Tagarchief: Under Sirius

Onder Sirius – W.H. Auden

Het gedicht Under Sirius is een onderschat gedicht in het oeuvre van Wystan Hugh Auden. Het is een dreigend gedicht met een vermanende strekking, en het is gericht tot de vroeg-middeleeuwse dichter Venantius Fortunatus (Venantius Honorius Clementianus Fortunatus, ca. 530 – ca. 609), tevens bisschop van Poitiers.

Het gedicht is bovendien een doelbewuste, enigszins provocerende apologie van een burgerlijke moraal – afspraken nakomen, rekeningen betalen, tijdig uit bed komen, niet wachten tot de beloning arriveert. Deze burgerlijke moraal wekte namelijk irritatie in de anti-burgerlijke culturele atmosfeer waarin Auden zich destijds bevond. Wie tegenwoordig provoceren wil moet omwentelingen toejuichen, want de atmosfeer is nu eerder angstig en behoudend dan revolutionair.

Het is zeker niet uitgesloten dat Auden dit gedicht in feite tot zichzelf richtte als berisping voor een te geringe toewijding aan een geloof dat hij eerder met zoveel woorden had omhelsd (Anthony Hecht, The Hidden Law. The Poetry of W.H. Auden, Harvard University Press 1993, p.333).

Het gedicht heeft een parlando-effect, maar kent tegelijkertijd vrij strenge vormeisen.

Sirius is de hondsster, de helderste ster van het sterrenbeeld Grote Hond. Volgens de oude Grieken veroorzaakte de verschijning ervan een periode van hitte en grote droogte, overdrachtelijk: een seizoen van geestelijke verlatenheid.

De oude Grieken geloofden dat Sibillen orakels waren, vrouwen die van goddelijke inspiratie gebruik maakten voor hun spreuken.

Trooster is een bijnaam van de Heilige Geest. De wind die de Troostervleugels laat waaien, verwijst naar de adem die God de mens bij de schepping in de neusgaten blies en die hem zijn hoogste gave, de taal, doet spreken. Het dromen van een goddelijke interventie die Fortunatus’ writers block opheft, wordt in dit vers niet toegejuicht, en daarmee is de verwijzing naar de vleugels van de Heilige Geest in hoge mate ironisch.

In het bijbelboek Zefanja 2:9 worden de zoutgroeven genoemd waarin Sodom en Gomorra veranderden nadat God deze steden van verderf had gedoemd tot oorden van eeuwige verwoesting.

Pantokratisch is een aan het Grieks ontleend woord dat verwijst naar pantokrator, een benaming van God die het Al heeft geschapen.

Megalopods betekent ‘grootvoetigen’.

Vertaling:

Onder Sirius

Ja, dit zijn de hondsdagen Fortunatus:
De heide ligt kreupel en dood
Tegen de berg, de razende beekstroom
Kwijnt weg tot een siepelend draadje;
Roestig is de legionaire speer, stoppelig de kapitein,
Leeg het geleerde brein
Onder z’n ruime baret;
Hoezeer ook beneveld, de Sibille schenkt gratis
Een scheut met borrelklets.

En jijzelf, snipverkouden, je rekeningen onbetaald,
Gekweld door opkomend maagzuur,
Je luid aangeprezen epos nog niet begonnen,
Slapend tot het middaguur,
Jij lijdt ook vreselijk. Je hoopt de hele dag, zo zei je,
Dat een aardschok ons zal verblijden,
Of Troostervleugels zouden waaien
Om kerkers te ontsluiten en de wanordelijke
Toeloop te hertalen.

En vannacht, zei je, droomde je van die stralende blauwe morgen,
Met bloeiende meidoornhagen,
Als daar, in hun ivoren scheepjes, sereen,
De drie wijze Maria’s opdagen,
Ruisend door rimpelloos water, geloodst
Door zeepaard en vloeiende dolfijn;
Ah, hoe buldert het geschut,
Hoe klingelen de klokken, als Zij
Straks liefelijk landen op de verdorven kust.

‘t Is normaal om te hopen en vroom, uiteraard, te geloven
Dat alles uiteindelijk goed komt,
Maar allereerst, weet je nog,
Aldus voorzeggen de Heilige Boeken,
Wordt het bedorven fruit geschud; houdt jouw hoop stand
In het moment dat de opstandige vloedgolf,
Als het stil wordt, niemand het nog beseft,
Nog eer hij breekt en verzwelgt,
Zich boven de slapende stad verheft?

Hoe zou je kijken en wat zou je doen als de basalten
Graven der magiërs onder zouden gaan,
En hun megalopode wachters,
Kwamen zwijgend-hijgend achter je aan?
Wat zou je zeggen als uit hun pestilente bron
De onsterfelijke nymfen op zouden vliegen,
Luid piepend in de hemel rondom,
En het pantokratisch raadsel kraakt –
“Wie zijt gij en waarom?”

Want als in sierlijke reidans de bevrijden
Onder de appelbomen verdienstelijk dansen,
Zullen er ook zijn, Fortunatus,
Die treurden om hun kansen:
Broddelende schaduwen, morrend naast de zoutgroeven,
IJdel kwelend, hulpbehoevend,
Voor wie deze tussentijdse, doffe
Hondsdagen wel gekroond lijken met olijven,
En verguld met eigenlof.

Origineel:

Under Sirius

Yes, these are the dog-days, Fortunatus:
The heather lies limp and dead
On the mountain, the baltering torrent
Shrunk to a soodling thread;
Rusty the spears of the legion, unshaven its captain,
Vacant the scholar’s brain
Under his great hat,
Drug as she may the Sybil utters
A gush of table-chat.

And you yourself with a head-cold and upset stomach,
Lying in bed till noon
Your bills unpaid, your much advertised
Epic not yet begun,
Are a sufferer too. All day, you tell us, you wish
Some earthquake would astonish
Or the wind of the Comforter’s wing
Unlock the prisons and translate
The slipshod gathering.

And last night, you say, you dreamed of that bright blue morning,
The hawthorn hedges in bloom,
When, serene in their ivory vessels,
The three wise Maries come,
Sossing through seamless waters, piloted in
By sea-horse and fluent dolphin;
Ah! how the cannons roar,
How jocular the bells as They
Indulge the peccant shore.

It is natural to hope and pious, of course, to believe
That all in the end shall be well,
But first of all, remember,
So the Sacred Books foretell,
The rotten fruit shall be shaken. Would your hope make sense
If today were that moment of silence
Before it break and drown
When the insurrected eagre hangs
Over the sleeping town?

How will you look and what will you do when the basalt
Tombs of the sorcerers shatter
And their guardian megalopods
Come after you pitter-patter?
How will you answer when from their qualming spring
The immortal nymphs fly shrieking
Out of the open sky
The pantocratic riddle breaks-
“Who are you and why?”

For when in carol under the apple-trees
The reborn featly dance,
There will also, Fortunatus,
Be those who refused their chance,
Now pottering shades, querolous beside the salt-pits,
And mawkish in their wits
To whom these dull dog-days
Between event seem crowned with olive
And golden with self-praise.

 

Advertenties