn,
Ik wens u het beste,
Maar zult gij ten leste
Wel meer dan een luidende schel zijn?

Dan nu de vertaling:

De therapie

Wat te doen? Verzendokters komen
Nauwelijks nog voor, de meeste dichters
Zijn hun eigen patiënt, genoopt eerst
Zichzelf te behandelen, met de eeuwige klacht
Dat ze anders zijn. Bedenk, eer jouw
Ruwe hand het subtiele gestel
Zal beroeren van een zieke cultuur ,
Welke streken van dat kranke lichaam
Kunnen echt niet zonder dichterstherapie.

Origineel:

The Cure

But what to do? Doctors in verse
Being scarce now, most poets
Are their own patients, compelled to treat
Themselves first, their complaint being
Peculiar always. Consider, you,
Whose rough hands manipulate
The fine bones of a sick culture,
What areas of that infirm body
Depend solely on a poet’s cure.

 

 

 

 

Uitgelicht bericht

Ecce Puer – James Joyce

Voor de wedstrijd Nederland Vertaalt, een samenwerking van Verstegen & Stigter en NRC, gesubsidieerd door het Prins Bernhard Cultuurfonds, had ik een vertaling ingezonden van Ecce Puer, een gedicht van de Ierse schrijver James Joyce (1882-1941). Het oorspronkelijke gedicht is opgenomen in Collected Poems (1936).

Mijn vertaling is niet genomineerd voor de prijzen.

De genomineerde vertalingen zijn hier te vinden.

De titel betekent: Zie het kind, naar analogie van het bekende woord Ecce Homo, zie de mens, dat de Romeinse landvoogd Pontius Pilatus sprak toen hij de gegeselde Jezus met doornenkroon en spotmantel toonde aan een verzamelde Joodse menigte.

Het gedicht beschrijft de ontroering van een vader die zijn slapende kind ziet, die de wonderlijke oorsprong van het nieuwe leven ondergaat, die de wording van een nieuw mens beleeft, maar die tevens beseft dat de komst van het kind zijn vertrek aankondigt.

Het gedicht eindigt met een verwijzing naar het kruiswoord My God, my God, why hast thou forsaken me? – Mijn God, mijn God, waarom hebt Gij Mij verlaten? – met dit verschil dat hier de vader verlaten wordt, waarbij de vader tevens gemaand wordt degene die het gevoel van verlatenheid oproept – zijn zoon – te vergeven. Een gedeeltelijke en geraffineerde omkering dus.

Het gedicht werd door Joyce geschreven in 1932 ter gelegenheid van de geboorte van een kleinkind en kort na het overlijden van zijn vader.

James Joyce wordt beschouwd als een van de belangrijkste schrijvers van het Modernisme. Zijn bekendste boek is de roman Ulysses.

Mijn vertaling:

ECCE PUER

Een kind wordt geboren
Uit duistere zee.
Mijn hart wordt verscheurd
Door vreugde en wee.

Zacht in zijn wiegje
Sluimert het leven.
Moge liefde en genâ
Hem uitzicht geven!

Een pril bestaan
Wordt geademd op glas;
De wereld verschijnt
Die eerder niet was.

Daar slaapt nu een kind,
Een grijsaard ten hoon.
O vader, verlaten,
Vergeef je zoon!

Origineel:

ECCE PUER

Of the dark past
A child is born.
With joy and grief
My heart is torn.

Calm in his cradle
The living lies.
May love and mercy
Unclose his eyes!

Young life is breathed
On the glass;
The world that was not
Comes to pass.

A child is sleeping:
An old man gone.
O, father forsaken,
Forgive your son!

Uitgelicht bericht

Onherhaalbaar – Peter Rühmkorf

Voor de wedstrijd Nederland Vertaalt, een samenwerking van Verstegen & Stigter en NRC, gesubsidieerd door het Prins Bernhard Cultuurfonds, heb ik een vertaling ingezonden van Auf was nur einmal ist, een gedicht van Peter Rühmkorf. Het origineel is afkomstig uit: Haltbar bis Ende 1999 (Hamburg 1979).

Mijn vertaling is niet genomineerd voor de prijzen.

De genomineerde vertalingen zijn hier te vinden.

Mijn vertaling:

Onherhaalbaar

Voor Heinrich Maria Ledig-Rowohlt

Soms wik je: is dat dan het leven?
Soms weeg je: is dit nu het wezen?
Als je opgroeit, slaan de luiken dicht – voorbij.
Geestdrift geweken, vluchtig belezen,
kijk, dat ben jij.

En je denkt misschien: ik ga ten onder,
peilloos diep en gruwelijk – :
Eentje uit de grote hagelhoop,
kleurloos, nauwelijks bijzonder,
kijk, dat ben ik.

Maar dan, plotsklaps, tijdens loos geslenter,
scheurt de schil, komt de getemde pracht pas vrij,
vliegen vonken tussen hoed en schoen:
Deze pertinente wending van de route,
deze uithaal naar het abnormale,
in dit onherhaalbaar, onherroepelijk moment:
kijk, dat ben jij.

Origineel:

AUF WAS NUR EINMAL IST

Für Heinrich Maria Ledig-Rowohlt

Manchmal fragt man sich: ist das das Leben?
Manchmal weiß man nicht: ist dies das Wesen?
Wenn du aufwachst, ist die Klappe zu.
Nichts eratmet, alles angelesen,
siehe, das bist du.

Und du denkst vielleicht: ich gehe unter,
bodenlos und fürchterlich –:
Einer aus dem großen Graupelhaufen,
nur um einen kleinen Flicken bunter,
siehe, das bin ich.

Aber dann, aufeinmalso, beim Schlendern,
lockert sich die Dichtung, bricht die Schale,
fliegen Funken zwischen Hut und Schuh:
Dieser ganz bestimmte Schlenker aus der Richtung,
dieser Stich ins Unnormale,
was nur einmal ist und auch nicht umzuändern:
siehe, das bist du.

Uitgelicht bericht

Op de helft – Friedrich Hölderlin

[Deze vertaling bevat nog vertaalfouten.]

Friedrich Hölderlin (1770-1843) is een belangrijke Duitse dichter. Zijn verzen zijn klassiek van vorm, soms romantisch van inhoud, bijna altijd lyrisch van toon. Hij slaagt er vaak in je mee te slepen, je te vervoeren.

Zijn vader en stiefvader overleden toen hij nog vrij jong was. Zijn moeder had een toekomst als predikant voor hem in gedachten, maar hij koos betrekkelijk vastberaden voor zijn ware roeping: dichter. Hij bezat een aan de klassieke Griekse cultuur ontleende tragische levensopvatting. Zijn werk getuigt tevens van een religieus, maar niet-christelijk, levensbesef. Friedrich Nietzsche was een bewonderaar.

Hölderlin was filosofisch ingesteld. Hij heeft, naast gedichten, een wijsgerig werk geschreven (Urteil und Seyn), een filosofische roman (Hyperion oder Der Eremit in Griechenland), een treurspel (Empedokles); hij vertaalde ook Sophocles.

Het onderhavige gedicht, Hälfte des Lebens, is geschreven kort voor een zenuwinzinking.

Het gedicht is een van de beroemdste Hölderlin-gedichten. Het kent twee strofen, beide van zeven versregels. De eerste strofe roept een stralend levensbegin op, de tweede een treurig levenseinde. De enjambementen lopen over het gehele gedicht heen en verschaffen dichterlijke samenhang. De versregels zijn kort; er is geen eindrijm. Hölderlin volgde hierin klassieke voorbeelden na.

De eerste levenshelft wordt opgeroepen met beeldspraak: rijpe vruchten, fraaie bloesems, een weelderige oever, dichterlijke zwanen, warme liefde. De beelden zijn zowel natuurlijk als sacraal en religieus. Het adjectief ‘heilignuchter’ brengt beide aspecten samen.

De tweede strofe, en daarmee de tweede levenshelft, begint met een weeklacht: het roept gemis op, een ruïneuze cultuur, vlaggen die nog wapperen terwijl de geest reeds geweken is.

[De openingszin staat in de aanvoegende wijs?]

[Werk in uitvoering]

Vertaling:

Op de helft

Dat het land met gele peren,
En bezaaid met wilde rozen,
Moge huiven boven het meer,
Gij aanbiddelijke zwanen,
Dronken van kussen,
Ge doopt het hoofd
In heilignuchter water.

Wee mij, waar vind ik, als
Het winter is, de bloemen, waar
De zonneschijn,
De schaduwen der aarde?
De muren staan hier
Sprakeloos en koud; in de wind
Wapperen hol de vlaggen.

Origineel:

Hälfte des Lebens

Mit gelben Birnen hänget
Und voll mit wilden Rosen
Das Land in den See,
Ihr holden Schwäne,
Und trunken von Küssen
Tunkt ihr das Haupt
Ins heilignüchterne Wasser.

Weh mir, wo nehm´ ich, wenn
Es Winter ist, die Blumen, und wo
Den Sonnenschein,
Und Schatten der Erde ?
Die Mauern stehn
Sprachlos und kalt, im Winde
Klirren die Fahnen.

Uitgelicht bericht

Gun me een jongemannendood – Roger McGough

1102_untitled_001

Fotograaf: Will Wilkinson

Roger McGough (1937, Litherland, Lancashire, Engeland) is een nu bijna tachtigjarige Engelse dichter, televisiemaker en kinderboekenschrijver. Hij hoort bij de Liverpool poets, heeft samengewerkt met The Beatles, gaf mede vorm aan de beatcultuur van de jaren zestig. Hij presenteert het programma Poetry Please, op BBC Radio 4.

Het maken van een vertaling van McGoughs gedicht Let Me Die A Youngman’s Death was de opdracht van een vertaalwedstrijd die werd georganiseerd door Stichting Kunst en Cultuur Huizen in samenwerking met de plaatselijke bibliotheek. De prijsuitreiking vond plaats op 25 januari 2017 met Maartje van Weegen als presentatrice en een onderhoudend programma dat werd afgesloten met mooie muziek, uitgevoerd door het Staffa Trio. Het winnende gedicht kunt u hier nalezen.

(Ik had ook vorig jaar meegedaan. Zie mijn blogbericht Het pad dat ik niet nam – Robert Frost.)

Onderstaande vertaling was mijn inzending. Deze is niet in de prijzen gevallen. Wel had de jury in mijn vertaling een domme spelfout ontdekt (ik … wordt), waarvoor dank, een fout die ik uiteraard verbeterd heb. Ik heb nog twee andere wijzigingen ten opzichte van mijn inzending aangebracht: (i) titel en de openingsregel heb ik gewijzigd in Gun me een jongemannendood. Mijn inzending had Gun me een ferme-jongensdood om reden dat het Engelse youngman een ongebruikelijke, enigszins archaïsche schrijfwijze is van young man, en het gedicht ook een homo-erotische suggestie bevat: angst voor gerommel met de zoon van de maîtresse. Bij nader inzien klinkt ‘ferme-jongensdood’ me wat al te oubollig in de oren: ferme jongens, stoere knapen; (ii) ik heb het woord ‘onophoudelijke’ vervangen door ‘immer’ omwille van de beknoptheid.

Het thema van de Poëzieweek (26-01-2017 tot 3-02-2017) is ‘humor’. McGoughs gedicht was gekozen omdat het humoristisch zou zijn. De veronderstelde humor schuilt o.a. in de woordgrappen: ‘a constant good tumour’ – stralende tumor i.p.v. stralend humeur; gangsters die je bij de kapper ‘a short back and insides’ geven – ‘a short back and sides’ is een kapsel met achterhoofd en boven de oren kaalgeschoren, en ‘insides’ is je inwendige. De humor schuilt tevens in de beschrijving van het verlangen om een spectaculaire en avontuurlijke dood te sterven, terwijl het gedicht er ondertussen gewoon van uit gaat dat de hoofdpersoon ten minste 104 jaar oud wordt. Gruwelijke ongelukken en moordscènes worden voorgesteld als een aantrekkelijk levenseinde. Een vredige dood – iets wat de meeste mensen hopen te bereiken – wordt beschreven als iets wat je beter niet kunt hebben. Alles wordt in betrekkelijk gewone woorden verteld, al is de toon hier en daar bijna lyrisch, wat grappig contrasteert met de inhoudelijke bravoure.

Ik vind het gedicht desondanks niet bijzonder humoristisch. Het getuigt naar mijn smaak meer van een Jan Cremer-achtige jongemannenbranie dan van humor, al heeft McGough wel wat meer zelfrelativering dan Ik-Jan.

De vorm van het gedicht is vrij, regellengte varieert, interpunctie ontbreekt. Het gedicht kent hier en daar alliteratie en gebruikt alleen eindrijm aan het begin en het eind bij de obstinate herhaling van het woord dood (rime riche). De slotstrofe is een echo van de openingsstrofe. Het gedicht heeft vaart, mede door het ontbreken van leestekens.

The Cavern is een nachtclub in Liverpool die in de jaren zestig beroemd werd als de ‘poptempel’ waarin The Beatles debuteerden.

mersey-sound

Originele omslag van The Mersey Sound

Het gedicht werd gepubliceerd in de bundel The Mersey Sound (medeauteurs: Adrian Henri en Brian Patten), Harmondsworth: Penguin 1967.

In 2012 publiceerde McGough een parodie op het onderhavige gedicht onder de titel Not For Me A Youngman’s Death.

Vertaling:

Gun me een jongemannendood

Gun me een jongemannendood
geen nette en tussen witte
lakens liggende wijwater-dood
geen beroemde-laatste-woorden
vredig naar adem happende dood

Ik hoop op m’n 73e
en met een immer stralende tumor
’s morgens vroeg te worden neergemaaid
door een felrode sportwagen
op weg naar huis
na een hele nacht doorzakken

Of dat ik op m’n 91e
met haren van zilver
in een kappersstoel zal zitten
en door binnenstormende boze gangsters
met bombastische repeteergeweren
aan flarden word geknipt en geschoren

Of dat ik op m’n 104e
en zojuist uit The Cavern gezet
door m’n maîtresse word
betrapt met haar dochter in bed
en dat ze bezorgd om haar zoon
mij in kleine stukjes hakt
en alle stukjes weggooit op eentje na

Gun me een jongemannendood
geen zondeloze stilletjes
in kaarsvet wiegende en kwijnende dood
geen dichte gordijnen door engelen gedragen
‘mooie manier om dood te gaan’-dood

Origineel:

Let Me Die A Youngman’s Death

Let me die a youngman’s death
not a clean and inbetween
the sheets holywater death
not a famous-last-words
peaceful out of breath death

When I’m 73
and in constant good tumour
may I be mown down at dawn
by a bright red sports car
on my way home
from an allnight party

Or when I’m 91
with silver hair
and sitting in a barber’s chair
may rival gangsters
with hamfisted tommyguns burst in
and give me a short back and insides

Or when I’m 104
and banned from the Cavern
may my mistress
catching me in bed with her daughter
and fearing for her son
cut me up into little pieces
and throw away every piece but one

Let me die a youngman’s death
not a free from sin tiptoe in
candle wax and waning death
not a curtains drawn by angels borne
‘what a nice way to go’ death

Uitgelicht bericht

Wie het meeste liefheeft – W.H. Auden

De Engelse dichter Wystan Hugh Auden is in mijn ogen een van de grootste dichters van de twintigste eeuw.

Het gedicht The More Loving One is een beroemd gedicht dat Auden schreef in 1957, en dat werd gepubliceerd in de bundel Homage to Clio. Het is een kenmerkend gedicht omdat het tegelijkertijd ontroert en spot met zichzelf.

Het onderwerp is universeel – iedereen kent het: ‘onbeantwoorde liefde’, en het gedicht werkt een centrale metafoor uit van begin tot eind: sterren die je wel kunt liefhebben, maar die jou nooit zullen liefhebben.

De zelfspot wordt uitgedrukt doordat een sterretje meer of minder kennelijk onverschillig is voor de vurige sterrenminnaar.

Het laatste kwatrijn gaat in op het verdwijnen van het voorwerp van de liefde. Er wordt niet alleen berust, de lof van de afwezige sterren – het sublieme – wordt zelfs bezongen, maar gemakkelijk zal het niet gaan.

Auden had een relatie met Chester Kallman, dichter, librettist en vertaler, een relatie die niet in alle opzichten bevredigend en gelijkwaardig was. Dit gedicht wordt ten slotte ook wel eens geïnterpreteerd in religieuze zin: er zit niks anders op voor de sterfelijke mens dan te houden van een verre God van wiens liefde we niet altijd even veel merken.

Het gedicht bestaat uit vier kwatrijnen met een strak rijmschema: aabb.

[Werk in uitvoering]

Vertaling:

Wie het meeste liefheeft

Als ik kijk naar de sterren, weet ik zeer goed
Dat mijn bestaan er voor hen niet toe doet.
Maar onverschilligheid is ‘t minste kwaad;
We moeten vrezen wie ons naar het leven staat.

Stel dat een ster voor ons stond te laaien,
Zonder dat we ooit terug konden zwaaien?
Als je op wederliefde niet kunt bouwen,
Maak mijn liefde groter dan de jouwe.

Al blijf ik luid mijn lofzang kwelen
Op sterren die ’t geen reet kan schelen,
Ik kan niet zeggen, nu ‘k ze zie,
Dat er één mist, zo een twee drie.

Als al die sterren sterven of verzwinden,
Zal ik de duisternis subliem gaan vinden,
En naar een lege hemel leren turen,
Maar dat zal wel een tijdje duren.

Origineel:

The More Loving One

Looking up at the stars, I know quite well
That, for all they care, I can go to hell,
But on earth indifference is the least
We have to dread from man or beast.

