Tagarchief: Sonnet

Vredesplan

Vredesplan

Hij was een stille, slanke man,
Met kleine ogen en een klein gebrek.
De mensen vonden hem maar gek;
De tijd vroeg om een vredesplan.

Niemand wist er het fijne van.
Hij zat te staren op een hek.
Hij sprak soms tot een blauw verstek.
Ik hoop dat u hem volgen kan.

De meeuwen doken om hem heen.
Ze vreesden voor hun pril gebroed.
Ze krijsten, maar de man zei: “Neen,

Niet altijd komen dingen goed.”
De wereld werd weer stukken steen,
En ergens sijpelde nog bloed.

(Eigen werk; een komma en twee aanhalingstekens geplaatst na een goed commentaar van Johan Snel op Twitter.)

Advertenties

Sonnet 78 – Shakespeare

Shakespeare_(oval-cropped) (1)De Engelse dichter, toneelschrijver en acteur William Shakespeare (1564-1616) wordt algemeen beschouwd als een van de grootste dichters die ooit heeft geleefd. Naast toneelwerk in verzen heeft hij ook 154 sonnetten geschreven die al vaker in het Nederlands vertaald zijn. Veel van die vertalingen zijn ook wel online te vinden.

In Sonnet 78 blijkt dat Shakespeare te maken heeft met geleerde concurrenten. Het betreft hier waarschijnlijk “een groep elizabethanen, bekend als de […] University Wits, (…)”, volgens Peter Verstegen, die een tweetalige editie van de sonnetten heeft gemaakt en ook een commentaar heeft geschreven bij elk sonnet (William Shakespeare, Sonnetten, Amsterdam: G.A. van Oorschot, 1993, p.268).

In veel gevallen worden de eerste twaalf regels als één blok geschreven. Ik heb ze als kwatrijnen genoteerd omwille van de leesbaarheid.

Vertaling:

Sonnet 78

Heel dikwijls riep ik jou als muze aan,
Wat al mijn verzen zeer te stade kwam;
Door vreemde pennen werd het nagedaan,
Zodat men nog wat van hun poëzie vernam.

Jouw ogen leerden zwijgers kwinkeleren,
Verhieven logge domheid in de lucht,
Geleerde wieken kregen heuse veren,
Waar gratie was, nam die nog hoger vlucht.

Verhef je maar op wat ik nederschrijf,
Jij bent de oorsprong, en jij bent het vuur.
Kunst die zich warmt aan jou, beklijft,
Bij broeders geeft het hooguit wat structuur.

Kern van mijn kunst ben jij, en zelfs bereid
Jij nog geleerdheid uit mijn dommigheid.

Origineel:

Sonnet 78

So oft have I invoked thee for my muse,
And found such fair assistance in my verse
As every alien pen hath got my use,
And under thee their poesy disperse.

Thine eyes, that taught the dumb on high to sing
And heavy ignorance aloft to fly,
Have added feathers to the learned’s wing
And given grace a double majesty.

Yet be most proud of that which I compile,
Whose influence is thine, and born of thee.
In others’ works thou dost but mend the style,
And arts with thy sweet graces gracèd be;

But thou art all my art, and dost advance
As high as learning my rude ignorance.

De laatste envelop

De laatste envelop

Langzaam maak ik de enveloppen open:
Een bon, een bankafschrift, een sterfgeval.
Bewolkte debetposten, al met al;
Wie durft er nog op wonderen te hopen?

De argumenten om je op te knopen
Groeien per postbezorging in getal.
De weg naar het geluk is lang en smal.
Je moet die eenzaam in het donker lopen.

De laatste envelop die ik tot slot
En met een lichte huiver openmaak –
Hoewel het ding eruit ziet als een vod –

Bewerkt dat ik mijn tobberijen staak.
Ik merk dat iemand met mijn wanhoop spot,
En ik in zalige verwarring raak.

(Eigen werk: een gelegenheidsgedicht als dankbetuiging.)

Een kaartje naar de Melkweg

Een kaartje naar de Melkweg

Zacht schoof ik de gordijnen open.
De straten glommen in het zwakke licht.
Een autodeur sloeg woedend dicht.
Ik zag de schimmen door de regen lopen.

Er viel geen touw meer vast te knopen
aan wat, uit noodzaak, sleur of plicht,
door mij was opgeschreven of verricht.
Ik wou een kaartje naar de Melkweg kopen.

Wie laks is en niet goed is voorbereid,
lijdt in de hoogte kans op helse pijnen
en valt ten prooi aan hemelgruis en strijd.

Voilà, een visum, krachtvoer, medicijnen.
Ik wist wat ik moest doen, ik nam de tijd.
De grootste opgaaf is om te verdwijnen.

(Eigen werk)

Schapen zoeken op de maan

Schapen zoeken op de maan

Schapen zoeken op de maan naar water.
Het veer glijdt zacht over de doodsrivier.
De wespen doen zich hier te goed aan bier.
Successen komen nu, of nooit, of later.

De godsdienststichter stortte in een krater.
Een witte eenhoorn danste van plezier.
De tederheden dwalen op papier,
Je ziet het misschien niet, maar toch, het staat er.

Ik ben, weet ik, geen man van bacchanalen,
Geen god meer die triomfen viert in bed,
Al trek ik in gedachten volle zalen,

En schrijf ik vlijtig voort aan dit sonnet.
Ze kunnen desgewenst me komen halen:
‘k Woon driehoog achter, in een serviceflat.

(Eigen werk)

Ik had dit gedicht ingezonden voor de Turing Gedichtenwedstrijd 2018. Er waren ongeveer 7000 inzendingen. De beoordeling vond in een aantal ronden plaats. Mijn gedicht was doorgedrongen tot de tweede ronde waarin nog 1000 gedichten over waren gebleven. Elk van deze 1000 gedichten ontving een beknopt juryrapport. Mijn rapport luidde:

Pittig, prettig gedicht. De onverwachte beelden en contrasten intrigeren meteen. Het rijm sluipt handig binnen, zonder al te veel nadrukkelijkheid. In de eerste en tweede strofe zwermt het sonnet vele kanten op, wat een zekere vaagheid teweegbrengt. Na de volta wordt het persoonlijker en duidelijker, maar tevens eenduidiger. Het gedicht zwakt af naar het einde toe. Desalniettemin getuigt het sonnet van vakmanschap.

Rijmen kan niet meer

Norsk_Orgel-Harmoniumfabrikk_harmonium_(clip)_-_Holm_camping,_Bindal,_Norway,_2014-07-24_(photo_by_Henning_Klokkeråsen)Rijmen kan niet meer

Das war einmal, maar rijmen kan niet meer;
het is passé, schlemielig en bekrompen –
harmoniums zijn immers psalmenpompen,
wie dankt er nog op vrome toon de Heer?

Vergeet ze maar, die komma’s van weleer,
die hoofdletters, die streepjes en die lompe,
pedante punten – dat geklos op klompen,
die taalterreur van juffrouw Ganzenveer.

Mijn verzen zijn van zulke zaken vrij
en adresseren zonder haperingen –
ik blijf het liefst mijzelve zeer nabij,

al laat ik and’ren gaarne hymnen zingen
of zich verliezen in een hospartij

de kern, de grond, het wezen van de dingen!