Tagarchief: W.H. Auden

Spotrijm van een burger op leeftijd – W.H. Auden

AudenVanVechten1939

W.H. Auden

Wystan Hugh Auden (1907-1973), was een groot Engelstalig dichter. Hij schopte graag tegen de schenen van de mensen die hem het meest nabij waren.

Doggerel by a Senior Citizen, is een rijmend vers, een rijmsel eigenlijk, dat tongue in cheek een reactionaire – maar niet noodzakelijk onjuiste – boodschap brengt.

Hier is een video waar Auden het vers zelf voordraagt. De ondertiteling is de vertaling die Peter Verstegen, een gerenommeerd vertaler, van het vers gemaakt heeft.

Vertaling:

Spotrijm van een burger op leeftijd
(voor Robert Lederer)

1969 – de aarde is niet de planeet,
Die ik met trots de mijne heet;
’t Is niet de wereld die mij voedt,
En die voor chaos mij behoedt.

De zaligheden van de Hof van Eden,
Stammen reeds van lang geleden,
Toen badkamers nog zalen waren,
En wij God smeekten bij gevaren.

Het vliegtuig en de automobiel,
Heel nuttig, hoor, maar pueriel:
De machines waar ik van droom
Draaien op water of op stoom.

De Rede vergt dat ik bezing
De gloeilamp – wat een akelig ding!
Niet dat ik er ooit een koop –
Liever ‘n olielamp op de overloop.

De spoken van mijn voorgeslacht,
Bevocht ik, heb ze hooggeacht:
De protestantse werkmoraal
Was handig en vaak ideaal.

Schulden maken was onbezonnen,
Toen paren nog duetten zongen
En altijd zal ik zonder dralen,
Al wat ik koop contant betalen.

Het kerkenliedboek kwam tot stand
Omstreeks het Twaalfjarige Bestand:
Bijbehorende preken zijn wel aardig,
Liturgische omslag minderwaardig.

O zeker, seks was – als altijd
Aanlokkelijk door geheimzinnigheid;
Maar de kiosk was toch niet overladen
Met Manicheïsche pornobladen.

De taal was kunstig, afgemeten,
Je liet geen boeren, liet geen scheten:
Waar lig ik nog het meeste wakker van,
‘t Vrije vers, de dood van de roman?

Ook wil ‘k geen promovendi op visite,
Die symbolen delven, of de mythe,
En hoor ik tot de literaten
Die lof aan meerderen overlaten.

Is gedoogbeleid wel een succes?
Het is een ramp in elke les!
Grieks en Latijn – wij laafden ons
Aan deze zaken als een spons.

Men houdt zich graag oostindisch doof,
Voor onze generatiekloof,
Wiens schuld is dat, en welk verhaal?
Geen hond leert meer zijn Moedertaal!

Maar liefde is, meen ik, geen keus
Die ouderwets is, modieus!
En ‘k heb wel degelijk goede vrinden,
Die samen eten leuk gaan vinden.

Vergis ik mij? Da’s kul! Ik word niet goed
Dat ik met vuur verdedigen moet
Dat ik me ’t allerbeste thuis
Voel bij wat Echt is, bij wat Pluis.

Origineel:

Doggerel by a Senior Citizen
(for Robert Lederer)

Our earth in 1969
Is not the planet I call mine,
The world, I mean, that gives me strength
To hold off chaos at arm’s length.

My Eden landscapes and their climes
Are constructs from Edwardian times,
When bath-rooms took up lots of space,
And, before eating, one said Grace.

The automobile, the aeroplane,
Are useful gadgets, but profane:
The enginry of which I dream
Is moved by water or by steam.

Reason requires that I approve
The light-bulb which I cannot love:
To me more reverence-commanding
A fish-tail burner on the landing.

My family ghosts I fought and routed,
Their values, though, I never doubted:
I thought the Protestant Work-Ethic
Both practical and sympathetic.

When couples played or sang duets,
It was immoral to have debts:
I shall continue till I die
To pay in cash for what I buy.

The Book of Common Prayer we knew
Was that of 1662:
Though with-it sermons may be well,
Liturgical reforms are hell.

Sex was of course —it always is—
The most enticing of mysteries,
But news-stands did not then supply
Manichean pornography.

Then Speech was mannerly, an Art,
Like learning not to belch or fart:
I cannot settle which is worse,
The Anti-Novel or Free Verse.

Nor are those Ph.D’s my kith,
Who dig the symbol and the myth:
I count myself a man of letters
Who writes, or hopes to, for his betters.

Dare any call Permissiveness
An educational success?
Saner those class-rooms which I sat in,
Compelled to study Greek and Latin.

Though I suspect the term is crap,
There is a Generation Gap,
Who is to blame? Those, old or young,
Who will not learn their Mother-Tongue.

But Love, at least, is not a state
Either en vogue or out-of-date,
And I’ve true friends, I will allow,
To talk and eat with here and now.

Me alienated? Bosh! It’s just
As a sworn citizen who must
Skirmish with it that I feel
Most at home with what is Real.

Advertenties

Wie het meeste liefheeft – W.H. Auden

De Engelse dichter Wystan Hugh Auden is in mijn ogen een van de grootste dichters van de twintigste eeuw.

Het gedicht The More Loving One is een beroemd gedicht dat Auden schreef in 1957, en dat werd gepubliceerd in de bundel Homage to Clio. Het is een kenmerkend gedicht omdat het tegelijkertijd ontroert en spot met zichzelf.

Het onderwerp is universeel – iedereen kent het: ‘onbeantwoorde liefde’, en het gedicht werkt een centrale metafoor uit van begin tot eind: sterren die je wel kunt liefhebben, maar die jou nooit zullen liefhebben.

De zelfspot wordt uitgedrukt doordat een sterretje meer of minder kennelijk onverschillig is voor de vurige sterrenminnaar.

Het laatste kwatrijn gaat in op het verdwijnen van het voorwerp van de liefde. Er wordt niet alleen berust, de lof van de afwezige sterren – het sublieme – wordt zelfs bezongen, maar gemakkelijk zal het niet gaan.

Auden had een relatie met Chester Kallman, dichter, librettist en vertaler, een relatie die niet in alle opzichten bevredigend en gelijkwaardig was. Dit gedicht wordt ten slotte ook wel eens geïnterpreteerd in religieuze zin: er zit niks anders op voor de sterfelijke mens dan te houden van een verre God van wiens liefde we niet altijd even veel merken.

Het gedicht bestaat uit vier kwatrijnen met een strak rijmschema: aabb.

[Werk in uitvoering]

Vertaling:

Wie het meeste liefheeft

Als ik kijk naar de sterren, weet ik zeer goed
Dat mijn bestaan er voor hen niet toe doet.
Maar onverschilligheid is ‘t minste kwaad;
We moeten vrezen wie ons naar het leven staat.

Stel dat een ster voor ons stond te laaien,
Zonder dat we ooit terug konden zwaaien?
Als je op wederliefde niet kunt bouwen,
Maak mijn liefde groter dan de jouwe.

Al blijf ik luid mijn lofzang kwelen
Op sterren die ’t geen reet kan schelen,
Ik kan niet zeggen, nu ‘k ze zie,
Dat er één mist, zo een twee drie.

Als al die sterren sterven of verzwinden,
Zal ik de duisternis subliem gaan vinden,
En naar een lege hemel leren turen,
Maar dat zal wel een tijdje duren.

Origineel:

The More Loving One

Looking up at the stars, I know quite well
That, for all they care, I can go to hell,
But on earth indifference is the least
We have to dread from man or beast.

How should we like it were stars to burn
With a passion for us we could not return?
If equal affection cannot be,
Let the more loving one be me.

Admirer as I think I am
Of stars that do not give a damn,
I cannot, now I see them, say
I missed one terribly all day.

Were all stars to disappear or die,
I should learn to look at an empty sky
And feel its total dark sublime,
Though this might take me a little time.

 

 

Musée des Beaux Arts – W.H. Auden

De Engelse dichter Wystan Hugh Auden (1907-1973) was in 1938 in Brussel. Hij bezocht er het Koninklijk Museum voor Schone Kunsten en bekeek er onder andere het schilderij De val van Icarus, waarschijnlijk een kopie van een schilderij van Pieter Brueghel de Oude (1525/1530-1569).

Dit schilderij is de aanleiding voor het gedicht. Het roept op hoe de erin voorkomende figuren – naar een woord van Vincent van Gogh waaraan Auden veel waarde hechtte – “in de ontreddering de kalmte bewaren”.

Het schilderij is gedateerd omstreeks 1600 toen Pieter Brueghel al dertig jaar dood was, maar dat was in Audens tijd nog niet bekend. Als het inderdaad een kopie is, is het de eerste en enige keer dat Brueghel een mythisch motief heeft gebruikt voor een schilderij.

Volgens de mythe zat Icarus samen met zijn vader Daedalus vast op Kreta. Om weg te kunnen komen, maakte Daedalus vleugels voor hen beiden. Hij gaf Icarus instructies: niet te dicht bij de zee, want met natte vleugels kun je niet vliegen, en niet te dicht bij de zon, want anders zal de was met behulp waarvan de vleugels samengesteld en bevestigd zijn, smelten. Icarus luisterde niet, kwam te dicht bij de zon, stortte in het water en verdronk.

Het gedicht is heel vrij van vorm, zonder noemenswaardig rijm en met een wisselende regellengte. Het gebruikt een gewone, heel onverstoorbare toon die tegelijkertijd gevoelig maakt voor de soms vreselijke dingen die verteld worden, en tevens de mogelijkheid opent om door te gaan met leven, ook al gebeuren er dingen die het evenwicht ernstig bedreigen. Dit is een belangrijk thema bij Auden: een vergelijkbare toon, een vergelijkbare onverstoorbare en gevoelige ernst proef je ook in veel andere gedichten, bijvoorbeeld in de gedichten In Praise of Limestone, Homage to Clio en de slotregels van The Fall of Rome.

Vertaling:

Musée des Beaux Arts

In het lijden vergisten ze zich nooit,
De Oude Meesters; hoe goed beseften ze zijn plaats
In een mensenleven, hoe het gebeurt
Terwijl iemand anders eet of een raam open doet of zomaar even langsloopt;
Hoe er, naast het eerbiedige, opgewonden wachten
Van ouderen op de wonderbare geboorte, nog iets bij moet,
Kinderen, voor wie het niet zo nodig hoeft, terwijl ze schaatsen
Op een vijver aan de rand van het bos.
Nooit vergaten ze
Dat ook het vreselijke martelaarschap zijn loop moet hebben
In een hoekje, ergens op een rommelige plek
Waar honden doorgaan met hun hondedingen, en het paard van de beul
Zijn onschuldige achterste schuurt aan een boom.

