Uitgelicht bericht

Een kaartje naar de Melkweg

Een kaartje naar de Melkweg

Zacht schoof ik de gordijnen open.
De straten glommen in het zwakke licht.
Een autodeur sloeg woedend dicht.
Ik zag de schimmen door de regen lopen.

Er viel geen touw meer vast te knopen
aan wat, uit noodzaak, sleur of plicht,
door mij was opgeschreven of verricht.
Ik wou een kaartje naar de Melkweg kopen.

Wie laks is en niet goed is voorbereid,
lijdt in de hoogte kans op helse pijnen
en valt ten prooi aan hemelgruis en strijd.

Voilà, een visum, krachtvoer, medicijnen.
Ik wist wat ik moest doen, ik nam de tijd.
De grootste opgaaf is om te verdwijnen.

(Eigen werk)

Advertenties
Uitgelicht bericht

De heks

De heks

De heks zat blakend voor de microfoon.
Haar rode sjaaltje hing een beetje scheef.
Ze sprak op een verleidelijke toon.

Ze weet niet, overwoog ik, waar ik woon.
Het was alsof het parfum overdreef.
De heks zat blakend voor de microfoon.

Haar broche leek sprekend op een anemoon,
Waaraan mijn blik steeds haken bleef.
Ze sprak op een verleidelijke toon.

Haar borsten dansten lichtelijk asynchroon.
‘k Begon te vrezen dat ik iets misdreef.
De heks zat blakend voor de microfoon.

Mijn ouders hielden innig van hun zoon.
Het is geen wonder dat ik verzen schreef.
Ze sprak op een verleidelijke toon.

Voorzichtig kom ik uit mijn comfort zone,
En als ik mij ten slotte aan haar geef,
Zie ik haar blakend voor de microfoon.
Ze sprak op een verleidelijke toon.

(Eigen werk)

Uitgelicht bericht

Over de uitleg van grap en gedicht

Over de uitleg van grap en gedicht

De uitleg van een grap is nooit grappig. Uitleg is voor mijn gevoel meestal ook strijdig met de geest van de grap. De grap blust het vuur van de twist, toont dat het sop de kool niet waard is, ontgrendelt onze gefixeerde blik, stookt een vreugdevuur van onze domheid; de grap relativeert, zegt men dan.

Ons twistmotief wordt door de grap bespot, en ook de gerichtheid van ons streven blijkt verdacht – de grappenmaker vergist zich zelden. De grap gelooft niet in de mogelijkheid dat twistzoekers, zwaarwichtige praters, radicale geesten, dwaallichten op dit moment voor rede of kritiek vatbaar zijn.

De grap gelooft ook niet dat de soep zo heet wordt gegeten als ze wordt opgediend. Deze eigenschap van de grap wekt soms abusievelijk de indruk dat de grappenmaker ‘positief’ in het leven staat, dat hij sombere uitkomsten, gruwelijke gevolgen, akelige verminkingen, massamoord, allerhande ellende onwaarschijnlijk acht.

Niets is minder waar. De meeste grappenmakers zijn – net als de meeste dichters – innig vertrouwd met wanhoop.

De rede is voor ons allemaal meestal heel ver weg, het is onduidelijk of de rede van binnen of van buiten komt, kritiek wordt als ondraaglijk beleefd of als een anomalie beschouwd, en het is zelfs niet helemaal zeker of de mens überhaupt een redelijk wezen is. Denkt u echt dat de mens over zelfkritiek beschikt? Ik doe manhaftig mijn best het te geloven.

Overigens vind ik het wel zeer aanbevelenswaardig om naar redelijkheid te streven, hoe moeilijk het misschien ook is.

Uitleg van de grap is niet een voortzetting, maar wel een terugkeer naar het belachelijk gemaakte streven, de radicaliteit, de twist, het gedram, de geketende blik.

Gedichten en grappen hebben deze belangrijke overeenkomst: ze hebben allebei een transcendent doel en uitleg is dodelijk.

De middelen zijn geheel verschillend, maar gedicht en grap proberen ons te bevrijden van onze gefixeerde blik, onze verbetenheid, ons vanzelfsprekendheidsgevoel, het gevoel dat we terecht boos zijn, het gevoel dat onze goede bedoelingen boven elke kritiek verheven zijn, het gevoel dat we heus alles al wel eens eerder hebben gezien.

Ongecorrigeerde zelfvoldaanheid jaagt ons in galop voort naar onze ondergang. En wie wil dat nou?

Ik doe altijd erg mijn best op m’n poëzievertalingen, en al geef ik soms wel wat summiere toelichting – meestal over zaken die aanvankelijk voor mijzelf een struikelblok vormden – met interpretatie blijf ik toch heel terughoudend.

Overigens staat elk gedicht gewoon op papier. Het ontstaat volgens mij niet alleen in het hoofd van de lezer. Als dat laatste alleen-zaligmakend zou zijn, was het onmogelijk om vertalingen kwalitatief met elkaar te vergelijken.

Dichters hebben wel degelijk iets te zeggen, en ik vind het de moeite waard om te achterhalen wat dat is. Het is daarom dat ik vertaal.

Als u deze tekst een beetje belachelijk vindt, kan ik u geen ongelijk geven.

Uitgelicht bericht

De mooiste kleuren – Karl Ernst Knodt

 

Karl Ernst Knodt (1856-1917) was een Duitse dichter die niet erg bekend is geworden – of althans gebleven. Hij was een domineeszoon uit een Luthers theologengeslacht, en werd ook zelf dominee. Hij is predikant geweest in Gernsheim en Ober-Klingen, stond bekend als de “Waldpfarrer”, onderhield een uitgebreide briefwisseling met Hermann Hesse, en was een steun en toeverlaat voor andere dichters en mensen met dichterlijke aspiraties.

Het gedicht dat ik vertaald heb is niet moeilijk te begrijpen: het verbindt de kleurenpracht vlak voor het vallen van de schemering met het besef dat je niet lang meer te leven hebt.

Het zijn twee kwatrijnen, waarvan alleen de tweede en de vierde regel rijmen.

Vertaling:

De mooiste kleuren

De mooiste kleuren zijn de laatste:
zo zalig vredig, zuiver en sereen.
We zien in dit gerijpte weefsel
De gunsten van het jaar bijeen.

En zo zien onze rijpe zielen
de diepte in die kleurenpracht,
het raadsel van de laatste gloed,
bij ‘t naderen van de laatste nacht.

Origineel:

Die schönsten Farben

Die schönsten Farben sind die späten:
ganz friedensselig, reif und rein.
Gewoben sind in ihre Ruhe
die Jahressegnungen hinein.

So schaut die reife Menschenseele
die Helle höchster Farbenpracht
und das Geheimnis letzten Leuchtens
just an der Pforte letzter Nacht.

Uitgelicht bericht

Als je aan kunst doet

Als je aan kunst doet

Als je aan kunst doet, moet je beelden maken:
Di Lampedusa schiep een zeemeermin uit schelpen;
‘k Plavei met pindakaas, en stut met bonenstaken.

De lampenkap leek wel gemaakt van gouden knaken,
En warmt niet alle liefde zich aan vossenwelpen?
Als je aan kunst doet, moet je beelden maken.

Sint Joris bond de strijd aan met de draken,
Het culturele raamwerk is van elpen,
Ik verf met pindakaas, en klim in bonenstaken.

De wetenschap kan slechts wat codes kraken,
Wie weet nog hoe de publicatievloed te stelpen?
Als je aan kunst doet, moet je beelden maken.

Geneeskracht schuilt, zegt men, in gele pastinaken,
Een halfrijm helpt een vers soms aan te sterken,
‘k Vervloek de pindakaas, en walg van bonenstaken.

Uit welke droom zal niemand ooit ontwaken?
De porno helpt de mens zichzelf te helpen.
Als je aan kunst doet, moet je beelden maken,
Al eet je pindakaas, en plaats je bonenstaken.

(eigen werk)

Uitgelicht bericht

De angst voor de dood

Experiment met klank en metrum.

De angst voor de dood

De angst voor de dood is het grootst in de Doeroelizanen,
En zij krakelieren hun nakroost zo gauw ze voor ’t eerst zijn gekrield.
Verlateringskloet heeft zich snel in hun klompige armen ontzield,
En niemand heeft ooit nog de Karmitoet durven vermanen.

De Karmitoet is, met zijn keilige stroken en platsige wenden,
Door Doerilizanen en Elpen en Pinok met vreugde aanvaard,
Al had onze Pinok bitoeren, en heeft hij dramentig in tarsoe verklaard
Dat hij zijn krawatsen, zijn heil en zijn konterziek spoedig zal zenden.

Zo komt het dat Karmitoet Pinok de droesem amechtig doet klieven,
En Elp zich versnaterd ten koste van Pinok en Doerilizaan.
Het helpt niet bepaald dat dezulken zich troekus en krenk laten gaan,
Maar ach, de graven beslinken zodra het behaagt aan de krong der gelieven.

(Eigen werk)

Uitgelicht bericht

De boom der liefde

De boom der liefde

Ze hoopte dat haar man weer aan zou sterken,
En bette liefdevol het transpirerend hoofd.
Het fraaie kerkhof telt wel duizend zerken.

Een kraai verhief zich schielijk op zijn vlerken:
Wat hij gezien had, had geen mens geloofd.
Ze hoopte dat haar man weer aan zou sterken.

De vogel vloog nu zonder aarzeling ter kerke:
Het liefdesloon is dat men eeuwig slooft.
Het kerkhof zwijgt en telt wel duizend zerken.

De hovenier verzorgde plichtsgetrouw de perken.
De boom der liefde droeg een bitter ooft.
Ze hoopte dat haar man weer aan zou sterken,

En dat de buren nooit iets zouden merken:
Het lijk was van zijn waardigheid beroofd.
Het fraaie kerkhof telt wel duizend zerken.

Ze werd geroerd door ’t bloeden van de berken.
Ze had zijn schedel met een bijl gekloofd.
Ze had gehoopt dat hij weer aan zou sterken.
Het kerkhof telt nu meer dan duizend zerken.

(Eigen werk)

Uitgelicht bericht

Hoofdpiet wordt Heiligman

Graag draag ik ook een steentje bij aan het hier te lande zo welig tierende Zwartepietendebat.

Ik koos voor de vorm van het Ollebolleke of de Dubbele Dactylus, ook wel Dartele Dactylus. Deze  versvorm heeft twee strofen die allebei als metrum hebben: ollekebolleke, ollekebolleke, ollekebolleke, ollekebom. De eerste regel is een soort motto, de tweede een naam, en de tweede regel van de slotstrofe moet uit één woord bestaan. De slotregels van de beide strofen moeten rijmen.

De aanleiding was het bericht dat de hoofdpersoon van het vers, Erik van Muiswinkel, na jarenlang op de televisie Hoofdpiet te zijn geweest, ervoor gekozen heeft om dit jaar als hoofdstedelijke Sinterklaas op te treden.

Hoofdpiet wordt Heiligman –
Erik van Muiswinkel
Koos voor de lijkkleur,
De baard en de staf.

O wat een tragische
Huidkleurverandering,
Want al die wittigheid
Gaat er nooit af!

Uitgelicht bericht

Ergens – R.S. Thomas

De dichter Ronald Stuart Thomas – plattelandsdominee in Wales – was een eigenaardig man. Hij was Welsh, sprak en schreef ook in het Welsh, maar zijn poëzie is vrijwel geheel in het Engels geschreven. Hij verzette zich zijn hele leven tegen bijna alle aspecten van onze moderne wereld, van apparaten tot bikini’s, van glamour tot ronkende tractoren, van popmuziek tot milieuvervuiling. Voordat u nu denkt dat we hier met een idioot te maken hebben, citeer ik nog even de atheïst Kingsly Amis die over zijn dichtkunst zei: “[Thomas’s poetry] reduces most other modern verse to footling whimsy”.

Hij was getrouwd met Mildrid Eldrige, een verfijnde schilder, hield van vogels kijken en wandelen in het bijna verlaten Welshe landschap.

In dit gedicht steekt hij de draak met onze neiging tot gemakzuchtige nabootsing en de oppervlakkigheid van het moderne toerisme, het zoeken naar ervaringen en thrills die een imitatie zijn van wat je bij anderen hebt gezien of gehoord, de illusie dat je iets meemaakt als je iets nadoet wat een ander reeds voor jou heeft gedaan.

Hij gebruikt alledaagse taal, is treffend in zijn beeldspraak, zijn verzen lopen heel natuurlijk, maar hij gebruikt weinig rijm. Hij gebruikt wel veel enjambementen, zinnen die over de versregels heenlopen.

Misschien zou hij ook wel de draak hebben gestoken met vertalingen.

Vertaling:

Ergens

Iets om mee te nemen zodat je kan
laten zien dat je er was: een lok van Gods
haar, stiekem gestolen toen hij
lag te slapen; een kiekje van de tuin
van de geest. Zoals bekend gaat het
bij het reizen niet om de aankomst,
maar om de thuiskomst, beladen
met stuifmeel die je moet opwerken
Tot de honing waarop de ziel kan teren.

Zijn onze levens niet eigenlijk havens
waarvan we steeds bezig zijn te
vertrekken, vliegvelden die we aandoen,
maar waarop we te kort verblijven
om te zeggen waaraan ze ons doen
denken? En altijd zoeken we
bij de ander de zekerheid van een
ervaring die het waard is om voor te sterven.

Er zal toch wel een reeds afgedragen,
vurig kleed zijn, dat als een uniek
schapenvachtje is opgehangen in de eregalerij?
We vergissen ons toch niet dat het huwelijk
van deze mannen en vrouwen steevast geurt
naar het vroege voorjaar? Ergens moet toch wel
– de rechtvaardiging van al ons speuren –
dat ene licht zijn dat zulke schaduwen werpen kan?

Origineel:

Somewhere

Something to bring back to show
you have been there: a lock of God’s
hair, stolen from him while he was
asleep; a photograph of the garden
of the spirit. As has been said,
the point of travelling is not
to arrive, but to return home
laden with pollen you should work up
into the honey the mind feeds on.

What are our lives but harbours
we are continually setting out
from, airports at which we touch
down and remain in too briefly
to recognise what it is they remind
us of? And always in one
another we seek the proof
of experiences it would be worth dying for.

Surely there is a shirt of fire
this one wore, that is hung up now
like some rare fleece in the hall of heroes?
Surely these husbands and wives
have dipped their marriages in a fast
spring? Surely there exists somewhere,
as the justification for our looking for it,
the one light that can cast such shadows?

Uitgelicht bericht

Rozen

Rozen

Je vouwde
van mijn sidderingen
rode rozen,
rozen die geurden.

Getuite lippen
zonden kleurige bellen
langzaam naar omhoog,
bellen die eindelijk,
zweven konden,
gevuld met huiver.

“Ik geloof
in de regenboog”,
sprak ik ferm,
en strekte
mijn hand
naar haar uit
als een bescheiden
god.

Met onvaste stem
zong ik een lied.

Toen plukte ik
langzaam
de rozen
van haar borsten,
blies zacht
het dons
van haar billen,
en vlijde mezelf,
onder de traag
neerdalende bellen,
geriefelijk
in haar lendenen,
vergenoegd
als een kind.

Wij lachten.
Wij stamelden.
Wij kusten.
Wij ademden.

Wij vergingen
onafwendbaar
in de vlammen
van ons vlees.

“Kom liefste”, riep ik,
“er zijn nog meer bloemen!”

(Eigen werk)

Uitgelicht bericht

Het Derde Rijk – Kurt Tucholsky

Stamps_of_Germany_(Berlin)_1985,_MiNr_748Ik eer op mijn manier – citeren, ter sprake brengen, prijzen – al enkele decennia Kurt Tucholsky (1890-1935), een Duitse dichter en columnist die soms nu nog bewondering wekt bij Nederlandse schrijvers.

Tucholsky was een zeer levendige, dwarse, humoristische en daarmee ook zeer serieuze schrijver, die de opkomst van het nationaalsocialisme niet heeft kunnen meemaken, en die in 1935 zelfmoord pleegde in Zweden.

Vorige week kocht ik in een kringloopwinkel aan de Veluwezoom de Rowohlt-uitgave van de Gedichte van Kurt Tucholsky voor vijftig eurocent. Ik ben er erg blij mee.

Kurt Tucholsky - GedichteKarel van het Reve schreef ooit dat Tucholsky niet erg expliciet over de opkomst van Hitler geschreven had. Hij citeerde toen de zin die hij erg mooi vond, en die ook erg mooi is: “Um mich herum verspüre ich ein leises Wandern. Sie rüsten zur Reise ins Dritte Reich.”

In de bundel die ik gekocht heb, merk ik dat Tucholsky in zekere zin na 1930 over weinig anders schreef. Zijn wereld ging ten onder.

“Wendisch und kaschubisch” zijn aanduidingen van slavische volkeren binnen de Duitse gemeenschap.

Er zijn een paar niet-bestaande Duitse woorden die ik heb vervangen door niet-bestaande Nederlandse woorden.

Ik heb overwogen om een foto van obsceniteiten schreeuwende Zwarte Piet-voorvechters op te nemen. Ik heb dat bewust en opzettelijk niet gedaan.

Vertaling:

Het Derde Rijk

Gewenst: een verheven ideaal
Voor de nationale mens,
Dat men een- en andermaal
Kan bijsnijden naar wens.
Men heeft met duitse mannenmoed
In zegenrijke uren
Een ideaal nieuw opgewroet
Dat ons niet zal bezuren:
Nee, het is niet het Eerste Rijk,
Nee, het is niet het Tweede Rijk…

Het Derde Rijk?
Alstublieft, liefst nu gelijk!

We mogen niet meer massalig zijn –
We moeten eindelijk raszalig zijn –
En vrijduits, jongduits, haard-en-erfjes-wolkerig,
En samenklontend, volks en volksig, volkerig,
En wat dan ook.
Wie het gelooft
Zal zalig zijn. Wie ’t niet gelooft, is
Heus een uitgezakte Paci- en Bolsjewist.

Het Derde Rijk?
Alstublieft, liefst nu gelijk!

Het Derde Rijk is vol van loos geluk.
We halen onze broeders eindelijk weer terug:
Sudetenduitsers, Saarduitsers,
Eupenduitsers en Deenseduitsers…
We staan steevast pal! Bejubelen de vrede.
Tijd nu voor oorlog. Wat zijn we hier beneden?
In ‘t Derde Rijk is de overwinning zeker,
Lekker onder mekaar.

Maar zacht gezegd, wat zien we daar?
Daar heerst de knoet, de sabel, de karwats,
Daar schittert zilver, bonte linten op het pak,
Daar wordt het tijdrad weer teruggedraaid –
We roepen ‘vaderland’ als ‘t echt niet langer gaat…
Daar zijn we allen rijk, gelijk
In ’t Derde Rijk.
De puurste wendische, slavische ariërs.

