Tagarchief: R.S. Thomas

De therapie – R.S. Thomas

Ronald Stuart Thomas (1913-2000) was een Engels dichter die afkomstig was uit Wales en daar ook woonde en werkte als een Anglicaans priester. Hij was getrouwd met de schilder Mildred (Elsi) Eldridge. Hij is in Nederland niet zeer bekend.

De stijlvorm van het gedicht The Cure – vrije verzen met goed gekozen enjambementen (de zin loopt over de versregels heen) – wordt vaak gebruikt door R.S. Thomas.

Het onderhavige gedicht, afkomstig uit de bundel Poetry for Supper (1958), p.41, is een gedicht waarin wordt getwijfeld.

Er wordt in de eerste plaats gewezen op de navelstaarderij waartoe de dichter geroepen is sinds hij zich een buitenstaander voelt en er buiten hemzelf nauwelijks nog zielzorg wordt bedreven. R.S. Thomas lijkt zich hoogst ongemakkelijk te voelen bij het idee dat de dichter zichzelf zou moeten genezen. (Een schrijver is zijn eigen therapeut, zei W.F. Hermans.)

Maar er wordt vervolgens getwijfeld aan de mogelijkheden die de dichter heeft om de cultuur te redden, om zich met de profetenmantel te behangen, om politiek heil te brengen, niet omdat “Poetry makes nothing happen“, zoals W.H. Auden zei, maar omdat de cultuur er misschien zelden beter van wordt.

Karel van het Reve schreef ooit een limerick waarin dezelfde twijfel wordt uitgesproken (in dit geval uiteraard op een spottende manier):

Gij wilt bij de mensen in tel zijn
En strijden voor ’t algemeen welzijn,
Ik wens u het beste,
Maar zult gij ten leste
Wel meer dan een luidende schel zijn?

Dan nu de vertaling:

De therapie

Wat te doen? Verzendokters komen
Nauwelijks nog voor, de meeste dichters
Zijn hun eigen patiënt, genoopt eerst
Zichzelf te behandelen, met de eeuwige klacht
Dat ze anders zijn. Bedenk, eer jouw
Ruwe hand het subtiele gestel
Zal beroeren van een zieke cultuur,
Welke streken van dat kranke lichaam
Kunnen echt niet zonder dichterstherapie.

Origineel:

The Cure

But what to do? Doctors in verse
Being scarce now, most poets
Are their own patients, compelled to treat
Themselves first, their complaint being
Peculiar always. Consider, you,
Whose rough hands manipulate
The fine bones of a sick culture,
What areas of that infirm body
Depend solely on a poet’s cure.

 

 

 

 

Binnen – R.S. Thomas

r.-s.-thomas-4da1a5eab4f6b_360x225

R.S. Thomas

Dit gedicht van Ronald Stuart Thomas behoeft weinig toelichting. Het is postuum gepubliceerd in zijn Uncollected Poems. (Ik had het bijna kunnen schrijven.)

 

 

Vertaling:

Binnen

Het was het makkelijkst om met jou naar buiten
Te gaan, het veld in, waar vogels geen eisen stelden
Aan mijn gebrekkige kennis, bloemen uitbotten
Met geen ander idee dan de proclamatie van God.

Inwendig tobde ik met de bekende problemen:
Als ik van het behaaglijke bijbelwoord loskwam,
Stond ik van aangezicht tot aangezicht
Met hovaardige priesters, hun onverdraagzaam gedram.

Origineel:

Indoors

It was easier to come out with you
Into the fields, where birds made no claim
On my poor knowledge and flowers grew
With no thought but to declare God.

Within I had the old problems
To cope with: turning from the Book’s
Comfortable words, I came face to face
With the proud priests and their intolerant look.

In de kerk – R.S. Thomas

Dit gedicht beschrijft de houding van iemand die bidt in een heilige ruimte. Het resultaat is geen rap en evenmin een vers dat geschikt is voor een poetry slam.

Afwezigheid, leegte, stilte, duisternis zijn belangrijk voor het gebed, en voor de ruimte waarin degene die bidt zich wendt tot zijn zwijgende en onzichtbare God.