In Breughels Icarus bijvoorbeeld: hoe alles zich toch vrij kalm
Afwendt van het onheil: want misschien heeft de ploeger
De plons wel gehoord, de vergeefse gil,
Maar voor hem ging er niets mis wat er werkelijk toe deed; de zon scheen
Zoals het hoorde op de witte benen die verdwenen in het groene
Water, en het dure verfijnde schip dat toeschouwer was geweest
Van iets verbazingwekkends, een jongen die uit de lucht viel,
Moest gewoon ergens naar toe en voer rustig door.

Origineel:

Musée des Beaux Arts

About suffering they were never wrong,
The old Masters: how well they understood
Its human position: how it takes place
While someone else is eating or opening a window or just walking dully along;
How, when the aged are reverently, passionately waiting
For the miraculous birth, there always must be
Children who did not specially want it to happen, skating
On a pond at the edge of the wood:
They never forgot
That even the dreadful martyrdom must run its course
Anyhow in a corner, some untidy spot
Where the dogs go on with their doggy life and the torturer’s horse
Scratches its innocent behind on a tree.

In Breughel’s Icarus, for instance: how everything turns away
Quite leisurely from the disaster; the ploughman may
Have heard the splash, the forsaken cry,
But for him it was not an important failure; the sun shone
As it had to on the white legs disappearing into the green
Water, and the expensive delicate ship that must have seen
Something amazing, a boy falling out of the sky,
Had somewhere to get to and sailed calmly on.

Onder Sirius – W.H. Auden

Het gedicht Under Sirius is een onderschat gedicht in het oeuvre van Wystan Hugh Auden. Het is een dreigend gedicht met een vermanende strekking, en het is gericht tot de vroeg-middeleeuwse dichter Venantius Fortunatus (Venantius Honorius Clementianus Fortunatus, ca. 530 – ca. 609), tevens bisschop van Poitiers.

Het gedicht is bovendien een doelbewuste, enigszins provocerende apologie van een burgerlijke moraal – afspraken nakomen, rekeningen betalen, tijdig uit bed komen, niet wachten tot de beloning arriveert. Deze burgerlijke moraal wekte namelijk irritatie in de anti-burgerlijke culturele atmosfeer waarin Auden zich destijds bevond. Wie tegenwoordig provoceren wil moet omwentelingen toejuichen, want de atmosfeer is nu eerder angstig en behoudend dan revolutionair.

Het is zeker niet uitgesloten dat Auden dit gedicht in feite tot zichzelf richtte als berisping voor een te geringe toewijding aan een geloof dat hij eerder met zoveel woorden had omhelsd (Anthony Hecht, The Hidden Law. The Poetry of W.H. Auden, Harvard University Press 1993, p.333).

Het gedicht heeft een parlando-effect, maar kent tegelijkertijd vrij strenge vormeisen.

Sirius is de hondsster, de helderste ster van het sterrenbeeld Grote Hond. Volgens de oude Grieken veroorzaakte de verschijning ervan een periode van hitte en grote droogte, overdrachtelijk: een seizoen van geestelijke verlatenheid.

De oude Grieken geloofden dat Sibillen orakels waren, vrouwen die van goddelijke inspiratie gebruik maakten voor hun spreuken.

Trooster is een bijnaam van de Heilige Geest. De wind die de Troostervleugels laat waaien, verwijst naar de adem die God de mens bij de schepping in de neusgaten blies en die hem zijn hoogste gave, de taal, doet spreken. Het dromen van een goddelijke interventie die Fortunatus’ writers block opheft, wordt in dit vers niet toegejuicht, en daarmee is de verwijzing naar de vleugels van de Heilige Geest in hoge mate ironisch.

In het bijbelboek Zefanja 2:9 worden de zoutgroeven genoemd waarin Sodom en Gomorra veranderden nadat God deze steden van verderf had gedoemd tot oorden van eeuwige verwoesting.

Pantokratisch is een aan het Grieks ontleend woord dat verwijst naar pantokrator, een benaming van God die het Al heeft geschapen.

Megalopods betekent ‘grootvoetigen’.

Vertaling:

Onder Sirius

Ja, dit zijn de hondsdagen Fortunatus:
De heide ligt kreupel en dood
Tegen de berg, de razende beekstroom
Kwijnt weg tot een siepelend draadje;
Roestig is de legionaire speer, stoppelig de kapitein,
Leeg het geleerde brein
Onder z’n ruime baret;
Hoezeer ook beneveld, de Sibille schenkt gratis
Een scheut met borrelklets.

En jijzelf, snipverkouden, je rekeningen onbetaald,
Gekweld door opkomend maagzuur,
Je luid aangeprezen epos nog niet begonnen,
Slapend tot het middaguur,
Jij lijdt ook vreselijk. Je hoopt de hele dag, zo zei je,
Dat een aardschok ons zal verblijden,
Of Troostervleugels zouden waaien
Om kerkers te ontsluiten en de wanordelijke
Toeloop te hertalen.

En vannacht, zei je, droomde je van die stralende blauwe morgen,
Met bloeiende meidoornhagen,
Als daar, in hun ivoren scheepjes, sereen,
De drie wijze Maria’s opdagen,
Ruisend door rimpelloos water, geloodst
Door zeepaard en vloeiende dolfijn;
Ah, hoe buldert het geschut,
Hoe klingelen de klokken, als Zij
Straks liefelijk landen op de verdorven kust.

‘t Is normaal om te hopen en vroom, uiteraard, te geloven
Dat alles uiteindelijk goed komt,
Maar allereerst, weet je nog,
Aldus voorzeggen de Heilige Boeken,
Wordt het bedorven fruit geschud; houdt jouw hoop stand
In het moment dat de opstandige vloedgolf,
Als het stil wordt, niemand het nog beseft,
Nog eer hij breekt en verzwelgt,
Zich boven de slapende stad verheft?

Hoe zou je kijken en wat zou je doen als de basalten
Graven der magiërs onder zouden gaan,
En hun megalopode wachters,
Kwamen zwijgend-hijgend achter je aan?
Wat zou je zeggen als uit hun pestilente bron
De onsterfelijke nymfen op zouden vliegen,
Luid piepend in de hemel rondom,
En het pantokratisch raadsel kraakt –
“Wie zijt gij en waarom?”

Want als in sierlijke reidans de bevrijden
Onder de appelbomen verdienstelijk dansen,
Zullen er ook zijn, Fortunatus,
Die treurden om hun kansen:
Broddelende schaduwen, morrend naast de zoutgroeven,
IJdel kwelend, hulpbehoevend,
Voor wie deze tussentijdse, doffe
Hondsdagen wel gekroond lijken met olijven,
En verguld met eigenlof.

Origineel:

Under Sirius

Yes, these are the dog-days, Fortunatus:
The heather lies limp and dead
On the mountain, the baltering torrent
Shrunk to a soodling thread;
Rusty the spears of the legion, unshaven its captain,
Vacant the scholar’s brain
Under his great hat,
Drug as she may the Sybil utters
A gush of table-chat.

And you yourself with a head-cold and upset stomach,
Lying in bed till noon
Your bills unpaid, your much advertised
Epic not yet begun,
Are a sufferer too. All day, you tell us, you wish
Some earthquake would astonish
Or the wind of the Comforter’s wing
Unlock the prisons and translate
The slipshod gathering.

And last night, you say, you dreamed of that bright blue morning,
The hawthorn hedges in bloom,
When, serene in their ivory vessels,
The three wise Maries come,
Sossing through seamless waters, piloted in
By sea-horse and fluent dolphin;
Ah! how the cannons roar,
How jocular the bells as They
Indulge the peccant shore.

It is natural to hope and pious, of course, to believe
That all in the end shall be well,
But first of all, remember,
So the Sacred Books foretell,
The rotten fruit shall be shaken. Would your hope make sense
If today were that moment of silence
Before it break and drown
When the insurrected eagre hangs
Over the sleeping town?

How will you look and what will you do when the basalt
Tombs of the sorcerers shatter
And their guardian megalopods
Come after you pitter-patter?
How will you answer when from their qualming spring
The immortal nymphs fly shrieking
Out of the open sky
The pantocratic riddle breaks-
“Who are you and why?”

For when in carol under the apple-trees
The reborn featly dance,
There will also, Fortunatus,
Be those who refused their chance,
Now pottering shades, querolous beside the salt-pits,
And mawkish in their wits
To whom these dull dog-days
Between event seem crowned with olive
And golden with self-praise.

 

Ik schiet niet, maar ik kan wel spuwen – W.H. Auden

De dichter W.H. Auden was een ernstig man, wat uiteraard betekent dat hij ook veel schertsgedichten (light verse) schreef.

Auden dweepte in zijn jonge jaren met Sigmund Freud. Ik vermoed dat hij destijds iets gelezen heeft over een ‘kritische grens’ die vreemden niet mogen overschrijden zonder dat je je ongemakkelijk gaat voelen.

Mijn vertaling is helaas wat rijker aan lettergrepen dan het origineel, maar het Nederlands is in het algemeen ook wat kwistiger met lettergrepen dan het Engels.

Hier kunt u iets lezen over demesne; hier over mansus, hier over sticht.

Met de ‘bedroom eyes’ waarmee degene die aan het woord is ‘beckon[s] to fraternize’ wordt, denk ik, een homo-amoureuze uitnodiging bedoeld.

Vertaling:

Ik schiet niet, maar ik kan wel spuwen

Zo’n halve meter bij mijn neus vandaan,
Daar komt de voorkant van mijn ego aan;
De loze lucht die tussenbeide ligt,
Dat is mijn mansus, hof of sticht.
Vreemdeling, tenzij ik met een zwoele blik
U smeek te naderen tot mijn ik,
Erken de grens tussen het mijne en het uwe:
Ik schiet niet, maar ik kan wel spuwen.

Origineel:

I Have No Gun, But I Can Spit

Some thirty inches from my nose
The frontier of my Person goes,
And all the untilled air between
Is private pagus or demesne.
Stranger, unless with bedroom eyes
I beckon you to fraternize,
Beware of rudely crossing it:
I have no gun, but I can spit.

Opvallende moed – W.H. Auden

Een epigram van Wystan Hugh Auden.

Vertaling:

Opvallende moed

Maak maar ruzie, ga te wapen,
Laat de held zijn roes uitslapen;
Schiet een leeuw; beklim de top.
Niemand merkt je zwakheid op.

Origineel:

Conspicuous Courage

Pick a quarrel, go to war,
Leave the hero in the bar;
Hunt the lion, climb the peak:
No one guesses you are weak.

Op tournee – W.H. Auden

Pelagius

(herkomst: Wikimedia Commons)

De dichter W.H. Auden had een meesterlijke techniek die moeilijk is na te bootsen in vertaling. Maar een geslaagde nabootsing blijft het vertaaldoel, natuurlijk. Dit gedicht beschrijft ironisch wat er gebeurt als iemand beroemd wordt en podium-op podium-af wordt gesleurd.