Ja, heus… En ook nog proletariërs!
Die ons vast als bevrijders zullen zien!
Die God gaan danken in de morgendienst –
Ze merken meteen:
We zijn sloebers als voorheen,
Opnieuw het zwoegende, grauwe gemeen,
Arme schelmen zonder hooi en haver –
Maar wel:
In ‘t Derde Rijk.

Ja, dat zijn wij.
Een blik in de statistiek:
We fabriceren veel. Meest vaderlandmystiek.

Origineel:

Das Dritte Reich

Es braucht ein hohes Ideal
der nationale Mann,
daran er morgens allemal
ein wenig turnen kann.
Da hat denn deutsche Manneskraft
in segensreichen Stunden
als neueste Errungenschaft
ein Ideal erfunden:
Es soll nicht sein das erste Reich,
es soll nicht sein das zweite Reich…

Das dritte Reich?
Bitte sehr! Bitte gleich!

Wir dürfen nicht mehr massisch sein –
wir müssen durchaus rassisch sein –
und freideutsch, jungdeutsch, heimatwolkig
und bündisch, völkisch, volkisch, volkig…
und überhaupt.
Wers glaubt,
wird selig. Wer es nicht glaubt, ist
ein ganz verkommener Paz- und Bolschewist.

Das dritte Reich?
Bitte sehr! Bitte gleich!

Im dritten Reich ist alles eitel Glück.
Wir holen unsre Brüder uns zurück:
die Sudetendeutschen und die Saardeutschen
und die Eupendeutschen und die Dänendeutschen…
Trutz dieser Welt! Wir pfeifen auf den Frieden.
Wir brauchen Krieg. Sonst sind wir nichts hienieden.
Im dritten Reich haben wir gewonnenes Spiel.
Da sind wir unter uns.

Und unter uns, da ist nicht viel.
Da herrscht der Bakel und der Säbel und der Stock –
da glänzt der Orden an dem bunten Rock,
da wird das Rad der Zeit zurückgedreht –
wir rufen »Vaterland!«, wenns gar nicht weitergeht…
Da sind wir alle reich und gleich
im dritten Reich.
Und wendisch und kaschubisch reine Arier.

Ja, richtig… Und die Proletarier!
Für die sind wir die Original-Befreier!
Die danken Gott in jeder Morgenfeier –
Und merken gleich:
Sie sind genau so arme Luder wie vorher,
genau solch schuftendes und graues Heer,
genau so arme Schelme ohne Halm und Haber –
Aber:
im dritten Reich.

Und das sind wir.
Ein Blick in die Statistik:
Wir fabrizieren viel. Am meisten nationale Mistik.

Uitgelicht bericht

Straten van goud

Straten van goud

De Heilige Stad heeft straten van goud.
Een vlammengloed besluit het jaargetijde.
Zie toe – dit tafereel is eeuwen oud.

Van haat vervulden doen haast alles fout.
’t Klimaatvooruitzicht stemt niet tot verblijden.
De Heilige Stad heeft straten van goud.

Soms word je door de goden afgesnauwd.
De zoutpilaren zijn niet te benijden.
Zie toe – dit tafereel is eeuwen oud.

De harten van de mensen worden koud.
De dichtkunst weet geen warmte te verspreiden.
De Heilige Stad heeft straten van goud.

Een bloeddoorlopen eeuw is ons vertrouwd,
Voor wie geleden heeft, wie heeft doen lijden.
Zie toe – dit tafereel is eeuwen oud.

Kloekmoedigheid was vroeger meestal ‘stout’,
(Wat ons nog slechts tot geilheid kan verleiden).
De Heilige Stad heeft straten van goud.
Zie toe – dit tafereel is eeuwen oud.

(Eigen werk)

Uitgelicht bericht

Hersenspoeling

Dit is een kleine oefening in het schrijven van een villanelle, een heel strenge versvorm waarin twee regels die onmiddellijk in de eerste strofe van drie regels worden genoemd, afwisselend worden herhaald in de volgende strofen, om uiteindelijk, na elkaar in het slotkwatrijn op te treden als slotregels.

Een villanelle heeft negentien regels: vijf strofen van drie regels waarin de refreinregels uit het openingsterzine afwisselend worden herhaald, en een afsluitend kwatrijn waarin de refreinregels optreden als slotregels. Er komen slechts twee rijmklanken in voor.

Hersenspoeling

Het spoelen van de hersens kun je leren:
Soms louter weerstand wat je tegenkomt.
Het is het privilege van de hoge heren

Om zomaar iets zelfzuchtigs te beweren,
En door te lullen tot de tegenstand verstomt.
Het spoelen van de hersens kun je leren.

Het hebben van bezit wekt alom ons begeren,
En wie niks heeft, denkt meestal dat dat komt
Door ’t privilege van de hoge heren.

Een duffe garderobe met confectiekleren
Wordt niet door simpel kletsen uitgegomd.
Het spoelen van de hersens kun je leren.

Maar wie zich met het eigentijdse redeneren
Onledig houdt, en zich als populist vermomd,
Omzeilt het privilege van de hoge heren.

Toch hoeft de lezer niet te dispereren,
Want het komt hoe dan ook weer goed: verdomd,
Het spoelen van de hersens kun je leren,
Dat blijft het privilege van de hoge heren.

(Eigen werk)

 

Uitgelicht bericht

Schapen zoeken op de maan

Schapen zoeken op de maan

Schapen zoeken op de maan naar water.
Het veer glijdt zacht over de doodsrivier.
De wespen doen zich hier te goed aan bier.
Successen komen nu, of nooit, of later.

De godsdienststichter stortte in een krater.
Een witte eenhoorn danste van plezier.
De tederheden dwalen op papier,
Je ziet het misschien niet, maar toch, het staat er.

Ik ben, weet ik, geen man van bacchanalen,
Geen god meer die triomfen viert in bed,
Al trek ik in gedachten volle zalen,

En schrijf ik vlijtig voort aan dit sonnet.
Ze kunnen desgewenst me komen halen:
‘k Woon driehoog achter, in een serviceflat.

(Eigen werk)

Uitgelicht bericht

Sonnet 66 – Shakespeare

De dichter William Shakespeare (1564-1616) heeft, behalve een heleboel toneelwerk in verzen (verreweg het meeste daarvan is trouwens pure poëzie), ook 154 sonnetten geschreven. Hier volgt de vertaling van Sonnet 66. Het is geen moeilijk sonnet. De dichter somt, na eerst gezegd te hebben dat hij om al deze dingen liever dood zou zijn, allerhande akeligs op, en zegt vervolgens dat hij er al lang niet meer geweest zou zijn, ware het niet dat hij het niet over zijn hart kan krijgen om zijn geliefde alleen te laten.

Het is dus de liefde die zin geeft aan een bestaan dat zinloos zou zijn door alle onheil en krankzinnigheid die de wereld te zien en te verstaan geeft. Opmerkelijk is dat alle akelige dingen abstracties zijn: een bedelende deugd, versmade trouw, eerbetoon aan de lafheid, misbruikte kuisheid, besmeurde zuiverheid, misleide goedheid.

De vorm van het gedicht is het Engelse sonnet (of Shakespeare-sonnet): drie rijmende kwatrijnen (strofen van vier regels), afgesloten met een rijmend distichon (een strofe van twee regels). De wending, cesuur of volte komt pas na de eerste twaalf regels.

Vertaling:

Sonnet 66

Hier walg ik van, het liefste was ik dood:
Neem nou de deugd die bedelt aan de straat,
En geile niksigheid, getooid in kirrend rood,
En echte trouw die akelig wordt versmaad,

En eer die op de lafheid wordt gespeld,
En kuisheid die aan pooiers valt ten prooi,
En zuiverheid die wordt besmeurd voor geld,
En sterkte die voor misbruik wordt vergooid,

En kunst die wordt gemuilkorfd door gezag,
En eenvoud, weggehoond voor dommigheid,
En dwaasheid, met kordate oogopslag,
En goedheid, door sirenenzang misleid.

Hier walg ik van, en ‘k was al lang gegaan,
Als ik mijn liefste niet in tranen had zien staan.

Origineel:

Sonnet 66

Tired with all these, for restful death I cry:
As, to behold desert a beggar born,
And needy nothing trimm’d in jollity,
And purest faith unhappily forsworn,

And gilded honour shamefully misplaced,
And maiden virtue rudely strumpeted,
And right perfection wrongfully disgraced,
And strength by limping sway disablèd,

And art made tongue-tied by authority,
And folly, doctor-like, controlling skill,
And simple truth miscalled simplicity,
And captive good attending captain ill.

Tired with all these, from these would I be gone,
Save that to die I leave my love alone.

Uitgelicht bericht

Corona – Paul Celan

De dichter Paul Celan (1920-1970) was een duitstalige jood die in Tsjernivtsi – toenmalig Roemenië, tegenwoordig Oekraïne – werd geboren. Hij wordt beschouwd als een van de grootste lyrische dichters van het Duitse taalgebied. Zijn ouders werden door de nazi’s vermoord. Zelf maakte hij in Parijs in 1970 een einde aan zijn leven.

Corona betekent ‘kroon’ of ‘krans’, en het is in dit geval een poging om luister, een bladerkrans te verlenen aan de kortstondige liefde die zich afspeelt in de tijd die ook nog eens een neergang beleeft in de herfst.

Dit gedicht is een prachtig, meeslepend, bezwerend gedicht.

Vertaling:

Corona

Uit mijn hand eet de herfst nu een blaadje: we zijn vrienden.
We pellen Tijd uit de schaal van de nootjes, en leren haar lopen:
De Tijd keert terug in de schaal.

In de spiegel is zondag.
In de droom wordt geslapen,
de mond zegt wat waar is.

Mijn ogen zien op naar ‘t geslacht van mijn liefste:
we zien naar elkaar,
we ruilen ons duister,
we minnen elkaar als getrouwheid en klaproos,
we slapen als wijn in de mossels,
als de zee in de gloed van een bloedende maan.

We staan voor het raam in omhelzing, en ze zien van de straat naar ons op:
Weet u, het is tijd!
Het is tijd dat de steen erin slaagt om te bloeien,
Dat onrust een hart eens doet slaan.
Het is tijd, dat het tijd wordt.

Het is tijd.

Origineel:

Corona

Aus der Hand frißt der Herbst mir sein Blatt: wir sind Freunde.
Wir schälen die Zeit aus den Nüssen und lehren sie gehn:
die Zeit kehrt zurück in die Schale.

Im Spiegel ist Sonntag,
im Traum wird geschlafen,
der Mund redet wahr.

Mein Aug steigt hinab zum Geschlecht der Geliebten:
wir sehen uns an,
wir sagen uns Dunkles,
wir lieben einander wie Mohn und Gedächtnis,
wir schlafen wie Wein in den Muscheln,
wie das Meer im Blutstrahl des Mondes.

Wir stehen umschlungen im Fenster, sie sehen uns zu von der Straße:
es ist Zeit, daß man weiß!
Es ist Zeit, daß der Stein sich zu blühen bequemt,
daß der Unrast ein Herz schlägt.
Es ist Zeit, daß es Zeit wird.

Es ist Zeit.

Uitgelicht bericht

Sonnet 30 – Shakespeare

250px-ShakespeareWilliam Shakespeare heeft, naast toneel in verzen, ook 154 sonnetten geschreven. De sonnetvorm bij Shakespeare wijkt enigszins af van het Italiaanse sonnet dat door Petrarca is vervolmaakt. Het Shakespeareaanse sonnet telt drie kwatrijnen en een afsluitend distichon. De wending, cesuur of volte bevindt zich niet na het tweede kwatrijn – zoals bij Petrarca – maar tussen de drie kwatrijnen en de afsluitende slotregels.

Dit gedicht behoeft weinig toelichting. De dichter roept in herinnering alle verdriet die het leven voor hem in petto had, hij herbeleeft dit verdriet en ‘betaalt’ daarom dubbel voor alle verlies dat hem is overkomen. Maar in de slotregel blijken alle tekorten verdampt als hij denkt aan zijn ‘dear friend’ – de eerste keer dat deze aanhef wordt gebruikt in de sonnetten.

Het gedicht is geschreven in jambische pentameters – elke regel bevat vijf metrische eenheden die kunnen weergegeven worden met ‘pom-póm’, en heeft dus tien lettergrepen, want alle regels hebben staand of mannelijk rijm. In vertaling heb ik er soms twee lettergrepen bijgesmokkeld.

Vertaling:

Sonnet 30

Als ik aan stil gepeins mij overgeef,
Trekt al wat niet meer is, aan mij voorbij.
Van wat ik zocht, is er haast niets dat bleef;
Met oud geklaag mors ik mijn dure tijd.

Dan pleng ik soms – ik huil niet snel – een traan
Om vrienden die voorgoed verdwenen in de nacht,
Geef aan vergane liefdeswee opnieuw ruim baan,
En treur om wat teloor ging aan genoten pracht.

Dan ben ik droef om droefheid van destijds,
Noteer dan nauwgezet van al wat is verwoest,
Of wat ik vreesde, het saldo aan verdriet en spijt,
Waarmee ik het opnieuw, opnieuw betalen moest.

Maar als ik denk aan jou, mijn lieve vriend,
Wijkt elk verdriet, is het tekort reeds terugverdiend.

Origineel:

Sonnet XXX

When to the sessions of sweet silent thought
I summon up remembrance of things past,
I sigh the lack of many a thing I sought,
And with old woes new wail my dear time’s waste.

Then can I drown an eye unused to flow
For precious friends hid in death’s dateless night,
And weep afresh love’s long-since-cancelled woe,
And moan th’expense of many a vanished sight.

Then can I grieve at grievances foregone,
And heavily from woe to woe tell o’er
The sad account of fore-bemoanèd moan,
Which I new pay as if not paid before.

But if the while I think on thee, dear friend,
All losses are restored, and sorrows end.

Uitgelicht bericht

Ik ben niemand! Wie ben jij? – Emily Dickinson

Emily Dickinson - NobodyHet gedicht I am nobody! Who are you? is één van de bekendste gedichten van de Amerikaanse dichter Emily Dickinson (1830-1886). Dickinson schreef bijna 1800 gedichten, maar de meeste werden pas gepubliceerd na haar dood, zoals ook dit gedicht in 1891.

Dickinson leefde een enigszins teruggetrokken leven ver van de podia, en in dit gedicht contrasteert ze de anonieme rust waarop ze gesteld was met het publieke gekwaak dat ze om zich heen zag.

Het is een gedicht dat verder weinig toelichting nodig heeft.

Vertaling:

Ik ben niemand! Wie ben jij?

Ik ben niemand! Wie ben jij?
Zeg, ben jij ook niemand?
Dan zijn we samen – hou het stil!
Anders sturen ze ons nog weg.

Hoe treurig om iemand te zijn!
Hoe naakt, alsof je een kikker was
Die dag in dag uit zijn naam moet zeggen
Tegen een juichend moeras!

Origineel:

I’m nobody! Who are you?

I’m nobody! Who are you?
Are you nobody, too?
Then there’s a pair of us — don’t tell!
They’d banish us, you know.

How dreary to be somebody!
How public, like a frog
To tell your name the livelong day
To an admiring bog!

 

Uitgelicht bericht

Vlootbezoek – W.H. Auden

AudenVanVechten1939De dichter Wystan Hugh Auden schreef het gedicht Fleet Visit in 1951. Hij woonde toen in Amerika.

Een paar opmerkingen ten geleide:

  • Hollow ships verwijst naar Homerus – hollow is bij Homerus in de Ilias en de Odyssee een versierend bijvoeglijk naamwoord (epitheton ornans).
  • Troje is uiteraard ook een verwijzing naar de soldaten die onverwacht uit de buik van een hol paard wisten te kruipen.
  • Auden was homoseksueel. De mooie jongens die uit het holle schip kropen, lieten hem niet onberoerd.
  • Het begrip junk in relatie tot de hoer en de nietsnut betekent – behalve ‘troep’ – ook ‘bedekte genitaliën’.
  • Het begrip Social Beast verwijst naar het werk van Simone Weil.

Hier draagt Auden zelf het gedicht voor.

Vertaling:

Vlootbezoek

De zeelui gaan aan wal
Vanuit uit hun holle schip,
Gewone jongens, schooiers,
Dol op cartoon en strip;
Een wedstrijd met een bal
Zegt ze meer dan vijftig Trojes.

Ze lijken verloren, neergezet
Als yankees in den vreemde,
Waar lokalen langs marcheren
Met eigen doel en eigen wet.
Een stelletje ontheemden,
Zolang het moet; het tij kan keren.

De nietsnut en de hoer,
Hen sarrend met bobbel of doos,
Zijn altijd morsig geweest,
En dienen het Sociale Beest;
Ledigheid staat aan het roer,
En ze worden dus laveloos.

Maar de schepen die in het ijle
havenblauw getekend staan,
Hebben baat bij dit verwijlen;
Zonder mensen die commanderen
Wie ze moeten liquideren,
Zijn hun contouren humaan.

En verloren ogen ze niet;
Ze stralen als was het hun aard
Een hoogst abstract ontwerp te zijn
Van vlakpatroon en lijn,
Zeker elke cent wel waard
Van de miljoenen die je erin ziet.

Origineel:

Fleet Visit

The sailors come ashore
Out of their hollow ships,
Mild-looking middle-class boys
Who read the comic strips;
One baseball game is more
To them than fifty Troys.

They look a bit lost, set down
In this unamerican place
Where natives pass with laws
And futures of their own;
They are not here because
But only just-in-case.

The whore and ne’er-do-well
Who pester them with junk
In their grubby ways at least
Are serving the Social Beast;
They neither make nor sell —
No wonder they get drunk.

But the ships on the dazzling blue
Of the harbor actually gain
From having nothing to do;
Without a human will
To tell them whom to kill
Their structures are humane

And, far from looking lost,
Look as if they were meant
To be pure abstract design
By some master of pattern and line,
Certainly worth every cent
Of the millions they must have cost.

Uitgelicht bericht

Rozen, nazomer – Mary Oliver

Mary Oliver

Mary Oliver (2001) tijdens een poëzievoordracht

Ze is een Amerikaanse dichter, Mary Oliver (1935-2019), en ze werd geboren in een landelijk gelegen plaats, vlakbij Cleveland in Ohio. Daar ontwikkelde ze een grote voorliefde voor de natuur.

Ze begon betrekkelijk vroeg met dichten. Ze schrijft verzen met een fraai ritme, waarin vaak rijm ontbreekt, maar waarin een dichterlijke stroom en tegenstroom nooit ontbreken, en die ons gevoelig maken en verrijken – zoals elk goed gedicht – voor de gruwelen en de schoonheden en de geheimenissen van het bestaan – “We are nourished by the mystery” (The Fish).

