Tagarchief: Tijdloos

Tijdsovergang – Christian Wiman

De Amerikaanse dichter Christian Wiman lijdt aan een progressieve, ongeneeslijke ziekte. Het gedicht From one Time bevat de uitdrukking die de titel leverde van het door Willem Jan Otten vertaalde boek My Bright Abyss: Mijn heldere afgrond.

De vertaling van de titel is nogal vrij. Het kan misschien beter.

Vertaling:

Tijdsovergang

Maar de wereld is eerder toevlucht
dan zekerheid, vaker troost en schuilplaats
voor de weigerende wil, dan een scherpomlijnd,
ragfijn moment waarin Gods wezen zich brandt
in het onze. Ik zeg God en bedoel meer dan
de heldere afgrond die zich opent in dat woord.
Ik zeg wereld en bedoel minder
dan de abstracte vergetelheid der atomen,
waaruit elk werkend ding tevoorschijn komt,
waartoe elk werkend ding uiteindelijk wederkeert.
Ik weet niet hoe ik nader kan komen tot God
dan door daar te zijn waar de wereld eindigt
voor een enkel mens. Het is nog donker,
en ik luister nu al al een uur
naar de ademhaling van de vrouw die ik meer liefheb
dan ik liefhebben kan. Ik prijs de pijn
die ons deed samengloeien, het verdriet
dat haar, als God het wil, zal sparen, waaraan zij ooit weer
zal ontgroeien. En ik prijs het licht dat nog niet
daar is, de zonsopgang waarin reeds een vogel gelooft,
die roept, niet alsof de nacht niet bestaat,
maar alsof hij er altijd geweest is, in welke nacht dan ook.

Origineel:

From One Time

But the world is more often refuge
than evidence, comfort and covert
for the flinching will, rather than the sharp
particulate instants through which God’s being burns
into ours. I say God and mean more
than the bright abyss that opens in that word.
I say world and mean less
than the abstract oblivion of atoms
out of which every intact thing emerges,
into which every intact thing finally goes.
I do not know how to come closer to God
except by standing where a world is ending
for one man. It is still dark,
and for an hour I have listened
to the breathing of the woman I love beyond
my ability to love. Praise to the pain
scalding us toward each other, the grief
beyond which, please God, she will live
and thrive. And praise to the light that is not
yet, the dawn in which one bird believes,
crying not as if there had been no night
but as if there were no night in which it had not been.

Tijdloos – R.S. Thomas

Aberdaron_church_-_geograph.org.uk_-_13372

Aberdaron Church, de kerk waar Thomas van 1967-1978 dominee was (Wikimedia Commons)

Enkele jaren geleden kwam ik voor het eerst de naam Ronald Stuart Thomas tegen toen ik een bespreking van Thomas’ biografie las. De openingszin van dat stuk luidt: “I am not notably frivolous, but whenever I read R. S. Thomas’s poetry, or his biography, I cannot help but reflect that, like the majority of mankind, I have spent most of my life chasing false gods.

De boekbespreking draagt als titel A Man Out of Time (City Journal, 6 nov 2006), en was geschreven door Theodore Dalrymple, een essayist die ik graag lees. Het gedicht No Time wordt erin geciteerd, evenals het gedicht A Marriage, dat ik al eerder vertaalde.

Thomas was, net als Guillaume van der Graft (pseud. van Willem Barnard), Nicolaas Beets en Piet Paaltjens, een dichter-dominee.

Dit gedicht ontroert mij zeer.

Vertaling:

Tijdloos

Ze liet me alleen. Van wie
was die stem, kouder
dan grafwind, die sprak
“Het is voorbij”? Ongrijpbaar,
onzichtbaar, komt ze nog
bij me, zoals ze vaak
deed, terwijl ik wat lees.
Er is een beving
van licht, als van een vogel die
de zonnebaan kruist, en ik kijk
op in herkenning
van een afwezige aanwezigheid.
Geen woord, geen geluid
als ze haar gang gaat,
maar een geur die blijft hangen,
geur van de tijd die zichzelf offert
in liefdesvuur.

Origineel:

No Time
Uit: No Truce with the Furies (1995)

She left me. What voice
colder than the wind
out of the grave said:
“It is over?” Impalpable,
invisible, she comes
to me still, as she would
do, and I at my reading.
There is a tremor
of light, as of a bird crossing
the sun’s path, and I look
up in recognition
of a presence in absence.
Not a word, not a sound,
as she goes her way,
but a scent lingering
which is that of time immolating
itself in love’s fire.