De openingszin bevat de uitdrukking “pelagian travellers”. Pelagius was een Britse monnik uit de oudheid die – als de overlevering juist is – geloofde in de vrije wil; hij achtte het mogelijk dat we het goede zouden doen. Hij verwierp predestinatie en erfzonde, en stond daarmee tegenover de kerkvader Aurelius Augustinus. Pelagius wordt in de meeste vormen van christendom als een ketter beschouwd. Auden gebruikt het adjectief ‘pelagian’ hier ironisch, zoals hij ook op veel andere plaatsen in dit gedicht ironisch is.

De uitzendorganisatie van Auden’s literaire schnabbels was Columbia Giesen Management.

Ik heb eerder naar dit gedicht verwezen n.a.v. de reactie op mijn vertaling van September 1, 1939.

J.R.R. Tolkien en Charles Williams behoorden tot een vriendenkring waartoe ook C.S. Lewis behoorde, een kring die bekend stond als The Inklings.

Hier kunt u Auden beluisteren die dit gedicht voordraagt, inclusief de incidentele hilariteit van het publiek.

Vertaling:

Op tournee

Tussen pelagiaanse reizigers,
Lichtzinnige verdoolden, en blasé,
Op weg naar Massachusetts, Michigan,
Miami of L.A.,

Zit ik terneer, object van luchtverkeer,
En voorbeschikt voor de paskwil
Van Columbia-Giesen-Management’s
Onpeilbaar diepe wil,

Op grond van wiens verkiezing ik
Het heil verkondig van de Muze
Aan fundamentalist en non,
Aan heiden en aan druze,

En word ik zeven dagen in de week,
Nog voor het nieuws is doorgejoeld
Van naaikrans naar een kletscafé,
Uitgestraald of ingezoemd.

Hoe warm mijn welkom ook mag zijn,
Ik schakel zo vaak, en zo ras
Ik kan helaas niet zeggen waar
Ik nou toch gister was,

Tenzij er een bijzonderheid
Gebeurt die ‘t onvergetelijk maakt,
Een snoetje dat de ziel behekst,
Een eend die dommig kwaakt,

Of een zalig treffen, vol plezier,
Los van het Giesen-plan,
Met een verslaafde aan Tolkien
Of een Charles Williams-fan.

Ik beklim het podium onbevreesd,
– Verdienste is een vuile vaalt –
En waag het niet om straks te zeggen
Dat ik te veel krijg uitbetaald.

De Geest is zonder veel scrupules
Bereid dezelfde praatjes te herhalen;
Het Vlees begint al naar de knusse flat
In ons New York te talen.

Hij vindt, als grauwe 65-plusser,
Een uitstel van de maaltijd reeds een hel,
En is te gemelijk geworden voor
Een eersteklas hotel.

De bijbel is een lijvig boek,
Dat dorst naar kennis altijd lest,
Maar dit kan ik echt niet beweren
Van Hilton’s Be My Guest.

Noch ook kan ik muziek verdragen
Die uit studentenauto’s stampt,
Muzak bij het ontbijt, of – lieve God –
Een kroegmeid die op orgel ramt.

Dan, allerergst, de bange vraag,
Steeds als mijn vliegtuig dalen gaat
En je niet langer roken mag:
Waar of de borrel staat?

“Is dit een milieu waar je in het geniep,”
Hoe grahamgreenachtig! Hoe megazwak!
“Een heilzame slok naar binnen klokt
Vanuit je binnenzak?”

Het wordt weer dag, en daar zie ik
Opnieuw onder mij verdwijnen
De daken van mijn vorige publiek,
Voor wie ik nooit meer zal verschijnen.

God zij met hen, hen allemaal,
Al vergat ik elk gezicht gelijk;
God zij met deze USA, zo groot,
Zo hartelijk, en rijk.

Origineel:

On the Circuit

Among pelagian travelers,
Lost on their lewd conceited way
To Massachusetts, Michigan,
Miami or L.A.,

An airborne instrument I sit,
Predestined nightly to fulfill
Columbia-Giesen-Management’s
Unfathomable will,

By whose election justified,
I bring my gospel of the Muse
To fundamentalists, to nuns,
to Gentiles and to Jews,

And daily, seven days a week,
Before a local sense has jelled,
From talking-site to talking-site
Am jet-or-prop-propelled.

Though warm my welcome everywhere,
I shift so frequently, so fast,
I cannot now say where I was
The evening before last,

Unless some singular event
Should intervene to save the place,
A truly asinine remark,
A soul-bewitching face,

Or blessed encounter, full of joy,
Unscheduled on the Giesen Plan,
With, here, an addict of Tolkien,
There, a Charles Williams fan.

Since Merit but a dunghill is,
I mount the rostrum unafraid:
Indeed, ‘twere damnable to ask
If I am overpaid.

Spirit is willing to repeat
Without a qualm the same old talk,
But Flesh is homesick for our snug
Apartment in New York.

A sulky fifty-six, he finds
A change of mealtime utter hell,
Grown far too crotchety to like
A luxury hotel.

The Bible is a goodly book
I always can peruse with zest,
But really cannot say the same
For Hilton’s Be My Guest.

Nor bear with equanimity
The radio in students’ cars,
Muzak at breakfast, or–dear God!–
Girl-organists in bars.

Then, worst of all, the anxious thought,
Each time my plane begins to sink
And the No Smoking sign comes on:
“What will there be to drink?”

“Is this a milieu where I must”
How grahamgreeneish! How infra dig!
“Snatch from the bottle in my bag
An analeptic swig?”

Another morning comes: I see,
Dwindling below me on the plane,
The roofs of one more audience
I shall not see again.

God bless the lot of them, although
I don’t remember which was which:
God bless the U.S.A., so large,
So friendly, and so rich.

Augustus 1968 – W.H. Auden

srpen 1968, rozhlas, Vinohradská třída, tank, hoří, vlajka, vlajkonoš

Tsjecho-Slowaken met hun vlag in 1968 (Wikimedia Commons)

Augustus 1968 is een kort, grappig en wrang gedicht dat Auden schreef bij de bloedige beëindiging van de Praagse Lente op 20 augustus 1968. In dat jaar probeerde Alexander Dubček Tsjecho-Slowakije een gematigder communistische koers te laten varen – tevergeefs, zoals bleek.

Een ogre is een mensenetende reus.

Vertaling:

Augustus 1968

De Kwaaie Reus kan reuzedingen,
Waaraan geen mens ooit zou beginnen,
Maar één ding blijft de Reus ontzegd:
Geen mens kan snappen wat hij zegt!
Boven de onderworpen velden,
Tussen gevelden en ontstelden,
Troont onze Reus, met borst vooruit,
Schoon wartaal van zijn lippen druipt.

Origineel:

August 1968

The Ogre does what ogres can,
Deeds quite impossible for Man,
But one prize is beyond his reach,
The Ogre cannot master Speech:
About a subjugated plain,
Among its desperate and slain,
The Ogre stalks with hands on hips,
While drivel gushes from his lips.

Ter ere van krijtsteen – W.H. Auden

Devils.chimney.at.leckhampton.arp

Devils Chimney (duivelsschoorsteen), een krijtsteenpilaar in Engeland (Wikimedia Commons)

Het wat langere gedicht In Praise of Limestone is een paysage moralisé; het gedicht is een hommage aan het vergankelijke landschap (kalksteen lost op in water) van het Zuid-Italiaanse Ischia waar Auden ’s zomers vaak verbleef. Maar tegelijkertijd symboliseert het onvergankelijkheid. Het gedicht is geschreven in breed uitwaaierende verzen die geen eindrijm kennen, maar wel binnenrijm, met name stafrijm.

Hier kunt u Auden beluisteren die het gedicht voordraagt.

Vertaling:

Ter ere van krijtsteen

Zou het landschap zich aandienen dat ons, onbestendigen,
Een blijvend heimwee bezorgt, dan is het in hoofdzaak
Omdat het oplost in water. Bezie de afgeronde hellingen
Met hun vluchtig aroma van tijm en, daaronder,
Een geheim systeem van grotten en gangen; hoor de bronnen
Die overal ontspringen met onderdrukt gelach,
Elk een meertje vullend voor de vis, elk slijpend aan
Zijn eigen kleine ravijn, welks kliffen bezigheid
Geven aan vlinder en hagedis; onderzoek deze streek
Van korte afstanden en welbepaalde plaatsen:
Wat zou meer als Moeder kunnen zijn, of mooier als achtergrond
Voor haar zoon, de mannetjes-flirt die lui in de zon
Tegen een rots ligt, nooit eraan twijfelend dat men hem,
Ondanks fouten, liefheeft, wiens daden slechts verlengstuk zijn
Van zijn talent om te charmeren? Van verweerd gesteente
Naar heuveltop-tempel, van opborrelend water naar
Markante fontein, van wilde naar bewerkte wijngaard,
Zijn vernuftige maar korte stappen, die de wens van een kind
Meer aandacht te krijgen dan zijn broers,
Door plezieren of klieren, gemakkelijk zet.

Aanschouw dan de bende rivalen als ze op en af klimmen,
Getweeën of gedrieën, van hun steile steenpartijen, soms
Gearmd, maar nooit, goddank, in de pas; of druk doende
’s Middags aan de schaduwzijde van een open plek met
Een vlot gesprek, elkaar te goed kennend om te denken
Dat er enig belangrijke geheim is, onmachtig
Een god te bevatten wiens luimige buien moreel zijn,
Die niet kan worden gesust met een slimme zin of een
Goed lied: want zij, gewend aan de respons van een keisteen,
Hebben nooit hun gelaat hoeven bedekken uit vrees
Voor de ontembare furie van een laaiende krater;
Vertrouwd met de lokale behoeften van valleien,
Waarin alles kan worden betast of bereikt per voet,
Hebben hun ogen nooit gekeken in oneindige ruimte
Door het vlechtwerk van een nomaden-kam; gelukkig geboren,
Hebben hun benen nooit de schimmels ontmoet
En de insecten van de jungle, de monsterlijke levensvormen
Waarmee wij, naar wij gaarne hopen, niets gemeen hebben.
Dus als een van hen ontspoort, blijft de werking van
Diens geest begrijpelijk: een pooier worden
Of doen in nep-juwelen, of een mooie tenor verpesten
Met het oog op frenetiek applaus, kan elk overkomen,
Behalve de besten en slechtsten onder ons…
Dat is, denk ik waarom
De besten en slechtsten hier nooit lang bleven, maar zochten naar
Matelozer gronden waar de schoonheid niet zo extern was,
Het licht minder publiek en de zin van het leven nog wat meer
Dan een kamp vol dwazen: ‘Kom!’ riepen granieten woestenijen,
‘Hoe ontwijkend is jouw humor, hoe vluchtig jouw
Liefste kus, hoe permanent is de dood!’ (Heiligen-in-spe
Slopen zuchtend weg.) ‘Kom!’ zoemden klei en steengruis,
‘Op onze vlakten is ruimte om legers te drillen; rivieren
Willen getemd worden, slaven u een praalgraf bouwen
In grote stijl: het mensdom is zacht als de aarde en beide
Dienen veranderd.’ (Een imaginaire Caesar stond op en vertrok,
Met deuren smijtend.) Maar de echte roekeloze werd gegrepen
Door een oudere, koudere stem, de oceanische fluistering:
‘Ik ben de eenzaamheid die niets vraagt en belooft;
En zo zal ik je bevrijden. Er is geen liefde;
Er zijn slechts de vormen van naijver, allemaal treurig.’