Ze was bevriend met de zus van  Edna St. Vincent Millay, en heeft met haar de nagelaten papieren van de dichteres geordend.

Hier kunt u Mary Oliver beluisteren terwijl ze het gedicht Roses, Late Summer voordraagt. Ze heeft een aangename en heel duidelijke voordracht.

Hier kunt u uitgebreider met haar voordracht en haar persoon kennis maken.

Vertaling:

Rozen, nazomer

Wat gebeurt er
met de bladeren als
ze rood kleuren of goud, als ze
afvallen? Wat gebeurt er

met de zangvogels
als ze niet langer kunnen
zingen? Wat gebeurt er
met hun snelle vleugeltjes?

Denk je dat er een
persoonlijke hemel is
voor ieder van ons?
Denk je dat er iemand,

gene zijde van die duisternis,
ons zal roepen, daarmee ons zal bedoelen?
Achter de bomen
blijven de vossen hun welpen leren

hoe je leeft in de duinpan;
het lijkt wel of ze nooit verdwijnen, ze zijn er altijd
in het bloeiende licht
dat elke ochtend weer oprijst

in de donkere lucht.
En nog weer een duinenrij verder,
vlak langs de zee,
beginnen de laatste rozen hun productie van lieflijkheid,

en schenken ze deze terug aan de wereld.
Als ik een ander leven zou krijgen,
zou ik het willen geven aan een onbekend
tomeloos geluk.

Het zou een vos kunnen zijn, of een boom
vol met wuivende takken.
Ik zou het niet erg vinden een roos te zijn
in een veld vol met rozen.

Angst is nooit tot hen doorgedrongen; ambitie evenmin.
Verstand valt buiten hun besef.
Ook vragen ze nooit hoe lang ze rozen moeten zijn, en wat dan?
Of welke idiote vraag dan ook.

Origineel:

Roses, Late Summer

What happens
to the leaves after
they turn red and golden and fall
away? What happens

to the singing birds
when they can’t sing
any longer? What happens
to their quick wings?

Do you think there is any
personal heaven
for any of us?
Do you think anyone,

the other side of that darkness,
will call to us, meaning us?
Beyond the trees
the foxes keep teaching their children

to live in the valley.
so they never seem to vanish, they are always there
in the blossom of the light
that stands up every morning

in the dark sky.
And over one more set of hills,
along the sea,
the last roses have opened their factories of sweetness

and are giving it back to the world.
If I had another life
I would want to spend it all on some
unstinting happiness.

I would be a fox, or a tree
full of waving branches.
I wouldn’t mind being a rose
in a field full of roses.

Fear has not yet occurred to them, nor ambition.
Reason they have not yet thought of.
Neither do they ask how long they must be roses, and then what.
Or any other foolish question.

Uitgelicht bericht

Aanvaarding – Robert Frost

De Amerikaanse dichter Robert Frost (1874-1963) behoeft eigenlijk geen introductie. Hij is veelvuldig gelauwerd, hij slaagt erin een snaar te raken bij iedere versgevoelige die hem leest, hij hanteert een eenvoudig idioom, hij is erg goed in spreektaal, hij is niet eenvoudig te plaatsen in levensbeschouwelijke of godsdienstige coördinatensystemen, maar hij heeft een duidelijke, zij het weinig orthodoxe, religieuze inslag. Zijn moeder was een aanhanger van de Lutheraanse mysticus Emanuel Swedenborg; zijn vader was een sceptische en atheïstische journalist. Hij had manisch-depressieve trekken. Over zijn levenshouding, zie: Jay Parini, Listening for God in Unusual Places: The unorthodox faith of Robert Frost, America The Jesuit Review, March 4, 2013 issue (February 20, 2013).

Het gedicht Acceptance is een Shakespeareaans sonnet: veertien regels, drie kwatrijnen en een distichon. Maar er is niet een volte of wending na de eerste twee kwatrijnen zoals gebruikelijk bij het sonnet. Wie meer wil lezen over dit vers, kan terecht bij dit boek (wel een beetje breedsprakig gewauwel over meerlagigheid, helaas): H.A. Maxson, On the Sonnets of Robert Frost: A Critical Examination of the 37 Poems, Jefferson, North Carolina: McFarland 1997.

In dit vers komen twee vogels voor: het vrouwtje zit als het donker wordt op haar nest, het mannetje is bij het invallen van de duisternis ver weg. Feministische interpretaties van dit gegeven lijken me beside the point. Het aantal versvoeten is in vertaling soms wat uitgebreid. Het rijm in vertaling is op een paar plaatsen halfrijm, waar in het origineel een volrijm wordt gehanteerd.

Vertaling:

Aanvaarding

Als de fletse zon zijn stralen op de wolken spuwt,
En wegzinkt om te branden in ‘t ravijn beneden,
Weerklinkt in de natuur geen stem die luide schreeuwt
Bij wat er plaatsvond. Slechts vogels kennen de reden:

Het wordt weer donker, hoog in de lucht daarbuiten.
Met prevelend kopje zacht tegen haar borstje aan,
Besluit een vogel het omfloerste oog te sluiten,
Een ander, overvallen, ver bij zijn nest vandaan,

Vliegt laag en vlug over de bomen, schiet net op tijd,
De moede zwerver, in zijn vertrouwde kruin,
En denkt of kwettert hooguit zachtjes: “O Zaligheid!
Schenk duisternis aan al wat ik beschouw als ‘mijn’,

Laat deze nacht zo donker zijn, dat ik niet meen
Te zien wat op mij afkomt. Laat al wat zijn zal, zijn.”

Origineel:

Acceptance

When the spent sun throws up its rays on cloud
And goes down burning into the gulf below,
No voice in nature is heard to cry aloud
At what has happened. Birds, at least must know

It is the change to darkness in the sky.
Murmuring something quiet in her breast,
One bird begins to close a faded eye;
Or overtaken too far from his nest,

Hurrying low above the grove, some waif
Swoops just in time to his remembered tree.
At most he thinks or twitters softly, “Safe!
Now let the night be dark for all of me.

Let the night be too dark for me to see
Into the future. Let what will be, be.”

Uitgelicht bericht

Een voetnoot bij het begrip Cultuurmarxisme

Cultuurmarxisme

Omslag boek onder redactie van Paul Cliteur, Jasper Jansen en Perry Pierik

Het begrip ‘cultuurmarxisme’ – een spookachtig, anachronistisch verzinsel – wordt door louche-rechtse lieden (The Post Online, Sid Lukassen, Sietske Bergsma, Wierd Duk, PVV, FvD) gebruikt om een vermeende culturele tendens te beschrijven.

Paul Cliteur, Voorzitter Wetenschappelijk Bureau van FvD, jurist, militant-atheïstische schrijver, mede-redacteur van een boek met de titel Cultuurmarxisme, meent een argument voor de alomvattende greep die het begrip op de geesten heeft, te kunnen ontlenen aan het feit dat er geen PVV-hoogleraren zijn. Hierop is kritiek gegeven. Zie bijvoorbeeld dit Twitter-draadje van de theoloog en publicist Stefan Paas.

De kritiek is raak, en Cliteur heeft dergelijke kritiek zeer verdiend, maar deze gaat toch in mijn ogen voorbij aan het centrale punt. Dat punt is dat het bestaan van een verondersteld verschijnsel – ‘cultuurmarxisme’ – wordt aangetoond met de niet-respectabiliteit van de PVV.

Het aangevoerde feit, dat een positieve houding jegens de PVV niet als respectabel wordt beschouwd onder de elite van journalisten, televisiemakers, wetenschappers, beleidsmakers en schrijvers, is moeilijk te loochenen.  Dat is gewoon zo.

Alleen zelfstandige ondernemers en mensen hoog in de commerciële hiërarchie (die soms ook tot de elite worden gerekend) zijn soms wel duidelijk PVV-gezind (eigen waarneming), maar die komen sowieso niet voor hun politieke voorkeur uit in het openbaar.

De zwakte van Cliteurs betoog schuilt niet in het ter ondersteuning aangevoerde  feit – de niet-respectabiliteit van de PVV – maar in de gedachte dat dit feit het verschijnsel ‘cultuurmarxisme’ aantoont.

Daarvoor zie ik geen enkele aanleiding: het marxisme-leninisme is vrijwel over de gehele linie in diskrediet, de greep die het neomarxisme op de geesten heeft, is geen fractie van wat die in de jaren ’70 en ’80 was, en de afkeer van de PVV wordt beleden door heel diverse groepen.

De PVV rekruteert zijn islamofobe kiezers vooral onder de militante atheïsten, bekrompen protestanten, Telegraaflezers die het graag gezellig houden, gemelijke ex-katholieken, Teeuwen/Van Gogh-bewonderaars en GeenStijl-trollen.

Maar wie blijven er dan nog over? Dat zijn:
1.) Links: Groen Links, PvdA, SP;
2.) Christenen: CDA, CU en SGP;
3.) Migranten: DENK en anderen;
4.) Hoogopgeleide burgers die areligieus, onburgerlijk en vernieuwend willen zijn: VrijLinks, D’66.

Je kunt bezwaarlijk van dit gemêleerde gezelschap beweren dat ze er een gemeenschappelijke cultuurmarxistische filosofie op nahouden.

‘Cultuurmarxisme’ is een verschijnsel uit de jaren ’70 en ’80 van de 20e eeuw. Toen wemelde het van de fellow-travellers van sovjet-communisme en maoïsme, en was er daadwerkelijk een aanzienlijke neomarxistische invloed op het intellectuele leven.

Als je een argument zoekt voor ‘cultuurmarxisme’, dan zou ik het negeren in de Nederlandse pers van Simon Leys noemen: hij heeft meer gedaan dan wie ook om het marxisme in diskrediet te brengen, en zijn overlijden in 2014 is in de Nederlandse kranten en op de Nederlandse tv volstrekt genegeerd.

PS Na het bovenstaande geschreven te hebben werd ik via Twitter op een gedegen en interessant artikel over het onderwerp geattendeerd door de Leidse historicus Adriaan van Veldhuizen – waarvoor dank. Het betreft: Daniël Korving en Jaap Tielbeke, ‘Genealogie van het cultuurmarxisme. Een complottheorie voor paranoïde rechts’, De Groene, 6 september 2017.

 

 

Uitgelicht bericht

Gekooide vogel – Maya Angelou

Maya Angelou, pseudoniem van Marguerite Annie Johnson (1928–2014), was een Amerikaans dichter, zangeres, danseres, burgerrechtenactivist en hoogleraar amerikanistiek.

De Vertaalwedstrijd Nederland Vertaalt 2018  had als vertaalopgave Angelou’s gedicht Caged Bird. Op de gelinkte website vindt u meer informatie over de wedstrijd waaronder de tekst van de voor een prijs genomineerde vertalingen waartoe de mijne niet behoort.

Mijn vertaling is voorgedragen door Babs Gons op zondag 18 maart 2018 tijdens een poëziemiddag in De Nieuwe Liefde te Amsterdam onder leiding van Mirjam van HengelDe poëzie van Maya Angelou.

Het gedicht is, hoezeer ook welgemeend, naar mijn smaak toch enigszins faciel: een vrije vogel is heerlijk vrij, een gekooide vogel verlangt hartstochtelijk naar vrijheid. Dat is wat mager misschien. Maar het vers loopt heel soepel.

Vertaling:

Gekooide vogel

Een vrije vogel zweeft weg
op de rug van de wind
drijft mee op de vlaag
tot het eind van de stroom
en doopt zijn vleugel
in de gloed van de zon
en zegt: de hemel, die is van mij.

Maar een vogel die steeds
in zijn kooitje verwijlt
ziet weinig tot niets
door z’n spijlen van nijd
z’n vleugels geknipt en
z’n pootjes gestrikt
dus opent hij zijn keel en zingt.

De gekooide vogel zingt
met trillers van verdriet
van wat hij niet kent
maar o zo graag ziet
en op gindse heuvel
hoort men zijn lied
want de gekooide vogel
zingt van vrijheid.

Een vogel die vrij is denkt al aan winden die stromen
en de passaatwind die suist door zuchtende bomen
en volvette wormen die wachten in glorende weiden
en de hemel noemt hij de zijne.

Maar een gekooide vogel staat op het graf van zijn dromen
zijn schaduw is de gil van wie niet kon ontkomen
zijn vleugels geknipt en zijn pootjes gestrikt
dus opent hij zijn keel en zingt.

De gekooide vogel zingt
met trillers van verdriet
van wat hij niet kent
maar o zo graag ziet
en op gindse heuvel
hoort men zijn lied
want de gekooide vogel
zingt van vrijheid.

Origineel:

Caged Bird

A free bird leaps
on the back of the wind
and floats downstream
till the current ends
and dips his wing
in the orange sun rays
and dares to claim the sky.

But a bird that stalks
down his narrow cage
can seldom see through
his bars of rage
his wings are clipped and
his feet are tied
so he opens his throat to sing.

The caged bird sings
with a fearful trill
of things unknown
but longed for still
and his tune is heard
on the distant hill
for the caged bird
sings of freedom.

The free bird thinks of another breeze
and the trade winds soft through the sighing trees
and the fat worms waiting on a dawn-bright lawn
and he names the sky his own.

But a caged bird stands on the grave of dreams
his shadow shouts on a nightmare scream
his wings are clipped and his feet are tied
so he opens his throat to sing.

The caged bird sings
with a fearful trill
of things unknown
but longed for still
and his tune is heard
on the distant hill
for the caged bird
sings of freedom.

Uitgelicht bericht

De strijd tegen politieke correctheid

In de jaren die voorafgingen aan de millenniumwisseling – de late jaren ’90 – kwam er ruime aandacht voor het verschijnsel ‘politieke correctheid’. In 1997 verscheen Correct. Weldenkend Nederland sinds de jaren zestig, van de Nederlandse socioloog en schrijver Herman Vuijsje.

Ik heb in 2008, toen een geactualiseerde editie van Vuijsjes boek Correct verscheen, het Wikipedia-artikel over de auteur geschreven. Ik schreef in dat artikel toen:

Veel onderwerpen die hij al in de jaren zeventig en tachtig van de 20e eeuw aansneed, lijken pas in de 21e eeuw brandend actueel te zijn geworden. In Nieuwe vrijgestelden en Lof der dwang uitte hij kritiek op het doorslaan van de cultuuromslag die begon in de jaren zestig. In 1986 schreef hij over etnisch verschil als Hollands taboe.

Vuijsjes boek Correct vind ik nog altijd de beste introductie tot het onderwerp, al is er uiteraard nadien nog wel het een en ander gepasseerd dat de auteur bij het schrijven niet bevroeden kon. Vuijsje was niettemin zeker vooruitziend: het onderwerp is zeer in betekenis toegenomen, zij het dat de evenwichtigheid waarmee hij het onderwerp heeft behandeld na 1997 verloren is gegaan.

In 2009 voegde ik aan het Wikipedia-artikel Theodore Dalrymple een sectie Thema’s toe dat afsloot met:

De oorzaak van onze culturele armoede moet worden gezocht bij de intellectuelen: zij hebben sinds de Verlichting gaandeweg (en in de twintigste eeuw op grote schaal) de fundamenten van onze beschaving aangetast en zij kijken nu, op politiek-correcte wijze, weg van de problemen die dat heeft veroorzaakt.

Die sectie voldeed eigenlijk niet aan de Wikipedia-richtlijnen: ik had mijn eigen leeservaringen samengevat, en dat mag eigenlijk niet, maar ik denk wel dat die sectie een vrij aardige opsomming geeft van zijn opvattingen.

Dalrymple is een auteur die regelmatig een nummer maakt van de politieke correctheid, een verschijnsel dat – volgens hem – vergelijkbare en ook doelbewust nagestreefde effecten heeft als de onderdrukking van de uitingsvrijheid onder dictatoriale regimes:

“In my studies of communist societies, I came to the conclusion that the purpose of communist propaganda was not to persuade or convince, not to inform but to humiliate; and therefore, the less it corresponded to reality the better. When people are forced to remain silent when they are being told the most obvious lies, or even worse when they are forced to repeat lies themselves, they lose once and for all their sense of probity. To assent to obvious lies is …in some small way to become evil oneself. One’s standing to resist anything is thus eroded, and even destroyed. A variety of emasculated liars is easy to control. I think if you examine political correctness, it has the same effect and is intended to.”

Ik voel in toenemende mate ergernis bij dit soort citaten. Dit soort beweringen treffen mij nu als aanstellerig. Ze zijn ook niet onschuldig. Menig dwaallicht – Joost Niemöller – of misdadiger – Anders Breivik – voelt zich erdoor gesterkt. Toen ik dit citaat op Twitter voorbij zag komen in een beamende context, schreef ik dan ook:

To equate political correctness with the ruthless suppression of people’s views under the worst of tyrannies is not only self-dramatizing; it is self-deceptive, self-exculpatory and self-aggrandizing. We had better not assent – in some small way – to such an obvious lie.

De strijd tegen politieke correctheid is het centrale thema van populistisch rechts, de enigszins louche, volkse beweging waarin nationalistische, antisemitische en xenofobe sentimenten hun uitweg vinden.

Om deze reden schreef ik de volgende Twitter-reeks:

  1. De boze reacties op ‘politieke correctheid’ zijn zeer overdreven. Het verschijnsel bestaat (uiteraard), maar de consequenties van de (vermeende) taboebreuk zijn de moeite van het noemen nauwelijks waard. En als je daar toch bang voor bent, dan hou je toch gewoon je mond dicht?

2. Deze boosheid jegens PC doet enigszins denken aan het romantische cliché dat een schrijver het heel zwaar heeft om waarheden die het publiek onwelgevallig zijn te openbaren. Daar heeft die schrijver veel moed voor nodig en een gevoel dat zijn schrijverij noodzakelijk is.

3. Ik weet niet wie dat cliché heeft verspreid: Chamfort? Nietzsche? Flaubert? – ook dit cliché is belachelijk in de context van een liberale, constitutionele democratie. Dat er een gevoel van noodzaak moet zijn, las ik voor het eerst bij Jan Greshoff (Zwanen pesten).

4. Dat bijna elke schrijver onzeker is, zoekt naar de voor hem geschikte vorm, zoekt naar de juiste toon, zoekt naar zijn onderwerp, spreekt uiteraard vanzelf. Maar des schrijvers onzekerheid impliceert niet volautomatisch des omstanders vijandigheid.

5. De schrijver C.S. Lewis stak in zijn boek The Personal Heresy de draak met de ‘moed’ die van schrijvers gevraagd zou worden:

CS Lewis - moed - courage

6. Theodore Dalrymple maakt altijd een nummer van de strijd die hij te voeren heeft tegen Politieke Correctheid. Hij begon al betrekkelijk vroeg, toen er nog werkelijk van strijd sprake was, maar ook zijn boeken liggen inmiddels bij Nederlandse ministers op hun nachtkastje.

