Tagarchief: Rozen

Rozen

Rozen

Je vouwde
van mijn sidderingen
rode rozen,
rozen die geurden.

Getuite lippen
zonden kleurige bellen
langzaam naar omhoog,
bellen die eindelijk,
zweven konden,
gevuld met huiver.

“Ik geloof
in de regenboog”,
sprak ik ferm,
en strekte
mijn hand
naar haar uit
als een bescheiden
god.

Met onvaste stem
zong ik een lied.

Toen plukte ik
langzaam
de rozen
van haar borsten,
blies zacht
het dons
van haar billen,
en vlijde mezelf,
onder de traag
neerdalende bellen,
geriefelijk
in haar lendenen,
vergenoegd
als een kind.

Wij lachten.
Wij stamelden.
Wij kusten.
Wij ademden.

Wij vergingen
onafwendbaar
in de vlammen
van ons vlees.

“Kom liefste”, riep ik,
“er zijn nog meer bloemen!”

(Eigen werk)

Rozen, nazomer – Mary Oliver

Mary Oliver

Mary Oliver (2001) tijdens een poëzievoordracht

Ze is een Amerikaanse dichter, Mary Oliver (1935-2019), en ze werd geboren in een landelijk plaatsje, vlakbij Cleveland in Ohio. Daar ontwikkelde ze een grote voorliefde voor de natuur.

Ze begon betrekkelijk vroeg met dichten. Ze schrijft verzen met een fraai ritme, waarin vaak rijm ontbreekt, maar waarin een dichterlijke stroom en tegenstroom nooit ontbreken, en die ons gevoelig maken en verrijken – zoals elk goed gedicht – voor de gruwelen en de schoonheden en de geheimenissen van het bestaan – “We are nourished by the mystery” (The Fish).

Ze was bevriend met de zus van  Edna St. Vincent Millay, en heeft met haar de nagelaten papieren van de dichteres geordend.

Hier kunt u Mary Oliver beluisteren terwijl ze het gedicht Roses, Late Summer voordraagt. Ze heeft een aangename en heel duidelijke voordracht.

Hier kunt u uitgebreider met haar voordracht en haar persoon kennis maken.

Het gedicht heeft weinig toelichting nodig. Oliver beschrijft allereerst de eenvoud en natuurlijkheid van de schepping, van vos en roos. Ze eindigt met een verlangen naar de natuurlijkheid, de zuiverheid van deze schepselen.

De slotvraag is de pointe. Die vraag contrasteert in zijn betrekkelijk agressieve lading sterk met de lieflijkheid van het voorafgaande, eigenlijk precies omgekeerd als in het gedicht Weg met die heilige parabels van Heinrich Heine: daar is het gedicht juist vrij agressief, en is de slotregel zeer ontwapenend in zijn naïeve eenvoud.

Vertaling:

Rozen, nazomer

Wat gebeurt er
met de bladeren als
ze rood kleuren of goud, als ze
afvallen? Wat gebeurt er

met de zangvogels
als ze niet langer kunnen
zingen? Wat gebeurt er
met hun snelle vleugeltjes?

Denk je dat er een
persoonlijke hemel is
voor ieder van ons?
Denk je dat er iemand,

gene zijde van die duisternis,
ons zal roepen, daarmee ons zal bedoelen?
Achter de bomen
blijven de vossen hun welpen leren

hoe je leeft in de duinpan;
het lijkt wel of ze nooit verdwijnen, ze zijn er altijd
in het bloeiende licht
dat elke ochtend weer oprijst

in de donkere lucht.
En nog weer een duinenrij verder,
vlak langs de zee,
beginnen de laatste rozen hun productie van lieflijkheid,

en schenken ze deze terug aan de wereld.
Als ik een ander leven zou krijgen,
zou ik het willen geven aan een onbekend
tomeloos geluk.

Het zou een vos kunnen zijn, of een boom
vol met wuivende takken.
Ik zou het niet erg vinden een roos te zijn
in een veld vol met rozen.

Angst is nooit tot hen doorgedrongen; ambitie evenmin.
Verstand valt buiten hun besef.
Ook vragen ze nooit hoe lang ze rozen moeten zijn, en wat dan?
Of welke idiote vraag dan ook.

Origineel:

Roses, Late Summer

What happens
to the leaves after
they turn red and golden and fall
away? What happens

to the singing birds
when they can’t sing
any longer? What happens
to their quick wings?

Do you think there is any
personal heaven
for any of us?
Do you think anyone,

the other side of that darkness,
will call to us, meaning us?
Beyond the trees
the foxes keep teaching their children

to live in the valley.
so they never seem to vanish, they are always there
in the blossom of the light
that stands up every morning

in the dark sky.
And over one more set of hills,
along the sea,
the last roses have opened their factories of sweetness

and are giving it back to the world.
If I had another life
I would want to spend it all on some
unstinting happiness.

I would be a fox, or a tree
full of waving branches.
I wouldn’t mind being a rose
in a field full of roses.

Fear has not yet occurred to them, nor ambition.
Reason they have not yet thought of.
Neither do they ask how long they must be roses, and then what.
Or any other foolish question.