Dat was waar, mijn beste, al deze stemmen spraken waarheid,
En nu nog: dit land is niet zo knus als het lijkt,
Zijn vrede is niet de historisch rust van een plek
Waar iets geregeld is, eens voor altijd: een achterlijk
Gedelapideerd gebied, verbonden
Met de grote drukke wereld door een tunnel, van een ietwat
Sjofele charme, is dat alles wat het nu is? Niet helemaal:
Het heeft een wereldse taak die het, ondanks zichzelf,
Niet verwaarloost, want wat voor Grootmachten vanzelf spreekt
Wordt problematisch: het stoort ons besef van recht. De dichter,
Bewonderd om zijn eerlijke gewoonte de zon de zon
Te noemen, zijn geest Puzzel, raakt van zijn stuk
Door deze marmeren beelden die zo duidelijk twijfel zaaien
Aan zijn anti-mythologische mythe; en deze schoffies
Die de wetenschapper nazitten door de betegelde zuilengang
Met hun levendige verlokkingen, laken zijn aandacht
Voor de verstafgelegen aspecten der Natuur; ook mij wordt
Verweten wat en hoeveel je weet. Geen tijd verliezen, niet
Gevangen worden, niet achtergelaten, niet, alsjeblieft!
Lijken op de beesten die steeds hetzelfde doen, of op iets als water
Of steen waarvan het gedrag kan worden voorspeld, dit is
Ons Dagelijks Gebed, welks grootste vreugde muziek is,
Die overal kan worden gemaakt, onzichtbaar is
En geen geur heeft. Voor zover we moeten rekenen met
De dood als feit, hebben we ongetwijfeld gelijk: maar als
Zonden kunnen worden vergeven, als lichamen opstaan uit de
Dood, raken deze modificaties van stof tot
Onschuldige atleten en gesticulerende fonteinen,
Louter gemaakt om het plezier, nog aan iets anders:
Verlosten kan het niet schelen uit welke hoek men ze bekijkt,
Ze hebben niets te verbergen. Beste, ik weet niets van
Beide, maar als ik tracht me een volmaakte liefde voor te stellen
Of het komende leven: wat ik hoor is het gemurmel van
Ondergronds water, wat ik zie is een landschap van krijtsteen.

Origineel:

In Praise Of Limestone

If it form the one landscape that we, the inconstant ones,
Are consistently homesick for, this is chiefly
Because it dissolves in water. Mark these rounded slopes
With their surface fragrance of thyme and, beneath,
A secret system of caves and conduits; hear the springs
That spurt out everywhere with a chuckle,
Each filling a private pool for its fish and carving
Its own little ravine whose cliffs entertain
The butterfly and the lizard; examine this region
Of short distances and definite places:
What could be more like Mother or a fitter background
For her son, the flirtatious male who lounges
Against a rock in the sunlight, never doubting
That for all his faults he is loved; whose works are but
Extensions of his power to charm? From weathered outcrop
To hill-top temple, from appearing waters to
Conspicuous fountains, from a wild to a formal vineyard,
Are ingenious but short steps that a child’s wish
To receive more attention than his brothers, whether
By pleasing or teasing, can easily take.

Watch, then, the band of rivals as they climb up and down
Their steep stone gennels in twos and threes, at times
Arm in arm, but never, thank God, in step; or engaged
On the shady side of a square at midday in
Voluble discourse, knowing each other too well to think
There are any important secrets, unable
To conceive a god whose temper-tantrums are moral
And not to be pacified by a clever line
Or a good lay: for accustomed to a stone that responds,
They have never had to veil their faces in awe
Of a crater whose blazing fury could not be fixed;
Adjusted to the local needs of valleys
Where everything can be touched or reached by walking,
Their eyes have never looked into infinite space
Through the lattice-work of a nomad’s comb; born lucky,
Their legs have never encountered the fungi
And insects of the jungle, the monstrous forms and lives
With which we have nothing, we like to hope, in common.
So, when one of them goes to the bad, the way his mind works
Remains incomprehensible: to become a pimp
Or deal in fake jewellery or ruin a fine tenor voice
For effects that bring down the house, could happen to all
But the best and the worst of us…
That is why, I suppose,
The best and worst never stayed here long but sought
Immoderate soils where the beauty was not so external,
The light less public and the meaning of life
Something more than a mad camp. `Come!’ cried the granite wastes,
`How evasive is your humour, how accidental
Your kindest kiss, how permanent is death.’ (Saints-to-be
Slipped away sighing.) `Come!’ purred the clays and gravels,
`On our plains there is room for armies to drill; rivers
Wait to be tamed and slaves to construct you a tomb
In the grand manner: soft as the earth is mankind and both
Need to be altered.’ (Intendant Caesars rose and
Left, slamming the door.) But the really reckless were fetched
By an older colder voice, the oceanic whisper:
`I am the solitude that asks and promises nothing;
That is how I shall set you free. There is no love;
There are only the various envies, all of them sad.’

They were right, my dear, all those voices were right
And still are; this land is not the sweet home that it looks,
Nor its peace the historical calm of a site
Where something was settled once and for all: A back ward
And dilapidated province, connected
To the big busy world by a tunnel, with a certain
Seedy appeal, is that all it is now? Not quite:
It has a worldy duty which in spite of itself
It does not neglect, but calls into question
All the Great Powers assume; it disturbs our rights. The poet,
Admired for his earnest habit of calling
The sun the sun, his mind Puzzle, is made uneasy
By these marble statues which so obviously doubt
His antimythological myth; and these gamins,
Pursuing the scientist down the tiled colonnade
With such lively offers, rebuke his concern for Nature’s
Remotest aspects: I, too, am reproached, for what
And how much you know. Not to lose time, not to get caught,
Not to be left behind, not, please! to resemble
The beasts who repeat themselves, or a thing like water
Or stone whose conduct can be predicted, these
Are our common prayer, whose greatest comfort is music
Which can be made anywhere, is invisible,
And does not smell. In so far as we have to look forward
To death as a fact, no doubt we are right: But if
Sins can be forgiven, if bodies rise from the dead,
These modifications of matter into
Innocent athletes and gesticulating fountains,
Made solely for pleasure, make a further point:
The blessed will not care what angle they are regarded from,
Having nothing to hide. Dear, I know nothing of
Either, but when I try to imagine a faultless love
Or the life to come, what I hear is the murmur
Of underground streams, what I see is a limestone landscape.

Eerder gepubliceerd in De Tweede Ronde.

In memoriam W.B. Yeats – W.H. Auden

Yeats_Boughton

W.B. Yeats (CC-BY-SA)

Auden was nog maar kort in Amerika toen William Butler Yeats (1939)  overleed. Hij schreef een In Memoriam-gedicht dat later nog wat werd uitgebreid, en nog weer later werd besnoeid, en dat uiteindelijk heel beroemd is geworden, vooral door de regel: For poetry makes nothing happen, waarmee, zoals vaak beweerd wordt, een generatie afscheid nam van zijn intellectuele pretenties en politieke illusies.1

De strofen 2 t/m 4 van deel III werden door Auden later geschrapt, vooral omdat hij af wilde van de niet al te eerbiedige strofe waarin Kipling en Claudel worden genoemd. Ze zijn hier wel vertaald – de Kipling/Claudel-strofe eveneens wat oneerbiedig, zij het misschien ook een beetje vrij. Deze strofen zijn op deze website tussen vierkante haken geplaatst, zowel in de vertaling als in het origineel.

Deel III heeft verder eerder een eerbiedige dan een oneerbiedige klank. De dichter wordt voortdurend aangespoord om te loven en te danken en te prijzen. Onwillekeurig moet je denken aan de woorden die Christopher Isherwood in 1937 over hun samenwerking sprak:

“when we collaborate, I have to keep a sharp eye on him – or down flop the characters on their knees . . .: another constant danger is that of choral interruptions by angel-voices. If Auden had his way, he would turn every play into a cross between grand opera and high mass.”

Het gedicht is al eerder vertaald in het Nederlands. Hier is bijvoorbeeld de link naar de vertaling van Arie van der Krogt.

Hier kunt u Auden beluisteren die het gedicht voordraagt.

 

Vertaling:

In Memoriam William Butler Yeats

I

Hij verdween in het holst van de winter:
Beekjes waren bevroren, luchthavens bijna verlaten,
Sneeuw misvormde de standbeelden;
Het kwik daalde in de mond van de stervende dag.
Al onze instrumenten zijn het eens:
De dag van zijn dood was donker en koud.

Ver van zijn ziekbed
Draafden de wolven gestadig door eeuwig groene bossen,
Het kreekje bleef er onberoerd door hippe boulevards;
Volgens klaagzangers
Liet de dood van de dichter diens gedichten met rust.

Maar voor hem was het zijn laatste middag als zichzelf,
Een middag met zusters en fluisterpraat;
De gewesten van zijn lichaam lagen dwars,
De pleinen van zijn geest waren leeg,
Stilte daalde neer in de buitenwijken,
Zijn gevoelsstroom stokte; hij werd zijn bewonderaars.

Nu ligt hij verstrooid over zo’n honderd steden,
Is hij geheel overgeleverd aan onbekende sympathieën,
Om zijn geluk te vinden in een andersoortig landschap,
En gestraft te worden volgens een uitheemse gewetenscode.
De woorden van de doden
Worden omgevormd in de ingewanden der levenden.

Maar tussen de ernst en het tumult van morgen,
Als handelaars op de beursvloer weer zullen brullen als beesten,
En armen de moeiten verduren waaraan ze al vrijwel gewend zijn,
En ieder in de cocon van het ik haast weer zeker is van zijn vrijheid,
Zullen een paar duizend terugzien op deze dag,
Zoals je terugziet op een dag waarop je iets lichtelijk ongewoons deed.
Al onze instrumenten zijn het eens:
De dag van zijn dood was donker en koud.