How should we like it were stars to burn
With a passion for us we could not return?
If equal affection cannot be,
Let the more loving one be me.

Admirer as I think I am
Of stars that do not give a damn,
I cannot, now I see them, say
I missed one terribly all day.

Were all stars to disappear or die,
I should learn to look at an empty sky
And feel its total dark sublime,
Though this might take me a little time.

 

 

Uitgelicht bericht

Musée des Beaux Arts – W.H. Auden

De Engelse dichter Wystan Hugh Auden (1907-1973) was in 1938 in Brussel. Hij bezocht er het Koninklijk Museum voor Schone Kunsten en bekeek er onder andere het schilderij De val van Icarus, waarschijnlijk een kopie van een schilderij van Pieter Brueghel de Oude (1525/1530-1569).

Dit schilderij is de aanleiding voor het gedicht. Het roept op hoe de erin voorkomende figuren – naar een woord van Vincent van Gogh waaraan Auden veel waarde hechtte – “in de ontreddering de kalmte bewaren”.

Het schilderij is gedateerd omstreeks 1600 toen Pieter Brueghel al dertig jaar dood was, maar dat was in Audens tijd nog niet bekend. Als het inderdaad een kopie is, is het de eerste en enige keer dat Brueghel een mythisch motief heeft gebruikt voor een schilderij.

Volgens de mythe zat Icarus samen met zijn vader Daedalus vast op Kreta. Om weg te kunnen komen, maakte Daedalus vleugels voor hen beiden. Hij gaf Icarus instructies: niet te dicht bij de zee, want met natte vleugels kun je niet vliegen, en niet te dicht bij de zon, want anders zal de was met behulp waarvan de vleugels samengesteld en bevestigd zijn, smelten. Icarus luisterde niet, kwam te dicht bij de zon, stortte in het water en verdronk.

Het gedicht is heel vrij van vorm, zonder noemenswaardig rijm en met een wisselende regellengte. Het gebruikt een gewone, heel onverstoorbare toon die tegelijkertijd gevoelig maakt voor de soms vreselijke dingen die verteld worden, en tevens de mogelijkheid opent om door te gaan met leven, ook al gebeuren er dingen die het evenwicht ernstig bedreigen. Dit is een belangrijk thema bij Auden: een vergelijkbare toon, een vergelijkbare onverstoorbare en gevoelige ernst proef je ook in veel andere gedichten, bijvoorbeeld in de gedichten In Praise of Limestone, Homage to Clio en de slotregels van The Fall of Rome.

Vertaling:

Musée des Beaux Arts

In het lijden vergisten ze zich nooit,
De Oude Meesters; hoe goed beseften ze zijn plaats
In een mensenleven, hoe het gebeurt
Terwijl iemand anders eet of een raam open doet of zomaar even langsloopt;
Hoe er, naast het eerbiedige, opgewonden wachten
Van ouderen op de wonderbare geboorte, nog iets bij moet,
Kinderen, voor wie het niet zo nodig hoeft, terwijl ze schaatsen
Op een vijver aan de rand van het bos.
Nooit vergaten ze
Dat ook het vreselijke martelaarschap zijn loop moet hebben
In een hoekje, ergens op een rommelige plek
Waar honden doorgaan met hun hondedingen, en het paard van de beul
Zijn onschuldige achterste schuurt aan een boom.

In Breughels Icarus bijvoorbeeld: hoe alles zich toch vrij kalm
Afwendt van het onheil: want misschien heeft de ploeger
De plons wel gehoord, de vergeefse gil,
Maar voor hem ging er niets mis wat er werkelijk toe deed; de zon scheen
Zoals het hoorde op de witte benen die verdwenen in het groene
Water, en het dure verfijnde schip dat toeschouwer was geweest
Van iets verbazingwekkends, een jongen die uit de lucht viel,
Moest gewoon ergens naar toe en voer rustig door.

Origineel:

Musée des Beaux Arts

About suffering they were never wrong,
The old Masters: how well they understood
Its human position: how it takes place
While someone else is eating or opening a window or just walking dully along;
How, when the aged are reverently, passionately waiting
For the miraculous birth, there always must be
Children who did not specially want it to happen, skating
On a pond at the edge of the wood:
They never forgot
That even the dreadful martyrdom must run its course
Anyhow in a corner, some untidy spot
Where the dogs go on with their doggy life and the torturer’s horse
Scratches its innocent behind on a tree.

In Breughel’s Icarus, for instance: how everything turns away
Quite leisurely from the disaster; the ploughman may
Have heard the splash, the forsaken cry,
But for him it was not an important failure; the sun shone
As it had to on the white legs disappearing into the green
Water, and the expensive delicate ship that must have seen
Something amazing, a boy falling out of the sky,
Had somewhere to get to and sailed calmly on.

Uitgelicht bericht

Onder Sirius – W.H. Auden

Het gedicht Under Sirius is een onderschat gedicht in het oeuvre van Wystan Hugh Auden. Het is een dreigend gedicht met een vermanende strekking, en het is gericht tot de vroeg-middeleeuwse dichter Venantius Fortunatus (Venantius Honorius Clementianus Fortunatus, ca. 530 – ca. 609), tevens bisschop van Poitiers.

Het gedicht is bovendien een doelbewuste, enigszins provocerende apologie van een burgerlijke moraal – afspraken nakomen, rekeningen betalen, tijdig uit bed komen, niet wachten tot de beloning arriveert. Deze burgerlijke moraal wekte namelijk irritatie in de anti-burgerlijke culturele atmosfeer waarin Auden zich destijds bevond. Wie tegenwoordig provoceren wil moet omwentelingen toejuichen, want de atmosfeer is nu eerder angstig en behoudend dan revolutionair.

Het is zeker niet uitgesloten dat Auden dit gedicht in feite tot zichzelf richtte als berisping voor een te geringe toewijding aan een geloof dat hij eerder met zoveel woorden had omhelsd (Anthony Hecht, The Hidden Law. The Poetry of W.H. Auden, Harvard University Press 1993, p.333).

Het gedicht heeft een parlando-effect, maar kent tegelijkertijd vrij strenge vormeisen.

Sirius is de hondsster, de helderste ster van het sterrenbeeld Grote Hond. Volgens de oude Grieken veroorzaakte de verschijning ervan een periode van hitte en grote droogte, overdrachtelijk: een seizoen van geestelijke verlatenheid.

De oude Grieken geloofden dat Sibillen orakels waren, vrouwen die van goddelijke inspiratie gebruik maakten voor hun spreuken.

Trooster is een bijnaam van de Heilige Geest. De wind die de Troostervleugels laat waaien, verwijst naar de adem die God de mens bij de schepping in de neusgaten blies en die hem zijn hoogste gave, de taal, doet spreken. Het dromen van een goddelijke interventie die Fortunatus’ writers block opheft, wordt in dit vers niet toegejuicht, en daarmee is de verwijzing naar de vleugels van de Heilige Geest in hoge mate ironisch.

In het bijbelboek Zefanja 2:9 worden de zoutgroeven genoemd waarin Sodom en Gomorra veranderden nadat God deze steden van verderf had gedoemd tot oorden van eeuwige verwoesting.

Pantokratisch is een aan het Grieks ontleend woord dat verwijst naar pantokrator, een benaming van God die het Al heeft geschapen.

Megalopods betekent ‘grootvoetigen’.

Vertaling:

Onder Sirius

Ja, dit zijn de hondsdagen Fortunatus:
De heide ligt kreupel en dood
Tegen de berg, de razende beekstroom
Kwijnt weg tot een siepelend draadje;
Roestig is de legionaire speer, stoppelig de kapitein,
Leeg het geleerde brein
Onder z’n ruime baret;
Hoezeer ook beneveld, de Sibille schenkt gratis
Een scheut met borrelklets.

En jijzelf, snipverkouden, je rekeningen onbetaald,
Gekweld door opkomend maagzuur,
Je luid aangeprezen epos nog niet begonnen,
Slapend tot het middaguur,
Jij lijdt ook vreselijk. Je hoopt de hele dag, zo zei je,
Dat een aardschok ons zal verblijden,
Of Troostervleugels zouden waaien
Om kerkers te ontsluiten en de wanordelijke
Toeloop te hertalen.

En vannacht, zei je, droomde je van die stralende blauwe morgen,
Met bloeiende meidoornhagen,
Als daar, in hun ivoren scheepjes, sereen,
De drie wijze Maria’s opdagen,
Ruisend door rimpelloos water, geloodst
Door zeepaard en vloeiende dolfijn;
Ah, hoe buldert het geschut,
Hoe klingelen de klokken, als Zij
Straks liefelijk landen op de verdorven kust.

‘t Is normaal om te hopen en vroom, uiteraard, te geloven
Dat alles uiteindelijk goed komt,
Maar allereerst, weet je nog,
Aldus voorzeggen de Heilige Boeken,
Wordt het bedorven fruit geschud; houdt jouw hoop stand
In het moment dat de opstandige vloedgolf,
Als het stil wordt, niemand het nog beseft,
Nog eer hij breekt en verzwelgt,
Zich boven de slapende stad verheft?

Hoe zou je kijken en wat zou je doen als de basalten
Graven der magiërs onder zouden gaan,
En hun megalopode wachters,
Kwamen zwijgend-hijgend achter je aan?
Wat zou je zeggen als uit hun pestilente bron
De onsterfelijke nymfen op zouden vliegen,
Luid piepend in de hemel rondom,
En het pantokratisch raadsel kraakt –
“Wie zijt gij en waarom?”

Want als in sierlijke reidans de bevrijden
Onder de appelbomen verdienstelijk dansen,
Zullen er ook zijn, Fortunatus,
Die treurden om hun kansen:
Broddelende schaduwen, morrend naast de zoutgroeven,
IJdel kwelend, hulpbehoevend,
Voor wie deze tussentijdse, doffe
Hondsdagen wel gekroond lijken met olijven,
En verguld met eigenlof.

Origineel:

Under Sirius

Yes, these are the dog-days, Fortunatus:
The heather lies limp and dead
On the mountain, the baltering torrent
Shrunk to a soodling thread;
Rusty the spears of the legion, unshaven its captain,
Vacant the scholar’s brain
Under his great hat,
Drug as she may the Sybil utters
A gush of table-chat.

And you yourself with a head-cold and upset stomach,
Lying in bed till noon
Your bills unpaid, your much advertised
Epic not yet begun,
Are a sufferer too. All day, you tell us, you wish
Some earthquake would astonish
Or the wind of the Comforter’s wing
Unlock the prisons and translate
The slipshod gathering.

And last night, you say, you dreamed of that bright blue morning,
The hawthorn hedges in bloom,
When, serene in their ivory vessels,
The three wise Maries come,
Sossing through seamless waters, piloted in
By sea-horse and fluent dolphin;
Ah! how the cannons roar,
How jocular the bells as They
Indulge the peccant shore.

It is natural to hope and pious, of course, to believe
That all in the end shall be well,
But first of all, remember,
So the Sacred Books foretell,
The rotten fruit shall be shaken. Would your hope make sense
If today were that moment of silence
Before it break and drown
When the insurrected eagre hangs
Over the sleeping town?

How will you look and what will you do when the basalt
Tombs of the sorcerers shatter
And their guardian megalopods
Come after you pitter-patter?
How will you answer when from their qualming spring
The immortal nymphs fly shrieking
Out of the open sky
The pantocratic riddle breaks-
“Who are you and why?”

For when in carol under the apple-trees
The reborn featly dance,
There will also, Fortunatus,
Be those who refused their chance,
Now pottering shades, querolous beside the salt-pits,
And mawkish in their wits
To whom these dull dog-days
Between event seem crowned with olive
And golden with self-praise.

 

Uitgelicht bericht

Poëzie volgens Emily Dickinson

Onlangs (2 november 2016) werd ik geattendeerd op een recent blog over onderwerpen die mij zeer interesseren: Elizabethanpartsongs. Het wordt volgeschreven in voortreffelijk Engels door iemand, kennelijk een Nederlander, die ik niet ken, die op zijn blog niets over zichzelf bekend maakt, iemand die duidelijk een hekel heeft aan de literatuurwetenschap (waarover Karel van het Reve in 1979 de Huizinga-lezing Het raadsel der onleesbaarheid hield), iemand ook die leesbaar en interessant schrijft over de onderwerpen die hem bezig houden, iemand ten slotte die (als ik mag afgaan op WordPress-meldingen “posted on x-x-2016 by klaasalberts”) zichzelf Klaas Alberts noemt. Misschien heet hij zelfs wel zo.

Ik citeer een brieffragment dat door Alberts wordt aangehaald. Het is van Emily Dickinson, een dichteres die ook verder uitgebreid ter sprake komt op genoemd blog. Het fragment trof mij als raak:

If I read a book and it makes my whole body so cold no fire can ever warm me, I know that is poetry. If I feel physically as if the top of my head were taken off, I know that is poetry. These are the only ways I know it. Is there any other way?

Het werd geschreven omstreeks 1870 in een brief aan een zekere Higginson. Zie het door James Reeves geredigeerde en van een inleiding voorziene, Selected Poems of Emily Dickinson, Heinemann Educational Publishers 1959, p.104.

 

Uitgelicht bericht

Dek dit bed royaal – Emily Dickinson

Emily Dickinson (1830-1886) was een Amerikaans dichter. Ze stamde uit een aanzienlijke familie, was excentriek, leefde teruggetrokken, was angstig en nerveus. (Dat geldt voor veel meer mensen dan u misschien denkt.) De meeste gedichten die ze schreef zijn pas na haar dood gepubliceerd.

Dit gedicht werd in 1864 geschreven. De scène begint met het opmaken van een bed en eindigt in het pikkedonker. Het tafereel verandert in iets engs, iets afgrondelijks, iets fundamenteels, iets wat nog het meeste op een doodskist lijkt. Het klievende oordeel waarop wordt gewacht kan – uiteraard – van alles zijn: het oordeel over het leven zoals het is geleid, het oordeel over iets wat de hoofdpersoon heel graag wil: misschien liefde of erkenning of iets anders waartegen ze opziet.

Het vers had oorspronkelijk geen titel, maar ik vind – anders dan sommige moderne tekstbezorgers – dat hier pragmatische overwegingen de doorslag moeten geven boven principiële. Het is onhandig, onpraktisch en idealistisch om een gedicht geen titel te geven. (Hetzelfde geldt volgens mij – mutatis mutandis – voor het geheel weglaten van leestekens. Daar is – net als bij de atonale muziek – nog zelden of nooit iets goeds uit voortgekomen.)

In verschillende beschouwingen over dit vers lees ik dat het over de “duality of sex and death” gaat (hier bijvoorbeeld), of over de rol die “gender” speelt bij “a rather suversive death dance, in which the speaker is both the director of the scene and its addressed victimized female subject” (kijk maar eens hier). Een bed is natuurlijk een plek waar gevreeën en gestorven wordt, dat hoeft niemand Emily Dickinson – of wie dan ook – te vertellen, maar voor het overige lijken me deze beschouwingen weinig te verhelderen – om me kalm uit te drukken.

De vorm van dit vers is simpel, de toon is bezwerend.

Vertaling:

Dek dit bed royaal

Dek dit bed royaal.
Dek het toe met vrees;
Wacht er tot het oordeel klieft:
Raak, rechtvaardig, goed.

Laat het matras recht,
En het kussen gewelfd zijn;
Zorg dat het gele tumult van de zon
Dit fundament niet schendt.

Origineel:

Ample make this bed

Ample make this bed.
Make this bed with awe;
In it wait till judgment break
Excellent and fair.

Be its mattress straight,
Be its pillow round;
Let no sunrise’ yellow noise
Interrupt this ground.

 

Uitgelicht bericht

De kunst bij uitstek – Elizabeth Bishop

Elizabeth Bishop (1911-1979) was een Amerikaans schrijfster van gedichten en korte verhalen. Het gedicht One Art, soms ook wel The Art of Losing genoemd, is een belangrijk gedicht in haar oeuvre.

Het verrassende van dit gedicht is dat het haast wel het tegendeel lijkt van wat in onze tijd gebruikelijk is: self-dramatizing, zielig doen, cultivering van vermeend slachtofferschap.

De vorm van dit gedicht is – zoals A. Fregier hieronder in zijn reactie terecht opmerkt – een villanelle, bestaande uit  vijf terzinen en een afsluitend kwatrijn met slechts twee rijmklanken. De eerste en de laatste regel van de eerste drieregelige strofe worden afwisselend als keerrijm in de volgende strofen herhaald.

Dit gedicht is voornamelijk geschreven in vijfvoetige jamben (pom-póm, pom-póm, pom-póm, pom-póm, pom-póm). Bij staand of mannelijk rijm (boot/stoot) zijn er dus tien lettergrepen; bij slepend of vrouwelijk rijm (boten/stoten) zijn er elf lettergrepen. Er zijn maar twee rijmklanken, wat het gedicht een enigszins monomaan en obstinaat karakter geeft.

Ik heb mij bij het aantal lettergrepen een paar vrijheden veroorloofd, omdat de natuurlijkheid van het gedicht er anders onder zou lijden. Datzelfde geldt voor de keus van de rijmwoorden en de keerrijmen, maar hier had de dichteres zichzelf ook al een paar vrijheden veroorloofd.

Zeer fraai is de climax van zaken die achtereenvolgens voor het onvermijdelijke verlies in aanmerking komen. Het begint eenvoudig: sleutels, uren, namen; het wordt dan absurd: huizen, rivieren, een continent; en dan komt de overtreffende trap van continent: de ‘jou’ van dit gedicht. Je kunt het leren – dapper voort!