Moderne atheïsten kunnen er vaak slecht tegen als hun beeld van een rigide, ondemocratisch, homohatend en dogmatisch christendom dat gedoemd is de wedijver met de wetenschap reddeloos te verliezen, niet blijkt te kloppen. Zulke atheïsten kunnen de gedichten van Ronald Stuart Thomas, en a fortiori het gedicht In de kerk, beter ongelezen laten.

Vertaling:

In de kerk

Vaak probeer ik
De aard van deze stilten
Te doorgronden. Verbergt zich hier God
Voor mijn zoekende geest? Sinds die paar mensen
Zijn weggegaan, luister ik niet langer
Naar de lucht die zich herneemt
Voor haar wake. Zo wacht ze al eeuwen, al sinds de
Stenen zich hebben gegroepeerd om haar heen.
Zij zijn de vaste ribben
Van een lichaam dat ons gebed niet tot leven
Kon wekken. Vanuit de hoeken
Rukken schaduwen op om bezit te nemen
Van de plaatsen die het licht een uur lang
Bezet hield. Vleermuizen hervatten
Hun bedrijvigheid. Het ongemak van de kerkbank
Verdwijnt. Er is geen ander geluid
Dan het geluid van een man in het donker
Die ademt, die zijn geloof test
Op de leegte, die zijn vragen één voor één
Nagelt aan een leegstaand kruis.

Origineel:

In Church

Often I try
To analyse the quality
Of its silences. Is this where God hides
From my searching? I have stopped to listen,
After the few people have gone,
To the air recomposing itself
For vigil. It has waited like this
Since the stones grouped themselves about it.
These are the hard ribs
Of a body that our prayers have failed
To animate. Shadows advance
From their corners to take possession
Of places the light held
For an hour. The bats resume
Their business. The uneasiness of the pews
Ceases. There is no other sound
In the darkness but the sound of a man
Breathing, testing his faith
On emptiness, nailing his questions
One by one to an untenanted cross.

 

Het Koninkrijk – R.S. Thomas

Het gedicht The Kingdom is niet alleen voor vrome zielen, al beschrijft Ronald Stuart Thomas daarin wel degelijk het Koninkrijk van God.

Dit is misschien wel hetzelfde koninkrijk waarover Gerard Reve uitriep in de slotzin van zijn gedicht Graf te Blauwhuis: “Dat Koninkrijk van U, weet U wel, wordt dat nog wat?”

Vertaling:

Het Koninkrijk

We zijn er nog lang niet, maar de dingen
Gaan er daar heel anders toe:
Festivals waarbij de armen
Koning zijn, teringlijders van gezondheid
Blaken; spiegels waarin de blinden
Zichzelf aankijken, de liefde
Terugkijkt; alle industrie is voor het repareren
Van knikkende knoken en geesten die door het leven
Gebroken zijn. We zijn er nog niet, maar
Het kost geen tijd er te komen en de toegang
Is gratis, mits je uit jezelf alle begeerte
Verdrijft, je tevoorschijn komt met
Wat je echt nodig hebt, en je eenvoudig
Jouw geloof aanreikt, groen als een blaadje.

Origineel:

The Kingdom

It’s a long way off but inside it
There are quite different things going on:
Festivals at which the poor man
Is king and the consumptive is
Healed; mirrors in which the blind look
At themselves and love looks at them
Back; and industry is for mending
The bent bones and the minds fractured
By life. It’s a long way off, but to get
There takes no time and admission
Is free, if you purge yourself
Of desire, and present yourself with
Your need only and the simple offering
Of your faith, green as a leaf.

 

Wat ik moet doen – R.S. Thomas

Het gedicht This to do van R.S. Thomas (1913-2000), een dichter-dominee uit Wales, beschrijft een taak die de ik-figuur nog moet uitvoeren in levendige beelden. Thomas ontleende deze beelden mogelijk aan zijn eigen ervaring.

De taak is geestelijk en angstaanjagend; de ervaring was lichamelijk en opwindend: de enge opdracht wordt beschreven als een spannend avontuur.

Die opdracht is het vinden van de toegangsdeur tot jezelf, en de enge zoektocht wordt voorgesteld als een duik onder water die in een uiterst beperkte tijd moet worden uitgevoerd. (Thomas hield erg van de Deense filosoof Søren Kierkegaard die het bestaan beschreef als eng en subliem, als het oversteken van een afgrond die thousands of fathoms diep is.)