II

Je was dwaas als wij; slechts je talent schoot ervan over:
De congregatie van rijke vrouwen, fysieke aftakeling,
Jouzelf. Het gekke Ierland pijnigde jou tot poëzie.
Ierland heeft nu zijn gekte en zijn weer nog steeds,
Want poëzie laat niks gebeuren: zij schiet over
In het dal van haar oorsprong, waar uitvoerenden
Onkreukbaar hun gang gaan, stroomt dan zuidwaards,
Langs hoven der eenzaamheid en de industrie van verdriet,
Onaffe stadjes waarin we geloven en sterven; zij schiet over,
zij gebeurt gewoon, een mond.

III

Aarde, opent nu met ere,
Opdat Yeats kan wederkeren.
Laat het Ierse vat verzinken,
De verzen zijn al uitgeschonken.

[De Tijd, die altijd lachen moet
Om kwetsbaarheid of heldenmoed,
Onverschillig staat binnen het uur
Jegens menig mooi figuur,]

[Vereert de taal, en Hij vergeeft
Iedereen door wie zij leeft,
Vergeeft bedrog en wankelmoed,
Legt eerbewijzen aan hun voet.]

[Daarom schonk de Tijd terecht
Aan Kipling ooit genâ voor recht,
Schonk ook aan Claudel genâ,
Genâ voor brille en blabla.]

Europese honden slaan
Alle in de angstdroom aan;
Geïsoleerde natie-staten
Doen niks anders meer als haten.

Ons intellectueel echec
Schendt elk gelaat en elk gesprek,
En de ogen tonen sporen
Van het meelij, vastgevroren.

Ga nu, dichter, ga op jacht
Naar de bodem van de nacht,
Laat je stem ons blijvend wijzen
Op de noodzaak om te prijzen.

Verzen kweken, verzen snoeien,
Laat in vloek een wijngaard groeien,
Zing van falen, doem en dood
In vervoering van uw nood.

Geef de heilfontein een start,
In woestijnen van het hart;
Aan zijn dagen vastgeklonken,
Leer de vrije mens te danken.

Oorspronkelijk gedicht:

AudenVanVechten1939

W.H. Auden (CC-BY-SA)

In Memory of W.B. Yeats

I

He disappeared in the dead of winter:
The brooks were frozen, the airports almost deserted,
The snow disfigured the public statues;
The mercury sank in the mouth of the dying day.
What instruments we have agree
The day of his death was a dark cold day.

Far from his illness
The wolves ran on through the evergreen forests,
The peasant river was untempted by the fashionable quays;
By mourning tongues
The death of the poet was kept from his poems.

But for him it was his last afternoon as himself,
An afternoon of nurses and rumours;
The provinces of his body revolted,
The squares of his mind were empty,
Silence invaded the suburbs,
The current of his feeling failed; he became his admirers.

Now he is scattered among a hundred cities
And wholly given over to unfamiliar affections,
To find his happiness in another kind of wood
And be punished under a foreign code of conscience.
The words of a dead man
Are modified in the guts of the living.

But in the importance and noise of to-morrow
When the brokers are roaring like beasts on the floor of the Bourse,
And the poor have the sufferings to which they are fairly accustomed,
And each in the cell of himself is almost convinced of his freedom,
A few thousand will think of this day
As one thinks of a day when one did something slightly unusual.
What instruments we have agree
The day of his death was a dark cold day.

II

You were silly like us; your gift survived it all:
The parish of rich women, physical decay,
Yourself. Mad Ireland hurt you into poetry.
Now Ireland has her madness and her weather still,
For poetry makes nothing happen: it survives
In the valley of its making where executives
Would never want to tamper, flows on south
From ranches of isolation and the busy griefs,
Raw towns that we believe and die in; it survives,
A way of happening, a mouth.

III

Earth, receive an honoured guest:
William Yeats is laid to rest.
Let the Irish vessel lie
Emptied of its poetry.

[Time that is intolerant
Of the brave and the innocent,
And indifferent in a week
To a beautiful physique,]

[Worships language and forgives
Everyone by whom it lives;
Pardons cowardice, conceit,
Lays its honours at their feet.]

[Time that with this strange excuse
Pardoned Kipling and his views,
And will pardon Paul Claudel,
Pardons him for writing well.]

In the nightmare of the dark
All the dogs of Europe bark,
And the living nations wait,
Each sequestered in its hate;

Intellectual disgrace
Stares from every human face,
And the seas of pity lie
Locked and frozen in each eye.

Follow, poet, follow right
To the bottom of the night,
With your unconstraining voice
Still persuade us to rejoice.

With the farming of a verse
Make a vineyard of the curse,
Sing of human unsuccess
In a rapture of distress.

In the deserts of the heart
Let the healing fountains start,
In the prison of his days
Teach the free man how to praise.


  1.  Terzijde: als deze bewering juist is, als dit afscheid inderdaad zou hebben plaatsgevonden, als de intellectuelen hun pretenties en illusies daadwerkelijk zouden hebben afgezworen, zou dat een gebeurtenis van belang zijn, met als paradoxaal gevolg dat een versregel die stelt dat verzen geen gebeurtenissen scheppen, een gebeurtenis van belang heeft geschapen. Maar misschien is het verwerpen van een eerder gekoesterde dwaling niet een gebeurtenis in de hier bedoelde zin des woords. En of de intellectuelen hun pretenties en illusies daadwerkelijk massaal hebben afgezworen, kan op goede gronden worden betwijfeld. 

De ondergang van Rome – W.H. Auden

800px-Cyril_Connolly_(3556836247)

Herdenkingssteen Cyril Connolly (Wikimedia Commons)

Dit gedicht van W.H. Auden roept in korte beeldende strofen een beeld van verval en ondergang op. De rendieren in de slotstrofe werken bijna als een deus ex machina.

Hier kunt u Auden beluisteren die het gedicht voordraagt.

Vertaling:

DE ONDERGANG VAN ROME
(Voor Cyril Connolly)

De pier voelt golven schuimend bonken;
Regenval op braak terrein
Geselt een verlaten trein;
Schorem vult de bergspelonken.

Welig tiert de gala-kleding;
Elke fiscus jaagt met zin
Op fraudeurs die vluchten in
Riolen van provincie-steden.

Riten vol privé-magie
Wiegen zacht de tempelhoer;
Elke literaat ontvoert
Vriendjes in zijn fantasie.

Cato prijst cerebrotoon
De Aloude Disciplines,
Maar gespierde mariniers
Muiten weer om drank en loon.

Caesars bijslaap heeft plezier,
Als een laagbetaalde klerk
Schrijft: IK HOUD NIET VAN MIJN WERK
Op een rôze formulier.

Zonder welvaart en compassie,
Broeden roodgepote sijsjes
Teder op hun spikkeleitjes,
Uitziend op een koortsig stadje.

Maar wat, ondanks alles, telt:
Kudden rendierherten trekken
Voort in goudbemoste verten,
Rustig en verbazend snel.

Origineel:

THE FALL OF ROME
(For Cyril Connolly)

Collected Poems
P. 332-333
1947

The piers are pummelled by the waves;
In a lonely field the rain
Lashes an abandoned train;
Outlaws fill the mountain caves.

Fantastic grow the evening gowns;
Agents of the Fisc pursue
Absconding tax-defaulters through
The sewers of provincial towns.

Private rites of magic send
The temple prostitutes to sleep;
All the literati keep
An imaginary friend.

Cerebrotonic Cato may
Extol the Ancient Disciplines,
But the muscle-bound Marines
Mutiny for food and pay.

Caesar’s double-bed is warm
As an unimportant clerk
Writes I DO NOT LIKE MY WORK
On a pink official form.

Unendowed with wealth or pity,
Little birds with scarlet legs,
Sitting on their speckled eggs,
Eye each flu-infected city.

Altogether elsewhere, vast
Herds of reindeer move across
Miles and miles of golden moss,
Silently and very fast.

 

1 september 1939 – W.H. Auden

Polen, Parade vor Adolf Hitler

Polen, parade voor Adolf Hitler (1939), overgenomen van Wikimedia Commons

De vertaling van dit gedicht draag ik op aan Robbert Jan Bron (1966, Groningen), ter gelegenheid van zijn vijftigste verjaardag. Robbert Jan heeft veel met Wystan Hugh Auden gemeen: diepgaande culturele belangstelling, taalgevoeligheid, retorisch talent (die soms met hem aan de loop gaat), politieke interesse, diagnostische vermogens, een vrijzinnige maar ernstige verhouding tot het christendom, het vermogen om de spijker op de kop te slaan, en een zelfbeeld: “…if I hadn’t been a poet, I might have become an Anglican bishop – politically liberal, I hope; theologically and liturgically conservative, I know.” 

Het gedicht September 1, 1939 werd door Auden geschreven bij het uitbreken van de Tweede Wereldoorlog. De titel is de datum waarop Hitlers Duitsland Polen binnen viel. Auden bevond zich toen, net als de ik-figuur in het gedicht, in New York. Het gedicht werd al snel erg populair. Ook na de aanslagen op de Twin Towers in 2001 werd het gedicht veel geciteerd. De symboliek van wolkenkrabbers, waarvoor kennelijk ook de zelfmoordterroristen gevoelig waren, is een van de motieven in dit gedicht.

Maar de weerklank die het vindt, betekent nog niet dat het een “politiek gedicht” is, zoals vaak is betoogd. Ik zou niet weten wat dat is, een ‘politiek gedicht’.

De beroemdste zinnen – “We must love one another or die” – waren voor Auden in een later stadium van zijn dichterschap aanleiding om het gedicht als onwaarachtig te verwerpen. We moeten immers sowieso sterven. In het algemeen vond Auden dat de retoriek met hem aan de haal was gegaan, in plaats van andersom, reden waarom hij herdrukken ervan tegen hield. Veel critici vinden dit moeilijk te verteren, maar helemaal onbegrijpelijk is het niet: de slotzinnen van diverse strofen klinken bijzonder sonoor, maar ze ronken toch ook wel een beetje. Ook is voor mijn gevoel de in het gedicht geconstrueerde tegenstelling tussen een alomvattende liefde, die goed is, en een exclusieve liefde, die verkeerd is, wel heel erg idealistisch als de eraan gehechte waardeoordelen zonder meer worden toegepast op de gehele mensheid. Het is een paulinisch idealisme waarop ook het katholieke priestercelibaat is gebaseerd. De apostel Paulus zegt in 1 Kor. 7:7 : “Ik zou wel willen, dat alle mensen waren, zoals ikzelf [dat wil zeggen: ongehuwd, AS].” Enfin, ik heb erg mijn best gedaan om ook de welluidende retoriek netjes te vertalen.