Dit gedicht is vertaald op verzoek van Robbert Jan Bron (1966-).

Vertaling:

De kunst bij uitstek

Verliezen is een kunst die je kunt leren;
veel dingen lijken voorbestemd teloor te gaan,
en hun verlies zal niemand ernstig kunnen deren.

Blijf dagelijks verliezen. Aanvaard dat ze niet wederkeren:
verloren sleutels, uren die in rook zijn opgegaan.
Verliezen is een kunst die je kunt leren.

Verlies gewoon maar verder, en ten slotte eerder:
plaatsen, namen, waar wou je heen, waar kwam je aan?
Geen van die dingen kan ons werkelijk deren.

En toen was ma’s horloge weg. Kijk, mijn hoogvereerde
laatste, of een-na-laatste, huis (van drie) is heengegaan.
Verliezen is een kunst die je kunt leren.

Twee steden, zeer beminde, raakte ik kwijt. En, meer nog,
m’n rijken, twee rivieren, een continent heb ik al afgestaan.
Ik mis ze, maar het kan me nauwelijks deren.

—Zelfs als ik jou verliezen moest (je plagerige stem, een teer en
lief gebaar), blijf ik dit zeggen. Neem van mij aan:
Verliezen is heus een kunst die je kunt leren,
al lijkt het (schrijf maar op!) of het ons gruwelijk kan deren.

Origineel:

One Art

The art of losing isn’t hard to master;
so many things seem filled with the intent
to be lost that their loss is no disaster.

Lose something every day. Accept the fluster
of lost door keys, the hour badly spent.
The art of losing isn’t hard to master.

Then practice losing farther, losing faster:
places, and names, and where it was you meant
to travel. None of these will bring disaster.

I lost my mother’s watch. And look! my last, or
next-to-last, of three loved houses went.
The art of losing isn’t hard to master.

I lost two cities, lovely ones. And, vaster,
some realms I owned, two rivers, a continent.
I miss them, but it wasn’t a disaster.

—Even losing you (the joking voice, a gesture
I love) I shan’t have lied. It’s evident
the art of losing’s not too hard to master
though it may look like (Write it!) like disaster.

Uitgelicht bericht

Tijdsovergang – Christian Wiman

De Amerikaanse dichter Christian Wiman lijdt aan een progressieve, ongeneeslijke ziekte. Het gedicht From one Time bevat de uitdrukking die de titel leverde van het door Willem Jan Otten vertaalde boek My Bright Abyss: Mijn heldere afgrond.

Omdat de auteur een tastende christen is (alle christenen zijn uiteraard bekrompen minkukels, bigotte letterlijkheidsaanbidders), zullen de hippe vogels die vandaag de dag in de meeste media de dienst uitmaken, ongetwijfeld smalend reageren of hun schouders ophalen. Ten onrechte.

From one Time is een ontroerend vers waaruit oneindig meer beschaving spreekt dan de liedjes van de narcistische nobelprijswinnaar en eeuwige adolescent Bob Dylan.

De vertaling van de titel is nogal vrij. Het kan misschien beter.

Vertaling:

Tijdsovergang

Maar de wereld is eerder toevlucht
dan zekerheid, vaker troost en schuilplaats
voor de weigerende wil, dan een scherpomlijnd,
ragfijn moment waarin Gods wezen zich brandt
in het onze. Ik zeg God en bedoel meer dan
de heldere afgrond die zich opent in dat woord.
Ik zeg wereld en bedoel minder
dan de abstracte vergetelheid der atomen,
waaruit elk werkend ding tevoorschijn komt,
waartoe elk werkend ding uiteindelijk wederkeert.
Ik weet niet hoe ik nader kan komen tot God
dan door daar te zijn waar de wereld eindigt
voor een enkel mens. Het is nog donker,
en ik luister nu al al een uur
naar de ademhaling van de vrouw die ik meer liefheb
dan ik liefhebben kan. Ik prijs de pijn
die ons deed samengloeien, het verdriet
dat haar, als God het wil, zal sparen, waaraan zij ooit weer
zal ontgroeien. En ik prijs het licht dat nog niet
daar is, de zonsopgang waarin reeds een vogel gelooft,
die roept, niet alsof de nacht niet bestaat,
maar alsof hij er altijd geweest is, in welke nacht dan ook.

Origineel:

From One Time

But the world is more often refuge
than evidence, comfort and covert
for the flinching will, rather than the sharp
particulate instants through which God’s being burns
into ours. I say God and mean more
than the bright abyss that opens in that word.
I say world and mean less
than the abstract oblivion of atoms
out of which every intact thing emerges,
into which every intact thing finally goes.
I do not know how to come closer to God
except by standing where a world is ending
for one man. It is still dark,
and for an hour I have listened
to the breathing of the woman I love beyond
my ability to love. Praise to the pain
scalding us toward each other, the grief
beyond which, please God, she will live
and thrive. And praise to the light that is not
yet, the dawn in which one bird believes,
crying not as if there had been no night
but as if there were no night in which it had not been.

Uitgelicht bericht

Het wordt donker – Christian Wiman

Christian Wiman is een Amerikaans dichter. Hij werd geboren in Texas. Wiman lijdt aan een betrekkelijk zeldzame vorm van beenmergkanker. Zijn boek My Bright Abyss: Meditation of a Modern Believer, is in het Nederlands vertaald door Willem Jan Otten.

Stevo Akkerman schreef in het dagblad Trouw een sympathieke column over dit boek. Willem Jan Otten schreef een verhelderend essay in Trouw.

Wiman is, anders dan veel schrijvers met een christelijke boodschap, zeker geen kwezel; hij spreekt als modern gelovige een modern publiek aan op een moderne manier. Hij weet daarbij christelijke valkuilen te vermijden.

(Excursie: Kwezels zijn mensen die hun herderlijke bekommernissen – bekommernissen die heel vaak terecht zijn en die in de persoonlijke of intieme sfeer ook zeker tot hun recht kunnen komen – vrijelijk distribueren in het publieke domein. In het publieke domein ontmoetten die bekommernissen echter – meestal terecht – onverschilligheid en hoon.)

In dit gedicht wordt het invallen van de duisternis beschreven. De dichter verbindt daaraan – uiteraard – bespiegelingen.

In de eerste strofe doen schaduwen hun intrede, met een zeer fraaie herhaling van ‘house’ en ‘shape’. Dit neemt zelfs de vorm aan van rime riche (een rijmwoord dat wordt herhaald). Herhalingen zijn sowieso van bijzonder belang in dit gedicht: house/shape/things.

In de tweede strofe wordt opgeroepen wat er daadwerkelijk gebeurt als de dood acte de présence geeft.

De derde strofe beschrijft hoe de dood te werk gaat: eerst het inwendige, dan de rest.

De vierde strofe is een teken van triomf: de dood produceert juichende kinderen.

Vertaling:

Het wordt donker

Een schaduw in de vorm van een huis
glijdt tevoorschijn uit een huis
en verliest zijn vorm op het gras.

Bomen zoeken elkaar
als de stervende wind in hun binnenste verstilt.

Het wordt eerst donker binnenin de dingen;
en ’t gaat nog door nadat de dingen zijn verdwenen.

Zorgeloos op blote voeten achterin de tuin
worden kinderen één met hun gegil.

Origineel:

Darkness Starts

A shadow in the shape of a house
slides out of a house
and loses its shape on the lawn.

Trees seek each other
as the wind within them dies.

Darkness starts inside of things
but keeps on going when the things are gone.

Barefoot careless in the farthest parts of the yard
children become their cries.

Uitgelicht bericht

Het speelpaardje – Valentin Iremonger

Valentin Iremonger (1918-1991) was een Iers diplomaat en dichter.

Zeer kortstondig – een paar dagen – ben ik lid geweest van een Facebook-groep: Vertaalwedstrijd. Ik ergerde me vrij snel aan de discussies die ik daar geacht werd te voeren. Ik heb één vers vertaald dat buiten mededinging is geplaatst. Ik had al een paar ingezonden vertalingen gezien voordat ik de mijne klaar had.

Het hier geplaatste gedicht wijkt op een paar plaatsen af van het gedicht dat op Facebook staat.

Het vers is niet zonder charme, maar het is niet erg moeilijk en voor mijn gevoel ook niet erg bijzonder.

Vertaling:

Het speelpaardje

Toen ik klein was, stal iemand mijn speelpaardje,
Waarmee ik ’s ochtends ravotte, verrukt als een echte man.
Twee dagen rouwde ik, mijn leed als bloemen schikkend
Tussen de tralies van mijn nors en boos gemoed.

Toen ging ik op pad met een grimmig hart,
Grimmig voorhoofd, vingers die grimmig tintelden,
Op zoek naar mijn vijand, verschanst in zijn vesting,
Tot ik hem vond, spelend in zijn tuin

Met mijn speelpaardje, opgaand in de strijd
Tegen z’n vijanden in het rijk waar de Rede niet gold:
Zo gelukkig was hij, dat ik hem ook mijn felgekleurde krijtjes
En mijn grote glazen stuiter schonk.

Vertaling:

The Toy Horse

Somebody, when I was young, stole my toy horse,
The charm of my morning romps, my man’s delight.
For two days I grieved, holding my sorrow like flowers
Between the bars of my sullen angry mind.

Next day I went out with evil in my heart,
Evil between my eyes and at the tips of my hands,
Looking for my enemy at the armed stations,
Until I found him, playing in his garden

With my toy horse, urgent in the battle
Against the enemies of his Unreason’s land:
He was so happy, I gave him also
My vivid coloured crayons and my big glass marble.

Uitgelicht bericht

Het Hooglied – Heinrich Heine

the_kiss

Rodin, De Kus (licentie)

Das Hohelied – lofzang op het vrouwenlichaam van de Duits-Joodse dichter Heinrich Heine –  verscheen in 1854.

Dit gedicht toont een ironische Heine. Bedenk dat ironie nooit een echte ontsnappingsroute is. Wat ironisch wordt gezegd, is meestal wat de spreker van mening is; de ironische vormgeving toont vooral het besef dat wat volgt niet in goede aarde zal vallen. De ironie stelt in staat om de omstreden boodschap alsnog te brengen of om datgene hardop te zeggen waarover het passender wordt geacht te zwijgen.

Twee jaar na de verschijning van dit gedicht werd Sigmund Freud geboren, de onwetenschappelijke fantast die de toenmalige oorzaken en uitingsvormen van destijds voorkomende seksuele geremdheid wel degelijk (soms accuraat) beschreef.

Het Hooglied is een bijbelboek dat de lichamelijke liefde plastisch bezingt – al bestaan er in de christelijke traditie ook veel symbolische of allegorische verklaringen.

Vertaling:

Het Hooglied

Het lichaam van de vrouw is poëzie,
Dat God ooit heeft geschreven
In ‘t grote stamboek der natuur,
Door de Geest daartoe gedreven.

Ja, in dat uur zat alles mee,
De Heer had inspiratie;
Hij schiep uit hoogst weerbarstige stof
Een zeer artistieke creatie.

Voorwaar, het lichaam van de vrouw
Is ‘t Hooglied, dat ons blijft verwarmen;
De schoonste strofen van dit lied
Zijn die lieve, slanke armen.

O wat een goddelijk idee
Is toch die hals, dat zachte,
Waarop dat kleine kopje wiegt,
De krullende hoofdgedachte!

De tepeltjes zijn rozenknopjes,
Epigrammatisch in hun schoonheid;
En zaliglijk is de cesuur
Die lieve borstjes dapper scheidt.

Beeldend schiep de Schepper toen
De heuppartij, die spiegelend deint;
Die tussenzin met dat vijgenblad
Mag er zeker ook wel zijn.

Dit is geen vaag, wijsgerig lied!
Dit vers heeft vlees en knoken,
Heeft hand en voet, het lacht en kust,
Met rijmende lippen, ogen geloken.

Hier ademt ware poëzie!
Galant in elke wending!
En op het voorhoofd draagt dit lied
Het stempel der volending.

Lofzingen wil ik U, o Heer,
Eerbiedig U verheven heten!
Wij zijn slechts stumpers nevens U,
De Hoogste aller poëten.

Graag wil ik opgaan, lieve Heer,
In wat U heeft geschapen,
Ik wijd aan haar mijn studiezin,
Des daags, en als ik niet kan slapen.

Ja, dag en nacht studeer ik erop,
Niets anders kan mij animeren,
Mijn benen worden akelig dun –
Door al dat harde studeren.

Origineel:

Das Hohelied

Des Weibes Leib ist ein Gedicht,
Das Gott der Herr geschrieben
Ins große Stammbuch der Natur,
Als ihn der Geist getrieben.

Ja, günstig war die Stunde ihm,
Der Gott war hochbegeistert;
Er hat den spröden, rebellischen Stoff
Ganz künstlerisch bemeistert.

Fürwahr, der Leib des Weibes ist
Das Hohelied der Lieder;
Gar wunderbare Strophen sind
Die schlanken, weißen Glieder.

O welche göttliche Idee
Ist dieser Hals, der blanke,
Worauf sich wiegt der kleine Kopf,
Der lockige Hauptgedanke!

Der Brüstchen Rosenknospen sind
Epigrammatisch gefeilet;
Unsäglich entzückend ist die Zäsur,
Die streng den Busen teilet.

Den plastischen Schöpfer offenbart
Der Hüften Parallele;
Der Zwischensatz mit dem Feigenblatt
Ist auch eine schöne Stelle.

Das ist kein abstraktes Begriffspoem!
Das Lied hat Fleisch und Rippen,
Hat Hand und Fuß es lacht und küßt
Mit schöngereimten Lippen.

Hier atmet wahre Poesie!
Anmut in jeder Wendung!
Und auf der Stirne trägt das Lied
Den Stempel der Vollendung.

Lobsingen will ich dir, O Herr,
Und dich im Staub anbeten!
Wir sind nur Stümper gegen dich,
Den himmlischen Poeten.

Versenken will ich mich, o Herr,
In deines Liedes Prächten;
Ich widme seinem Studium
Den Tag mitsamt den Nächten.

Ja, Tag und Nacht studier ich dran,
Will keine Zeit verlieren;
Die Beine werden mir so dünn –
Das kommt vom vielen Studieren.

Uitgelicht bericht

Ik schiet niet, maar ik kan wel spuwen – W.H. Auden

De dichter W.H. Auden was een ernstig man, wat uiteraard betekent dat hij ook veel schertsgedichten (light verse) schreef.

Auden dweepte in zijn jonge jaren met Sigmund Freud. Ik vermoed dat hij destijds iets gelezen heeft over een ‘kritische grens’ die vreemden niet mogen overschrijden zonder dat je je ongemakkelijk gaat voelen.

Mijn vertaling is helaas wat rijker aan lettergrepen dan het origineel, maar het Nederlands is in het algemeen ook wat kwistiger met lettergrepen dan het Engels.

Hier kunt u iets lezen over demesne; hier over mansus, hier over sticht.

Met de ‘bedroom eyes’ waarmee degene die aan het woord is ‘beckon[s] to fraternize’ wordt, denk ik, een homo-amoureuze uitnodiging bedoeld.

Vertaling:

Ik schiet niet, maar ik kan wel spuwen

Zo’n halve meter bij mijn neus vandaan,
Daar komt de voorkant van mijn ego aan;
De loze lucht die tussenbeide ligt,
Dat is mijn mansus, hof of sticht.
Vreemdeling, tenzij ik met een zwoele blik
U smeek te naderen tot mijn ik,
Erken de grens tussen het mijne en het uwe:
Ik schiet niet, maar ik kan wel spuwen.

Origineel:

I Have No Gun, But I Can Spit

Some thirty inches from my nose
The frontier of my Person goes,
And all the untilled air between
Is private pagus or demesne.
Stranger, unless with bedroom eyes
I beckon you to fraternize,
Beware of rudely crossing it:
I have no gun, but I can spit.

Uitgelicht bericht

Vertaalmachine

Vertaalmachines vertalen niet;
vertaalmachines converteren
(dacht ik tot op heden).

 

Wat is Google Translate, de bekendste vertaalmachine, toch een zegen voor de mensheid. Geniet ervan!

Dat wil in dit geval zeggen: juicht en jubelt als de leeuwerik, en houd uw geloof in de “letterlijke vertaling” levend – hoewel omhoog op turf of baars of slechte lage podium“!

Wat volgt is een ready made, een verlaat surrealistisch procédé, een vorm van écriture automatique:

 

 

De Caged Skylark

Als een durf-gale Skylark scanted in een saaie kooi,
Man’s montage geest in zijn been, huis, bedoel huis, woont –
Die vogel voorbij het herinneren van zijn vrije Fells;
Dit in somberheid, leeftijd dag-werkende-out van het leven.

Hoewel omhoog op turf of baars of slechte lage podium
Zowel zingen Soms is de liefste, zoetste spreuken,
Maar beide hangen dodelijk soms in hun cellen
Of wringen hun barrières in uitbarstingen van angst of woede.

Niet dat de zoete-gevogelte, zang-gevogelte, heeft geen rust –
Waarom, hoor hem, hem horen brabbelen & drop naar zijn nest,
Maar zijn eigen nest, wild nest, geen gevangenis.

Man’s geest zal vlees-gebonden, toen in het beste gevonden worden,
Maar uncumberèd: weide-down is niet bedroefd
Voor een regenboog footing, noch dat hij voor zijn botten gestegen.

Het hieronder afgedrukte vers van Gerard Manley Hopkins is de inspiratiebron van bovenstaande fascinerende woordstapelingen:

The Caged Skylark

As a dare-gale skylark scanted in a dull cage,
Man’s mounting spirit in his bone-house, mean house, dwells —
That bird beyond the remembering his free fells;
This in drudgery, day-labouring-out life’s age.