7. De boosheid jegens ‘politieke correctheid’ komt niet zelden voort uit het terechte gevoel dat wat jij zegt ook inderdaad niet door de beugel kan. Dit gold al voor Jan Hendrik van den Berg, die ronduit racistisch was, maar het geldt ook voor de Telegraaf-journalist Duk.

8. Als ik Petrus was, zou ik bij de hemelpoort aan de uit de schemering opdoemende schrijvers en tweeps en journalisten vragen: “Waarom stelde je je zo aan?”

Uitgelicht bericht

Drie titels van literaire lezingen

Wie een lezing houdt, geeft meestal aan die lezing ook een titel mee. Die titel kan – als de auteur zijn of haar titel goed heeft gekozen – veelzeggend zijn.

In dit korte blogtekstje vergelijk ik drie titels:

  1. Het woord bij de daad, van Harry Mulisch
  2. Mondelinge mededelingen, van Willem Frederik Hermans
  3. Nu ik hier iets zeggen mag, van Ida Gerhardt

De titels die Mulisch, Hermans en Gerhardt gekozen hebben, zijn treffend – ze laten meteen al iets zien over de houding die deze auteurs aannemen ten aanzien van het leven.

Mulisch is voluit megalomaan, Hermans natuurwetenschappelijker dan hij is, Gerhardt wat al te christelijk.

De titel van Mulisch is een bewuste omkering van De daad bij het woord [voegen], een bekende Nederlandse uitdrukking. Mulisch was enthousiast over de studentenrevolutie van de jaren ’60 en en de revolutie van Fidel Castro. Het Woord bij de Daad is een pamflet dat daadwerkelijk de Cubaanse revolutie met woorden steunt. Mulisch liep daarbij geen risico en kon daarbij moeiteloos zijn pose van literaire glamourboy handhaven. Pogingen om hem ter verantwoording te roepen – het was uiteraard verkeerd en onverantwoordelijk wat hij te berde bracht – liepen stuk op zijn solipsistische stilzwijgen of zijn stugge herhaling van oude standpunten.

De filosofische houding van Willem Frederik Hermans was gebaseerd op de natuurwetenschappelijke zienswijze. Hoezeer hij ook een romanticus was, en hoezeer ook geteisterd door wrokkigheid en ressentiment, hij wilde een dienaar van de waarheid zijn, hij wilde datgene zeggen wat zijn lezers niet onder ogen wilden zien, maar wat in zijn ogen onontkoombaar was. De titel van zijn gebundelde lezingen getuigt daarvan: Mondelinge mededelingen – meer valt er niet over te zeggen, en meer zegt het ook niet. Maar het is – denk ik – wel degelijk zo dat er meer over valt te zeggen. De slotzin van het door door Hermans vertaalde en door Wittgenstein geschreven Tractatus Logico-Philosophicus: “Van dat, waarover niet kan worden gesproken, moet men zwijgen”, is een streng klinkende constatering die, als deze als richtlijn wordt toegepast, hoogst onwenselijke resultaten afwerpt. Hermans wilde geen andere dan natuurwetenschappelijke pretenties voeren, al streefde hij volgens mij wel degelijk iets anders na, wat hij op andere momenten in interviews ook toegaf.

Ida Gerhardt was een dichteres die op latere leeftijd paranoïde werd, en haar leven lang geteisterd werd door gevoelens van miskenning. In de praktijk viel deze miskenning wel mee – ze heeft aanzienlijke literaire erkenning gehad – maar in haar gevoelsleven was deze erkenning slechts gebrekkig verankerd. Maar ze was ook een christelijke dichteres die samen met haar partner, Marie H. van der Zeyde, de bijbelse psalmen heeft vertaald. Ootmoed, een ander uitnemender achten dan jezelf, waren hoge deugden. Deze christelijke houding klinkt door in de nederige titel van haar voordrachten, Nu ik hier iets zeggen mag. Het wankele evenwicht tussen het besef van talent en roeping enerzijds en de boze houding jegens de (onontkoombare) literaire praktijk van kritiek en miskenning anderzijds, uitte zich in een wat al te nederige titel.

De titel van dit blogtekstje heeft – denk ik – de meeste verwantschap met de titel van Willem Frederik Hermans.

Uitgelicht bericht

Wat betekent (ir)rationeel?

Een paar vragen over het gebruik van ‘rationeel’ en ‘irrationeel’.

 

  1. Ik begrijp vaak niet wat mensen bedoelen die iets ‘rationeel’ of ‘irrationeel’ vinden. Is de atheïstische levensbeschouwing rationeel? Kan een verlangen irrationeel zijn? En gedrag? Kan zo’n oordeel gelden voor levenskeuzes, vertrouwen, liefde, rebellie?
  2. Ik doel hier op het betrekkelijk gewone, dagelijkse spraakgebruik, inclusief het spraakgebruik dat gehanteerd wordt in recensies, columns en beschouwingen in serieuze culturele tijdschriften en landelijke dagbladen.
  3. Kan iemand die zijn mond stijf dicht houdt, die nooit iets zegt, die volhardt in stilzwijgen, ooit irrationeel zijn? Is strijdigheid tussen wat je doet en wat je zegt een criterium om iemand ‘irrationeel’ te noemen?
  4. Ik moet het huishouden doen, maar ik ga badmintonnen met de buurvrouw. Ben ik nu irrationeel? Ik wil eigenlijk graag badmintonnen met de buurvrouw, maar ik doe het huishouden, want mijn plichtbesef is sterker. Ben ik nu rationeel?
  5. Een vriend is overleden. Ik ben geen lid van een kerk. Ik steek een kaarsje op. Ben ik nu irrationeel? Ik ben wel lid van een kerk. Ik steek een kaarsje op. Ben ik nu dan irrationeel? Ik ben atheïst. Ik spot met de kaarsenpraktijk. Ben ik rationeel?
  6. Hebben ‘rationeel’ en ‘irrationeel’ te maken met de geldigheid van een oordeel? Of met de logica van de redenering? Of slaan die begrippen alleen op de neiging om al of niet te beredeneren wat je wilt of kunt, wat je niet mag, of wat je zou moeten?
  7. Of hebben de begrippen ‘rationeel en ‘irrationeel’ alleen geldigheid in het domein waar wordt vastgesteld wat waar is, juist is, correct? Zijn er ook dingen die zich aan zulk een vaststelling onttrekken, waarbij die begrippen niet geldig zijn?
  8. Als schilder exploreer ik het irrationele – wat doet iemand eigenlijk die dat zegt? Is het zoeken naar harmonie, schoonheid, evenwicht irrationeel? Kan het nastreven van disharmonie rationeel zijn? Kan het schilderen zelf (ir)rationeel zijn?
  9. Is een droom (ir)rationeel? En een sprookje? Of geldt dat oordeel alleen voor bewuste, gearticuleerde en aan anderen meegedeelde beschouwingen?
  10. Wordt het liefdesspel tussen man en vrouw irrationeel als er geen kinderen (meer) uit voort kunnen komen? Is dansen irrationeel? Grapjes maken? Plagen? Zelfmoordgedachten hebben?
  11. Is het optimaliseren van een productieproces rationeel? Of is het nadenken daarover (al of niet) rationeel? Zijn de opbrengsten van de productie van belang om te besluiten of de uitkomst van de optimalisering rationeel is?

  12. Ik optimaliseer een productieproces. Is daarbij de verwaarlozing van het milieu-aspect (of enig ander aspect) irrationeel? Kan de verwaarlozing van dat aspect op zeker moment misschien irrationeel worden? Na het rapport van de Club van Rome?
  13. Ik rook. Ik erken dat dat ongezond is. Ben ik nu irrationeel? Waarom dan, want ik streef niet naar een gezond leven. Ik rook niet. Ik ben een fanatieke antirook-activist.  Kan onmatigheid in het activisme mijn gedrag irrationeel maken?
  14. Kun je als mens zelfdestructief zijn, handelen dwars tegen je eigen belang in? Zou je het als zelfdestructief gepercipieerde gedrag ook rationeel kunnen noemen? Wie stelt dat belang eigenlijk vast?
  15. Mag ik alleen beweringen die op een rigoureuze natuurwetenschappelijke manier experimenteel getoetst kunnen worden, en ook langs die weg bevestigd zijn, rationeel noemen?
  16. Moet een zin waarvan gezegd wordt dat deze een (ir)rationele boodschap overbrengt een equivalent van een wiskundige operator bevatten, een woordje als dus of daarom, een bewering als ‘is gelijk aan’?
  17. Worden er eisen gesteld aan de begripsomschrijving van de elementen van een bewering? Komt een bewering over menselijk (on)geluk of over intelligentie of over ‘geschiktheid voor een baan’ überhaupt in aanmerking voor de kwalificatie ‘(ir)rationeel’?

Zelf gebruik ik die begrippen meestal alleen om een oordeel te geven over de vraag of de gekozen middelen geschikt zijn om een vooraf gesteld doel te bereiken. Voor andere zaken voldoen in mijn ogen andere begrippen beter.

Ik was dit artikeltje begonnen als een Twitter-draadje. Maar daarvoor lijkt het resultaat me ongeschikt.

 

Uitgelicht bericht

MCMXIV (1914) – Philip Larkin

De dichter van MCMXIV – het jaartal 1914 – is Philip Larkin (1922-1985). De Engelsman Larkin was ook romanschrijver, bibliothecaris en jazz-criticus. Hij gebruikte vaak een natuurlijke spreektoon, was wars van uiterlijk vertoon en schreef complex gestructureerde verzen met een ironische, sceptische, soms pijnlijke, soms melancholieke inhoud.

De website van de Philip Larkin Society vind je hier, inclusief een beknopte biografie. De bekendste (ironische) regels van Larkin, de opening van het gedicht Annus Mirabilis – toevallig ook met een jaartal erin – luiden:

Sexual intercourse began
In nineteen sixty-three

Het gedicht is getiteld MCMXIV, 1914 in Romeinse getallennotatie. 1914 is het eerste jaar van de Eerste Wereldoorlog. Het gedicht werd gepubliceerd in The Whitsun Weddings, een gedichtenbundel met 32 gedichten die gepubliceerd werd in 1964.

Het gedicht telt vier strofen van acht regels, waarvan steeds de vierde en de achtste regel eindrijm kennen. De toon is kalm en bespiegelend, waarmee het aanstaande (maar ongenoemd blijvende) onheil tegelijk voelbaar wordt gemaakt en bezworen.

De eerste strofe van het gedicht beschrijft een zwart-witfoto uit 1914 met Britse jongemannen die gemobiliseerd waren voor WO-I, The Great War. Deze oorlog duurde van 1914 tot 1918, de gevechten vonden voor een deel plaats op Belgisch grondgebied, en er waren onvoorstelbaar veel doden van wie er tienduizenden nooit geïdentificeerd zijn. De gruwelijkheid van de naderende oorlog kun je niet aflezen aan de lachende gezichten op de foto.

In de volgende twee strofen wordt uitgezoomd en krijgen we een tijdsbeeld dat gekenmerkt wordt door sereniteit en overzichtelijkheid.

De slotstrofe eindigt met de constatering dat de tijd die direct voorafging aan WO-I een onschuld kende die nooit voorheen en nooit nadien heeft bestaan, en die ook nooit meer terug zal komen.

The Oval is een cricket-stadion in Zuid-Londen, de thuisbasis van Surrey County Cricket Club. Villa Park is een voetbalstadion in Aston, de thuisbasis van de voetbalclub Aston Villa.

In dit gedicht zijn The Oval en Villa Park veralgemeend tot “een cricket- of voetbalstadion”. De reden daarvoor is dat The Oval en Villa Park de Nederlandse poëzielezer waarschijnlijk weinig zullen zeggen. Nederlandse varianten – zoals Thialf of De Kuip – geven bovendien een onhistorische voorstelling van zaken: Nederland bleef immers in de Eerste Wereldoorlog neutraal.

Farthings en Sovereigns zijn oude Britse munteenheden die in vertaling vervangen zijn door duiten en gouden tientjes.

Domesday Lines is een verwijzing naar Domesday Book, een inventarisatie van het landbezit in Engeland en Wales. Het is een middeleeuws manuscript. De inventarisatie werd om fiscale redenen gedaan op initiatief van Willem de Veroveraar en kwam gereed in 1086. In de vertaling is gekozen voor “eeuwenoude kadasters” omdat een nederlandse lezer naar alle waarschijnlijkheid nog nooit van Domesday Book gehoord heeft, en omdat mij bovendien een werk van vergelijkbare strekking en renommée in ons taalgebied niet te binnen wil schieten. De associatie met ‘Doom’ die ‘Domesday’ geeft, kan ik in het Nederlands helaas niet reproduceren.

Ik meen dat begin twintigste eeuw wolgaren soms in blikjes werd verkocht. Als ik mij hierin vergis – ik heb geen goede documentatie gevonden – dan moet de vertaling op dit punt nog worden aangepast. Als zo’n blikje wolgaren wel bestaat, maar anders heet, is ook een aanpassing nodig.

Deze poëzievertaling is gemaakt op verzoek van dr. Henk-Jan Prosman, die binnenkort een vertaling hoopt te publiceren van Peter Hitchens, The Rage Against GodPeter Hitchens is een Engels schrijver en journalist. Hij is een Anglicaans christen met in politieke zin conservatieve opvattingen. Hij is de jongere broer van de militante atheïst Christopher Hitchens – één van The Four Horsemen – die in 2011 is overleden.

In Hitchens’s boek wordt het gedicht geciteerd op p.86-87.

PS – 9 mei 2018 – Naar aanleiding van een commentaar op Twitter waarin ik mijn verbazing uitsprak dat Prosman en Bart Jan Spruijt niet onomwondener en duidelijker  afstand namen van populistisch rechts, hebben beiden mij op Twitter geblokkeerd.

PS1 – 15 mei 2018 – De blokkering door Prosman is na een korte mailwisseling op 13/14 mei 2018 ongedaan gemaakt.

PS2 – 27 mei 2018 – N.a.v. een publicatie van Prosman over de Engelse anti-immigratie-activist Tommy Robinson, schreef ik een tweet (Twitter-bericht) waarin ik Prosman verweet weinig op te hebben met de rechtsstaat en in complotten te geloven. Daarop blokkeerde de radicaal-rechtse dominee me opnieuw.

MCMXIV

Deze lange rommelige rijen,
Wat staan ze daar geduldig
Alsof ze een lange keten vormen
Voor een cricket- of voetbalstadion,
De hoeden als kronen, de zon
Op besnorde archaïsche koppen
Lachend alsof er een luchtig
Vakantie-uitje begon;

En de geblindeerde winkels, verbleekte
Bekende namen op zonweringen,
De duiten en gouden tientjes,
De spelende jeugd, in stemmig gewaad,
Vernoemd naar vorsten en vorstinnen,
De advertenties op blikken
Voor cacao en wolgaren, een kroeg
Die altijd open staat;

En het zorgeloze platteland:
De plaatsnamen geheel omsluierd
Met bloeiende grassen, en akkers
Vol tarwe die in de deinende stilte
Zich voegen naar eeuwenoude kadasters;
De anders-geklede bedienden
Met kleine kamers in enorme huizen,
Het stof achter limousines;

Nooit zag je zulke onschuld,
Nooit eerder, nooit later,
Alsof deze zwijgend aan zichzelf
Voorbijging – de mannen die vlug
Hun nette tuintjes achterlieten,
De duizenden huwelijken,
Die het nog wel eventjes volhielden:
Nooit keert deze onschuld terug.

Origineel:

MCMXIV

Those long uneven lines
Standing as patiently
As if they were stretched outside
The Oval or Villa Park,
The crowns of hats, the sun
On moustached archaic faces
Grinning as if it were all
An August Bank Holiday lark;

And the shut shops, the bleached
Established names on the sunblinds,
The farthings and sovereigns,
And dark-clothed children at play
Called after kings and queens,
The tin advertisements
For cocoa and twist, and the pubs
Wide open all day;

And the countryside not caring:
The place-names all hazed over
With flowering grasses, and fields
Shadowing Domesday lines
Under wheat’s restless silence;
The differently-dressed servants
With tiny rooms in huge houses,
The dust behind limousines;

Never such innocence,
Never before or since,
As changed itself to past
Without a word – the men
Leaving the gardens tidy,
The thousands of marriages,
Lasting a little while longer:
Never such innocence again.

 

Uitgelicht bericht

Bij het passeren van de nieuwe Menenpoort – Siegfried Sassoon

Dit gedicht werd geschreven in 1927 door Siegfried Sassoon (1876-1967), een dag na de officiële opening van de Menenpoort, en werd gepubliceerd in 1928.

De Menenpoort is de Nederlandse naam voor Menin Gate. Het is een herdenkingsmonument in Ieper voor de anoniem gevallen soldaten van het Verenigd Koninkrijk en de Commonwealth die vochten in de Eerste Wereldoorlog en wier graf onbekend gebleven is.

Sassoon schreef veel anti-oorlogslyriek. Het gedicht is een harde afwijzing van de Eerste Wereldoorlog en van de manier waarop WO-I herdacht wordt. Een goede vriend van Sassoon, Gordon Harbord, was gesneuveld bij Ieper. De dichter noemde zelf het gedicht zijn “final word on the 1914 War”. (Bron: Jean Moorcroft Wilson, Siegfried Sassoon. The Journey from the Trenches: a Biography (1918-1967), Gerald Duckworth/Routledge: 2003, p.186)

Menin Gate - Their Name Liveth for Evermore

Their Name Liveth For Evermore

De bittere zin over de leugen die in de poort gebeiteld staat, heeft in letterlijke zin betrekking op het feit dat de herdachte doden naamloos zijn, maar dat de poort zegt dat hun namen voor altijd zullen voortleven. Overdrachtelijk wordt uiteraard de leugen benoemd die is gelegen in het romantiseren van gruwelijke oorlogen.

Ieperboog is de Nederlandse naam voor de Yper Salient – het grote loopgravenstelsel bij Ieper, een uitstulping van de frontlinie in vijandelijk gebied, waarover het gedicht gaat en waar zich ook de Menenpoort bevindt.

Deze vertaling is gemaakt op verzoek van dr. Henk-Jan Prosman, die binnenkort een vertaling hoopt te publiceren van Peter Hitchens‘ boek The Rage Against God. Peter Hitchens, is een Engels schrijver en journalist. Hij is een Anglicaans christen met in politieke zin conservatieve opvattingen. Hij is de jongere broer van de militante atheïst Christopher Hitchens – één van The Four Horsemen – die in 2011 is overleden.

In Hitchens’ boek wordt het gedicht geciteerd op p.51.