Joseph Brodsky wijdde een 53 pagina’s tellende beschouwing aan dit gedicht, dat gepubliceerd werd in zijn essaybundel Less than One (1985), vertaald als Tussen iemand en niemand (vertaling: Frans Kellendonk en Kees Verheul, 1987).

Het gedicht voldoet aan een door de jonge Auden geciteerde definitie van poëzie: “Memorable Speech”. Ik ken het gedicht al sinds mijn studietijd – dertig jaar geleden – uit mijn hoofd.

Het oorspronkelijke gedicht, negen strofen van elf regels, vindt u hier.

Mijn vertaling luidt:

1 september 1939

Ik zit in één van de bars
Van Fifty-second Street,
Onzeker en ook bang,
Nu de vernuftige hoop vervliegt
Van een laag en vals decennium:
Golven van woede en angst
Gaan rond over de  verlichte
En verduisterde streken der aarde,
En houden ons in hun ban;
Het onzegbare bouquet van de dood
Schendt de septembernacht.

Trefzekere geleerdheid kan
Het hele misdrijf opdelven,
Dat een cultuur al sinds Luther
In waanzin heeft gestort,
Nagaan wat er voorviel in Linz,
Welk kolossaal imago
Een geesteszieke god schiep:
U en ik, wij weten –
Elk kind leert dat al vlug –
Wie kwaad moet ondergaan,
Betaalt met kwaad terug.

Verbannen Thucidides wist
Wat een toespraak zeggen kon
Over Democratie,
En wat dictators doen,
Hun oudemannengezever,
Gericht tot een apathisch graf,
Ontleedde het in zijn boek:
De verdreven Verlichting,
De verslavende pijn,
Wanbeleid en verdriet:
Het overstelpt ons nu opnieuw.

In deze neutrale lucht,
Waar wolkenkrabbers blind
De kracht van het Collectief
In volle omvang proclameren,
Schenkt elke taal om strijd
Zijn scheut met loze praat:
Maar wie houdt het lang vol
In een euforische droom;
Uit de spiegel staren ze ons aan:
Het imperialistische gelaat,
En de internationale doem.

Koppen aan de bar
Hangen aan hun doorsneedag:
Licht mag niet uitgaan,
Muziek moet blijven spelen;
Alle mores spannen samen
Om dit fort te laten lijken
Op het meubilair van thuis.
We zouden eens zien waar we zijn,
Verdwaald in een behekst woud,
Kinderen, bang in het donker,
Nooit gelukkig geweest, of goed.

De holste militante wartaal
Die prominenten uitslaan,
Verbleekt bij onze aandriften:
Wat de gestoorde Nijinsky
Schreef over Djagilev,
Geldt voor ieder mensenhart,
Want de weeffout in het wezen
Van elke man en vrouw
Doet knielen voor een valse god:
Geen liefde die het al omvat,
Maar liefde alleen voor jou.

Uit het conservatieve donker
Trekken de drommen forenzen
Het ethische domein binnen,
Hun ochtendgelofte prevelend:
“Trouw zal ik zijn aan mijn vrouw,
Mijn best ga ik doen op mijn werk.”
Hulpeloze bestuurders staan op
En vervolgen obligaat hun spel:
Wie kan hen nu bevrijden,
Wie bereikt nog de doven,
Wie spreekt voor sprakelozen?

Ik heb alleen een stem
Om de leugenstrik te ontwarren,
De romantische leugen in de geest
Van de zinnelijke Gewone Man,
En de leugen van het Gezag
Wiens gebouwen de hemel kerven:
Iets als de Staat bestaat niet,
En niemand leeft alleen;
Honger laat geen keus
Aan burger of agent;
We moeten liefhebben, of sterven.

Weerloos in de zwarte nacht
Ligt onze wereld uitgeteld;
Toch pinken overal
Ironische lichtpuntjes
Die doven als de Oprechten
Van gedachten wisselen.
Misschien mag ik, die net als zij
Gevormd is uit Eros en stof,
Die net zo belaagd wordt
Door ontkenning en wanhoop,
Een beamende vlam tonen.

Origineel:

September 1, 1939
I sit in one of the dives
On Fifty-second Street
Uncertain and afraid
As the clever hopes expire
Of a low dishonest decade:
Waves of anger and fear
Circulate over the bright
And darkened lands of the earth,
Obsessing our private lives;
The unmentionable odour of death
Offends the September night.

Accurate scholarship can
Unearth the whole offence
From Luther until now
That has driven a culture mad,
Find what occurred at Linz,
What huge imago made
A psychopathic god:
I and the public know
What all schoolchildren learn,
Those to whom evil is done
Do evil in return.

Exiled Thucydides knew
All that a speech can say
About Democracy,
And what dictators do,
The elderly rubbish they talk
To an apathetic grave;
Analysed all in his book,
The enlightenment driven away,
The habit-forming pain,
Mismanagement and grief:
We must suffer them all again.

Into this neutral air
Where blind skyscrapers use
Their full height to proclaim
The strength of Collective Man,
Each language pours its vain
Competitive excuse:
But who can live for long
In an euphoric dream;
Out of the mirror they stare,
Imperialism’s face
And the international wrong.

Faces along the bar
Cling to their average day:
The lights must never go out,
The music must always play,
All the conventions conspire
To make this fort assume
The furniture of home;
Lest we should see where we are,
Lost in a haunted wood,
Children afraid of the night
Who have never been happy or good.

The windiest militant trash
Important Persons shout
Is not so crude as our wish:
What mad Nijinsky wrote
About Diaghilev
Is true of the normal heart;
For the error bred in the bone
Of each woman and each man
Craves what it cannot have,
Not universal love
But to be loved alone.

From the conservative dark
Into the ethical life
The dense commuters come,
Repeating their morning vow;
“I will be true to the wife,
I’ll concentrate more on my work,”
And helpless governors wake
To resume their compulsory game:
Who can release them now,
Who can reach the deaf,
Who can speak for the dumb?

All I have is a voice
To undo the folded lie,
The romantic lie in the brain
Of the sensual man-in-the-street
And the lie of Authority
Whose buildings grope the sky:
There is no such thing as the State
And no one exists alone;
Hunger allows no choice
To the citizen or the police;
We must love one another or die.

Defenceless under the night
Our world in stupor lies;
Yet, dotted everywhere,
Ironic points of light
Flash out wherever the Just
Exchange their messages:
May I, composed like them
Of Eros and of dust,
Beleaguered by the same
Negation and despair,
Show an affirming flame.

Begrafenisblues – W.H. Auden

Het gedicht Funeral Blues is misschien wel het beroemdste gedicht van W.H. Auden. Het dankt zijn bekendheid bij het grote publiek aan de centrale plaats die het had in de film Four Weddings and a Funeral.

Het werd voor het eerst gepubliceerd in 1936 in een vorm die sterk afweek van de vorm waaronder het bekend is geworden. Het maakte aanvankelijk deel uit van The Ascent of F6 (De beklimming van de F6), een toneelstuk in verzen van Auden en Christopher Isherwood. Het gedicht in de ons meest bekende vorm is voor het eerst gepubliceerd in Denys Kilham Roberts & Geoffrey Grigson (red.), The Year’s Poetry, 1938 (Londen: John Lane at the Bodley Head, 1938), en later opgenomen in Audens bundel Another Time (1940). Benjamin Britten heeft het vers op muziek gezet, als één van de Cabaret Songs; het is hier te beluisteren.

Funeral Blues is opgetrokken uit hyperbolen en is hier en daar grotesk, kenmerken die het gedicht effectief benut om groot verdriet op te roepen. Misschien is elke geslaagde evocatie van sterke emotie wel een beetje cabaretesk.

Het is al vaak vertaald, onder anderen door Willem Wilmink.

Funeral Blues wordt zo vaak geciteerd dat je er soms een beetje misselijk van wordt, net als van Mozarts Eine kleine Nachtmusik. Maar ik ben geen snob. Mijn vertaling luidt:

Begrafenisblues

Weg met die klokken, werp de telefoon kapot,
Breng de hond tot zwijgen met zijn smakelijk bot,
Houd de piano stil, begeleid met doffe trom
De entree van de rouwenden, zeg tot de kist slechts: Kom!

Huur vliegtuigjes die zeurend boven ons hoofd
De annonce aan de hemel schrijven: Hij is dood,
Geef stadsduiven een kraag van crêpepapier ,
Geef zwarte handschoenen aan de dienders in ‘t verkeer.

Hij was mijn Noord, mijn Zuid, mijn Oost en West,
Mijn werkweek, weekend en mijn warme nest,
Mijn dag, mijn nacht, mijn kletspraat en betekenis;
Ik dacht dat liefde eeuwig was – ik had het mis.

Geen behoefte aan sterren meer, doof ze één voor één;
Vaag de maan gauw weg, zeg tot de zon: versteen!
Giet de oceaan maar leeg, stamp het oerwoud fijn.
Want niets kan nu voorgoed nog mooi of zinrijk zijn.

Een eerdere slotzin, die vervangen is door de huidige, luidde:

Want niets komt ooit nog goed en alles doet mij pijn.

Het oorspronkelijke gedicht luidt:

Funeral Blues

Stop all the clocks, cut off the telephone,
Prevent the dog from barking with a juicy bone,
Silence the pianos and with muffled drum
Bring out the coffin, let the mourners come.

Let aeroplanes circle moaning overhead
Scribbling on the sky the message He Is Dead,
Put crêpe bows round the white necks of the public doves,
Let the traffic policemen wear black cotton gloves.

He was my North, my South, my East and West,
My working week and my Sunday rest,
My noon, my midnight, my talk, my song;
I thought that love would last for ever: I was wrong.

The stars are not wanted now: put out every one;
Pack up the moon and dismantle the sun;
Pour away the ocean and sweep up the wood.
For nothing now can ever come to any good.

Grafschrift voor een tiran – W.H. Auden

AudenVanVechten1939

W.H. Auden

Hier is een geluidsopname van W.H. Auden die dit gedicht voordraagt.

Vertaling:

Grafschrift voor een tiran

Een soort van volmaaktheid, was wat hij najoeg,
En de verzen die hij verzon waren eenvoudig genoeg;
Hij kende onze dwaasheid als de zak van zijn broek,
En was hogelijk geïnteresseerd in vloten en soldaten;
Als hij lachte, brulden achtenswaardige senatoren van de lach,
En als hij huilde, stierven de kleine kinderen in de straten.

Origineel:

Epitaph on a Tyrant

Perfection, of a kind, was what he was after,
And the poetry he invented was easy to understand;
He knew human folly like the back of his hand,
And was greatly interested in armies and fleets;
When he laughed, respectable senators burst with laughter,
And when he cried the little children died in the streets.