Though aloft on turf or perch or poor low stage
Both sing sometímes the sweetest, sweetest spells,
Yet both droop deadly sómetimes in their cells
Or wring their barriers in bursts of fear or rage.

Not that the sweet-fowl, song-fowl, needs no rest —
Why, hear him, hear him babble & drop down to his nest,
But his own nest, wild nest, no prison.

Man’s spirit will be flesh-bound, when found at best,
But uncumberèd: meadow-down is not distressed
For a rainbow footing it nor he for his bónes rísen.

Ik heb altijd beweerd dat vertaalmachines niet vertalen maar converteren. Volgens een bepaald algoritme worden woorden en zinnen van een brontaal geconverteerd naar woorden en zinnen van een doeltaal. Daar zitten uiteraard allemaal problemen aan vast die nog niet bevredigend zijn opgelost. Maar soms kan een machinevertaling helpen om een website in een vreemde taal althans enigszins te begrijpen.

Machinevertalingen zijn echter nooit behulpzaam bij het maken van echte vertalingen, vertalingen die de semantische eigenschappen en relevante klankaspecten van de oorspronkelijke tekst getrouw weergeven. Het kost meer tijd om een corrupte vertaling op te kalefateren dan om helemaal overnieuw te beginnen. Het is veel beter, en ook veel eenvoudiger, om from scratch een goede vertaling te maken, ongehinderd door voorafgaand gebroddel.

Maar, zo blijkt nu, converteren kunnen vertaalmachines eigenlijk ook niet goed.

Een Caged Skylark is altijd en overal, linksom of rechtsom, letterlijk of figuurlijk, bovendien volmaakt in overeenstemming met de primaire woordbetekenissen, dus zonder ook maar een ogenblik acht te slaan op de context, een gekooide veldleeuwerik.

Een dergelijke omzetting moet zelfs een machine, zou je haast denken, voor elkaar kunnen krijgen. En Google is – als ik het geronk over deze onderneming mag geloven – bepaald niet de geringste onder de softwareontwikkelaars.

Uitgelicht bericht

Is ‘Het geloof der kameraden’ een satire?

In 2008 werd ik Wikipedia-redacteur. Dat betekende vrijwilligerswerk. De aanleiding was ergernis over de negatieve strekking  van het artikel over de historicus A.Th. van Deursen.

Een belangrijke informant van de eenzijdige kijk op Van Deursen op Wikipedia was Wim Berkelaar, een historicus die onder andere publiceert over het Nederlandse protestantisme. Deze had Van Deursen in een bijdrage aan de Academische Boekengids  (nr. 58, sept. 2006, p. 9-12) “een fundamentalist” genoemd. Nu is het niet eerlijk Berkelaar te verwijten wat anderen met zijn beweringen doen. Hoewel Van Deursen een zeer beschaafde persoon was, die zich – voor zover mij bekend – nimmer heeft misdragen, noch in werkelijkheid, noch in woord of geschrift, had Berkelaar natuurlijk wel gelijk dat Van Deursen in alle opzichten een steile protestant was. Maar de conclusie die het Wikipedia-artikel trok in de paragraaf Polemist voor eigen parochie (paragraaftitel was ontleend aan het stuk van Berkelaar) voordat ik mijn bewerkingen deed, namelijk dat Van Deursen een nauwelijks serieus te nemen historicus was, een conclusie die wel degelijk kon worden gebaseerd op het stuk van Berkelaar, kon ik toch niet accepteren.

Op 27 september 2015 kwam ik Berkelaar opnieuw tegen. Dit keer schreef hij een stuk over de kort daarvoor overleden schrijver Ger Verrips. En opnieuw ergerde ik mij, nu omdat hij over Het geloof der kameraden van de atheïst Karel van het Reve (diens afrekening met de marxistisch-leninistische wereldbeschouwing) zei, dat het “een roemruchte satire” was. Dat Van het Reve op een paar plaatsen in zijn boek laat merken dat hij een bepaalde redenering niet serieus kan nemen, betekent natuurlijk nog niet dat het essay een “satire” genoemd kan worden.

Wim Berkelaar is soms wel een beetje gemakzuchtig.

Een goede necrologie over Van Deursen is hier te vinden. De auteur is Jan Dirk Snel, de titel is ‘Arie Theodorus van Deursen (1931-2011)’, en het verscheen in het Historisch Nieuwsblad van 21 november 2011.

 

 

PS Mijn bijdragen aan het Van Deursen-artikel op Wikipedia (enkele terechte correcties in deze bijdragen zijn door andere redacteuren aangebracht; raadpleeg voor details de geschiedenis-pagina) waren weliswaar goed gefundeerd, maar voldeden eigenlijk niet aan de Wikipedia-richtlijnen. Origineel onderzoek was en is namelijk niet toegestaan. Wat in een Wikipedia-artikel terecht komt, dient eerst in gezaghebbende en raadpleegbare publicaties te zijn verschenen, en ook een nieuwe synthese op basis van allerhande bronnen, bijvoorbeeld journalistieke, is eigenlijk niet comme il faut. Aan dat laatste had ik me bezondigd.

Uitgelicht bericht

Katten – Baudelaire

De Franse dichter Charles Baudelaire schreef prachtige gedichten in zijn bundel Les Fleurs du Mal (De bloemen van het kwaad).

Om de precieze betekenis en de bijbetekenissen van de versregels te achterhalen, heb ik mede gebruik gemaakt van deze website. Voor eventuele vertaalfouten ben ik uiteraard geheel alleen verantwoordelijk.

Erebos is de god van de duisternis, een van de Griekse oergoden, een directe nakomeling van Chaos.

Het is een sonnet, een echt gedicht, maar toelichting lijkt me verder toch vooral overbodig.

Vertaling:

Katten

Alle vurige minnaars, alle strenge geleerden,
Ze houden, in hun rijpe jaren, in eendere mate
Van katten, de trots van het huis, de zachte en kordate
Dieren die, net als zij, discreet en sedentair zijn.

Verknocht aan wellust en aan wetenschap,
Zoeken zij de stilte, de huiver van de duisternis;
Erebos had hen willen kiezen voor zijn dodenwagens;
Hun trots bleek echter een te grote handicap.

Ze beelden zich in, met hun adellijk air, sfinxen te zijn,
Die lijken te slapen in een droom zonder eind,
Zich plooiend in de ruimte van een eenzame nacht;

Hun vruchtbare lendenen zijn vol magische vonken,
En spikkels van goud, als ragfijne korreltjes zand, die zacht
Hun mystieke pupillen als sterren doen flonkeren.

Origineel:

Les Chats

Les amoureux fervents et les savants austères
Aiment également, dans leur mûre saison,
Les chats puissants et doux, orgueil de la maison,
Qui comme eux sont frileux et comme eux sédentaires.

Amis de la science et de la volupté,
Ils cherchent le silence et l’horreur des ténèbres;
L’Érèbe les eût pris pour ses coursiers funèbres,
S’ils pouvaient au servage incliner leur fierté.

Ils prennent en songeant les nobles attitudes
Des grands sphinx allongés au fond des solitudes,
Qui semblent s’endormir dans un rêve sans fin;

Leurs reins féconds sont pleins d’étincelles magiques,
Et des parcelles d’or, ainsi qu’un sable fin,
Etoilent vaguement leurs prunelles mystiques.

Uitgelicht bericht

Binnen – R.S. Thomas

r.-s.-thomas-4da1a5eab4f6b_360x225

R.S. Thomas

Dit gedicht van Ronald Stuart Thomas behoeft weinig toelichting. Het is postuum gepubliceerd in zijn Uncollected Poems. (Ik had het bijna kunnen schrijven.)

 

 

Vertaling:

Binnen

Het was het makkelijkst om met jou naar buiten
Te gaan, het veld in, waar vogels geen eisen stelden
Aan mijn gebrekkige kennis, bloemen uitbotten
Met geen ander idee dan de proclamatie van God.

Inwendig tobde ik met de bekende problemen:
Als ik van het behaaglijke bijbelwoord loskwam,
Stond ik van aangezicht tot aangezicht
Met hovaardige priesters, hun onverdraagzaam gedram.

Origineel:

Indoors

It was easier to come out with you
Into the fields, where birds made no claim
On my poor knowledge and flowers grew
With no thought but to declare God.

Within I had the old problems
To cope with: turning from the Book’s
Comfortable words, I came face to face
With the proud priests and their intolerant look.

Uitgelicht bericht

Ovidius in het Derde Rijk – Geoffrey Hill

De Engelse dichter Geoffrey Hill (1932-2016) schreef als openingsvers van zijn bundel King Log (1986) het gedicht Ovid in The Third Reich.

Het gedicht laat Ovidius, auteur van de Amores, aan het woord in Hitlers Derde Rijk. Er ontstaat onvermijdelijk een sterke spanning tussen de zoektocht naar artistieke verfijning en de morele verschrikkingen tussen welke die zoektocht plaats vindt.

Wir haben es nicht gewusst, kan niet dienen als wapen op de plaatsen waar het bloed rijkelijk vloeit.

Kunnen de mooie praatjes – ik heb geleerd niet neer te zien op de verdoemden – dat wel?

En wat had Ovidius dan moeten zeggen?

De immorele strekking van het Ovidius-citaat (waaruit blijkt dat Ovidius zeer goed besefte wat moreel was) werpt een schel licht op de vredigheid en de gemoedsrust waaraan hij in dit gedicht, zoals zovelen die leefden tijdens de veronderstelde verwezenlijking van het Derde Rijk en wisten te overleven, zo sterk lijkt te hechten.

Vertaling:

Ovidius in het Derde Rijk

non peccat, quaecumque potest peccasse negare,
solaque famosam culpa professa facit.

[Wie zijn zonden weet te loochenen, zondigde niet;
het is slechts de schuldbelijdenis die schande brengt.]

Amores, III, xiv

Ik heb mijn werk en mijn kinderen lief. God
Is veraf, moeilijk. De wereld gaat door.
Te dicht bij de aloude goten met bloed
Is onschuld geen aards wapen meer.

Een ding heb ik geleerd: niet te gauw neerzien
Op de verdoemden. Zij vertonen, binnen hun sfeer,
Een vreemde harmonie met de liefde
Gods. Ik prijs, binnen de mijne, het liefdeskoor.

Origineel:

Ovid In The Third Reich

non peccat, quaecumque potest peccasse negare,
solaque famosam culpa professa facit.

Amores, III, xiv

I love my work and my children. God
Is distant, difficult. Things happen.
Too near the ancient troughs of blood
Innocence is no earthly weapon.

I have learned one thing: not to look down
So much upon the damned. They, in their sphere,
Harmonize strangely with the divine
Love. I, in mine, celebrate the love-choir.

Hier vindt u een vertaling van het gedicht door Peter Nijmeijer.1

Hier vindt u een bespreking van het gedicht (een van de vele).2

 


  1. Vlaanderen, jrg.46 (1997), p.227. 
  2.  E.M. Knottenbelt, Passionate Intelligence: The Poetry of Geoffrey Hill, Amsterdam/Atlanta GA: Editions Rodopi B.V. 1990, p.104 e.v. 
Uitgelicht bericht

Het bevatten van de werkelijkheid

In een lezing voor de Chesterton Society, gaf de Belgische schrijver en sinoloog Simon Leys (pseudoniem van Pierre Ryckmans) een definitie van poëzie die niet alleen veel misverstanden kan wegnemen, maar tevens helder maakt waar het in de dichtkunst om gaat.

“But what is poetry? It is not merely a literary form made of rhythmic and rhyming lines – though Chesterton also wrote (and wrote memorably) a lot of these. Poetry is something much more essential. Poetry is grasping reality, making an inventory of the visible world, giving names to all creatures, naming what is. Thus, for Chesterton, one of the greatest poems ever written was, in Robinson Crusoe, simply the list of things that Robinson salvaged from the wreck of his ship: two guns, one axe, three cutlasses, one saw, three Dutch cheeses, five pieces of dried goat flesh… Poetry is our vital link with the outside world – the lifeline on which our very survival depends – and therefore also, in some circumstances, it can also become the ultimate safeguard of our mental sanity.”

Chesterton is uiteraard G.K. Chesterton of voluit:  Gilbert Keith Chesterton.

De lezing van Leys is opgenomen in diens laatste essaybundel The Hall of Uselessness: Collected Essays, New York, NY: New York Review Books 2013.

Uitgelicht bericht

Gods kleine berg – Geoffrey Hill

Geoffrey Hill in 1986

Geoffrey Hill (fotograaf: Christopher Barker, 1986)

De Engelse dichter Geoffrey Hill  (1932-2016) is op 30 juni 2016 overleden. Hij is in Nederland vrijwel onbekend, maar wordt beschouwd als een belangrijk dichter in het Engelse taalgebied. Een biografische schets van Hill vindt u op de website van Poetry Foundation.1

De titel van het gedicht, Gods kleine berg, verwijst naar God’s Little Mountain, een heuvel die een rol speelt in de roman Gone to Earth (1917) van de schrijfster Mary Webb (1881-1927). De titel is tevens een toespeling op de achternaam Hill. Omdat religieuze, mystieke voorstellingen in dit vers een rol spelen, ligt het voor de hand om ook aan een toespeling op de berg Sinaï te denken, temeer omdat Mozes iemand was die geen woorden beschikbaar had totdat God hem beloofde woorden in de mond te leggen.

In het gedicht wordt een mystieke natuurervaring beschreven waarvoor de dichter geen woorden vinden kan of toebedeeld krijgt, maar die paradoxalerwijze toch tot uitdrukking wordt gebracht volgens beproefd dichterlijk concept. De dichter was toen hij dit schreef (1952) nog maar twintig jaar oud.

Een bespreking van Geoffrey Hill’s poëtische, filosofische, literaire, christelijke, mystieke en culturele bekommernissen vindt u in een essay van de Anglo-Australische dichter Kevin Hart.2 Lezenswaardig is ook een beknopte necrologie in The New Criterion van David Yezzi: Verse in Perfect Pitch.3

Hier kunt u een interview met de dichter beluisteren.

Een goed interview met de dichter is: Geoffrey Hill: ‘poetry should be shocking and surprising’.1

Het gedicht bestaat uit vier kwatrijnen met zinnen van hoge intensiteit. Het rijm binnen de kwatrijnen is halfrijm.

De steen in de slotzin verwijst – denk ik – naar een versteende tong.

[23 aug. 2016: Titel bij publicatie: Het bergje Gods]

Vetaling:

Gods kleine berg

Het riviertje beneden klauterde als een geit
Die stenen los trapt. De berg stampte met zijn voet,
Trillend, als in trance. En watten van geluid
Sloten mij op, in een abrupte rust.

Ik dacht dat de donder de hemel had ontsteld.
Alles was zo stil. De lucht was gespleten, gevuld
Met vuur dat de lucht in kou had geëtst, gestold.
Ik wachtte op het woord dat me niet werd gegund,

Dat opgekropt was in een rijk van pure krachten,
Dat onderworpen werd aan de druk van de sterren;
Ik zag de engelen als gebleekte strootjes opstijgen;
Ik kon niet blijven staan voor deze dorsende ogen

En viel, totdat ik de wereld weer hervond.
Ik mis nu de gratie te zeggen wat voor mijn ogen bestond;
Want het hoofd vormt woorden die de tong niet vond.
En welke arts doet roeren wat reeds is versteend?

Origineel:

God’s Little Mountain

Below, the river scrambled like a goat
Dislodging stones. The mountain stamped its foot,
Shaking, as from a trance. And I was shut
With wads of sound into a sudden quiet.

I thought the thunder had unsettled heaven;
All was so still. And yet the sky was cloven
By flame that left the air cold and engraven.
I waited for the word that was not given,

Pent up into a region of pure force,
Made subject to the pressure of the stars;
I saw the angels lifted like pale straws;
I could not stand before those winnowing eyes

And fell, until I found the world again.
Now I lack grace to tell what I have seen;
For though the head frames words the tongue has none.
And who will prove the surgeon to this stone?


  1. Website Poetry Foundation, Geoffrey Hill (1930-2016), Biography (geraadpleegd 23 augustus 2016). 
  2. Kevin Hart, God’s Little Mountains: Young Geoffrey Hill and the Problems of Religious Poetry, in: Mark Knight, Louise Lee (red.), Religion, Literature and the Imagination: Sacred Worlds, A&C Black: 2009. 
  3. David Yezzi, Verse in Perfect Pitch, The New Criterion, Vol.34, Nr.10, juni 2016. 
  4. Sameer Rahim, Geoffrey Hill: ‘poetry should be shocking and surprising’, The Telegraph, 1 July 2016.
Uitgelicht bericht

In de kerk – R.S. Thomas

Dit gedicht beschrijft de houding van iemand die bidt in een heilige ruimte. Het resultaat is geen rap en evenmin een vers dat geschikt is voor een poetry slam.

Afwezigheid, leegte, stilte, duisternis zijn belangrijk voor het gebed, en voor de ruimte waarin degene die bidt zich wendt tot zijn zwijgende en onzichtbare God.

Moderne atheïsten kunnen er vaak slecht tegen als hun beeld van een rigide, ondemocratisch, homohatend en dogmatisch christendom dat gedoemd is de wedijver met de wetenschap reddeloos te verliezen, niet blijkt te kloppen. Zulke atheïsten kunnen de gedichten van Ronald Stuart Thomas, en a fortiori het gedicht In de kerk, beter ongelezen laten.