Het gedicht is een sonnet in de Engelse traditie, met twee rijmende slotregels (zoals ook bij Shakespeare). De versregels bestaan hoofdzakelijk uit jambische vijfvoeten, soms met trocheïsche opmaat, met uitzondering van de regels 10 en 11.

Ik heb de jambe gehandhaafd, maar het aantal versvoeten vaak wat uitgebreid. Het Nederlands is kwistiger met lettergrepen dan het Engels, en het doel van de vertaling is in dit geval ook dat deze kan dienen als bijdrage aan de vertaling van het boek. De betekenis moest daarom in mijn ogen voldoende getrouw worden overgebracht.

De tekst op de Menenpoort – Their Name Liveth For Evermore – is volgens The Penguin Book of First World War Poetry een citaat uit Jezus Sirach (Engels: Ecclesiasticus), hfdst. 44:15 (of 44:14). Rudyard Kipling heeft het uitgekozen.

PS – 9 mei 2018 – Naar aanleiding van een commentaar op Twitter waarin ik mijn verbazing uitsprak dat Prosman en Bart Jan Spruijt niet onomwondener en duidelijker  afstand namen van populistisch rechts, hebben beiden mij op Twitter geblokkeerd.

PS1 – 15 mei 2018 – De blokkering door Prosman is na een korte mailwisseling op 13/14 mei 2018 ongedaan gemaakt.

PS2 – 27 mei 2018 – N.a.v. een publicatie van Prosman over de Engelse anti-immigratie-activist Tommy Robinson, schreef ik een tweet (Twitter-bericht) waarin ik Prosman verweet weinig op te hebben met de rechtsstaat en in complotten te geloven. Daarop blokkeerde de radicaal-rechtse dominee me opnieuw.

 

Vertaling:

Bij het passeren van de nieuwe Menenpoort

Wie kent nog, als hij deze Poort passeert,
De aan de kogels roemloos prijsgegeven Doden?
Wie brengt er in hun smerig lot een keer, –
Dienstplichtigen, tot oneer en tot doem ontboden?

Grof opknapwerk houdt nu de Ieperboog bijeen.
Het loon voor al zijn grauwe strijders: praal en pronk;
Het loon: een stapel zelfvoldane-vredessteen
Voor een armee die in dit rampmoeras verzonk.

Hier was ‘s werelds wreedste wond. En innig tevreden
Meldt de Poort: ‘Hun naam zal thans voor altoos leven’.
Werd ooit een leugen over offers zo brutaal beleden
Als over deze namen die onduldbaar naamloos bleven?

Straks staan misschien de Doden op die sloofden in het slijk
En zetten deze misdaadtombe dan beslist te kijk.

Origineel

On Passing the New Menin Gate

Who will remember, passing through this Gate,
The unheroic Dead who fed the guns?
Who shall absolve the foulness of their fate, –
Those doomed, conscripted, unvictorious ones?

Crudely renewed, the Salient holds its own.
Paid are its dim defenders by this pomp;
Paid, with a pile of peace-complacent stone,
The armies who endured that sullen swamp.

Here was the world’s worst wound. And here with pride
‘Their name liveth for evermore’ the Gateway claims.
Was ever an immolation so belied
As these intolerably nameless names?

Well might the Dead who struggled in the slime
Rise and deride this sepulchre of crime.

Uitgelicht bericht

De waarheid van de doden – Anne Sexton

Gisteravond, 31 januari 2018, was in Theater De Boerderij in Huizen de prijsuitreiking van de poëzie-vertaalwedstrijd die werd georganiseerd door de Stichting Kunst en Cultuur Huizen en de Bibliotheek Huizen-Laren-Blaricum. Ik won de derde prijs.

Het te vertalen gedicht was van de Amerikaanse dichter Anne Sexton (1928-1974) en heeft als titel: The Truth the Dead Know. Het gedicht was opgedragen ter nagedachtenis aan haar ouders die in 1959 kort na elkaar waren overleden. In het gedicht komt de maand ‘juni’ voor, wat de maand is waarin haar vader overleed, ruim drie maanden na de dood van haar moeder.

Certificaat Vertaalwedstrijd Huizen 2018

Certificaat derde prijs

Anne Sexton wordt gerekend tot de schrijvers van Confessional Poetry, samen met Robert Lowell, Sylvia Plath, John Berryman, Allen Ginsberg, and W. D. Snodgrass.

In deze opname leest Sexton zelf haar gedicht voor. Ze klinkt alsof ze een glaasje te veel op heeft, een indruk die kennelijk door anderen gedeeld wordt: Maartje van Weegen, die de avond presenteerde, bracht het ook ter sprake.

Prijsuitreiking Vertaalwedstrijd Huizen 2018

V.l.n.r.: Wim Dashorst (winnaar), Willibrord Ruigrok (tweede), Joan de Zwart-Bloch (burg. Blaricum), ondergetekende

Het was een onderhoudende avond waarin een poëzie- en muziekquiz werd gehouden (ik had maar drie van de tien vragen goed), een Huizense cultuurprijs werd uitgereikt, en waar de muziek werd verzorgd – heel mooi – door de zangeres Lizzy Ossevoort en de pianist Stefan Bos.

De prijzen voor de vertaalwedstrijd werden uitgereikt door Mevr. Joan de Zwart-Bloch, burgemeester van Blaricum.

De eerste prijs werd gewonnen door Wim Dashorst, de man die de prijs ook vorig jaar had gewonnen. De vertalingen van alle prijswinnaars en het juryrapport kunt u hier nalezen.

De passage in het juryrapport die op mijn vertaling betrekking heeft, luidt:

Deze inzender dankt zijn prijs aan de compacte stijl, goed lopende en ritmisch verantwoorde regels die op een natuurlijke manier rijmen (d.w.z. zonder rijmdwang).

Vertaling:

De waarheid van de doden

Voor mijn moeder (geboren mrt. 1902 – overleden mrt. 1959)
en mijn vader (geboren febr. 1900 – overleden juni 1959)

Klaar, zeg ik, en ‘k loop de kerk uit;
de stijve grafprocessie weiger ik te gaan,
de dodenkoets wordt toch wel uitgeluid.
Het is juni – Alle moed is mij vergaan.

We rijden naar de Kaap. Ik herschik
mezelf, terwijl de zon uitgutst op het strand,
de zee aanrolt als een ijzeren poort, en ik
jouw hand voel. Sterven doen ze in een ander land.

Lieveling, de wind jaagt ons op als stenen
door schuimkoppig water, en als ik je tegen
mij aan voel, is ons voelen één. Niemand is alleen, en
voor dit, voor zoiets, zou je een moord plegen.

En de doden dan? Ze varen ongeschoeid in hun kist,
als stenen; zelfs als de zee ophield met bewegen,
zouden zij versteender zijn. Ze weigeren beslist –
keel, oog en vingerkoot – alle heil en zegen.

Origineel:

The Truth the Dead Know

For my Mother, born March 1902, died March 1959
and my Father, born February 1900, died June 1959

Gone, I say and walk from church,
refusing the stiff procession to the grave,
letting the dead ride alone in the hearse.
It is June. I am tired of being brave.

We drive to the Cape. I cultivate
myself where the sun gutters from the sky,
where the sea swings in like an iron gate
and we touch. In another country people die.

My darling, the wind falls in like stones
from the whitehearted water and when we touch
we enter touch entirely. No one’s alone.
Men kill for this, or for as much.

And what of the dead? They lie without shoes
in their stone boats. They are more like stone
than the sea would be if it stopped. They refuse
to be blessed, throat, eye and knucklebone.

 

 

 

 

Uitgelicht bericht

Résumé – Dorothy Parker

Onlangs attendeerde iemand mij op de overlegpagina van het Nederlandse Wikipedia-artikel Dorothy Parker (1893-1967). Het ging onder andere over de titel en het gedicht Résumé – dat overigens ook een eigen Wikipedia-pagina heeft.

De titel is niet erg ingewikkeld: Résumé betekent hier: samenvatting, slotsom (van een leven).

Het Wikipedia-artikel Dorothy Parker bevat (op het moment dat ik dit schrijf) de zin:

“Dit gedicht [Résumé] laat iets van haar complexe persoonlijkheid zien.”

Ik geloof daar weinig van. Het is een epigrammatisch gedichtje dat ongetwijfeld voortkomt uit de zelfmoordgedachten van Dorothy Parker, en dat is verdrietig genoeg, maar complex is het eigenlijk niet. Je hebt weinig levenservaring en vrijwel geen kennis nodig om het te kunnen begrijpen. Je kunt het als grap opvatten, maar ook als plaatijzeren ernst. Veel potentiële zelfmoordenaars maken voorafgaand aan de poging grappen over of toespelingen op de daad,  een daad die – als deze geslaagd is – iedereen naderhand onbegrijpelijk blijkt te vinden. Gelukkig is Parker niet door zelfmoord overleden, al heeft ze wel pogingen gedaan.

Het is overigens wel zo dat je wijsheid, inschattingsvermogen en levenservaring nodig hebt om de ernst van zo’n aankondiging te kunnen inschatten.

De slotzin van het gedichtje doet enigszins denken aan Gerard Reve die – toen hij op latere leeftijd werd geconfronteerd met zelfmoord-uitspraken uit het verleden – met een grafstem placht te antwoorden: “Het is nou toch de moeite niet meer.”

Vertaling:

Résumé

Een mes is ellende
Water een ramp
Zuur geeft zo’n bende
Een pil geeft je kramp.
Een pistool is onwettig
Een strop geeft nog mee
Gas ruikt onprettig
Misschien toch maar ‘nee’.

Origineel:

Résumé

Razors pain you
Rivers are damp
Acids stain you
And drugs cause cramp.
Guns aren’t lawful
Nooses give
Gas smells awful
You might as well live.

Uitgelicht bericht

Hysterie – T.S. Eliot

T. S. Eliot (1888-1965) was een Amerikaans-Engelse dichter die in Nederland het meest bekend is geworden door het gedicht The Waste Land, met de bekende openingszinnen:

April is the cruellest month, breeding
Lilacs out of the dead land, mixing
Memory and desire, stirring
Dull roots with spring rain.
Winter kept us warm, covering
Earth in forgetful snow, feeding
A little life with dried tubers.

De dichter Martinus Nijhoff is in sommige opzichten – modernisme, ingehouden ironie, lange toppenverzen met memorable regels, band met het christendom – aan hem verwant.

In 1917 publiceerde Eliot de bundel Prufrock and Other Observations. Hierin was ook het hier vertaalde gedicht Hysteria opgenomen. Hysteria was het enige prozagedichtje in de bundel.

Het gedichtje vertoont de invloed van Jules Laforgue (1848-87), een pionier van het vrije vers, iemand ook die alledaagse taferelen, lichtelijk overdreven en met surrealistisch aandacht voor rare details, kon vertellen.

Het gaat om een hysterische lach, maar minstens ook om de infectueuze potentie van die lach. Je weet haast niet meer wie er nu eigenlijk hysterisch is, de hij of de zij.

Vertaling:

Hysterie

Toen ze lachte, merkte ik dat ik door haar lach werd meegesleept en er deel van ging uitmaken, totdat haar tanden hoogst toevallige sterren waren met het talent om een peloton te drillen. Korte zuchtjes, steeds geïnhaleerd na tijdelijk herstel, zogen mij mee, en ik verloor me uiteindelijk in de duistere spelonken van haar keel, die geblutst leek door de welving van onzichtbare spieren. Een bejaarde kelner was met trillende handen bezig een roze-en-wit-gestreept kleed te spreiden over een roestige, groene tafel van ijzer, zeggend: “Wellicht willen de dame en heer hun thee in de tuin gebruiken, wellicht willen de dame en heer hun thee in de tuin gebruiken …” Ik kwam tot de slotsom dat als er een eind gemaakt kon worden aan het deinen van haar borsten, er misschien nog een paar flarden van deze middag konden worden bewaard, en met het oog daarop concentreerde ik mijn aandacht met delicate nauwgezetheid.

Origineel:

Hysteria

As she laughed I was aware of becoming involved in her laughter and being part of it, until her teeth were only accidental stars with a talent for squad-drill. I was drawn in by short gasps, inhaled at each momentary recovery, lost finally in the dark caverns of her throat, bruised by the ripple of unseen muscles. An elderly waiter with trembling hands was hurriedly spreading a pink and white checked cloth over the rusty green iron table, saying: “If the lady and gentleman wish to take their tea in the garden, if the lady and gentleman wish to take their tea in the garden …” I decided that if the shaking of her breasts could be stopped, some of the fragments of the afternoon might be collected, and I concentrated my attention with careful subtlety to this end.

Uitgelicht bericht

De onbekende burger – W.H. Auden

AudenVanVechten1939

W.H. Auden

Ik heb al vrij veel gedichten van Wystan Hugh Auden (1907-1973), een groot Engels dichter, vertaald, en hij behoeft op dit kleine blog eigenlijk geen introductie.

In dit gedicht wordt verteld over een zwijgende, onbekende, anonieme burger zoals die naar voren komt uit de dossiers die werden bijgehouden door de talloze bureaucratische instellingen die hem omringen.

De toon van het gedicht is enigszins prozaïsch, al kent het gedicht wel rijm.

De dossiers zijn uiterst positief, maar de indruk die wij van de anonieme burger krijgen is dat niet.

Over Audens bedoelingen zijn geen dossiers bekend, anders dan de gedichten, artikelen en brieven die hij heeft geschreven, maar de tegenstelling tussen een grauwe indruk van de persoon en fonkelende dossiers, zal zeker niet op toeval berusten.

Het gedicht drijft de spot met onze hang naar zekerheden, ons vastklampen aan bureaucratische goedkeuring en onze angst om af te wijken van wat gangbaar is.

Vertaling:

De onbekende burger

(Voor JS/07 M 378
Dit monument van marmer
werd opgericht door de staat)

Nooit werd officieel over hem een klacht ingediend,
Althans, het Statistisch Bureau heeft er niks van gehoord,
Verklaringen omtrent gedrag luiden eensgezind
Dat hij een heilige was in de moderne zin van een ouderwets woord,
Want wat hij ook deed, het Grote Geheel werd gediend.
Hij werkte tot z’n pensioen, behalve in de Oorlogsdagen,
In een fabriek waar hij nooit werd ontslagen,
Tot volle tevredenheid van werkgever Toffee Motors BV.
Toch was hij geen stakingsbreker of iemand met rare ideeën
Want zijn Vakbond was zeer over hem tevreden
(We verzekeren u dat zijn dossier een rotsvast vertrouwen wekte),
En onze sociaal-psychologische werkers ontdekten
Dat z’n maten hem mochten, en ook een biertje pakte hij graag mee.
De Pers bevestigt dat hij zijn krantenkiosk dagelijks frequenteerde,
En dat hij volkomen normaal op advertenties reageerde.
Ook blijkt dat hij – polissen op naam – volledig verzekerd was,
Zijn zorgdossier toont dat hij, eens in ’t ziekenhuis, weer keurig genas.
Consumenten- en huishoudinstanties zijn unaniem
Dat zijn afbetalingsregelingen verliepen naar wens,
Dat hij niks tekort kwam als Moderne Mens,
Een muziekinstallatie, een tv, auto, koelsysteem.
Elk opinieonderzoek vond het weer verheugend
Te constateren dat in dit jaargetij zijn opinies weer deugden.
Was het vrede, hij was voor vrede, was het oorlog, hij was een soldaat.
Hij was getrouwd en droeg vijf kinderen bij aan onze populatie,
Wat volgens Eugenetici het juiste aantal was voor zijn generatie.
Onze leerkrachten melden dat hij zich nooit bemoeide met hun educatie.
Was hij vrij? Was hij gelukkig? De vraag is absurd en gestoord:
Mocht er iets mis zijn geweest, dan hadden we het zeker gehoord.

Origineel:

The Unknown Citizen

(To JS/07 M 378
This Marble Monument
Is Erected by the State)

He was found by the Bureau of Statistics to be
One against whom there was no official complaint,
And all the reports on his conduct agree
That, in the modern sense of an old-fashioned word, he was a saint,
For in everything he did he served the Greater Community.
Except for the War till the day he retired
He worked in a factory and never got fired,
But satisfied his employers, Fudge Motors Inc.
Yet he wasn’t a scab or odd in his views,
For his Union reports that he paid his dues,
(Our report on his Union shows it was sound)
And our Social Psychology workers found
That he was popular with his mates and liked a drink.
The Press are convinced that he bought a paper every day
And that his reactions to advertisements were normal in every way.
Policies taken out in his name prove that he was fully insured,
And his Health-card shows he was once in hospital but left it cured.
Both Producers Research and High-Grade Living declare
He was fully sensible to the advantages of the Instalment Plan
And had everything necessary to the Modern Man,
A phonograph, a radio, a car and a frigidaire.
Our researchers into Public Opinion are content
That he held the proper opinions for the time of year;
When there was peace, he was for peace: when there was war, he went.
He was married and added five children to the population,
Which our Eugenist says was the right number for a parent of his generation.
And our teachers report that he never interfered with their education.
Was he free? Was he happy? The question is absurd:
Had anything been wrong, we should certainly have heard.

Uitgelicht bericht

De zon komt op – John Donne

John Donne (1572-1631) is de bekendste dichter van de groep dichters die door Samuel Johnson (1709-1784) de Metaphysical Poets is gedoopt.

Een informatieve Nederlandse website over John Donne, waarop ook veel vertalingen van zijn werk, vindt u hier.

De Metaphysical Poets gebruikten zogeheten Metaphysical Conceits in hun gedichten. Dat zijn uitgebreide vergelijkingen die weinig voor de hand lijken te liggen, die onwaarschijnlijk zijn, waarvan de elementen zeer ver uit elkaar liggen, maar die toch op een dichterlijke manier treffend zijn. In dit gedicht wordt de zon bespot en bars toegesproken, en worden de geliefden die zich in bed bevinden vergeleken met staten, vorsten, continenten, en is de slaapkamer het heelal.

Ten geleide voor de lezer:

  • Het gedicht The Sun Rising is een liefdesgedicht.
  • In de openingsstrofe spreekt de Ik-figuur de zon toe die kennelijk aan het opkomen is (en de geliefden verrast in bed). De toon is afwisselend spottend en bevelend. In het tweede deel van de strofe verheft de dichter zichzelf en zijn geliefde boven de spijbelaars, gezellen, hondendrijvers, luie varkens. Met een bijzondere vorm van het bekende cliché dat de liefde geen tijd kent, wordt deze strofe besloten.
  • In de tweede strofe wordt allereerst twijfel gezaaid aan de zaligheid en de kracht van de zonnestralen: de ik-figuur kan deze immers door zijn ogen te sluiten laten verdwijnen. Daarna wordt de geliefde voor het eerst ter sprake gebracht: de ‘haar’ in het gedicht, wier stralende ogen volgens de toenmalige conventie de stralen van de zon in de schaduw stellen. Alles wat er op aarde werkelijk toe doet voor de geliefden, blijkt zich in het liefdesbed te bevinden.
  • In de slotstrofe wordt er nog een schepje bovenop gedaan en blijkt de slaapkamer de gehele kosmos te wezen. De zon komt dus niets te kort als hij de twee geliefden maar heerlijk verwarmt.
  • De versregels zijn onregelmatig van lengte en kennen geen vast metrum. Het rijmschema van de strofen is ABBACDCDEE.