De slotzin van dit gedicht is een omkering van een vrij bekende zin die de Amerikaanse historicus John Lothrop Motley schreef in zijn boek The Rise of the Dutch Republic (1856): “As long as he lived, he was the guiding-star of a whole brave nation, and when he died the little children cried in the streets.” Deze zin heeft betrekking op Willem van Oranje. Zie: Elizabeth Knowles, What They Didn’t Say: A Book of Misquotations (2006, onder: When he died the little children cried in the streets).

De omkering van Motley’s enigszins kwezelachtige, hagiografische zin, heeft een heel sterk effect: opeens besef je waar al die nog redelijk gewoon klinkende constateringen over de tiran toe kunnen leiden.

Het schild van Achilles – W.H. Auden

 

Angelo_monticelli_shield-of-achilles

Een interpretatie van het Schild van Achilles zoals beschreven in Boek 18 van de Ilias, door Angelo Monticelli (1778-1837) (Wikimedia Commons)

Hier kunt u de tekst van het gedicht van W.H. Auden vinden waarvan hierna een vertaling volgt.

Hier kunt u luisteren naar Auden die het gedicht voordraagt.

 

 

 

 

 

 

Het schild van Achilles

Ze zocht over zijn schouder
Naar wijnstok en olijfgaard,
Welvarende steden van marmer,
En schepen op woeste zeeën;
Maar op het blinkend metaal
Had zijn hand, integendeel,
Een welbewuste wildernis
En een lucht van lood geschapen.

Een ononderbroken vlakte, bruin en kaal,
Geen sprietje gras, geen spoor van nabuurschap,
Niks om te eten en nergens kunnen zitten;
Toch, in die ijlte verzameld, stond daar
Een onbegrijpelijke heirschaar,
Miljoenen ogen, miljoenen laarzen in ’t gelid
Roerloos te wachten op een gebod.

Uit de lucht klonk een stem zonder gezicht
Die het recht van het doel statistisch bewees
Op een toon zo droog en vlak als de streek.
Niemand was blij, niks werd besproken;
Rij na rij, in een wolk van stof,
Marcheerden zij heen, een geloof meedragend,
Welks logica hen elders deed rouwen en klagen.

Ze zocht over zijn schouder
Naar rituele vroomheid,
Witte bloembekransde vaarzen,
Plengoffers en zoenoffers;
Maar daar op het blinkend metaal,
Waar het altaar moest zijn,
Zag zij, bij zijn flakkerend smidslicht,
Een heel ander tableau.

Prikkeldraad omsloot een arbitrair terrein.
Geüniformeerden hingen rond (een maakte een grap),
En wachters zweetten – het was heet die dag;
Een menigte normale, nette lui
Keek van buiten toe, en geen bewoog of sprak,
Toen drie bleke figuren werden voorgeleid en vastgebonden
Aan de drie palen die er klaar voor stonden.

Alles, de massa en majesteit van deze wereld,
Al wat gewicht heeft en altijd hetzelfde weegt,
Lag in de hand van derden; zij waren klein
En hulpeloos; er kwam geen hulp:
Wat de vijand beraamde gebeurde, hun schande
Kon niet erger zijn; zij verloren hun eer
En stierven als mens nog voor hun lichaam stierf.

Ze zocht over zijn schouder
Naar sportende atleten,
Dansende mannen en vrouwen
Die hun soepele ledematen bewogen
Snel, snel op de muziek;
Maar daar op het blinkend metaal,
Had zijn hand geen dansvloer gevormd,
Maar een door onkruid verstikt veld.

Een haveloos schoffie, doelloos en alleen,
Hing rond in die verlatenheid; een vogel
Vloog op om te vluchten voor zijn welgemikte steen;
Meisjes die worden verkracht, jongens die iemand neersteken,
Waren axioma’s voor hem, die nooit had gehoord
Van een wereld waar men zich aan beloften hield,
Of waar je huilen kon omdat een ander huilde.

De wapensmid, Hephaestos, strompelde heen
Met samengeperste lippen,
Thetis, met haar stralende borsten,
Schreeuwde ontsteld
Om wat de god had gesmeed
Om haar zoon te behagen,
Achilles, de ijzerhart en overwinnaar,
Die niet lang meer zou leven.

 

 

 

Bij welke lier – W.H. Auden

Harvard logo

Wapen van de Harvard-universiteit

In 1946 – vlak na de oorlog dus – was W.H. Auden de Phi Beta Kappa-dichter aan de Harvard-universiteit. Hij droeg er het gedicht Under Which Lyre voor, met als ondertitel A Reactionary Tract For The Times. Een korte bespreking van de ontstaansgeschiedenis is te vinden in Adam Kirsch, A Poet’s Warning, Harvard Magazine, nov-dec 2007.

Het is een spits en geestig gedicht waarin Apollinische pompeusheid, humorloosheid en cynisch najagen van eigenbelang wordt gecontrasteerd met gebrek aan discipline, vroegrijpheid en bohemien-gedrag, zoals belichaamd door Hermes. Het gedicht eindigt met een grappige Hermetische dekaloog (Tien geboden). Kiest u zelf bij welke lier de muziek u het beste bevalt.

UNDER WHICH LYRE
A Reactionary Tract for the Times
(Phi Beta Kappa Poem, Harvard, 1946, Collected Poems, pag. 335-339)

Ares at last has quit the field,
The bloodstains on the bushes yield
To seeping showers,
And in their convalescent state
The fractured towns associate
With summer flowers.

Encamped upon the college plain
Raw veterans already train
As freshman forces;
Instructors with sarcastic tongue
Shepherd the battle-weary young
Through basic courses.

Among bewildering appliances
For mastering the arts and sciences
They stroll or run,
And nerves that steeled themselves to slaughter
Are shot to pieces by the shorter
Poems of Donne.

Professors back from secret missions
Resume their proper eruditions,
Though some regret it;
They liked their dictophones a lot,
They met some big wheels, and do not
Let you forget it.

But Zeus’ inscrutable decree
Permits the will-to-disagree
To be pandemic,
Ordains that vaudeville shall preach
And every commencement speech
Be a polemic.

Let Ares doze, that other war
Is instantly declared once more
‘Twixt those who follow
Precocious Hermes all the way
And those who without qualms obey
Pompous Apollo.

What high immortals do in mirth
Is life and death in Middle-Earth;
Their a-historic
Antipathy forever gripes
All ages and somatic types,
The sophomoric

Who face the future’s darkest hints
With giggles or with prairie squints
As stout as Cortez,
And those who like myself turn pale
As we approach with ragged sail
The fattening forties.

Brutal like all Olympic games,
Though fought with smiles and Christian names
And less dramatic,
This dialectic strife between
The civil gods is just as mean,
And more fanatic.

The sons of Hermes love to play,
And only do their best when they
Are told they oughtn’t;
Apollo’s children never shrink
From boring jobs but have to think
Their work important.

Related by antithesis
A compromise between us is
Impossible;
Respect perhaps but friendship never:
Falstaff the fool confronts forever
The prig Prince Hal.

If he would leave the self alone,
Apollo’s welcome to the throne,
Fasces and falcons;
He loves to rule, has always done it;
The earth would soon, did Hermes run it,
Be like the Balkans.

But jealous of our god of dreams,
His common sense in secret schemes
To rule the heart;
Unable to invent the lyre,
Creates with simulated fire
Official art.

And when he occupies a college,
Truth is replaced by Useful Knowledge;
He pays particular
Attention to Commercial Thought,
Public Relations, Hygiene, Sport,
In his curricula.

Athletic, extravert and crude,
For him to work in solitude
Is the offence,
The goal a populous Nirvana:
His shield bears this device: Mens Sana
Qui mal y pense.

Today his arms we must confess
From Right to Left have met success,
His banners wave
From Yale to Princeton, and the news
From Broadway to the Book Reviews
Is very grave.

His radio homers all day long
In over-Whitmanated song
That does not scan,
With adjectives laid end to end,
Extol the doughnut and commend
The Comman Man.

His, too, each homely lyric thing
On sport or spousal love or spring
Or dogs or dusters,
Invented by some courthouse bard
For recitation by the yard
In filibusters.

To him ascend the prize orations
And sets of fugal variations
On some folk ballad,
While dietitians sacrifice
A glass of prune-juice or a nice
Marsh-mallow salad.

Charged with his compound of sensational
Sex plus some undenominational
Religious matter,
Enormous novels by co-eds
Rain down on our defenceless heads
Till our teeth chatter.

In fake Hermetic uniforms
Behind our battle lines, in swarms
That keep alighting,
His existentialists declare
That they are in complete despair,
Yet go on writing.

No matter; He shall be defied;
White Aphrodite is on our side:
What though his threat
To organize us grow more critical?
Zeus willing, we, the unpolitical,
Shall beat him yet.

Lone scholars, sniping from the walls
Of learned periodicals,
Our facts defend,
Our intellectual marines,
Landing in little magazines
Capture a trend.

By night our student Underground
At cocktail parties whisper round
From ear to ear;
Fat figures in the public eye
Collapse next morning, ambushed by
Some witty sneer.

In our morale must lie our strength:
So that we may behold at length
Routed Apollo’s
Batallions melt away like fog,
Keep well the Hermetic Decalogue,
Which runs as follows:──

Thou shalt not do as the dean pleases,
Thou shalt not write thy doctor’s thesis
On education,
Thou shalt not worship projects nor
Shalt thou or thine bow down before
Administration.

Thou shalt not answer questionnaires
Or quizzes upon World-Affairs,
Nor with compliance
Take any test. Thou shalt not sit
With statisticians nor commit
A social science.

Thou shalt not be on friendly terms
With guys in advertising firms,
Nor speak with such
As read the Bible for its prose,
Nor, above all, make love to those
Who wash too much.

Thou shalt not live within thy means
Nor on plain water or raw greens.
If thou must choose
Between the chances, choose the odd:
Read The New Yorker, trust in God;
And take short views.

Hierbij mijn vertaalpoging:

BIJ WELKE LIER
Een reactionaire tijdrede
(Phi Beta Kappa-gedicht, Harvard, 1946)

Ares staakt eindelijk de strijd;
Van struiken druipt nog lange tijd
Vergoten bloed,
En de in puin geschoten steden
Herrijzen weer en baden vredig
In zomergloed.

Op ieder campusplein verschenen
Ruige veteranen die weer trainen
Als corps-novieten;
Instructeurs met wrange spot
Geven groentjes toegang tot
De vakgebieden.

Ze bestormen de kronkeltrappen
Van kunsten en van wetenschappen,
Of hangen er rond,
En zenuwen, gestaald tot moorden,
Worden kapotgeschoten door de
Verzen van Donne.

Beroofd van oorlogsprivileges
Geeft de professor weer college,
Maar soms met spijt;
Zijn dictafoon beviel hem goed,
Hij heeft beroemdheden ontmoet
En wil dat kwijt.