Vertaling:

In de kerk

Vaak probeer ik
De aard van deze stilten
Te doorgronden. Verbergt zich hier God
Voor mijn zoekende geest? Sinds die paar mensen
Zijn weggegaan, luister ik niet langer
Naar de lucht die zich herneemt
Voor haar wake. Zo wacht ze al eeuwen, al sinds de
Stenen zich hebben gegroepeerd om haar heen.
Zij zijn de vaste ribben
Van een lichaam dat ons gebed niet tot leven
Kon wekken. Vanuit de hoeken
Rukken schaduwen op om bezit te nemen
Van de plaatsen die het licht een uur lang
Bezet hield. Vleermuizen hervatten
Hun bedrijvigheid. Het ongemak van de kerkbank
Verdwijnt. Er is geen ander geluid
Dan het geluid van een man in het donker
Die ademt, die zijn geloof test
Op de leegte, die zijn vragen één voor één
Nagelt aan een leegstaand kruis.

Origineel:

In Church

Often I try
To analyse the quality
Of its silences. Is this where God hides
From my searching? I have stopped to listen,
After the few people have gone,
To the air recomposing itself
For vigil. It has waited like this
Since the stones grouped themselves about it.
These are the hard ribs
Of a body that our prayers have failed
To animate. Shadows advance
From their corners to take possession
Of places the light held
For an hour. The bats resume
Their business. The uneasiness of the pews
Ceases. There is no other sound
In the darkness but the sound of a man
Breathing, testing his faith
On emptiness, nailing his questions
One by one to an untenanted cross.

 

Uitgelicht bericht

Het Koninkrijk – R.S. Thomas

Het gedicht The Kingdom is niet alleen voor vrome zielen, al beschrijft Ronald Stuart Thomas daarin wel degelijk het Koninkrijk van God.

Dit is misschien wel hetzelfde koninkrijk waarover Gerard Reve uitriep in de slotzin van zijn gedicht Graf te Blauwhuis: “Dat Koninkrijk van U, weet U wel, wordt dat nog wat?”

Vertaling:

Het Koninkrijk

We zijn er nog lang niet, maar de dingen
Gaan er daar heel anders toe:
Festivals waarbij de armen
Koning zijn, teringlijders van gezondheid
Blaken; spiegels waarin de blinden
Zichzelf aankijken, de liefde
Terugkijkt; alle industrie is voor het repareren
Van knikkende knoken en geesten die door het leven
Gebroken zijn. We zijn er nog niet, maar
Het kost geen tijd er te komen en de toegang
Is gratis, mits je uit jezelf alle begeerte
Verdrijft, je tevoorschijn komt met
Wat je echt nodig hebt, en je eenvoudig
Jouw geloof aanreikt, groen als een blaadje.

Origineel:

The Kingdom

It’s a long way off but inside it
There are quite different things going on:
Festivals at which the poor man
Is king and the consumptive is
Healed; mirrors in which the blind look
At themselves and love looks at them
Back; and industry is for mending
The bent bones and the minds fractured
By life. It’s a long way off, but to get
There takes no time and admission
Is free, if you purge yourself
Of desire, and present yourself with
Your need only and the simple offering
Of your faith, green as a leaf.

 

Uitgelicht bericht

De ene en het al – Goethe

Johann Wolfgang von Goethe wordt beschouwd als de grootste dichter van het Duitse taalgebied. Hij heeft, naast epische en dramatische gedichten, tevens een groot aantal lyrische en filosofische gedichten geschreven. Het filosofisch-didactische Eins und Alles, ook hier en daar lyrisch van toon, roept in herinnering wat de dichter Geerten Gossaert ooit over gedichten opmerkte: poëzie is “door ontroering ritmisch geworden rede”.

Het gedicht is geënt op de gedachte van Heraklitus ‘Alles stroomt’, Panta rhei.

Zich meten met de wereldgeest is het leveren van scheppende arbeid.

In het gedicht Vermächtnis gebruikt Goethe soortgelijke gedachten, uiteraard met andere conclusies, want alles stroomt, nietwaar, en wat eenmaal is geschapen wacht dringend op herschepping.

Het is bijna niet voorstelbaar dat een Nederlander ooit een dergelijk gedicht zou hebben geschreven of zelfs maar had kunnen schrijven – uitgezonderd Willem Bilderdijk misschien (maar die kende geen maat in zijn vervoering), of Frederik van Eeden (maar die gaf er al gauw een schertsende draai aan).

Vertaling:

De ene en het al

De enkeling mag graag wegdeinen
In het grenzenloze, en verdwijnen:
Dan wijkt de sleur, de last, de pijn;
Want wilde hartstocht, hunkeringen,
Stringente eisen, zedelijke dingen –
’t Is zalig er vanaf te zijn.

Kom wereldziel, vervul ons met uw wezen!
Want met de wereldgeest zich kunnen meten,
Is wat het hoogste wakker roept en riep.
De beste geesten die zich daaraan wijden,
Weten het ware meesterschap te leiden
Naar dat wat alles schept en schiep.

Herscheppen wat reeds is geschapen,
Opdat het niet in starheid zal ontslapen,
Geeft eeuwige, vitale arbeidslust,
Want wat nooit was, zal nu ontspringen:
Een bonte aarde en pure hemelingen;
Niets of niemand krijgt ooit rust.

Alles moet zich roeren en zich reppen,
En sinds het vorm kreeg, zich herscheppen,
Stagnatie kan slechts schijnbaar zijn.
Het eeuwige verdeelt zich in ons allen:
Want alles zal tot Niets vervallen,
Als het zich vastklampt aan het Zijn.

Origineel:

Eins und alles

Im Grenzenlosen sich zu finden,
Wird gern der einzelne verschwinden,
Da löst sich aller Überdruß;
Statt heißem Wünschen, wildem Wollen,
Statt lästigem Fordern, strengem Sollen
Sich aufzugeben ist Genuß.

Weltseele, komm, uns zu durchdringen!
Dann mit dem Weltgeist selbst zu ringen,
Wird unsrer Kräfte Hochberuf.
Teilnehmend führen gute Geister,
Gelinde leitend höchste Meister
Zu dem, der alles schafft und schuf.

Und umzuschaffen das Geschaffne,
Damit sichs nicht zum Starren waffne,
Wirkt ewiges, lebendiges Tun.
Und was nicht war, nun will es werden
Zu reinen Sonnen, farbigen Erden;
In keinem Falle darf es ruhn.

Es soll sich regen, schaffend handeln,
Erst sich gestalten, dann verwandeln;
Nur scheinbar stehts Momente still.
Das Ewige regt sich fort in allen:
Denn alles muß in Nichts zerfallen,
Wenn es im Sein beharren will.

Uitgelicht bericht

Wat ik moet doen – R.S. Thomas

Het gedicht This to do van R.S. Thomas (1913-2000), een dichter-dominee uit Wales, beschrijft een taak die de ik-figuur nog moet uitvoeren in levendige beelden. Thomas ontleende deze beelden mogelijk aan zijn eigen ervaring.

De taak is geestelijk en angstaanjagend; de ervaring was lichamelijk en opwindend: de enge opdracht wordt beschreven als een spannend avontuur.

Die opdracht is het vinden van de toegangsdeur tot jezelf, en de enge zoektocht wordt voorgesteld als een duik onder water die in een uiterst beperkte tijd moet worden uitgevoerd. (Thomas hield erg van de Deense filosoof Søren Kierkegaard die het bestaan beschreef als eng en subliem, als het oversteken van een afgrond die thousands of fathoms diep is.)

De dichter verbindt lucht en adem metaforisch met geld en munten.

In het begin wordt meer lucht opgenomen dan de ik-figuur heeft, meer geld opgenomen dan op de rekening staat. Aan het eind van het gedicht en tijdens de duik wordt met de opstijgende luchtbellen die als munten worden voorgesteld, de moed ‘gekocht’ die nodig is om de toegangsdeur te vinden.

Hier kunt u luisteren naar de dichter zelf die het vers voordraagt op een fraaie, gedragen toon, een toon die ongetwijfeld door vrolijke, moderne, redelijke mensen als uiterst gedateerd zal worden beschouwd, want het verleden is immers waardeloos, de toekomst vol seksuele en andere genietingen lonkt, en God is dood.

Vertaling:

Wat ik moet doen

Vaststaat dat ik dit doen moet
Op enig moment: meer lucht opnemen
Dan mijn saldo toelaat, breken door het
Wateroppervlak, afdalen in de groene
Duisternis, op zoek naar de deur
Tot mijzelf, in doofheid en blindheid
En gedruis van angstig bloed
Bij de trommelvliezen. Geen richting-
Aanwijzers, alleen skeletten van dode
Zeeaal; geen licht, behalve het flauwe schijnsel
Van fosfor, waarin traag de lijken
Schommelen. Ik moet afdalen met het
Armzalig tegoed van mijn lijf, moed verzamelen,
Die ik betaal met de munten van mijn adem.

Origineel:

This To Do

I have this that I must do
One day: overdraw on my balance
Of air, and breaking the surface
Of water go down into the green
Darkness to search for the door
To myself in dumbness and blindness
And uproar of scared blood
At the eardrums. There are no signposts
There but bones of the dead
Conger, no light but the pale
Phosphorous, where the slow corpses
Swag. I must go down with the poor
Purse of my body and buy courage,
Paying for it with the coins of my breath.

 

Uitgelicht bericht

De gebarsten klok – Baudelaire

De Franse dichter Charles Baudelaire (1821-1867) is het bekendst geworden door zijn bundel Les Fleurs du Mal, de bloemen van het kwaad. Hierin is ook De gebarsten klok, een sonnet, opgenomen.

In de eerste strofe wordt het carillon beschreven die nachtelijke verhalen meevoert en doet opstijgen in de mistflarden. In de tweede strofe wordt over een welluidende, gezonde klok verteld die klinkt als een oude soldaat die vrome conclusies trekt uit zijn gerijpte levenservaring. Deze soldatenmetafoor is de aanzet voor het vervolg, na de wending.

Na de twee openingskwatrijnen, het octet, bevindt zich een wending, de gebruikelijke cesuur, voorafgaand aan de twee slotstrofen, de terzinen, die samen het sextet vormen.

Dan wordt in de derde strofe een gebarsten klok opgevoerd, de geblutste ziel van de ik-figuur. Deze is niet in staat om welluidend te klinken en vrome conclusies te trekken, maar heeft een gebroken en wegstervende stem, die – volgens de slotstrofe – slechts aan rochelende, bloederige, soldateske gruwelen doet denken.

De paradox is natuurlijk dat dit allemaal wordt opgeroepen met eloquente, sonore versregels.

Deze vertaling is experimenteel in die zin dat het metrum vanaf de tweede strofe enigszins afwijkt van het origineel. Het doel daarvan is om de vaart, de voortstuwing, de intensiteit van het origineel in het Nederlands zo getrouw mogelijk na te bootsen.

Spleen is Engels voor milt, en betekent hier depressieve gemoedstoestand. Het woord is in de negentiende eeuw beroemd geworden door de gedichten van Baudelaire. Ennui betekent verveling. Spleen en Ennui worden beide gebruikt om een postreligieus, modern levensbesef uit te drukken.

[Kleine aanpassingen 8 juni 2016]

Vertaling:

De gebarsten klok

’t Is bitterzoet om in de lange winternacht,
Te luisteren, bij het vuur dat walmt en vonkt,
Naar de verhalen die zich in de flarden zacht,
Verheffen op de zingzang van het carillon.

Gelukkig de klok die zijn welluidende lied,
Ondanks zijn leeftijd alert en gezond,
Met een religieus timbre over ons giet,
Als een oude soldaat in de deur van zijn tent.

Maar ik, gebarsten ziel, prooi van spleen en ennui,
Die de kou wil verdrijven met een grafmelodie,
Merk dat mijn stem het nauwelijks nog doet,

Als was ik gewond en ten dode gewijd,
Onder bergen van knoken, en in plassen van bloed,
Bewegingloos stervend, na manhaftige strijd.

Origineel:

La Cloche fêlée

II est amer et doux, pendant les nuits d’hiver,
D’écouter, près du feu qui palpite et qui fume,
Les souvenirs lointains lentement s’élever
Au bruit des carillons qui chantent dans la brume.

Bienheureuse la cloche au gosier vigoureux
Qui, malgré sa vieillesse, alerte et bien portante,
Jette fidèlement son cri religieux,
Ainsi qu’un vieux soldat qui veille sous la tente!

Moi, mon âme est fêlée, et lorsqu’en ses ennuis
Elle veut de ses chants peupler l’air froid des nuits,
II arrive souvent que sa voix affaiblie

Semble le râle épais d’un blessé qu’on oublie
Au bord d’un lac de sang, sous un grand tas de morts
Et qui meurt, sans bouger, dans d’immenses efforts.

 

Uitgelicht bericht

Puinhopen – R.S. Thomas

Ruins

Bouwval in Wales

Puinhopen zijn altijd actueel, Brexit of geen Brexit.

Het gedicht Ruins van R.S. Thomas gaat over de kwetsbaarheid van de wereld waarop we vast vertrouwen en de zelfmisleiding die voor de instandhouding van die wereld nodig is.

In de eerste strofe wordt een excursie beschreven die is gesitueerd in een ruïne of puinhoop. Het opdwarrelende stof dat een slavenkleur heeft, wordt beschreven als iets essentieels, als de zuurstof zonder welke leven niet mogelijk is: eigenlijk moeten we natuurlijk zondebokken afwijzen, maar we kunnen toch niet zonder, althans niet zonder afschrikwekkend voorbeeld.

In de slotstrofe wordt het mogelijke koningsbot voorgesteld als een verloren hoofddoekje. Dit is een betekenisvolle omkering van de situatie waarin de koning iemand is voor wie je sterven wilt: er resteert alleen nog iets waarvan het belang onzeker en onduidelijk is.

Vertaling:

Puinhopen

En dit was een beschaving
Die niks tot stand bracht – zijn teen rakelde minachtend
Het slavenstof op. Zuurstof voor onze cultuur –
Wij inhaleerden het dankbaar.

In het puin vond iemand
Een gekromd bot. Waarschijnlijk van een koning,
Zei hij. Wij, onvolmaakte hovelingen,
Staarden ernaar: gevallen hoofddoek van de tijd.

Origineel:

Ruins

And this was a civilization
That came to nothing—he spurned with his toe
The slave-coloured dust. We breathed it in
Thankfully, oxygen to our culture.

Somebody found a curved bone
In the ruins. A kings probably,
He said. Imperfect courtiers
We eyed it, the dropped kerchief of time.

Uitgelicht bericht

De albatros – Baudelaire

Charles Baudelaire (1821-1867) was een negentiende-eeuwse Franse dichter wiens werk kenmerken heeft van romantiek en decadentie. Hij is een van de dichters die werd opgenomen in de door Paul Verlaine samengestelde bloemlezing Les poètes maudits (1884).

In zijn beroemdste bundel, Les Fleurs du Mal, de bloemen van het kwaad, staat ook De albatros, een gedicht dat het beeld van de gedoemde dichter (poète maudit) oproept.

Een albatros is een grote zeevogel. In het wrede lot van de gevangen albatros herkent Baudelaire het lot van de dichter.

In dit gedicht doet Baudelaire wat ook dominees doen die “exemplarisch preken”. Eerst wordt een verhaal verteld – de dominees ontlenen dat verhaal uiteraard aan de bijbel – en vervolgens wordt dit verhaal als exempel gebruikt om een situatie te verhelderen, in dit geval de situatie waarin de dichter zich bevindt (of zich meent te bevinden).

De vertaling van De albatros door Peter Verstegen, een vormvaste en (soms) vrij nauwkeurige vertaling die helaas hortend en stotend Nederlands oplevert, kunt u hier nalezen.

[Fout gecorrigeerd 28 juni 2016.]

Vertaling:

De albatros

Niet zelden, ter vermaak, vangen de schepelingen
Een albatros, de reuzenvogel van de zee,
Hun reisgenoot, die ging waar zij ook gingen:
Ook over zwarte diepten gleed hij zwierig mee.

Maar niet zodra wordt hij op dek gezet, gevangen,
Of de koning van ’t azuur blijkt log, de geest geweken;
Zijn grote, witte vlerken blijven treurig hangen,
Als riemen die nu doelloos uit hun dollen steken.

Gevleugelde reiziger, wat ben je arm en afgetobd!
Jij, ooit zo mooi, wat ben je uit balans en uit de gratie!
Op jouw snavel worden pijpen uitgeklopt,
En iemand geeft van jouw echec een imitatie.

De dichter gelijkt op de prins van het hemelse blauw:
Hij negeert zijn belagers, trotseert alle winden,
Is verbannen op aarde, temidden van hoon, en algauw
Beletten zijn wieken dat hij ooit zijn bestemming zal vinden.

Origineel:

L’Albatros

Souvent, pour s’amuser, les hommes d’équipage
Prennent des albatros, vastes oiseaux des mers,
Qui suivent, indolents compagnons de voyage,
Le navire glissant sur les gouffres amers.

À peine les ont-ils déposés sur les planches,
Que ces rois de l’azur, maladroits et honteux,
Laissent piteusement leurs grandes ailes blanches
Comme des avirons traîner à côté d’eux.

Ce voyageur ailé, comme il est gauche et veule!
Lui, naguère si beau, qu’il est comique et laid!
L’un agace son bec avec un brûle-gueule,
L’autre mime, en boitant, l’infirme qui volait!

Le Poète est semblable au prince des nuées
Qui hante la tempête et se rit de l’archer;
Exilé sur le sol au milieu des huées,
Ses ailes de géant l’empêchent de marcher.