Vertaling:

De zon komt op

Nijvere ouwe dwaas, ongezeglijke zon,

Wat win je hiermee?

Ben je content met je gordijngezeefde, matineuze entree?

Dacht je dat jouw ommegang de liefdestijd bestieren kon?

Brutale pedante vlerk, ga ze een beetje plagen,

De spijbelaars, de zeurende gezellen,

Meld hondendrijvers dat de koning wil gaan jagen,

Zeg luie varkentjes hun taken niet nog langer uit te stellen,

Liefde, welke ook, kent geen klimaat, seizoen, respijt,

Geen uren, dagen, maanden, al die lorren van de tijd.

 

Jouw stralen, vol eerbied en kracht –

Zou ‘t echt zo zijn?

Ik kan ze in een oogwenk verduisteren en je verdwijnt,

Maar ik doe het niet, omdat ik naar haar aanblik smacht;

En als jouw ogen naast de hare durven stralen,

Zie toe, en vertel dan morgen eens aan mij,

Of beide Indiën, hun kruiden en metalen,

Zijn waar je ze achterliet, of hier liggen naast mij.

En als je naar die koningen vraagt – je zag ze zonet –

Dan krijg je ten antwoord: hier zijn ze, hier in dit bed.

 

Zij is alle staten, alle vorsten ben ik, zie

Daarbuiten is niets.

En vorsten doen ons slechts na; in dit licht bezien

Is alle hulde imitatie, alle weelde alchemie.

En Zon, sinds de wereld zo is geslonken,

Verdien je wel een beetje erbarmen.

Ouderdom vergt rust, en sinds jou als taak is geschonken

De wereld te warmen, dien je dus ons te verwarmen.

Schijn hier voor ons, en het heelal is waar je bent;

Dit bed is jouw centrum, dit vertrek jouw firmament.

 

Origineel:

The Sun Rising

Busy old fool, unruly sun,
Why dost thou thus,
Through windows, and through curtains call on us?
Must to thy motions lovers’ seasons run?
Saucy pedantic wretch, go chide
Late school boys and sour prentices,
Go tell court huntsmen that the king will ride,
Call country ants to harvest offices,
Love, all alike, no season knows nor clime,
Nor hours, days, months, which are the rags of time.

Thy beams, so reverend and strong
Why shouldst thou think?
I could eclipse and cloud them with a wink,
But that I would not lose her sight so long;
If her eyes have not blinded thine,
Look, and tomorrow late, tell me,
Whether both th’ Indias of spice and mine
Be where thou leftst them, or lie here with me.
Ask for those kings whom thou saw’st yesterday,
And thou shalt hear, All here in one bed lay.

She’s all states, and all princes, I,
Nothing else is.
Princes do but play us; compared to this,
All honor’s mimic, all wealth alchemy.
Thou, sun, art half as happy as we,
In that the world’s contracted thus.
Thine age asks ease, and since thy duties be
To warm the world, that’s done in warming us.
Shine here to us, and thou art everywhere;
This bed thy center is, these walls, thy sphere.

Uitgelicht bericht

Een lieflijke avond – William Wordsworth

William Wordsworth (1770-1850) was een Engels romantisch dichter. Samen met Samuel Taylor Coleridge (1772-1834) publiceerde hij de Lyrical Ballads, waarmee de romantiek zijn intrede deed in de Engelse letteren.

In 1791 ontmoette Wordsworth in Frankrijk Annette Vallon, van wie hij in 1792 een dochter kreeg: Caroline. Zonder Caroline ooit gezien te hebben, keerde hij – mede als gevolg van de politieke turbulentie – terug naar Engeland. Na de Vrede van Amiens in 1802, ging hij terug naar Frankrijk. Daar ontmoette hij zijn toen 9-jarige dochter voor het eerst. De strandwandeling met haar is de aanleiding tot het gedicht It is a Beauteous Evening, Calm and Free.

Ik ken het gedicht al sinds mijn middelbareschooltijd (1976-1982) uit het hoofd. Het komt voor in het boek Enjoying Literature dat toen voor het onderwijs werd gebruikt.

Als ik op het strand ben, heb ik de haast onbedwingbare neiging om te roepen:

Listen! the mighty Being is awake,
And doth with his eternal motion make
A sound like thunder—everlastingly.

Dit gedicht is uiteraard een sonnet. De jambische vijfvoeten, soms met trochaeïsche opmaat, zijn in vertaling grotendeels vervangen door jambische zesvoeten.

Vertaling:

Een lieflijke avond

Een lieflijke avond, onbevangen, teder…
De gewijde tijd is stil geworden als een Non
Die ademloos is in aanbidding, de brede zon
Daalt roerloos in zijn vredigheden neder;

En zorgzaam op de zee rust ’s hemels goedheid;
Maar hoor! het machtig Wezen is ontwaakt,
Dat sindsdien onophoudelijk geluiden maakt
Alsof de donder rolt – in eeuwige gestadigheid.

Lief kind! lief meisje! wandel- en gespreksgenoot,
Ook als de ernst maar nauwelijks tot jou doordringt,
Toch is jouw kern hooghemels en verheven:

Jij ligt het hele jaar in Abrahams schoot,
Jij mag in ’t heiligst heiligdom des Tempels leven,
Door God – en niemand ziet het – met Zijn zorg omringd.

Origineel:

It is a Beauteous Evening, Calm and Free

It is a beauteous evening, calm and free,
The holy time is quiet as a Nun
Breathless with adoration; the broad sun
Is sinking down in its tranquility;

The gentleness of heaven broods o’er the Sea;
Listen! the mighty Being is awake,
And doth with his eternal motion make
A sound like thunder—everlastingly.

Dear child! dear Girl! that walkest with me here,
If thou appear untouched by solemn thought,
Thy nature is not therefore less divine:

Thou liest in Abraham’s bosom all the year;
And worshipp’st at the Temple’s inner shrine,
God being with thee when we know it not.

Uitgelicht bericht

De Tuin der Lusten – William Blake

William Blake (1757-1827) was een visonaire, romantische Engelse dichter en schilder. Hij was religieus, maar gekant tegen vormen van georganiseerde godsdienst, met name tegen de Anglicaanse kerk, de Church of England.

In het onderhavige gedicht wordt een Tuin der Lusten opgeroepen. De titel en het onderwerp verwijzen naar het Hooglied (hfdst. 6:2), een oud-testamentisch liefdeslied dat vol staat met erotische toespelingen. Indirect verwijzen ze ook naar de Hof van Eden, de paradijstuin, waarin voorafgaand aan de zondeval nog geen schaamte bestond.

In dit gedicht wordt de gestrengheid van de georganiseerde godsdienst tegenover de als zuiver beschouwde erotiek geplaatst.

Vertaling:

De Tuin der Lusten

Ik ging naar de Tuin der Lusten,
En zag wat er vroeger nooit was:
Een Kerkje, gebouwd in het midden,
Waar ik toen speelde als kind op het gras.

En de poort van de Kerk was gesloten,
En “Gij zult niet” kon je zien op de deur;
Dus ik ging naar de Tuin der Lusten,
Naar de bloemen, hun lieflijke geur.

En ik zag dat die vol was met graven,
En met zerken, waar een bloemperk moest zijn:
En Priesters die paden in zwarte gewaden betraden,
En mijn vreugde & verlangen met distels bedwongen.

Origineel:

The Garden of Love

I went to the Garden of Love,
And saw what I never had seen:
A Chapel was built in the midst,
Where I used to play on the green.

And the gates of this Chapel were shut,
And Thou shalt not. writ over the door;
So I turn’d to the Garden of Love,
That so many sweet flowers bore.

And I saw it was filled with graves,
And tomb-stones where flowers should be:
And Priests in black gowns, were walking their rounds,
And binding with briars, my joys & desires.

Uitgelicht bericht

Ennui – Marianne Moore

Marianne_Moore_1935

Marianne Moore (fotografie: George Platt Lynes)

Marianne Moore (1887-1972) was een Amerikaanse dichter. Ze beschikte over een veelzijdige verstechniek. Ze werd bewonderd door Wystan Hugh Auden en was mentor en vriendin van Elizabeth Bishop.

Het gedicht Ennui – wat verveling betekent, een kernbegrip van het modernisme – heeft weinig toelichting nodig. De titel is ironisch, uiteraard, en het gedicht suggereert dat een onvermogen om te kiezen een belangrijke oorzaak van verveeldheid, levensmoeheid zou kunnen zijn.

Het gedicht heeft iets grappigs en iets ernstigs tegelijk. De vorm is niet bijzonder modern en doet denken aan Johann Wolfgang von Goethe, bijvoorbeeld aan diens beroemde Nachtliedje.

Vertaling:

Ennui

Hij had, zei hij vaak,
Een typische wens:
Niemand die weet
Of ik vis ben of mens;
Het aas van de haak
Zuig ik wel graag,
Deelde hij mee,
En kalm dan weer gaan
Als een schim
In de zee.

Origineel:

Ennui

He often expressed
A curious wish,
To be interchangeably
Man and fish;
To nibble the bait
Off the hook,
Said he,
And then slip away
Like a ghost
In the sea.

 

Uitgelicht bericht

Spotrijm van een burger op leeftijd – W.H. Auden

AudenVanVechten1939

W.H. Auden

Wystan Hugh Auden (1907-1973), was een groot Engelstalig dichter. Hij schopte graag tegen de schenen van de mensen die hem het meest nabij waren.

Doggerel by a Senior Citizen, is een rijmend vers, een rijmsel eigenlijk, dat tongue in cheek een reactionaire – maar niet noodzakelijk onjuiste – boodschap brengt.

Hier is een video waar Auden het vers zelf voordraagt. De ondertiteling is de vertaling die Peter Verstegen, een gerenommeerd vertaler, van het vers gemaakt heeft.

Vertaling:

Spotrijm van een burger op leeftijd
(voor Robert Lederer)

1969 – de aarde is niet de planeet,
Die ik met trots de mijne heet;
’t Is niet de wereld die mij voedt,
En die voor chaos mij behoedt.

De zaligheden van de Hof van Eden,
Stammen reeds van lang geleden,
Toen badkamers nog zalen waren,
En wij God smeekten bij gevaren.

Het vliegtuig en de automobiel,
Heel nuttig, hoor, maar pueriel:
De machines waar ik van droom
Draaien op water of op stoom.

De Rede vergt dat ik bezing
De gloeilamp – wat een akelig ding!
Niet dat ik er ooit een koop –
Liever ‘n olielamp op de overloop.

De spoken van mijn voorgeslacht,
Bevocht ik, heb ze hooggeacht:
De protestantse werkmoraal
Was handig en vaak ideaal.

Schulden maken was onbezonnen,
Toen paren nog duetten zongen
En altijd zal ik zonder dralen,
Al wat ik koop contant betalen.

Het kerkenliedboek kwam tot stand
Omstreeks het Twaalfjarige Bestand:
Bijbehorende preken zijn wel aardig,
Liturgische omslag minderwaardig.

O zeker, seks was – als altijd
Aanlokkelijk door geheimzinnigheid;
Maar de kiosk was toch niet overladen
Met Manicheïsche pornobladen.

De taal was kunstig, afgemeten,
Je liet geen boeren, liet geen scheten:
Waar lig ik nog het meeste wakker van,
‘t Vrije vers, de dood van de roman?

Ook wil ‘k geen promovendi op visite,
Die symbolen delven, of de mythe,
En hoor ik tot de literaten
Die lof aan meerderen overlaten.

Is gedoogbeleid wel een succes?
Het is een ramp in elke les!
Grieks en Latijn – wij laafden ons
Aan deze zaken als een spons.

Men houdt zich graag oostindisch doof,
Voor onze generatiekloof,
Wiens schuld is dat, en welk verhaal?
Geen hond leert meer zijn Moedertaal!

Maar liefde is, meen ik, geen keus
Die ouderwets is, modieus!
En ‘k heb wel degelijk goede vrinden,
Die samen eten leuk gaan vinden.

Vergis ik mij? Da’s kul! Ik word niet goed
Dat ik met vuur verdedigen moet
Dat ik me ’t allerbeste thuis
Voel bij wat Echt is, bij wat Pluis.

Origineel:

Doggerel by a Senior Citizen
(for Robert Lederer)

Our earth in 1969
Is not the planet I call mine,
The world, I mean, that gives me strength
To hold off chaos at arm’s length.

My Eden landscapes and their climes
Are constructs from Edwardian times,
When bath-rooms took up lots of space,
And, before eating, one said Grace.

The automobile, the aeroplane,
Are useful gadgets, but profane:
The enginry of which I dream
Is moved by water or by steam.

Reason requires that I approve
The light-bulb which I cannot love:
To me more reverence-commanding
A fish-tail burner on the landing.

My family ghosts I fought and routed,
Their values, though, I never doubted:
I thought the Protestant Work-Ethic
Both practical and sympathetic.

When couples played or sang duets,
It was immoral to have debts:
I shall continue till I die
To pay in cash for what I buy.

The Book of Common Prayer we knew
Was that of 1662:
Though with-it sermons may be well,
Liturgical reforms are hell.

Sex was of course —it always is—
The most enticing of mysteries,
But news-stands did not then supply
Manichean pornography.

Then Speech was mannerly, an Art,
Like learning not to belch or fart:
I cannot settle which is worse,
The Anti-Novel or Free Verse.

Nor are those Ph.D’s my kith,
Who dig the symbol and the myth:
I count myself a man of letters
Who writes, or hopes to, for his betters.

Dare any call Permissiveness
An educational success?
Saner those class-rooms which I sat in,
Compelled to study Greek and Latin.

Though I suspect the term is crap,
There is a Generation Gap,
Who is to blame? Those, old or young,
Who will not learn their Mother-Tongue.

But Love, at least, is not a state
Either en vogue or out-of-date,
And I’ve true friends, I will allow,
To talk and eat with here and now.

Me alienated? Bosh! It’s just
As a sworn citizen who must
Skirmish with it that I feel
Most at home with what is Real.

Uitgelicht bericht

Ken je het land, waar de citroenen groeien – Goethe

Het gedicht ‘Kennst du das Land, wo die Zitronen blühn‘ is een heel beroemd gedicht van Johann Wolfgang von Goethe (1749-1832), die vaak beschouwd wordt als de grootste Duitse dichter die ooit heeft geleefd en geschreven.

Het werd gepubliceerd als het openingsgedicht in het eerste hoofdstuk van Boek 3 van Wilhelm Meisters Lehrjahre. Het personage in de roman die als auteur van het gedicht wordt opgevoerd, is Mignon. Het openingsvers roept Italië op.

Het gedicht is heel vaak op muziek gezet, onder anderen door Robert Schumann, Franz Schubert en Hugo Wolf.

Er zijn ook parodieën op gemaakt, bijvoorbeeld: ‘Kennst du das Land wo die Kanonen blühn?‘ van Erich Kästner.

Ik heb de enorme hoeveelheid literatuur over dit gedicht niet uitgebreid bestudeerd. In mijn ogen is dit een gedicht dat over de dood gaat. Het beschrijft drie levensfasen: de jeugd, de middelbare leeftijd en de oude dag.

Het is wel ontnuchterend, maar we gaan op weg, en het blijft lyrisch.

Vertaling:

Ken je het land, waar de citroenen groeien

Ken je het land, waar de citroenen groeien,
In ‘t donker loof de gouden sinaasappels gloeien,
Een milde wind vanuit de blauwe hemel daalt,
De myrte rust, een lauwertak naar boven taalt?
Zeg, ken je het?
Daarheen! daarheen
Wil ik met jou graag gaan, mijn lief, meteen.

Ken je het huis? Zijn dak rust op een zuilenrij.
De eetzaal blinkt, de suite ligt er stralend bij,
En marmerbeelden overal – ze zien mij aan
Wat heeft men jou, och arme kind, gedaan?
Zeg, ken je het?
Daarheen! daarheen
Wil ik met jou graag gaan, mijn hoedster, nu meteen.

Ken je de berg, zijn nauwe, dichtbewolkte gang?
Het muildier zoekt zijn weg, voor mist noch nevel bang;
In de spelonk, daar woont het oude drakenbroed;
Het stoot de rots, daaroverheen de vloed!
Zeg, ken je het?
Daarheen! daarheen
Voert onze weg! O Vader, zo meteen!

Origineel:

Kennst du das Land, wo die Zitronen blühn

Kennst du das Land, wo die Zitronen blühn,
Im dunkeln Laub die Gold-Orangen glühn,
Ein sanfter Wind vom blauen Himmel weht,
Die Myrte still und hoch der Lorbeer steht?
Kennst du es wohl?
Dahin! dahin
Möcht ich mit dir, o mein Geliebter, ziehn.

Kennst du das Haus? Auf Säulen ruht sein Dach.
Es glänzt der Saal, es schimmert das Gemach,
Und Marmorbilder stehn und sehn mich an:
Was hat man dir, du armes Kind, getan?
Kennst du es wohl?
Dahin! dahin
Möcht ich mit dir, o mein Beschützer, ziehn.

Kennst du den Berg und seinen Wolkensteg?
Das Maultier sucht im Nebel seinen Weg;
In Höhlen wohnt der Drachen alte Brut;
Es stürzt der Fels und über ihn die Flut!
Kennst du ihn wohl?
Dahin! dahin
Geht unser Weg! O Vater, laß uns ziehn!

Uitgelicht bericht

Grijze haren

Dit versje dateert van een paar weken geleden. Het was een kleinigheid, een niemendalletje misschien, maar ik merk dat ik het bij herlezing wel aardig vind.

Grijze haren

Voor Machiel Wetselaar, ter gelegenheid van zijn 50e verjaardag.

Alle bladeren vergelen
Bij het klimmen van de jaren;
Onze blik gaat somber staren,
Zelfs het spel gaat ons vervelen.

Maar hoe groot ook de gevaren,
Ook de dood – een hoogst reële –,
Je blijft je liefste teder strelen,
Al draagt je kop ook grijze haren.

Uitgelicht bericht

Nachtelijke rit over de Rijnbrug bij Keulen – Ernst Stadler


Ernst Stadler (1883-1914) was een Duits taalgeleerde en expressionistisch dichter die in het eerste jaar van de Eerste Wereldoorlog in het Belgische Zandvoorde, vlakbij Yper, op 31-jarige leeftijd door een granaat werd gedood.