Maar onnavolgbaar als zovaak
Zendt Zeus de wil-tot-tegenspraak
Als pandemie;
Hij dwingt de vaudeville tot preken
En wie een feestwoord uit moet spreken
Tot polemiek.

Laat Ares soezen, deze slag
Gaat altijd door, want elke dag
Geeft ons te zien
De danser naar Apollo’s pijpen
En hem die Hermes, de vroegrijpe,
Probleemloos dient.

Onsterfelijken zaaiden gaarne
Verderf en dood op Midden-aarde;
Hun nooit verjaard
Besef van haat krijgt elk geslacht,
Elk mensentype in zijn macht:
De tweedejaars

Die lacht om al wat somber is
Of doet alsof hij Cortez is
(De prairie-heerser),
En zij die, net als ik, verbleken,
Als ze een keel opzetten tegen
De jaren veertig.

Door een Olympisch Vuur verhit,
Hoewel men samen lacht en bidt,
Maar on-klassieker,
Voltrekken burgergoden even
Gemeen hun dialectisch streven,
Maar fanatieker.

De Hermes-zonen spelen graag,
Doen slechts hun best als men hen vraagt
Kalmaan te doen;
Apollo’s nakroost zwoegt met vlijt
En is tot slavendienst bereid
Om het fatsoen.

Een vredesmissie is in deze
Verbondenheid door antithese
Gedoemd tot flop;
Respect misschien maar vriendschap nooit:
Falstaff de dwaas strijdt meer dan ooit
Met Hal de snob.

Liet hij zijn Ik nu maar alleen,
Apollo kreeg de troon meteen,
Fasces en valken;
Hij zit daar graag, is het gewend;
’t Zou hier met Hermes als regent
Zijn als de Balkan.

Jaloers op onze god der dromen
Tracht hij met list omhoog te komen
In onze gunst;
Onthand met lier en partituur,
Schept hij met imitatievuur
Subsidiekunst.

Als hij de baas is op de faculteit,
Wordt Waarheid snel Doelmatigheid;
PR en Sport
Vult menig kern-curriculum;
Hij zorgt dat ieder practicum
Commercie wordt.

Atletisch, extravert en ruw
Geeft hij wie eenzaam is en schuw
Geen schijn van kans;
Het doel: een dichtbevolkt Nirwana;
Zijn schild draagt dit devies: Mens Sana
Qui mal y pense.

Zijn vaandels zijn van goudbrokaat;
Triomfen viert hij inderdaad,
Van Links tot Rechts,
Van Yale tot Princeton, en het nieuws
Van Broadway tot de Book Reviews
Geeft niets dan slechts.

Zijn radio galmt homerisch voort,
Niet door besef van maat gestoord
(Pastiche van Whitman);
Vol adjectieven is zijn taal
Om doughnut of om Jan Modaal
Flink te aanbidden.

Van hem is ook de huislyriek
Op huwelijk, hond of hosmuziek,
Op zweet of zwoerd,
Verzonnen door een hoofse bard
Wiens ellenlange rijm verward
Obstructie voert.

Zo gaan naar hem de feest-oraties
En series fuga-variaties
Op volksballaden;
Dieet-experts plengen een glas
Met pruimensap of kalebas
Met snoepsalade.

Hij is als sensatie-zuchtige
Verzot op seks en vluchtige
Godsdienstigheid;
Een stortbui van romans belooft
(Neerplenzend op ons weerloos hoofd)
Een griezeltijd.

Voorts tracht hij in het Hermes-kamp
Met vals tuniek en hoefgestamp
Een wig te drijven;
Het gonst van existentialisten
Die ieder elke hoop betwisten,
Maar blijven schrijven.

Geeft niks, want winnen zal hij niet;
Wij krijgen steun van Aphrodite!
Maar wat gedaan
Als zijn regiem verhardt? Wij zullen,
Bij Zeus, als politieke nullen,
Hem toch verslaan.

Geleerden, schietend uit de muren
Van tijdschriften met veel allure,
Staan voor de feiten;
Ons keurkorps intellectuelen
Bestormt de magazine-burelen
Om trends te grijpen.

’s Nachts smoest de zelfkant-avantgarde
Op feestjes over ons verstarde
Establishment;
Des ochtends stort een groot notabele
Terneer, geveld door een capabele
Verbale stunt.

Moreel herstel vormt onze kracht,
Opdat ons straks het schouwspel wacht
Van ’s vijands vlucht:
Apollo’s heir raakt in paniek.
De dekaloog der Hermetiek
Wordt nu Uw tucht:──

Gij zult professors nimmer vleien,
Noch in uw proefschrift-schrijverijen
Opvoedend praten;
Gij zult projecten niet aanbidden,
Noch onderdanig zijn temidden
Der bureaucraten.

Tegen enquêtes zegt gij nee;
Aan quizzen doet gij nimmer mee;
Niet uit gemak
Zult gij een test doen; vormt geen span
Met statistici; hebt afschuw van
Elk socio-vak.

Gij zult u niet vertonen samen
Met snelle jongens in reclame,
Noch blij verrast
De bijbel lezen om zijn spraak,
Noch vrijen met wie zich te vaak
en grondig wast.

Uw grenzen houden u niet tegen;
Versmaadt vlak water, kalme wegen;
Als het mag zijn,
Kiest wat u hoon oplevert, spot;
Leest The New Yorker; hoopt op God;
En hou het klein.

Er zal geen vrede zijn – W.H. Auden

Waits Mule VariationsW.H. Auden schreef in 1956 het gedicht ‘There will be no peace’ (Collected Poems, p.617): een evocatie van een paranoïde geestestoestand. Dat komt in de beste kringen voor: Tom Waits, “What’s He Building?”, Mule Variations.

Auden noemde het een van de persoonlijkste gedichten die hij ooit had geschreven. Het gedicht kent bewonderaars en verguizers, zoals zoveel gedichten, maar het heeft in ieder geval op mij een blijvende indruk gemaakt.

There Will Be no Peace

Though mild clear weather
Smile again on the shire of your esteem
And its colors come back, the storm has changed you:
You will not forget, ever,
The darkness blotting out hope, the gale
Prophesying your downfall.

You must live with your knowledge.
Way back, beyond, outside of you are others,
In moonless absences you never heard of,
Who have certainly heard of you,
Beings of unknown number and gender:
And they do not like you.

What have you done to them?
Nothing? Nothing is not an answer;
You will come to believe – how can you help it? –
That you did, you did do something;
You will find yourself wishing you could make them laugh,
You will long for their friendship.

There will be no peace.
Fight back, then, with such courage as you have
And every unchivalrous dodge you know of,
Clear in your conscience on this:
Their cause, if they had one, is nothing to them now;
They hate for hate’s sake.

Matthieu_van_Plattenberg_-_A_Dutch_Ship_Running_on_to_a_Rocky_CoastEr zijn niet veel formele vormkenmerken die het vertalen lastig maken. Vertalen betekent (ook) in dit geval: de emotionele sequentie van het gedicht in het Nederlands proberen na te bootsen. Dat is overigens lastig genoeg. Ik heb het vers als volgt vertaald:

Er zal geen vrede zijn

Hoewel kalm helder weer
Het gewest van jouw herwonnen zelfrespect toelacht,
En de kleur erin terugkeert, heeft de storm jou veranderd:
Niet, nooit zul je vergeten
De nacht die alle hoop wegvaagde, het geloei
Dat voorbode was van jouw ondergang.

Met die wetenschap moet je leven.
Ver weg, boven, buiten jou zijn anderen,
In een maanloos verstek waarvan je nooit hebt gehoord,
Die zeker wel gehoord hebben van jou,
Wezens van onbekend geslacht en aantal:
En zij zijn niet dol op jou.

Wat heb je hun misdaan?
Niets? Niets kan geen antwoord zijn;
Je zult gaan geloven – kun jij het helpen? –
Dat je iets, dat je echt iets misdaan hebt;
Je zult merken dat je hen aan het lachen wilt maken,
Je zult naar hun vriendschap verlangen.

Er zal geen vrede zijn.
Vecht dus terug, met alle moed die in je is
En elke minne streek die je bedenken kunt;
Laat een ding helder voor je zijn:
Hun motief, als het er was, heeft elke zin voor hen verloren;
Zij haten om te kunnen haten.

De Stille Wet – W.H. Auden

AudenVanVechten1939De naam van dit blog, The Hidden Law, is het onderwerp van een gedicht van Wystan Hugh Auden (1907-1973). Dit gedicht luidt:

The Hidden Law

The Hidden Law does not deny
Our laws of probability,
But takes the atom and the star
And human beings as they are,
And answers nothing when we lie.

It is the only reason why
No government can codify,
And verbal definitions mar
The Hidden Law.

Its utter patience will not try
To stop us if we want to die;
If we escape it in a car,
If we forget It in a bar,
These are the ways we’re punished by
The Hidden Law.

The Double Man - Random HouseHet gedicht verscheen in 1941 zonder titel als noot bij Auden’s gedicht ‘New Year Letter’ in The Double Man (p.113-114). Het gedicht werd in 1945 als ‘Aera sub Lege’ gepubliceerd in Auden’s The Collected Poetry of W.H. Auden (p.117).

Ik heb een vertaling gemaakt die in 2000 gepubliceerd is in het lustrumnummer van De Tweede Ronde (zomer 2000, p.186):

De Stille Wet

De Stille Wet voert nimmer strijd
Met wetten van waarschijnlijkheid,
Maar laat atoom en ster hun baan,
Ziet mensen in hun wezen aan,
Geeft onze leugens geen bescheid.

Zo komt het dat geen overheid
Haar code in de vingers krijgt;
Formules doen slechts afbreuk aan
De Stille Wet.

Nooit maakte haar lankmoedigheid
Aan wie de dood zoekt een verwijt:
Wie haar per auto wil verslaan,
Wie haar in drank zoekt te ontgaan,
Wordt zo gewaar hoe zij kastijdt,
De Stille Wet.

De Tweede Ronde 2000 - cover lustrumnummerIk houd van dit gedicht. De Stille Wet is altijd en overal van kracht, ook zonder nageleefd te worden. De hachelijkheid van het bestaan, feilbaarheid, vluchtgedrag, zwelgen in slachtofferschap, zelfzucht, totalitair gedram zijn haar vanzelfsprekend bekend. Het is binnen haar universele jurisdictie al even misplaatst om een gesneden beeld van de Godheid te maken als om in iconoclasme te vervallen. Het is een ongeschreven wet, zonder wetshandhavers en bureaucratie.

Ik hoop op deze plaats met ingang van vandaag, 6 juli 2015, wekelijks beschouwingen, gedichten en vertalingen te publiceren.

Veel leesplezier. Commentaar en kritiek is zeer welkom.

Arie Sonneveld