Uitgelicht bericht

Opvallende moed – W.H. Auden

Een epigram van Wystan Hugh Auden.

Vertaling:

Opvallende moed

Maak maar ruzie, ga te wapen,
Laat de held zijn roes uitslapen;
Schiet een leeuw; beklim de top.
Niemand merkt je zwakheid op.

Origineel:

Conspicuous Courage

Pick a quarrel, go to war,
Leave the hero in the bar;
Hunt the lion, climb the peak:
No one guesses you are weak.

Uitgelicht bericht

Roem is een bij – Emily Dickinson

Dit gedichtje is een epigram van Emily Dickinson. In de laatste regel schiet het de dichteres plotseling te binnen dat de vleugeltjes ook relevant zijn voor de vergelijking, want voor je het weet vliegt het bijtje weer weg, de wijde wereld in. Althans, zo is het gedichtje opgebouwd. In werkelijkheid was de vluchtigheid van de roem misschien wel het eerste wat de dichteres herkende in de vlucht van de bij.

Ik heb dit keer twee vertalingen gemaakt waaruit ik vooralsnog niet goed kan kiezen:

Vertaling 1:

Roem is een bij

Roem is een bij,
Ze heeft een lied –
Ze heeft een angel –
En – ja, ja – ze heeft vleugels.

Vertaling 2:

Roem is een bij

Roem is een bij,
Ze zingt graag –
Ze steekt weleens –
En – kijk – ze kan vliegen.

Origineel:

Fame is a bee

Fame is a bee.
It has a song –
It has a sting –
Ah, too, it has a wing.

Uitgelicht bericht

Voor Helena – Edgar Allan Poe

Edgar Allan Poe was een Amerikaans schrijver van korte verhalen en gedichten. Zijn beste werk heeft een zeer hoge intensiteit. Deze intensiteit bereikt Poe met vreemde, soms angstaanjagende motieven en een merkwaardige afwisseling van stijlregisters. In zijn gedichten gebruikt hij nieuwe vormen en vaak heel inventieve en strakke rijmschema’s: soms rijmen hele zinnen op elkaar.

Poe had het vermogen tot exaltatie, geestvervoering. Zonder dat vermogen zou er – denk ik – geen kunst bestaan, wat zeker niet betekent dat goede kunst een geëxalteerde vorm moet hebben.

Voor Helena is een liefdesgedicht, al is de aanbedene niet alleen de schone vrouw, maar ook de beschaving die zij belichaamt of waarnaar zij verwijst.

Een paar toelichtende opmerkingen:

  • Helena (van Troje) was de dochter van Zeus en werd in de Griekse mythologie beschouwd als de mooiste vrouw op aarde.
  • Niceaanse is een bijvoeglijk naamwoord dat verwijst naar Nicea, dat ligt in het huidige Turkije. Een bark is een zeilschip met ten minste drie masten dat reeds bestond in de oudheid .
  • Hyancinthenhaar verwijst naar Hyakinthos, een Spartaanse prins. En uiteraard ook naar de naar hem genoemde bloem.
  • Naiaden zijn waternimfen.
  • Psyche wordt de vrouw van Cupido (Amor/Eros).

 

Vertaling:

Voor Helena

Helena, uw schoonheid is voor mij
Als een Niceaanse bark uit oude tijd,
Die over de zoetgeurende zee voorbij
Gaat, die deze reutelende reiziger verblijd
En naar zijn geboortegrond geleidt.

Gewend op woeste zeeën rond te dolen,
Heeft uw Hyacinthenhaar, uw klassieke
Gelaat, uw Naiaden-air mij thuis doen komen
Bij de grootsheid van de Grieken,
En het grandioze Rome.

Zie daar nu, in die verre stralende nis,
Hoe sculpturaal is daar uw stand-
Plaats – de agaten lamp in uw hand,
Ah! Psyche, die afkomstig is
Uit Heilig Land!

Origineel:

To Helen

Helen, thy beauty is to me
Like those Nicean barks of yore
That gently, o’er a perfumed sea,
The weary, way-worn wanderer bore
To his own native shore.

On desperate seas long wont to roam,
Thy hyacinth hair, thy classic face,
Thy Naiad airs have brought me home
To the glory that was Greece,
And the grandeur that was Rome.

Lo, in yon brilliant window-niche
How statue-like I see thee stand,
The agate lamp within thy hand,
Ah! Psyche, from the regions which
Are Holy Land!

Uitgelicht bericht

Hoop is dat ding met veren – Emily Dickinson

 

Volgens een onbevestigde overlevering zou Willem van Oranje gezegd of geschreven hebben: “Men hoeft niet te hopen om iets te ondernemen, noch te slagen om te volharden” (Point n’est besoin d’espérer pour entreprendre, ni de réussir pour persévérer). Dat is een mooie gedachte.

In de christelijke traditie zijn Geloof, Hoop en Liefde de goddelijke deugden.

Upton Sinclair schreef in The Jungle als openingszin van hoofdstuk 8: “Yet even by this deadly winter the germ of hope was not to be kept from sprouting in their hearts.

Dit gedicht gaat dus over hoop. Maar hoe hartverwarmend de hoop vaak ook is, en hoe zelfklevend meestal de illusie dat wat je hoopt ooit waar zal wezen, de dichteres laat er zich op voorstaan dat zij er niets – echt niets – aan te danken heeft.

[4 nov 2016. Vertaalfout gecorrigeerd: “in  de diepten van de Zee” > “op de hachelijkste Zee”.]

Vertaling:

Hoop is dat ding met veren

‘Hoop’ is dat ding met veren,
Dat neerstrijkt in de ziel,
En ‘t wijsje zingt, zonder de woorden,
En dat ons nooit – nog nooit – ontviel.

In Stormwind klinkt zij allerliefst;
En vreselijk moet het noodweer zijn,
Dat zorgt dat ’t Vogeltje de moed verliest;
Ze was zo teder en zo fijn.

Ik hoorde haar in bitterkoude streken;
Ook op de hachelijkste Zee was zij,
Maar nooit – ik overdrijf niet –
Vroeg zij een kruimeltje – van Mij.

Origineel:

‘Hope’ is the thing with feathers

‘Hope’ is the thing with feathers—
That perches in the soul—
And sings the tune without the words—
And never stops—at all—

And sweetest—in the Gale—is heard—
And sore must be the storm—
That could abash the little Bird
That kept so many warm—

I’ve heard it in the chillest land—
And on the strangest Sea—
Yet, never, in Extremity,
It asked a crumb—of Me.

Uitgelicht bericht

Een Uitvaart voelde ik, in mijn Brein – Emily Dickinson

Emily Dickinson (1830-1886) was een Amerikaanse dichteres die pas na haar dood beroemd is geworden.

Het zonnetje in huis was ze bepaald niet, maar wat een geweldige poëzie!

Dit gedicht beschrijft een nachtmerrie die niet eindigt in een verlossing, maar in een verdoving – zoals nachtmerries vaak aflopen – net als de werkelijkheid trouwens. Aardig is dat waar in het gedicht Ratio en Rede genoemd worden, dezelfde nachtmerrie onverminderd van kracht blijft, zelfs het allersterkst is, Op Weg Naar het Krankzinnige Einde.

Vertaling:

Een Uitvaart voelde ik, in mijn Brein

Een Uitvaart voelde ik, in mijn Brein,
Met rouwenden die bleven komen –
Bleven komen, af en aan – tot het leek
Of de Ratio zich plotseling vertoonde.

En toen ten slotte iedereen een plekje had,
Begon een Dienst, die als gestage Trom
Ging dreunen – dreunen – tot ik dacht
Dat het mijn geest haast had verstomd.

Toen tilden ze, zo hoorde ik, een Kist
Die knerpte dwars doorheen mijn Ziel,
Met weer diezelfde Loden Laarzen,
Toen kwam de Ruimte – het luide bonzen,

Alsof de Hemelen zich kromden tot een Gong,
En het Zijn zich welfde tot een Oor,
En ik, en Stilte, een vreemdsoortig Ras,
Waren verscheurd, solitair, hier –

En in de Rede brak opeens een Plank,
En ik, ik stortte naar omlaag – omlaag,
En raakte een Wereld, bij elke buiteling,
En Stopte met beseffen, daar –

Origineel:

I felt a Funeral, in my Brain

I felt a Funeral, in my Brain,
And Mourners to and fro
Kept treading – treading – till it seemed
That Sense was breaking through –

And when they all were seated,
A Service, like a Drum –
Kept beating – beating – till I thought
My mind was going numb –

And then I heard them lift a Box
And creak across my Soul
With those same Boots of Lead, again,
Then Space – began to toll,

As all the Heavens were a Bell,
And Being, but an Ear,
And I, and Silence, some strange Race,
Wrecked, solitary, here –

And then a Plank in Reason, broke,
And I dropped down, and down –
And hit a World, at every plunge,
And Finished knowing – then –

 

Uitgelicht bericht

Bij de dood van Prince Rogers Nelson

Op 21 april 2016 overleed Prince Rogers Nelson (1958-2016), de artiest die bekend stond als Prince, die enige tijd The artist formerly known as Prince (1993-1999) werd genoemd, en ten slotte weer Prince mocht heten.1 De doodsoorzaak was naar alle waarschijnlijkheid de overdosis van een pijnstiller.2

Het verdient aanbeveling om over de doden niet dan op correcte wijze te spreken: ‘De mortuis nil nisi bene‘, luidt het Latijnse gezegde, wat niet hetzelfde is als ‘de mortuis nil nisi bonum‘, over de doden niets dan goeds.

Het is niet gemakkelijk om over zijn muzikale prestaties ook maar een voorzichtig woordje van kritiek te vinden. Bijna iedereen is diep onder de indruk van wat Prince tot stand gebracht heeft. Zijn composities zijn geniaal, zijn orkestraties formidabel, zijn optredens waren fenomenaal, en zijn persoonlijkheid was onweerstaanbaar en – jawel – sexy. De muziek na zijn verscheiden zal nooit meer dezelfde zijn als de muziek voor zijn entree.

Over het masturbatieliedje Darling Nikki schreef The Guardian likkebaardend:3

If Darling Nikki doesn’t make you want to have hot, dirty sex – the kind you remember years afterwards with a frisson going down your back – then I don’t know what would. This was the song that caused Tipper Gore to form the Parents Music Resource Center to police the music industry in 1985, putting “Parental Advisory” stickers all over album covers.

Dat de waardering op een dergelijke kwijlende manier tot uitdrukking wordt gebracht, lijkt niet zonder betekenis: de muziek van Prince bedoelt bandeloze seks aan te prijzen en de opvoeding te ondermijnen, en slaagt daar – tot kennelijke tevredenheid van The Guardian – ook daadwerkelijk in. Egalité is het hoogste ideaal, want nooit zijn wij meer aan elkaar gelijk dan in in het moment van seksuele vervoering.

Op TMF, een website gewijd aan nieuws over celebrities, werd na zijn dood het sentimentele getwitter van collega-celebrities gereproduceerd,4 tweets die vervolgens duizendvoudig werden herhaald en gerecycled en uitgekauwd, als waren het uitspraken van betekenis.

In dit koor voegden zich uiteraard ook  politici zoals de Nederlandse Minister van Onderwijs Jet Bussemaker: “Hij was super-, supersexy”.5

Ik begrijp natuurlijk de ontsteltenis – en in een enkel geval: het verdriet – van collega-artiesten en nabestaanden. Ik hoop dat de artiest die gemeenlijk bekend stond onder de naam Prince zal rusten in vrede.

Maar de overledene lijkt me toch niet een cultuurdrager van de eerste orde geweest te zijn. Hij was misschien niet onmuzikaal, maar hij heeft – helaas – toch eigenlijk geen mooie muziek gemaakt. Prince was ijdel, narcistisch en megalomaan. Dat verhindert het maken van mooie muziek mogelijk nog niet helemaal, maar hij ontwikkelde zich eerder tot een performer, een zakenman en een stijlicoon – ‘kinderen allemaal naar binnen komen; sluit ramen en deuren!’ – dan tot een toonkunstenaar van betekenis. Hij verheerlijkte een permanente adolescentie – wat bij het klimmen der jaren uiteraard steeds moeilijker werd vol te houden. Is dat mogelijk de oorzaak van zijn voortijdige dood?

In 1999 was er een uitgebreid interview met The Artist bij Larry King. Prince gedroeg zich ijdel, self-conscious en onpersoonlijk: hij waakte ervoor – zichtbaar zenuwachtig en handenwringend – iets te zeggen dat zijn imperium aan het wankelen kon brengen.

When Doves Cry wordt wel als een hoogtepunt van de componist, uitvoerend musicus en zanger Prince beschouwd. Ik heb het liedje zojuist nog eens driemaal in zijn geheel beluisterd, maar het is, net als Purple Rain – toch zijn allergrootste hit – van een monotone, meedogenloze, paralyserende leegheid die de luisteraar neerdrukt in een staat van eindeloze, doffe verveling.

Als u mijn oordeel over zijn muzikale kwaliteiten niet vertrouwt, luister maar eens rustig naar het liedje Cream – ook al overladen met seksuele symboliek, net als bijna alles wat hij maakte – en u zult horen dat zijn muziek de artistieke geluidskwaliteit heeft van een stofzuiger.

Of het liedje I Wanna Be Your Lover, een stomvervelende Michael Jackson-imitatie, en dat terwijl het nagebootste en door plastische chirurgie misvormde voorbeeld – The King of Pop – zelf ook al van een intense treurigheid was.

prince-en-concert-1985

Prince treedt op (1985)(herkomst foto)

Misschien denkt u nu dat toch ten minste de teksten van Prince flonkeren boven een woud van deprimerende clichés, en dat het juweeltjes van poëzie zijn, die – je weet het maar nooit – de drammerige, hitsige dreun van zijn muziek kunnen goedmaken:

Dirty Mind

There’s something about u, baby
It happens all the time
Whenever I’m around u, baby
I get a dirty mind
It doesn’t matter where we are
It doesn’t matter who’s around
It doesn’t matter
I just wanna lay ya down
In my daddy’s car
It’s you I really wanna drive
But you never go too far
I may not be your kind of man
I may not be your style
But honey all I wanna do
Is just love you for a little while

(…)

3fmkuikengroot

3FM-kuiken met zonnebril

Helaas, ook deze tekst getuigt, zoals u ongetwijfeld ziet, van een gebrekkige formuleerkunst en bovendien van een erbarmelijke leeghoofdigheid die zijn weerga alleen in de popmuziek kent. Seks is natuurlijk iets moois, maar ik denk niet dat de muziek van Prince ons zal helpen om dat te ontdekken.

Prince leek in sommige opzichten op de kort voor hem (eveneens door eigen toedoen) overleden collega-artiest Amy Winehouse: de verschillen waren groot, maar beiden waren zelfdestructief, ambitieus en (in muzikale zin) middelmatig, een giftige combinatie.

Net als dictators en bokskampioenen worden popmuzikanten overladen met buitensporige (en hoogst twijfelachtige) vormen van eerbetoon: His Purple Majesty, His Royal Badness, The Artist en His Purple Highness waren de bijnamen van deze Jehova-getuige, en alleen al het leveren van voorzichtige kritiek maakt voor zijn bewonderaars duidelijk dat de criticus te kwader trouw is.

Het zij zo. De muziek van Prince lijkt mij eerst en vooral de triomf van zelfpromotionele agressie, overschenen – nu en dan – met vlaagjes van valse sentimentaliteit.6

[Enkele toevoegingen: 8-22 juni 2016]


  1. De naamsverandering wordt toegeschreven aan een zakelijk geschil met zijn platenmaatschappij Warner Brothers. De tijdelijke naamsverandering, die natuurlijk geen echte naamsverandering was, genereerde uiteraard ook winstgevende publiciteit.
  2. Website NOS Nieuws, ‘Prince overleden aan overdosis, zegt bron bij onderzoek‘, 2 juni 2016.
  3. Website The Guardian, 11 october 2011, Old music: Prince – Darling Nikki.
  4. Website TMF, Prince’S Death – Celeb Reactions, 21 april 2016 
  5. Website NOS Nieuws, Bussemaker had fascinatie voor Prince: hij was super-, supersexy, 21 april 2016.. 
  6. Deze bijdrage werd in rudimentaire vorm gepost op mijn Facebook-pagina op 22 februari 2016
Uitgelicht bericht

Bonte pracht – Gerard Manley Hopkins

Herfstkleuren

Herfstkleuren (herkomst)

Op verzoek van Robbert Jan Bron heb ik het gedicht Pied Beauty van Gerard Manley Hopkins vertaald. Het is (inderdaad) een prachtig gedicht.

Het is al eerder vertaald, onder anderen door Leo Vroman1 en door Pater Begheyn2 (ten gehore gebracht bij de uitvaart van Kees Fens).3

W.J.M. Bronzwaer (1936-1999), bij leven hoogleraar Algemene Literatuurwetenschap in Nijmegen, heeft in 1984 bij Ambo een door hem samengestelde tweetalige bundel gepubliceerd:  Gedichten / Gerard Manley Hopkins (keuze uit zijn poëzie met vertaling en commentaren). Een voorpublicatie daarvan en een interessante inleiding zijn online beschikbaar bij de Digitale bibliotheek voor de Nederlandse letteren (dbnl).4

Ik heb op deze vertaling kritiek gekregen die ik inmiddels verwerkt heb: ik had falls met herfsten vertaald, terwijl het vallen van de intens gekleurde kastanjes bedoeld werd, en ik had counter opgevat als werkwoord, wat de structuur van het vers geweld aan deed. Ik ben de criticus (die op deze openbare plaats liever anoniem blijft) zeer erkentelijk.