Ik heb tussen 2008 en 2014 gewerkt als Wikipedia-vrijwilliger. Een van mijn toenmalige Wikipedia-collega’s – hij is net als ik inmiddels niet meer actief – was een man die zich S.Kroeze noemde.

S.Kroeze had besef van kwaliteit, zijn bewerkingen waren vrijwel zonder uitzondering onberispelijk, als hij een artikel bewerkte was zijn greep op de stof steeds boven alle lof verheven. Hij had zich bovendien steevast goed voorbereid en kende de relevante literatuur grondig. Hij schreef heel goed en beheerste een aantal moderne talen uitstekend.

Niet verwonderlijk dus dat hij met veel tegenstand te maken kreeg. De mensen verdragen het slecht als ze verbeterd worden, en als hun daarop volgende domme verontwaardiging scherp en afdoend wordt beantwoord.

Hij was in de sociale omgang geen groot talent. Hij maakte nodeloos snel ruzie, was soms ergdenkend en vernederde ook wel eens opponenten die het niet kwaad met hem meenden.

S.Kroeze had gevoel voor symbool, beeldtaal, poëzie. Op zijn gebruikerspagina staat (nog steeds) een foto die ook hiernaast is afgebeeld: een door hongerige wolven omringde Amerikaanse bizon (in Yellowstone Park). Deze foto verbeeldt heel goed in welke krankzinnige wereld hij zich bevond, en ik denk dat hij zich inderdaad in een krankzinnige wereld bevond, overigens net als wij allemaal.

Op de gebruikerspagina van S.Kroeze staat het gedicht van Ernst Stadler, ‘Fahrt über die Kölner Rheinbrücke bei Nacht’ dat ik daar voor het eerst heb leren kennen.

De spoorbrug over de Rijn bij Keulen is ongetwijfeld de Hohenzollernbrücke die tussen 1907 en 1911 werd gebouwd.

Het gedicht beschrijft een extatisch beleefde treinrit die als bestaansmetafoor wordt opgevat met hulp van de beelden die de treinreiziger in het donker ziet, met een voorgevoel van naderend noodlot.

Vertaling:

Nachtelijke rit over de Rijnbrug bij Keulen

De sneltrein gaat tastend
en stotend door het donker voort.

Een leidstar ontbreekt. De wereld is slechts een mijngang,
nauw, nachtomhuld, railsbespoord,

waarin de productie van blauwe gloed
soms onverhoedse horizonnen schept: vuurkring

om lichtbollen, daken, schoorsteenpijpen,
rokend, vlietend .. korte betovering..

En daarna alles zwart.
Als worden wij in nachtelijk ingewand naar ploegendienst geleid.

Slechts lichtjes die opduiken .. onbestemd, troosteloos verlaten ..
steeds meer .. ze komen bijeen .. en versmelten altijd.

Geraamtes van grauwe gevels liggen naakt,
bleek in het flauwe licht, dood –

er gaat iets gebeuren .. o, ik voel de druk
in het hoofd. Iets zwaars zingt in ‘t bloed.

Dan opeens davert de grond als een zee:
We vliegen door de lucht, koninklijk opgeheven,

weggerukt uit de nacht, hoog boven de rivier.
O lus van miljoenen lichtjes, zwijgende wake,

wier stoet van flonkeringen
traag over het water heen wegglijdt.
Eindeloos raster, ons als nachtgroet gegeven!

Met fakkels die wuiven! Een zaligheid!
Saluut van schepen op het blauwe water! Sterreschitteringen!

Krioelend, met klare ogen weggekeken!
Tot waar de stad
met de laatste huizen haar gast laat gaan.

En dan de lange eenzaamheden. Kale oevers.
Stilte. Nacht. Bezinning. Inkeer. Avondmaal.
En gloed en drang

naar laatste dingen, zegeningen, vreugde der ontvangenis.
Naar wellust. Naar gebed. Naar zee.
Naar ondergang.

Origineel:

Fahrt über die Kölner Rheinbrücke bei Nacht

Der Schnellzug tastet sich
und stößt die Dunkelheit entlang.

Kein Stern will vor. Die ganze Welt ist nur ein enger,
nachtumschienter Minengang,

darein zuweilen Förderstellen
blauen Lichtes jähe Horizonte reißen: Feuerkreis

von Kugellampen, Dächern, Schloten,
dampfend, strömend .. nur sekundenweis ..

und wieder alles schwarz.
Als führen wir ins Eingeweid der Nacht zur Schicht.

Nur taumeln Lichter her .. verirrt, trostlos vereinsamt ..
mehr .. und sammeln sich .. und werden dicht.

Gerippe grauer Häuserfronten liegen bloß,
im Zwielicht bleichend, tot –

etwas muß kommen .. o, ich fühl es schwer
im Hirn. Eine Beklemmung singt im Blut.
Dann dröhnt der Boden plötzlich wie ein Meer:

Wir fliegen, aufgehoben,
königlich durch nachtentrissne Luft, hoch übern Strom.
O Biegung der Millionen Lichter, stumme Wacht,

von deren blitzender Parade
schwer die Wasser abwärts rollen.
Endloses Spalier, zum Gruß gestellt bei Nacht!

Wie Fackeln stürmend! Freudiges!
Salut von Schiffen über blauer See! Bestirntes Fest!

Wimmelnd, mit hellen Augen hingedrängt!
Bis wo die Stadt
mit letzten Häusern ihren Gast entläßt.

Und dann die langen Einsamkeiten. Nackte Ufer.
Stille. Nacht. Besinnung. Einkehr. Kommunion.
Und Glut und Drang

zum Letzten, Segnenden. Zum Zeugungsfest.
Zur Wollust. Zum Gebet. Zum Meer.
Zum Untergang.

 

Uitgelicht bericht

De therapie – R.S. Thomas

Ronald Stuart Thomas (1913-2000) was een Engels dichter die afkomstig was uit Wales en daar ook woonde en werkte als een Anglicaans priester. Hij was getrouwd met de schilder Mildred (Elsi) Eldridge. Hij is in Nederland niet zeer bekend.

De stijlvorm van het gedicht The Cure – vrije verzen met goed gekozen enjambementen (de zin loopt over de versregels heen) – wordt vaak gebruikt door R.S. Thomas.

Het onderhavige gedicht, afkomstig uit de bundel Poetry for Supper (1958), p.41, is een gedicht waarin wordt getwijfeld.

Er wordt in de eerste plaats gewezen op de navelstaarderij waartoe de dichter geroepen is sinds hij zich een buitenstaander voelt en er buiten hemzelf nauwelijks nog zielzorg wordt bedreven. R.S. Thomas lijkt zich hoogst ongemakkelijk te voelen bij het idee dat de dichter zichzelf zou moeten genezen. (Een schrijver is zijn eigen therapeut, zei W.F. Hermans.)

Maar er wordt vervolgens getwijfeld aan de mogelijkheden die de dichter heeft om de cultuur te redden, om zich met de profetenmantel te behangen, om politiek heil te brengen, niet omdat “Poetry makes nothing happen“, zoals W.H. Auden zei, maar omdat de cultuur er misschien zelden beter van wordt.

 

Dan nu de vertaling:

De therapie

Wat te doen? Verzendokters komen
Nauwelijks nog voor, de meeste dichters
Zijn hun eigen patiënt, genoopt eerst
Zichzelf te behandelen, met de eeuwige klacht
Dat ze anders zijn. Bedenk, eer jouw
Ruwe hand het subtiele gestel
Zal beroeren van een zieke cultuur,
Welke streken van dat kranke lichaam
Kunnen echt niet zonder dichterstherapie.

Origineel:

The Cure

But what to do? Doctors in verse
Being scarce now, most poets
Are their own patients, compelled to treat
Themselves first, their complaint being
Peculiar always. Consider, you,
Whose rough hands manipulate
The fine bones of a sick culture,
What areas of that infirm body
Depend solely on a poet’s cure.

 

Kleine uitsmijter

Karel van het Reve schreef ooit een limerick waarin dezelfde twijfel wordt uitgesproken (in dit geval uiteraard op een spottende manier):

Gij wilt bij de mensen in tel zijn
En strijden voor ’t algemeen welzijn,
Ik wens u het beste,
Maar zult gij ten leste
Wel meer dan een luidende schel zijn?

 

 

 

Uitgelicht bericht

Ecce Puer – James Joyce

Voor de wedstrijd Nederland Vertaalt, een samenwerking van Verstegen & Stigter en NRC, gesubsidieerd door het Prins Bernhard Cultuurfonds, had ik een vertaling ingezonden van Ecce Puer, een gedicht van de Ierse schrijver James Joyce (1882-1941). Het oorspronkelijke gedicht is opgenomen in Collected Poems (1936).

Mijn vertaling is niet genomineerd voor de prijzen.

De genomineerde vertalingen zijn hier te vinden.

De titel betekent: Zie het kind, naar analogie van het bekende woord Ecce Homo, zie de mens, dat de Romeinse landvoogd Pontius Pilatus sprak toen hij de gegeselde Jezus met doornenkroon en spotmantel toonde aan een verzamelde Joodse menigte.

Het gedicht beschrijft de ontroering van een vader die zijn slapende kind ziet, die de wonderlijke oorsprong van het nieuwe leven ondergaat, die de wording van een nieuw mens beleeft, maar die tevens beseft dat de komst van het kind zijn vertrek aankondigt.

Het gedicht eindigt met een verwijzing naar het kruiswoord My God, my God, why hast thou forsaken me? – Mijn God, mijn God, waarom hebt Gij Mij verlaten? – met dit verschil dat hier de vader verlaten wordt, waarbij de vader tevens gemaand wordt degene die het gevoel van verlatenheid oproept – zijn zoon – te vergeven. Een gedeeltelijke en geraffineerde omkering dus.

Het gedicht werd door Joyce geschreven in 1932 ter gelegenheid van de geboorte van een kleinkind en kort na het overlijden van zijn vader.

James Joyce wordt beschouwd als een van de belangrijkste schrijvers van het Modernisme. Zijn bekendste boek is de roman Ulysses.

Mijn vertaling:

ECCE PUER

Een kind wordt geboren
Uit duistere zee.
Mijn hart wordt verscheurd
Door vreugde en wee.

Zacht in zijn wiegje
Sluimert het leven.
Moge liefde en genâ
Hem uitzicht geven!

Een pril bestaan
Wordt geademd op glas;
De wereld verschijnt
Die eerder niet was.

Daar slaapt nu een kind,
Een grijsaard ten hoon.
O vader, verlaten,
Vergeef je zoon!

Origineel:

ECCE PUER

Of the dark past
A child is born.
With joy and grief
My heart is torn.

Calm in his cradle
The living lies.
May love and mercy
Unclose his eyes!

Young life is breathed
On the glass;
The world that was not
Comes to pass.

A child is sleeping:
An old man gone.
O, father forsaken,
Forgive your son!

Uitgelicht bericht

Onherhaalbaar – Peter Rühmkorf

Voor de wedstrijd Nederland Vertaalt, een samenwerking van Verstegen & Stigter en NRC, gesubsidieerd door het Prins Bernhard Cultuurfonds, heb ik een vertaling ingezonden van Auf was nur einmal ist, een gedicht van Peter Rühmkorf. Het origineel is afkomstig uit: Haltbar bis Ende 1999 (Hamburg 1979).

Mijn vertaling is niet genomineerd voor de prijzen.

De genomineerde vertalingen zijn hier te vinden.

Mijn vertaling:

Onherhaalbaar

Voor Heinrich Maria Ledig-Rowohlt

Soms wik je: is dat dan het leven?
Soms weeg je: is dit nu het wezen?
Bij ’t ontwaken slaan de luiken dicht – voorbij.
Geestdrift geweken, vluchtig belezen,
kijk, dat ben jij.

En je denkt misschien: ik ga ten onder,
peilloos diep en gruwelijk – :
Eentje uit de grote hagelhoop,
kleurloos, nauwelijks bijzonder,
kijk, dat ben ik.

Maar dan, plotsklaps, tijdens loos geslenter,
scheurt de schil, komt de getemde pracht pas vrij,
vliegen vonken tussen hoed en schoen:
Deze pertinente wending van de route,
deze uithaal naar het abnormale,
in dit onherhaalbaar, onherroepelijk moment:
kijk, dat ben jij.

Origineel:

AUF WAS NUR EINMAL IST

Für Heinrich Maria Ledig-Rowohlt

Manchmal fragt man sich: ist das das Leben?
Manchmal weiß man nicht: ist dies das Wesen?
Wenn du aufwachst, ist die Klappe zu.
Nichts eratmet, alles angelesen,
siehe, das bist du.

Und du denkst vielleicht: ich gehe unter,
bodenlos und fürchterlich –:
Einer aus dem großen Graupelhaufen,
nur um einen kleinen Flicken bunter,
siehe, das bin ich.

Aber dann, aufeinmalso, beim Schlendern,
lockert sich die Dichtung, bricht die Schale,
fliegen Funken zwischen Hut und Schuh:
Dieser ganz bestimmte Schlenker aus der Richtung,
dieser Stich ins Unnormale,
was nur einmal ist und auch nicht umzuändern:
siehe, das bist du.

 

Uitgelicht bericht

Gun me een jongemannendood – Roger McGough

1102_untitled_001

Fotograaf: Will Wilkinson

Roger McGough (1937, Litherland, Lancashire, Engeland) is een nu bijna tachtigjarige Engelse dichter, televisiemaker en kinderboekenschrijver. Hij hoort bij de Liverpool poets, heeft samengewerkt met The Beatles, gaf mede vorm aan de beatcultuur van de jaren zestig. Hij presenteert het programma Poetry Please, op BBC Radio 4.

Het maken van een vertaling van McGoughs gedicht Let Me Die A Youngman’s Death was de opdracht van een vertaalwedstrijd die werd georganiseerd door Stichting Kunst en Cultuur Huizen in samenwerking met de plaatselijke bibliotheek. De prijsuitreiking vond plaats op 25 januari 2017 met Maartje van Weegen als presentatrice en een onderhoudend programma dat werd afgesloten met mooie muziek, uitgevoerd door het Staffa Trio. Het winnende gedicht kunt u hier nalezen.

(Ik had ook vorig jaar meegedaan. Zie mijn blogbericht Het pad dat ik niet nam – Robert Frost.)

Onderstaande vertaling was mijn inzending. Deze is niet in de prijzen gevallen. Wel had de jury in mijn vertaling een domme spelfout ontdekt (ik … wordt), waarvoor dank, een fout die ik uiteraard verbeterd heb. Ik heb nog twee andere wijzigingen ten opzichte van mijn inzending aangebracht: (i) titel en de openingsregel heb ik gewijzigd in Gun me een jongemannendood. Mijn inzending had Gun me een ferme-jongensdood om reden dat het Engelse youngman een ongebruikelijke, enigszins archaïsche schrijfwijze is van young man, en het gedicht ook een homo-erotische suggestie bevat: angst voor gerommel met de zoon van de maîtresse. Bij nader inzien klinkt ‘ferme-jongensdood’ me wat al te oubollig in de oren: ferme jongens, stoere knapen; (ii) ik heb het woord ‘onophoudelijke’ vervangen door ‘immer’ omwille van de beknoptheid.

Het thema van de Poëzieweek (26-01-2017 tot 3-02-2017) is ‘humor’. McGoughs gedicht was gekozen omdat het humoristisch zou zijn. De veronderstelde humor schuilt o.a. in de woordgrappen: ‘a constant good tumour’ – stralende tumor i.p.v. stralend humeur; gangsters die je bij de kapper ‘a short back and insides’ geven – ‘a short back and sides’ is een kapsel met achterhoofd en boven de oren kaalgeschoren, en ‘insides’ is je inwendige. De humor schuilt tevens in de beschrijving van het verlangen om een spectaculaire en avontuurlijke dood te sterven, terwijl het gedicht er ondertussen gewoon van uit gaat dat de hoofdpersoon ten minste 104 jaar oud wordt. Gruwelijke ongelukken en moordscènes worden voorgesteld als een aantrekkelijk levenseinde. Een vredige dood – iets wat de meeste mensen hopen te bereiken – wordt beschreven als iets wat je beter niet kunt hebben. Alles wordt in betrekkelijk gewone woorden verteld, al is de toon hier en daar bijna lyrisch, wat grappig contrasteert met de inhoudelijke bravoure.

Ik vind het gedicht desondanks niet bijzonder humoristisch. Het getuigt naar mijn smaak meer van een Jan Cremer-achtige jongemannenbranie dan van humor, al heeft McGough wel wat meer zelfrelativering dan Ik-Jan.

De vorm van het gedicht is vrij, regellengte varieert, interpunctie ontbreekt. Het gedicht kent hier en daar alliteratie en gebruikt alleen eindrijm aan het begin en het eind bij de obstinate herhaling van het woord dood (rime riche). De slotstrofe is een echo van de openingsstrofe. Het gedicht heeft vaart, mede door het ontbreken van leestekens.

The Cavern is een nachtclub in Liverpool die in de jaren zestig beroemd werd als de ‘poptempel’ waarin The Beatles debuteerden. Hier kunt u een YouTube-filmpje bekijken waarin de Beatles optreden in The Cavern (The Beatles Live At The Cavern Club, Liverpool, UK, woensdag 22 augustus 1962).

mersey-sound

Originele omslag van The Mersey Sound

Het gedicht werd gepubliceerd in de bundel The Mersey Sound (medeauteurs: Adrian Henri en Brian Patten), Harmondsworth: Penguin 1967.

In 2012 publiceerde McGough een parodie op het onderhavige gedicht onder de titel Not For Me A Youngman’s Death.

Vertaling:

Gun me een jongemannendood

Gun me een jongemannendood
geen nette en tussen witte
lakens liggende wijwater-dood
geen beroemde-laatste-woorden
vredig naar adem happende dood

Ik hoop op m’n 73e
en met een immer stralende tumor
’s morgens vroeg te worden neergemaaid
door een felrode sportwagen
op weg naar huis
na een hele nacht doorzakken

Of dat ik op m’n 91e
met haren van zilver
in een kappersstoel zal zitten
en door binnenstormende boze gangsters
met bombastische repeteergeweren
aan flarden word geknipt en geschoren

Of dat ik op m’n 104e
en zojuist uit The Cavern gezet
door m’n maîtresse word
betrapt met haar dochter in bed
en dat ze bezorgd om haar zoon
mij in kleine stukjes hakt
en alle stukjes weggooit op eentje na

Gun me een jongemannendood
geen zondeloze stilletjes
in kaarsvet wiegende en kwijnende dood
geen dichte gordijnen door engelen gedragen
‘mooie manier om dood te gaan’-dood

Origineel:

Let Me Die A Youngman’s Death

Let me die a youngman’s death
not a clean and inbetween
the sheets holywater death
not a famous-last-words
peaceful out of breath death

When I’m 73
and in constant good tumour
may I be mown down at dawn
by a bright red sports car
on my way home
from an allnight party

Or when I’m 91
with silver hair
and sitting in a barber’s chair
may rival gangsters
with hamfisted tommyguns burst in
and give me a short back and insides

Or when I’m 104
and banned from the Cavern
may my mistress
catching me in bed with her daughter
and fearing for her son
cut me up into little pieces
and throw away every piece but one

Let me die a youngman’s death
not a free from sin tiptoe in
candle wax and waning death
not a curtains drawn by angels borne
‘what a nice way to go’ death

Uitgelicht bericht

Wie het meeste liefheeft – W.H. Auden

De Engelse dichter Wystan Hugh Auden is in mijn ogen een van de grootste dichters van de twintigste eeuw.

