Tagarchief: Rainer Maria Rilke

Sluitstuk – Rainer Maria Rilke

buch-der-bilderDit gedicht van Rainer Maria Rilke was het sluitstuk van Das Buch der Bilder. De dood wordt natuurlijk tevens voorgesteld als het sluitstuk van het leven, het stukje zonder welke het leven onvoltooid is.

De lachende mond van de reusachtige dood vormt allereerst de krater op de rand waarvan wij allen leven en waarin wij allen ooit zullen tuimelen.

Binnen zes korte regels is het echter – terwijl wij menen midden in het leven te staan – datgene wat huilt in ons diepste innerlijk.

De beeldspraak verandert van een realiteit buiten ons die overweldigend is en lacht – iets waarvan je je bovendien nauwelijks bewust bent – naar een realiteit binnen ons die diep verscholen is en huilt – wat voor anderen klein lijkt, maar wat als pijnlijk gevoeld wordt, openbaar wordt, en ten slotte voor iedereen onontkoombaar is.

In de dood is lachen en huilen, binnen en buiten, groot en klein uiteindelijk één.

Ik heb het rijm wel enigszins gevolgd in vertaling, namelijk als halfrijm, maar ik heb het niet geforceerd tot het originele volrijm, omdat het resultaat er voor mijn gevoel minder van werd. Vertalersonmacht ongetwijfeld.

Vertaling:

Sluitstuk

De dood is groot.
Wij bestaan bij
de gunst van zijn lachende mond.
Als we ons midden in ’t leven wanen,
waagt hij te wenen
midden in ons.

Origineel:

Schlußstück

Der Tod ist groß.
Wir sind die Seinen
lachenden Munds.
Wenn wir uns mitten im Leben meinen,
wagt er zu weinen
mitten in uns.

Herfstdag – Rainer Maria Rilke

Rainer_Maria_Rilke,_1900

Rainer Maria Rilke (licentie)

Dit gedicht van Rainer Maria Rilke (1875-1926), een belangrijke lyrische dichter in het Duitse taalgebied, is terecht beroemd geworden door de regels:

Wer jetzt kein Haus hat, baut sich keines mehr.
Wer jetzt allein ist, wird es lange bleiben

Het gedicht lijkt een beetje op een sonnet, maar is het niet. Het is geen moeilijk gedicht. Het is een korte bespiegeling bij het einde van de zomer en het intreden van de herfst.

Vertaling:

Herfstdag

Heer, het is tijd. De zomer kon niet fraaier.
Vlei nu uw schaduw over onze zonnewijzers,
en laat uw winden over alle velden waaien.

Beveel de laatste vruchten mooi te zwellen;
gun ze een paar zwoele, zuidelijke dagen,
dwing hen tot rijping en – ten slotte – jaag
de laatste zoetheid in de zware wijnen.

Wie nu geen huis heeft, bouwt geen woning meer.
Wie nu alleen is, zal het heel lang blijven,
zal waken, lezen, lange brieven schrijven,
zal wandelen in de lanen heen en weer,
terwijl de wind de blaadjes voort zal drijven.

Origineel:

Herbsttag

Herr, es ist Zeit. Der Sommer war sehr groß.
Leg deinen Schatten auf die Sonnenuhren,
und auf den Fluren laß die Winde los.

Befehl den letzten Früchten voll zu sein;
gib ihnen noch zwei südlichere Tage
dränge sie zur Vollendung hin und jage
die letzte Süße in den schweren Wein.

Wer jetzt kein Haus hat, baut sich keines mehr.
Wer jetzt allein ist, wird es lange bleiben,
wird wachen, lesen, lange Briefe schreiben
und wird in den Alleen hin und her
unruhig wandern, wenn die Blätter treiben.