Volgens Bronzwaer heeft het woord ‘change’ in de laatste regel “zonder twijfel” betrekking op Darwins evolutie. Ik heb mede daarom gekozen voor de vertaling ‘variatie’.

Vertaling:

Bonte pracht

Eer zij God voor bonte dingen –
Voor bipolaire luchten als een gevlekte koe;
Voor rozige sproetjes als stippels op zwemmende forellen;
Vers-gloeiende kastanje-oogst; vleugelglans van vinken;
Verdeeld, verkaveld land – braak, geplooid, geploegd;
En van ieder ambacht het gerei, het tuig, de toestellen.

Hoe strijdig ook, oorspronkelijk, raar, apart;
Al wat balsturig is, bespikkeld (wie weet hoe?)
Met zoet, zuur, flonkerend, flauw, het trage of het snelle –
Hij vadert voort, wiens schoonheid elke variatie tart:
Looft Hem.

Origineel:

Pied Beauty

Glory be to God for dappled things –
For skies of couple-colour as a brinded cow;
For rose-moles all in stipple upon trout that swim;
Fresh-firecoal chestnut-falls; finches’ wings;
Landscape plotted and pieced – fold, fallow, and plough;
And áll trádes, their gear and tackle and trim.

All things counter, original, spare, strange;
Whatever is fickle, freckled (who knows how?)
With swift, slow; sweet, sour; adazzle, dim;
He fathers-forth whose beauty is past change:
Praise him.


  1. Geciteerd in bijv.: Kees Both, ‘Gerard Manley Hopkins en de ecologische theologie‘, website: http://www.sporenvangod.nl, p.6 (pdf-bestand met toelichting bij het gedicht). 
  2. Paul Begheyn S.J. (1944-), jezuiet, stafmedewerker Ignatiushuis en schrijver; hij publiceert sinds 1963 over geschiedenis, spiritualiteit, cultuur van de jezui͏̈etenorde, beeldende kunst en poëzie. Hij wordt beschouwd als een Petrus Canisius-kenner.
  3. Wiel Kusters, Mijn versnipperd bestaan. Het leven van Kees Fens 1929-2008, Amsterdam: Athenaeum-Polak en Van Gennip 2014 
  4. W. Bronzwaer, [Vertaallaboratorium] ‘G.M. Hopkins: een Victoriaans Modernist‘, De Revisor, jrg.11 (1984), p.42-47.
Uitgelicht bericht

Ten slotte – Eugenio Montale

Eugenio_Montale

Eugenio Montale (licentie)

De Italiaanse dichter Eugenio Montale is een belangrijk Italiaans dichter die (desondanks of misschien wel daarom) in 1975 de Nobelprijs voor Literatuur won.

Dit gedicht is een klassiek voorbeeld van de afkeer die veel kunstenaars hebben van het feit dat het publiek meer aandacht heeft voor de biografie dan voor het werk.

Leopardi is Giacomo Leopardi.

Dit gedicht is eerder vertaald – een beetje onbevredigend naar mijn smaak – door de overigens terecht geroemde en bekroonde vertaler Frans van Dooren (1934-2005).1

Vertaling:

Ten slotte

Geef ik mijn erfgenamen
In de literatuur (indien aanwezig),
Een onmogelijk advies:
Ontsteek een fraai vreugdevuur van alles wat
Mijn leven, mijn doen, mijn nalaten betreft.
Ik ben geen Leopardi; veel brandbaars is er niet,
Al komt mijn leven niets te kort.
Ik leefde voor vijf procent, daarmee houdt het
Wel op. Maar al te vaak regent het echter
Dat het giet.

Origineel:

Per finire

Raccomando ai miei posteri
(se ne saranno) in sede letteraria,
il che resta improbabile, di fare
un bel falò di tutto che riguardi
la mia vita, i miei fatti, i miei nonfatti.
Non sono un Leopardi, lascio poco da ardere
ed è già troppo vivere in percentuale.
Vissi al cinque per cento, non aumentate
la dose. Troppo spesso invece piove
sul bagnato.


  1. TOT BESLUIT geef ik mijn nakomelingen in de literatuur
    (als die er tenminste zullen zijn), iets wat
    onwaarschijnlijk is, de raad een mooi vreugdevuur
    te ontsteken van alles wat betrekking heeft
    op mijn leven, op dat wat ik wel en niet heb gedaan.
    Ik ben geen Leopardi, ik laat weinig brandbaars na
    en het is al te veel om voor een percentage te leven.
    Ik leefde niet meer dan vijf procent, vergroot
    de dosis niet. Te dikwijls echter regent het
    op iets dat al doorweekt is. 
Uitgelicht bericht

Het meisje aan de zee – Heinrich Heine

Na het vorige gedicht – zware kost met al die executies – nu een lieflijk gedicht vol diepe, dichterlijke gevoelens.

Vertaling:

Het meisje aan de zee

Het meisje aan de zee,
Ze zuchtte diep geraakt;
Het nam haar zozeer mee,
De zon die ondergaat.

Lief meisje, wees wat flinker,
Zo draait dit stuk non-stop;
Recht voor ons gaat ze zinken,
Van achter komt ze op.

Origineel:

Das Fräulein stand am Meere

Das Fräulein stand am Meere
Und seufzte lang und bang,
Es rührte sie so sehre
Der Sonnenuntergang.

Mein Fräulein! sein Sie munter,
Das ist ein altes Stück;
Hier vorne geht sie unter
Und kehrt von hinten zurück.

Uitgelicht bericht

Meer licht! Meer licht! – Anthony Hecht

Anthony-Hecht

Anthony Hecht (herkomst)

Het gedicht Meer licht! Meer licht! van Anthony Hecht (1923-2004) contrasteert twee executie-taferelen: één van een Engelse martelaar op de brandstapel in de zestiende eeuw, en een meervoudige executie in Buchenwald tijdens de Tweede Wereldoorlog.

De trein naar Buchenwald stopte in Weimar, de stad waar Johann Wolfgang von Goethe woonde en werkte van 1775 tot zijn dood in 1832.

De titel verwijst naar de laatste woorden die Goethe volgens de overlevering op zijn sterfbed heeft gesproken: Mehr Licht.

Het “Vriend’lijk Licht” waarvan in het gedicht sprake is, is een enigszins anachronistische toespeling op Lead, Kindly Light, een lied dat geschreven werd door John Henry Newman.

De Tower waarnaar in het gedicht wordt verwezen is de Tower of London.

De Lüger die wordt genoemd – de umlaut lijkt me twijfelachtig, maar ik heb hem voorlopig in vertaling gehandhaafd – is een Duits pistool. Dat de schutter niet wordt genoemd, is opzettelijk: de nazi wordt gedepersonaliseerd.1

Hier kunt u de dichter het gedicht horen inleiden en voordragen.2

Hannah Arendt

Hannah Arendt

Het gedicht werd opgedragen aan het filosofenechtpaar Heinrich Blücher (1899-1970) en Hannah Arendt (1906-1975) die in 1940 waren getrouwd.

Anthony Hecht was een Amerikaans dichter van Duits-Joodse afkomst die naast gedichtenbundels ook enkele boeken over poëzie heeft geschreven, waaronder The Hidden Law: The Poetry of W. H. Auden (1993). Aan het eind van de Tweede Wereldoorlog was hij als soldaat van het Amerikaanse leger betrokken bij de bevrijding van het concentratiekamp Flossenburg, wat een ingrijpende ervaring voor hem was.3

Een informatieve necrologie, geschreven kort na de dood van Hecht in 2004, kunt u hier lezen.4

Ik heb het rijm niet helemaal consequent gevolgd om de dramatiek van het vers niet te ontkrachten met een al te onnatuurlijke woordvolgorde en woordkeus.

Vertaling:

Meer licht! Meer licht!

Voor Heinrich Blücher en Hannah Arendt

Deze bewogen regels, volgens pijnlijk gebruik
Naar de brandstapel gebracht, werden in de Tower geschreven,
Nog voor de executie; ze werden overhandigd en luidden:
“God is mijn getuige, dat ik geen misdaad heb bedreven.”

Hij was welzeker moedig, maar de dood was gruwelijk:
De zak met buskruit vatte maar geen vlam.
Zijn benen waren beblaarde staken, waarop het zwarte sap,
Bubbelde en spatte, terwijl hij smeekte om het Vriend’lijk Licht.

En dat – het kon zeker veel erger – was er dan nog één
Die hem zijn jammerlijke waardigheid niet ontnam;
Zij die erbij stonden, zegden gebeden in Christus’ naam,
Die alle mensen oordelen zal, voor de rust van zijn ziel.

We wenden ons nu naar de rand van een Duits bos.
Drie mannen krijgen daar opdracht een gat te graven,
Waarin de twee Joden worden gemaand te gaan liggen,
Om levend te worden begraven door de derde, een Pool.

Geen licht uit de schrijn in Weimar, achter de heuvel,
Geen licht daagde van boven. Toch deed hij het niet.
Een Lüger zat diep in z’n handschoen verscholen.
Hij moest met de Joden ruilen van plaats.

De alomtegenwoordige dood had hun zielen weggespoeld.
Zware modder hoopte zich op tot aan zijn sidderende kin.
Toen je alleen het hoofd nog zag, klonk het commando
Hem weer uit te graven, en er zelf weer in te gaan liggen.

Geen licht, geen licht in het blauwe Poolse oog.
Toen hij klaar was, stampte een rijlaars de aarde aan.
De Lüger kwam lichtjes in z’n handschoen omhoog.
Het schot trof zijn buik; hij bloedde binnen drie uur dood.

Geen gebed of wierook steeg op in die uren,
Die zich rekten tot jaren, en elke dag kwamen uit de ovens
De stille geesten, die zich verdeelden in de winterlucht,
En zich afzetten als een roetlaag op zijn ogen.

Origineel:

More Light! More Light!

for Heinrich Blücher and Hannah Arendt

Composed in the Tower before his execution
These moving verses, and being brought at that time
Painfully to the stake, submitted, declaring thus:
“I implore my God to witness that I have made no crime.”

Nor was he forsaken of courage, but the death was horrible,
The sack of gunpowder failing to ignite.
His legs were blistered sticks on which the black sap
Bubbled and burst as he howled for the Kindly Light.

And that was but one, and by no means one of the worst;
Permitted at least his pitiful dignity;
And such as were by made prayers in the name of Christ,
That shall judge all men, for his soul’s tranquillity.

We move now to outside a German wood.
Three men are there commanded to dig a hole
In which the two Jews are ordered to lie down
And be buried alive by the third, who is a Pole.

Not light from the shrine at Weimar beyond the hill
Nor light from heaven appeared. But he did refuse.
A Lüger settled back deeply in its glove.
He was ordered to change places with the Jews.

Much casual death had drained away their souls.
The thick dirt mounted toward the quivering chin.
When only the head was exposed the order came
To dig him out again and to get back in.

No light, no light in the blue Polish eye.
When he finished a riding boot packed down the earth.
The Lüger hovered lightly in its glove.
He was shot in the belly and in three hours bled to death.

No prayers or incense rose up in those hours
Which grew to be years, and every day came mute
Ghosts from the ovens, sifting through crisp air,
And settled upon his eyes in a black soot.


  1. Jonathan F.S. Post (red.), The Selected Letters of Anthony Hecht, Baltimore: The John Hopins University Press 2013, p.207.
  2. Gedicht ontleend aan Collected Earlier Poems (Alfred A. Knopf, 1990). Website: Poetry Foundation, poem: “More Light! More Light!” (geraadpleegd 15 mei 2016). 
  3. Matt Schudel, ‘Poet, Essayist Anthony Hecht Dies at 81‘, The Washington Post, 22 oktober 2004.
  4. Harvey Shapiro, ‘Anthony Hecht, a Formalist Poet, Dies at 81‘, The New York Times, 22 oktober 2004.
Uitgelicht bericht

Natuur en kunst – Goethe

Goethe,_J._W._(1802) - Natur und Kunst

Natur und Kunst (herkomst)

Dit gedicht (1802) van Johann Wolfgang von Goethe, een enigszins vrij sonnet dat meer beschouwelijk dan aanschouwelijk van aard is, bevat een zin die ook in Nederland tot spreekwoord is geworden: In de beperking toont zich de meester.

De direct erop volgende zin: En slechts de wet kan ons de vrijheid geven is overigens een stuk minder populair.

Het gehele gedicht is al minstens een eeuw unzeitgemäß. De kunstgeschiedenis van de twintigste eeuw is voor een groot deel de geschiedenis van een streven dat geen wet en geen beperking wenste te kennen.

Vertaling:

Natuur en kunst

Natuur en kunst – ze gaan, zo lijkt het, eigen wegen,
Maar je treft ze, voor je ’t weet, genoeglijk samen;
Ook mijn verdeeldheid ging weer over in beamen,
Ze hebben mij nu beiden in hun ban gekregen.

Het vergt alleen dat men zich inzet en volhardt!
Pas als, in daartoe uitgelezen uren, ons brein,
Ons lijf en onze ziel aan kunst gebonden zijn,
Kan zuivere natuur weer gloeien in ons hart.

Zo is het ook met vorming en beschaving:
Vergeefs zullen de aan niets gebonden geesten
Naar de voltooiing van hun hoge doelen streven.

Wie hoge dingen wil, moet zich bedwingen;
In de beperking toont zich pas de meester,
En slechts de wet kan ons de vrijheid geven.

Origineel:

Natur und Kunst

Natur und Kunst, sie scheinen sich zu fliehen,
Und haben sich, eh’ man es denkt, gefunden;
Der Widerwille ist auch mir verschwunden,
Und beide scheinen gleich mich anzuziehen.

Es gilt wohl nur ein redliches Bemühen!
Und wenn wir erst in abgemeßnen Stunden
Mit Geist und Fleiß uns an die Kunst gebunden,
Mag frei Natur im Herzen wieder glühen.

So ist’s mit aller Bildung auch beschaffen:
Vergebens werden ungebundne Geister
Nach der Vollendung reiner Höhe streben.

Wer Großes will, muß sich zusammen raffen;
In der Beschränkung zeigt sich erst der Meister,
Und das Gesetz nur kann uns Freiheit geben.

 

Uitgelicht bericht

Een vrouw – Heinrich Heine

Heinrich_Heine-Oppenheim

Heine (licentie)

Een leuk gedicht.

Bij Heinrich Heine krijgt Das Ewigweibliche wel een beetje een opportunistische, cynische betekenis. Misschien spreekt het u aan; misschien wordt u boos. Als u maar niet vergeet om het gedicht te lezen.

In Heines Neue Gedichte, is Een vrouw het eerste gedicht van de afdeling Romanzen.

Vertaling:

Een vrouw

Ze hadden elkaar zo heerlijk lief,
Zij was een ondeugd, hij was een dief.
Als hij de schelm uithing bij nachte,
Wierp zij zich op bed en lachte.

De dag verliep in vreugd en lust,
En ’s nachts werd hij door haar gekust.
Toen ze hem naar het gevang brachten,
Stond zij aan ’t raam en lachte.

Hij zond een boodschap: O kom toch gauw,
Ik verlang zo vreselijk naar jou,
Ik riep om je, ik smachtte –
Ze schudde haar hoofd en lachte.

Om zes uur ’s morgens ging zijn kop eraf,
Om zeven uur daalde hij neer in het graf;
Zij echter ging al rond achten
Aan de rode wijn en lachte.

Origineel:

Ein Weib

Sie hatten sich beide so herzlich lieb,
Spitzbübin war sie, er war ein Dieb.
Wenn er Schelmenstreiche machte,
Sie warf sich aufs Bett und lachte.

Der Tag verging in Freud und Lust,
Des Nachts lag sie an seiner Brust.
Als man ins Gefängnis ihn brachte,
Sie stand am Fenster und lachte.

Er ließ ihr sagen: O komm zu mir,
Ich sehne mich so sehr nach dir,
Ich rufe nach dir, ich schmachte –
Sie schüttelt’ das Haupt und lachte.

Um sechse des Morgens ward er gehenkt,
Um sieben ward er ins Grab gesenkt;
Sie aber schon um achte
Trank roten Wein und lachte.

 

 

Uitgelicht bericht

Sluitstuk – Rainer Maria Rilke

buch-der-bilderDit gedicht van Rainer Maria Rilke was het sluitstuk van Das Buch der Bilder. De dood wordt natuurlijk tevens voorgesteld als het sluitstuk van het leven, het stukje zonder welke het leven onvoltooid is.

De lachende mond van de reusachtige dood vormt allereerst de krater op de rand waarvan wij allen leven en waarin wij allen ooit zullen tuimelen.

Binnen zes korte regels is het echter – terwijl wij menen midden in het leven te staan – datgene wat huilt in ons diepste innerlijk.

De beeldspraak verandert van een realiteit buiten ons die overweldigend is en lacht – iets waarvan je je bovendien nauwelijks bewust bent – naar een realiteit binnen ons die diep verscholen is en huilt – wat voor anderen klein lijkt, maar wat als pijnlijk gevoeld wordt, openbaar wordt, en ten slotte voor iedereen onontkoombaar is.

In de dood is lachen en huilen, binnen en buiten, groot en klein uiteindelijk één.

Ik heb het rijm wel enigszins gevolgd in vertaling, namelijk als halfrijm, maar ik heb het niet geforceerd tot het originele volrijm, omdat het resultaat er voor mijn gevoel minder van werd. Vertalersonmacht ongetwijfeld.

Vertaling:

Sluitstuk

De dood is groot.
Wij bestaan bij
de gunst van zijn lachende mond.
Als we ons midden in ’t leven wanen,
waagt hij te wenen
midden in ons.