Het gedicht The More Loving One is een beroemd gedicht dat Auden schreef in 1957, en dat werd gepubliceerd in de bundel Homage to Clio. Het is een kenmerkend gedicht omdat het tegelijkertijd ontroert en spot met zichzelf.

Het onderwerp is universeel – iedereen kent het: ‘onbeantwoorde liefde’, en het gedicht werkt een centrale metafoor uit van begin tot eind: sterren die je wel kunt liefhebben, maar die jou nooit zullen liefhebben.

De zelfspot wordt uitgedrukt doordat een sterretje meer of minder kennelijk onverschillig is voor de vurige sterrenminnaar.

Het laatste kwatrijn gaat in op het verdwijnen van het voorwerp van de liefde. Er wordt niet alleen berust, de lof van de afwezige sterren – het sublieme – wordt zelfs bezongen, maar gemakkelijk zal het niet gaan.

Auden had een relatie met Chester Kallman, dichter, librettist en vertaler, een relatie die niet in alle opzichten bevredigend en gelijkwaardig was. Dit gedicht wordt ten slotte ook wel eens geïnterpreteerd in religieuze zin: er zit niks anders op voor de sterfelijke mens dan te houden van een verre God van wiens liefde we niet altijd even veel merken.

Het gedicht bestaat uit vier kwatrijnen met een strak rijmschema: aabb.

[Werk in uitvoering]

Vertaling:

Wie het meeste liefheeft

Als ik kijk naar de sterren, weet ik zeer goed
Dat mijn bestaan er voor hen niet toe doet.
Maar onverschilligheid is ‘t minste kwaad;
We moeten vrezen wie ons naar het leven staat.

Stel dat een ster voor ons stond te laaien,
Zonder dat we ooit terug konden zwaaien?
Als je op wederliefde niet kunt bouwen,
Maak mijn liefde groter dan de jouwe.

Al blijf ik luid mijn lofzang kwelen
Op sterren die ’t geen reet kan schelen,
Ik kan niet zeggen, nu ‘k ze zie,
Dat er één mist, zo een twee drie.

Als al die sterren sterven of verzwinden,
Zal ik de duisternis subliem gaan vinden,
En naar een lege hemel leren turen,
Maar dat zal wel een tijdje duren.

Origineel:

The More Loving One

Looking up at the stars, I know quite well
That, for all they care, I can go to hell,
But on earth indifference is the least
We have to dread from man or beast.

How should we like it were stars to burn
With a passion for us we could not return?
If equal affection cannot be,
Let the more loving one be me.

Admirer as I think I am
Of stars that do not give a damn,
I cannot, now I see them, say
I missed one terribly all day.

Were all stars to disappear or die,
I should learn to look at an empty sky
And feel its total dark sublime,
Though this might take me a little time.

 

 

Uitgelicht bericht

Musée des Beaux Arts – W.H. Auden

De Engelse dichter Wystan Hugh Auden (1907-1973) was in 1938 in Brussel. Hij bezocht er het Koninklijk Museum voor Schone Kunsten en bekeek er onder andere het schilderij De val van Icarus, waarschijnlijk een kopie van een schilderij van Pieter Brueghel de Oude (1525/1530-1569).

Dit schilderij is de aanleiding voor het gedicht. Het roept op hoe de erin voorkomende figuren – naar een woord van Vincent van Gogh waaraan Auden veel waarde hechtte – “in de ontreddering de kalmte bewaren”.

Het schilderij is gedateerd omstreeks 1600 toen Pieter Brueghel al dertig jaar dood was, maar dat was in Audens tijd nog niet bekend. Als het inderdaad een kopie is, is het de eerste en enige keer dat Brueghel een mythisch motief heeft gebruikt voor een schilderij.

Volgens de mythe zat Icarus samen met zijn vader Daedalus vast op Kreta. Om weg te kunnen komen, maakte Daedalus vleugels voor hen beiden. Hij gaf Icarus instructies: niet te dicht bij de zee, want met natte vleugels kun je niet vliegen, en niet te dicht bij de zon, want anders zal de was met behulp waarvan de vleugels samengesteld en bevestigd zijn, smelten. Icarus luisterde niet, kwam te dicht bij de zon, stortte in het water en verdronk.

Het gedicht is heel vrij van vorm, zonder noemenswaardig rijm en met een wisselende regellengte. Het gebruikt een gewone, heel onverstoorbare toon die tegelijkertijd gevoelig maakt voor de soms vreselijke dingen die verteld worden, en tevens de mogelijkheid opent om door te gaan met leven, ook al gebeuren er dingen die het evenwicht ernstig bedreigen. Dit is een belangrijk thema bij Auden: een vergelijkbare toon, een vergelijkbare onverstoorbare en gevoelige ernst proef je ook in veel andere gedichten, bijvoorbeeld in de gedichten In Praise of Limestone, Homage to Clio en de slotregels van The Fall of Rome.

Vertaling:

Musée des Beaux Arts

In het lijden vergisten ze zich nooit,
De Oude Meesters; hoe goed beseften ze zijn plaats
In een mensenleven, hoe het gebeurt
Terwijl iemand anders eet of een raam open doet of zomaar even langsloopt;
Hoe er, naast het eerbiedige, opgewonden wachten
Van ouderen op de wonderbare geboorte, nog iets bij moet,
Kinderen, voor wie het niet zo nodig hoeft, terwijl ze schaatsen
Op een vijver aan de rand van het bos.
Nooit vergaten ze
Dat ook het vreselijke martelaarschap zijn loop moet hebben
In een hoekje, ergens op een rommelige plek
Waar honden doorgaan met hun hondedingen, en het paard van de beul
Zijn onschuldige achterste schuurt aan een boom.

In Breughels Icarus bijvoorbeeld: hoe alles zich toch vrij kalm
Afwendt van het onheil: want misschien heeft de ploeger
De plons wel gehoord, de vergeefse gil,
Maar voor hem ging er niets mis wat er werkelijk toe deed; de zon scheen
Zoals het hoorde op de witte benen die verdwenen in het groene
Water, en het dure verfijnde schip dat toeschouwer was geweest
Van iets verbazingwekkends, een jongen die uit de lucht viel,
Moest gewoon ergens naar toe en voer rustig door.

Origineel:

Musée des Beaux Arts

About suffering they were never wrong,
The old Masters: how well they understood
Its human position: how it takes place
While someone else is eating or opening a window or just walking dully along;
How, when the aged are reverently, passionately waiting
For the miraculous birth, there always must be
Children who did not specially want it to happen, skating
On a pond at the edge of the wood:
They never forgot
That even the dreadful martyrdom must run its course
Anyhow in a corner, some untidy spot
Where the dogs go on with their doggy life and the torturer’s horse
Scratches its innocent behind on a tree.

In Breughel’s Icarus, for instance: how everything turns away
Quite leisurely from the disaster; the ploughman may
Have heard the splash, the forsaken cry,
But for him it was not an important failure; the sun shone
As it had to on the white legs disappearing into the green
Water, and the expensive delicate ship that must have seen
Something amazing, a boy falling out of the sky,
Had somewhere to get to and sailed calmly on.

Uitgelicht bericht

Onder Sirius – W.H. Auden

Het gedicht Under Sirius is een onderschat gedicht in het oeuvre van Wystan Hugh Auden. Het is een dreigend gedicht met een vermanende strekking, en het is gericht tot de vroeg-middeleeuwse dichter Venantius Fortunatus (Venantius Honorius Clementianus Fortunatus, ca. 530 – ca. 609), tevens bisschop van Poitiers.

Het gedicht is bovendien een doelbewuste, enigszins provocerende apologie van een burgerlijke moraal – afspraken nakomen, rekeningen betalen, tijdig uit bed komen, niet wachten tot de beloning arriveert. Deze burgerlijke moraal wekte namelijk irritatie in de anti-burgerlijke culturele atmosfeer waarin Auden zich destijds bevond. Wie tegenwoordig provoceren wil moet omwentelingen toejuichen, want de atmosfeer is nu eerder angstig en behoudend dan revolutionair.

Het is zeker niet uitgesloten dat Auden dit gedicht in feite tot zichzelf richtte als berisping voor een te geringe toewijding aan een geloof dat hij eerder met zoveel woorden had omhelsd (Anthony Hecht, The Hidden Law. The Poetry of W.H. Auden, Harvard University Press 1993, p.333).

Het gedicht heeft een parlando-effect, maar kent tegelijkertijd vrij strenge vormeisen.

Sirius is de hondsster, de helderste ster van het sterrenbeeld Grote Hond. Volgens de oude Grieken veroorzaakte de verschijning ervan een periode van hitte en grote droogte, overdrachtelijk: een seizoen van geestelijke verlatenheid.

De oude Grieken geloofden dat Sibillen orakels waren, vrouwen die van goddelijke inspiratie gebruik maakten voor hun spreuken.

Trooster is een bijnaam van de Heilige Geest. De wind die de Troostervleugels laat waaien, verwijst naar de adem die God de mens bij de schepping in de neusgaten blies en die hem zijn hoogste gave, de taal, doet spreken. Het dromen van een goddelijke interventie die Fortunatus’ writers block opheft, wordt in dit vers niet toegejuicht, en daarmee is de verwijzing naar de vleugels van de Heilige Geest in hoge mate ironisch.

In het bijbelboek Zefanja 2:9 worden de zoutgroeven genoemd waarin Sodom en Gomorra veranderden nadat God deze steden van verderf had gedoemd tot oorden van eeuwige verwoesting.

Pantokratisch is een aan het Grieks ontleend woord dat verwijst naar pantokrator, een benaming van God die het Al heeft geschapen.

Megalopods betekent ‘grootvoetigen’.

Vertaling:

Onder Sirius

Ja, dit zijn de hondsdagen Fortunatus:
De heide ligt kreupel en dood
Tegen de berg, de razende beekstroom
Kwijnt weg tot een siepelend draadje;
Roestig is de legionaire speer, stoppelig de kapitein,
Leeg het geleerde brein
Onder z’n ruime baret;
Hoezeer ook beneveld, de Sibille schenkt gratis
Een scheut met borrelklets.

En jijzelf, snipverkouden, je rekeningen onbetaald,
Gekweld door opkomend maagzuur,
Je luid aangeprezen epos nog niet begonnen,
Slapend tot het middaguur,
Jij lijdt ook vreselijk. Je hoopt de hele dag, zo zei je,
Dat een aardschok ons zal verblijden,
Of Troostervleugels zouden waaien
Om kerkers te ontsluiten en de wanordelijke
Toeloop te hertalen.

En vannacht, zei je, droomde je van die stralende blauwe morgen,
Met bloeiende meidoornhagen,
Als daar, in hun ivoren scheepjes, sereen,
De drie wijze Maria’s opdagen,
Ruisend door rimpelloos water, geloodst
Door zeepaard en vloeiende dolfijn;
Ah, hoe buldert het geschut,
Hoe klingelen de klokken, als Zij
Straks liefelijk landen op de verdorven kust.

‘t Is normaal om te hopen en vroom, uiteraard, te geloven
Dat alles uiteindelijk goed komt,
Maar allereerst, weet je nog,
Aldus voorzeggen de Heilige Boeken,
Wordt het bedorven fruit geschud; houdt jouw hoop stand
In het moment dat de opstandige vloedgolf,
Als het stil wordt, niemand het nog beseft,
Nog eer hij breekt en verzwelgt,
Zich boven de slapende stad verheft?

Hoe zou je kijken en wat zou je doen als de basalten
Graven der magiërs onder zouden gaan,
En hun megalopode wachters,
Kwamen zwijgend-hijgend achter je aan?
Wat zou je zeggen als uit hun pestilente bron
De onsterfelijke nymfen op zouden vliegen,
Luid piepend in de hemel rondom,
En het pantokratisch raadsel kraakt –
“Wie zijt gij en waarom?”

Want als in sierlijke reidans de bevrijden
Onder de appelbomen verdienstelijk dansen,
Zullen er ook zijn, Fortunatus,
Die treurden om hun kansen:
Broddelende schaduwen, morrend naast de zoutgroeven,
IJdel kwelend, hulpbehoevend,
Voor wie deze tussentijdse, doffe
Hondsdagen wel gekroond lijken met olijven,
En verguld met eigenlof.

Origineel:

Under Sirius

Yes, these are the dog-days, Fortunatus:
The heather lies limp and dead
On the mountain, the baltering torrent
Shrunk to a soodling thread;
Rusty the spears of the legion, unshaven its captain,
Vacant the scholar’s brain
Under his great hat,
Drug as she may the Sybil utters
A gush of table-chat.

And you yourself with a head-cold and upset stomach,
Lying in bed till noon
Your bills unpaid, your much advertised
Epic not yet begun,
Are a sufferer too. All day, you tell us, you wish
Some earthquake would astonish
Or the wind of the Comforter’s wing
Unlock the prisons and translate
The slipshod gathering.

And last night, you say, you dreamed of that bright blue morning,
The hawthorn hedges in bloom,
When, serene in their ivory vessels,
The three wise Maries come,
Sossing through seamless waters, piloted in
By sea-horse and fluent dolphin;
Ah! how the cannons roar,
How jocular the bells as They
Indulge the peccant shore.

It is natural to hope and pious, of course, to believe
That all in the end shall be well,
But first of all, remember,
So the Sacred Books foretell,
The rotten fruit shall be shaken. Would your hope make sense
If today were that moment of silence
Before it break and drown
When the insurrected eagre hangs
Over the sleeping town?

How will you look and what will you do when the basalt
Tombs of the sorcerers shatter
And their guardian megalopods
Come after you pitter-patter?
How will you answer when from their qualming spring
The immortal nymphs fly shrieking
Out of the open sky
The pantocratic riddle breaks-
“Who are you and why?”

For when in carol under the apple-trees
The reborn featly dance,
There will also, Fortunatus,
Be those who refused their chance,
Now pottering shades, querolous beside the salt-pits,
And mawkish in their wits
To whom these dull dog-days
Between event seem crowned with olive
And golden with self-praise.

 

Uitgelicht bericht

Poëzie volgens Emily Dickinson

Onlangs (2 november 2016) werd ik geattendeerd op een recent blog over onderwerpen die mij zeer interesseren: Elizabethanpartsongs. Het wordt volgeschreven in voortreffelijk Engels door iemand, kennelijk een Nederlander, die ik niet ken, die op zijn blog niets over zichzelf bekend maakt, iemand die duidelijk een hekel heeft aan de literatuurwetenschap (waarover Karel van het Reve in 1979 de Huizinga-lezing Het raadsel der onleesbaarheid hield), iemand ook die leesbaar en interessant schrijft over de onderwerpen die hem bezig houden, iemand ten slotte die (als ik mag afgaan op WordPress-meldingen “posted on x-x-2016 by klaasalberts”) zichzelf Klaas Alberts noemt. Misschien heet hij zelfs wel zo.

Ik citeer een brieffragment dat door Alberts wordt aangehaald. Het is van Emily Dickinson, een dichteres die ook verder uitgebreid ter sprake komt op genoemd blog. Het fragment trof mij als raak:

If I read a book and it makes my whole body so cold no fire can ever warm me, I know that is poetry. If I feel physically as if the top of my head were taken off, I know that is poetry. These are the only ways I know it. Is there any other way?

Het werd geschreven omstreeks 1870 in een brief aan een zekere Higginson. Zie het door James Reeves geredigeerde en van een inleiding voorziene, Selected Poems of Emily Dickinson, Heinemann Educational Publishers 1959, p.104.

 

Uitgelicht bericht

Dek dit bed royaal – Emily Dickinson

Emily Dickinson (1830-1886) was een Amerikaans dichter. Ze stamde uit een aanzienlijke familie, was excentriek, leefde teruggetrokken, was angstig en nerveus. (Dat geldt voor veel meer mensen dan u misschien denkt.) De meeste gedichten die ze schreef zijn pas na haar dood gepubliceerd.

Dit gedicht werd in 1864 geschreven. De scène begint met het opmaken van een bed en eindigt in het pikkedonker. Het tafereel verandert in iets engs, iets afgrondelijks, iets fundamenteels, iets wat nog het meeste op een doodskist lijkt. Het klievende oordeel waarop wordt gewacht kan – uiteraard – van alles zijn: het oordeel over het leven zoals het is geleid, het oordeel over iets wat de hoofdpersoon heel graag wil: misschien liefde of erkenning of iets anders waartegen ze opziet.

Het vers had oorspronkelijk geen titel, maar ik vind – anders dan sommige moderne tekstbezorgers – dat hier pragmatische overwegingen de doorslag moeten geven boven principiële. Het is onhandig, onpraktisch en idealistisch om een gedicht geen titel te geven. (Hetzelfde geldt volgens mij – mutatis mutandis – voor het geheel weglaten van leestekens. Daar is – net als bij de atonale muziek – nog zelden of nooit iets goeds uit voortgekomen.)

In verschillende beschouwingen over dit vers lees ik dat het over de “duality of sex and death” gaat (hier bijvoorbeeld), of over de rol die “gender” speelt bij “a rather suversive death dance, in which the speaker is both the director of the scene and its addressed victimized female subject” (kijk maar eens hier). Een bed is natuurlijk een plek waar gevreeën en gestorven wordt, dat hoeft niemand Emily Dickinson – of wie dan ook – te vertellen, maar voor het overige lijken me deze beschouwingen weinig te verhelderen – om me kalm uit te drukken.

De vorm van dit vers is simpel, de toon is bezwerend.

Vertaling:

Dek dit bed royaal

Dek dit bed royaal.
Dek het toe met vrees;
Wacht er tot het oordeel klieft:
Raak, rechtvaardig, goed.

Laat het matras recht,
En het kussen gewelfd zijn;
Zorg dat het gele tumult van de zon
Dit fundament niet schendt.

Origineel:

Ample make this bed

Ample make this bed.
Make this bed with awe;
In it wait till judgment break
Excellent and fair.

Be its mattress straight,
Be its pillow round;
Let no sunrise’ yellow noise
Interrupt this ground.