Origineel:

Schlußstück

Der Tod ist groß.
Wir sind die Seinen
lachenden Munds.
Wenn wir uns mitten im Leben meinen,
wagt er zu weinen
mitten in uns.

Uitgelicht bericht

Herfstdag – Rainer Maria Rilke

Rainer_Maria_Rilke,_1900

Rainer Maria Rilke (licentie)

Dit gedicht van Rainer Maria Rilke (1875-1926), een belangrijke lyrische dichter in het Duitse taalgebied, is terecht beroemd geworden door de regels:

Wer jetzt kein Haus hat, baut sich keines mehr.
Wer jetzt allein ist, wird es lange bleiben

Het gedicht lijkt een beetje op een sonnet, maar is het niet. Het is geen moeilijk gedicht. Het is een korte bespiegeling bij het einde van de zomer en het intreden van de herfst.

Vertaling:

Herfstdag

Heer, het is tijd. De zomer kon niet fraaier.
Vlei nu uw schaduw over onze zonnewijzers,
en laat uw winden over alle velden waaien.

Beveel de laatste vruchten mooi te zwellen;
gun ze een paar zwoele, zuidelijke dagen,
dwing hen tot rijping en – ten slotte – jaag
de laatste zoetheid in de zware wijnen.

Wie nu geen huis heeft, bouwt geen woning meer.
Wie nu alleen is, zal het heel lang blijven,
zal waken, lezen, lange brieven schrijven,
zal wandelen in de lanen heen en weer,
terwijl de wind de blaadjes voort zal drijven.

Origineel:

Herbsttag

Herr, es ist Zeit. Der Sommer war sehr groß.
Leg deinen Schatten auf die Sonnenuhren,
und auf den Fluren laß die Winde los.

Befehl den letzten Früchten voll zu sein;
gib ihnen noch zwei südlichere Tage
dränge sie zur Vollendung hin und jage
die letzte Süße in den schweren Wein.

Wer jetzt kein Haus hat, baut sich keines mehr.
Wer jetzt allein ist, wird es lange bleiben,
wird wachen, lesen, lange Briefe schreiben
und wird in den Alleen hin und her
unruhig wandern, wenn die Blätter treiben.

Uitgelicht bericht

Op zoek naar twijfel

Micha Wertheim

Micha Wertheim, fotograaf: Merlijn Doomernik

Micha Wertheim – een cabaretier en columnist die ik over het algemeen waardeer – schrijft als slotalinea van een column in Vrij Nederland:1

“Als satiricus is mijn wereldbeeld er een van tegenstrijdigheden. Daarom voel ik mij ook beter thuis bij Charlie Hebdo en Jan Böhmermann, wanneer zij op zoek zijn naar twijfel in plaats van zekerheden. Dat al die anderen ook gebruik willen maken van de vrijheid van meningsuiting is ze van harte gegund, maar vergeef het me als ik niet bij iedere mening de vlag van het vrije woord hijs.”

Ik geloof er bitter weinig van dat Charlie Hebdo, Jan Böhmermann (of Micha Wertheim) “op zoek zijn naar twijfel”. Dat lijkt me een moderne mythe. Deze mythe is – denk ik – in het leven geroepen om een moderne opvatting te schragen, namelijk dat een levenshouding zonder waarde-oordelen de hoogste morele deugd vertegenwoordigt. Ik beschouw een dergelijke levenshouding als een dwaling.

Veel cabaretiers – en zeker ook veel cartoons van Charlie Hebdo – tonen een innige tevredenheid met de eigen morele positie: iets zeggen waaruit blijkt dat jij lekker gelijk hebt, wordt door de meeste mensen als de hoogste vorm van humor beschouwd. Men denke hierbij aan Andries KnevelRichard Dawkins2of – inderdaad – Jan Böhmermann.3 Micha Wertheim zelf is overigens heel goed in staat om cabaret te maken waarin de humor voortkomt uit de onmogelijkheid of moeilijkheid om ergens zeker van te zijn.

Twijfel kan volgens mij heel goed het resultaat zijn van de zoektocht naar waarheid (en daarmee de kern uitmaken van de column, de cartoon of de sketch), maar niet het doel.

Ik geloof wel dat mensen vaak twijfelen, en ook dat je in je binnenste vaak twijfel voelt over de meningen die jou het meest dierbaar zijn, en dat je daarom – reeds twijfelende – op zoek bent naar schrijvers, kunstenaars, cabaretiers die jouw opvattingen onderuit kunnen halen, naar meningen dus die jouw reeds bestaande twijfel bevestigen.

Maar ik geloof eigenlijk niet dat mensen “op zoek zijn naar twijfel“.

[Een paar correcties op 20 juli 2016: Wertheim zelf is heel goed in staat om humoristisch te zijn door zijn twijfels te gebruiken voor cabareteske doeleinden. In de slotzin heb ik een bijzin over ‘zelfdestructie’ verwijderd: zelfdestructieve mensen zijn meestal desperaat op zoek naar zekerheid, niet naar twijfel.)


  1. Micha Wertheim, ‘Ik hijs niet bij elke mening de vlag van het vrije woord‘, Vrij Nederland, 18 april 2016 
  2. John Gray, ‘The Closed Mind of Richard Dawkins. His atheism is its own kind of narrow religion‘, New Republic, 3 oktober 2014: “It is hard to resist the thought that the public recognition that in Britain is conferred by a knighthood is Dawkins’s secret dream. A life peerage would be even better. What could be more fitting for this tireless evangelist than to become the country’s officially appointed atheist, seated alongside the bishops in the House of Lords? He may lack their redeeming tolerance and display none of their sense of humor, but there cannot be any reasonable doubt that he belongs in the same profession.” 
  3. Böhmermann mag delen smaadgedicht niet meer voordragen‘ (inclusief videofragment waarop de satiricus Jan Böhmermann het vers voordraagt dat de Turkse president Recep Tayyip Erdoğan in het verkeerde keelgat schoot), Website NOS Nieuws, 17 mei 2016.
Uitgelicht bericht

De knie – Christian Morgenstern

Een vrij beroemd gedicht (er zijn geen heel beroemde gedichten, want poëzie is de meest geminachte van alle kunsten) van Christian Morgenstern is Das Knie. Ik ken het al decennialang uit mijn hoofd. Zo’n losse knie, niets meer en niets minder, heeft iets heel troostrijks.

Hier kunt u een Trijfel vinden, een column van Nico Scheepmaker, met door anderen gemaakte vertalingen, waaronder ook een fraaie vertaling van Scheepmaker zelf.1

[Correcties 15-4-2016]

Vertaling:

De knie

Een knie gaat stil de wereld rond.
Het is een losse knie!
Het is geen tent! Het is geen hond!
Het is een losse knie.

Eens werd een vechtende soldaat
Kapotgeschoten van rondom.
De knie alleen bleef ongedeerd –
Als was ‘t een heiligdom.

Nu gaat-ie stil de wereld rond.
Het is een losse knie.
Het is geen tent, het is geen hond.
Het is een losse knie.

Origineel:

Das Knie

Ein Knie geht einsam durch die Welt.
Es ist ein Knie, sonst nichts!
Es ist kein Baum! Es ist kein Zelt!
Es ist ein Knie, sonst nichts.

Im Kriege ward einmal ein Mann
erschossen um und um.
Das Knie allein blieb unverletzt-
als wärs ein Heiligtum.

Seitdem gehts einsam durch die Welt.
Es ist ein Knie, sonst nichts.
Es ist kein Baum, es ist kein Zelt.
Es ist ein Knie, sonst nichts.


  1. Nico Scheepmaker, Trijfel, Leidsch Dagblad, 9 juni 1980, p.21 
Uitgelicht bericht

Het was zo’n wonderlijke middag – Christian Morgenstern

Morgenstern-h420

Christian Morgenstern (licentie)

Christian Morgenstern was een humoristisch dichter en een ernstig man. Zijn grootste bekendheid geniet hij door zijn Galgenlieder.

Het onderhavige gedicht is een originele beschrijving van een zonnige natuurbeleving.

Ik heb na enig wikken en wegen het volrijm Siegel/Spiegel toch maar vervangen door het halfrijm zegel/spiegel. [Correctie 15-4-2016: toch een andere vertaaloplossing gekozen.]

Vertaling:

Het was zo’n wonderlijke middag…

Het was zo’n wonderlijke middag,
waarop men vissen hoorde zingen,
geen bries, geen stem, geen rimpelingen,
geen golfje dat zich welfde tot een slag.

Jullie alleen – de vissen –  verbraken liefderijk
het zegel dat alom de stilte schraagt,
en zongen met miljoenen tegelijk,
onder de spiegel die de hemel draagt.

Origineel:

Es war ein solcher Vormittag …

Es war ein solcher Vormittag,
wo man die Fische singen hörte,
kein Lüftchen lief, kein Stimmchen störte,
kein Wellchen wölbte sich zum Schlag.

Nur sie, die Fische, brachen leis
der weit und breiten Stille Siegel
und sangen millionenweis’
dicht unter dem durchsonnten Spiegel.

Uitgelicht bericht

Twijfel – Kurt Tucholsky

Kurt Tucholsky - Stamps_of_Germany_(Berlin)_1985,_MiNr_748Het gedicht Twijfel van de Duitse dichter, journalist, columnist en schrijver Kurt Tucholsky werd gepubliceerd in het blad Die Weltbühne, op 20 januari 1925, nr. 3, p.90, onder het pseudoniem Theobald Tiger.

Het is een heel mooi gedicht, maar het is extra ontroerend voor wie beseft in welke onmogelijke omstandigheden Tucholsky zijn werk als schrijver moest doen, omstandigheden die mede zouden leiden tot zijn voortijdige dood in 1935.

Van alle Duitse schrijvers die ik bewonder is Tucholsky mij het allerliefst, reden waarom ik in 2008 het pseudoniem Theobald Tiger heb gekozen, geleend eigenlijk, als mijn alias op Wikipedia.

De laatste zin van dit gedicht vinden sommige critici niet goed: deze is, hoe raak ook, in dichterlijke zin wel wat veel van het goede, maar in zijn tijd was haast alles wat Tucholsky schreef wel wat veel van het goede, vrees ik: “Um mich spüre ich ein leises Wandern. Sie rüsten zur Reise ins Dritte Reich” (uit het hoofd).  Het lijkt me niet eenvoudig als je moet kiezen welke retorische middelen het meest effectief zijn om de komende catastrofe af te wenden.

Vertaling:

Twijfel

Ik zit op het verkeerde schip.
Van wat we doen, van al ons streven
Van wat wij in de bladen schreven,
Deugt vrijwel niets. Woord en begrip.

De bodem deint. Waartoe? Waarom?
Kunst. Geen kunst. Vele kamers ging ik door.
Nooit is het einde daar. En alsmaar
Een nieuwe deur. Waarvoor?

Onmogelijk. Er is geen terugkeer.
Wat ik ook doe, opstomen, in verzet komen,
Het galmt voortdurend in mijn dromen:
Niet meer.

Maar de nieuwste lichting vatte moed.
Ze geloven. Met moeite, maar ze geloven.
En uit die koene zielen stijgt naar boven:
‘t Komt goed.

Is dat het nu? Het slaat mij met stomheid.
Wie zijn die lui die daar beneden zingen?
Niemand kan ooit zijn tijd ontspringen.
En hoe benijd ik, wie zich neerlegt bij de dingen…
Zij hebben ’t goed,
Zij gloriëren in hun domheid.

Origineel:

Zweifel

Ich sitz auf einem falschen Schiff.
Von allem, was wir tun und treiben,
und was wir in den Blättern schreiben,
stimmt etwas nicht. Wort und Begriff.

Der Boden schwankt. Wozu? Wofür?
Kunst. Nicht Kunst. Lauf durch viele Zimmer.
Nie ist das Ende da. Und immer
stößt du an eine neue Tür.

Es gibt ja keine Wiederkehr.
Ich mag mich sträuben und mich bäumen,
es klingt in allen meinem Träumen:
Nicht mehr.

Wie gut hat es die neue Schicht.
Sie glauben. Glauben unter Schmerzen.
Es klingt aus allen tapfern Herzen:
Noch nicht.

Ist es schon aus? Ich warte stumm.
Wer sind Die, die da unten singen?
Aus seiner Zeit kann Keiner springen.
Und wie beneid ich Die, die gar nicht ringen.
Die habens gut.
Die sind schön dumm.

Uitgelicht bericht

Gods grandeur – Gerard Manley Hopkins

 

GerardManleyHopkins

G.M. Hopkins (herkomst)

Gerard Manley Hopkins (1844-1891) was een van de belangrijkste Victoriaanse dichters. Hij was katholiek priester en jezuiet.

Dit gedicht is een sonnet met een streng rijmschema en de regels zijn bovendien afgeladen met alliteratie of stafrijm. Het gedicht bevat tevens een vrij beroemde zin die uit louter beklemtoonde eenlettergrepige woorden is opgebouwd: Why do men then now not reck his rod?

In deze vertaling heb ik – enigszins tegen mijn gewoonte in – het rijmschema niet strak gevolgd, omdat het vertaalresultaat er naar mijn smaak minder van werd als ik dat toch probeerde.

Om letterlijkheidsaanbidders en Droogstoppels royaal gelijk te geven: er zijn geen foto’s van een broedende Heilige Geest bekend.

Hier kan een bespreking van het gedicht worden geraadpleegd.1

Vertaling:

Gods grandeur

De wereld is geladen met de grandeur van God,
Die opvlamt, als schittering van gekreukeld goudfolie,
Die aanwast tot grootsheid, als trage, uitgeperste olijfolie.
Waarom vreest men nu dan niet de schichten van Zijn staf?

Geslachten traden aan, traden op, traden plat;
Bedrijvigheid heeft alles besmet, besmeurd, bevlekt met vlijt,
Bezoedeld met mensengeur, bespat: de aarde slijt,
Werd kaal; gevoelloos bleek de voet die werd geschoeid.

Natuur wordt niettemin nooit helemaal verbruikt;
Kostbare jonkheid leeft in haar diepste grond;
Zelfs als het laatste licht in het zwarte westen dooft, ontluikt

Deze oostwaards aan de rode rand – O, morgenstond –
Want de Heilige Geest rust broedend op de gewelfde
Wereld met – jawel! – glanzende vleugels en warme borst.

Origineel:

God’s Grandeur

The world is charged with the grandeur of God.
It will flame out, like shining from shook foil;
It gathers to a greatness, like the ooze of oil
Crushed. Why do men then now not reck his rod?

Generations have trod, have trod, have trod;
And all is seared with trade; bleared, smeared with toil;
And wears man’s smudge and shares man’s smell: the soil
Is bare now, nor can foot feel, being shod.

And for all this, nature is never spent;
There lives the dearest freshness deep down things;
And though the last lights off the black West went

Oh, morning, at the brown brink eastward, springs–
Because the Holy Ghost over the bent
World broods with warm breast and with ah! bright wings.


  1.  Skylar H. Burris, University of Virginia, BA ’97; University of Texas at Brownsville, MA, Biblical Imagery in Gerard Manley Hopkins’s “God’s Grandeur” (1999). 
Uitgelicht bericht

Weg met die heilige parabels – Heinrich Heine

Heinrich Heine Moritz Daniel Oppenheim

Heinrich Heine, geschilderd door Moritz Daniel Oppenheim in 1831 (licentie)

De auteur van dit opstandige gedicht is Heinrich Heine. Ik heb voor het eerst met dit vers kennisgemaakt toen ik een opstel van Karel van het Reve las.

Het gedicht werd in 1854 gepubliceerd in de Vermischte Schriften, Bd 1, Dl VIII, als het eerste vers in de cyclus Zum Lazarus, p.148-149. Het ritme van het oorspronkelijke vers is buitengewoon sterk en ondersteunt de inhoud op volmaakte wijze.

De slotzin heeft na de voorafgaande galopperende rebellie iets heel ontroerends, omdat deze oproept dat de dood zowel onontkoombaar als ontoereikend is.

Het gedicht speelt soms een rol in het debat over de vraag of (de joodse) Heine al of niet godsdienstig was.

Vertaling:

Heilge Parabole 148
Weg met die heilige parabels,
Weg met die vrome postulaten –
Zorg dat die vervloekte vragen
Zonder omhaal ons verlaten.

Waarom wordt hier de oprechte,
Kreunend op zijn kruisweg, uitgejouwd,
Terwijl daar, hoog te paard gezeten,
De slechte juichend zijn banier ontvouwd?

Wie is daar schuldig aan? Zou onze Heer
Toch niet zo heel almachtig zijn?
Of schept hij al die euvels zelf?
Ach, dat zou schurkachtig zijn.

En daarom blijven wij maar vragen,
Totdat men onze grote monden
Met wat aarde straks doet zwijgen –
Maar is dat nu een antwoord?

(Tweede strofe 1-4-2016 verbeterd)

Origineel:

Heilge Parabole 149Laß die heil’gen Parabolen,
Laß die frommen Hypothesen –
Suche die verdammten Fragen
Ohne Umschweif uns zu lösen.

Warum schleppt sich blutend, elend,
Unter Kreuzlast der Gerechte,
Während glücklich als ein Sieger
Trabt auf hohem Roß der Schlechte?

Woran liegt die Schuld? Ist etwa
Unser Herr nicht ganz allmächtig?
Oder treibt er selbst den Unfug?
Ach, das wäre niederträchtig.

Also fragen wir beständig,
Bis man uns mit einer Handvoll
Erde endlich stopft die Mäuler –
Aber ist das eine Antwort?