De dichter verbindt lucht en adem metaforisch met geld en munten.

In het begin wordt meer lucht opgenomen dan de ik-figuur heeft, meer geld opgenomen dan op de rekening staat. Aan het eind van het gedicht en tijdens de duik wordt met de opstijgende luchtbellen die als munten worden voorgesteld, de moed ‘gekocht’ die nodig is om de toegangsdeur te vinden.

Hier kunt u luisteren naar de dichter zelf die het vers voordraagt op een fraaie, gedragen toon, een toon die ongetwijfeld door vrolijke, moderne, redelijke mensen als uiterst gedateerd zal worden beschouwd, want het verleden is immers waardeloos, de toekomst vol seksuele en andere genietingen lonkt, en God is dood.

Vertaling:

Wat ik moet doen

Vaststaat dat ik dit doen moet
Op enig moment: meer lucht opnemen
Dan mijn saldo toelaat, breken door het
Wateroppervlak, afdalen in de groene
Duisternis, op zoek naar de deur
Tot mijzelf, in doofheid en blindheid
En gedruis van angstig bloed
Bij de trommelvliezen. Geen richting-
Aanwijzers, alleen skeletten van dode
Zeeaal; geen licht, behalve het flauwe schijnsel
Van fosfor, waarin traag de lijken
Schommelen. Ik moet afdalen met het
Armzalig tegoed van mijn lijf, moed verzamelen,
Die ik betaal met de munten van mijn adem.

Origineel:

This To Do

I have this that I must do
One day: overdraw on my balance
Of air, and breaking the surface
Of water go down into the green
Darkness to search for the door
To myself in dumbness and blindness
And uproar of scared blood
At the eardrums. There are no signposts
There but bones of the dead
Conger, no light but the pale
Phosphorous, where the slow corpses
Swag. I must go down with the poor
Purse of my body and buy courage,
Paying for it with the coins of my breath.

 

Puinhopen – R.S. Thomas

Ruins

Bouwval in Wales

Puinhopen zijn altijd actueel, Brexit of geen Brexit.

Het gedicht Ruins van R.S. Thomas gaat over de kwetsbaarheid van de wereld waarop we vast vertrouwen en de zelfmisleiding die voor de instandhouding van die wereld nodig is.

In de eerste strofe wordt een excursie beschreven die is gesitueerd in een ruïne of puinhoop. Het opdwarrelende stof dat een slavenkleur heeft, wordt beschreven als iets essentieels, als de zuurstof zonder welke leven niet mogelijk is: eigenlijk moeten we natuurlijk zondebokken afwijzen, maar we kunnen toch niet zonder, althans niet zonder afschrikwekkend voorbeeld.

In de slotstrofe wordt het mogelijke koningsbot voorgesteld als een verloren hoofddoekje. Dit is een betekenisvolle omkering van de situatie waarin de koning iemand is voor wie je sterven wilt: er resteert alleen nog iets waarvan het belang onzeker en onduidelijk is.

Vertaling:

Puinhopen

En dit was een beschaving
Die niks tot stand bracht – zijn teen rakelde minachtend
Het slavenstof op. Zuurstof voor onze cultuur –
Wij inhaleerden het dankbaar.

In het puin vond iemand
Een gekromd bot. Waarschijnlijk van een koning,
Zei hij. Wij, onvolmaakte hovelingen,
Staarden ernaar: gevallen hoofddoek van de tijd.

Origineel:

Ruins

And this was a civilization
That came to nothing—he spurned with his toe
The slave-coloured dust. We breathed it in
Thankfully, oxygen to our culture.

Somebody found a curved bone
In the ruins. A kings probably,
He said. Imperfect courtiers
We eyed it, the dropped kerchief of time.

Afwachten – R.S. Thomas

liter

Liter 83, jrg. 19, september 2016

R.S. Thomas heeft een groot aantal gedichten geschreven die met wachten (‘waiting’) te maken hebben. Het begrip had een bijzondere betekenis voor hem, een betekenis die zeker christelijk is – wachten is onlosmakelijk verbonden met het gebed – maar die ook niet ver afligt van de waarde die Samuel Beckett eraan hechtte in zijn beroemde toneelstuk En attendat Godot (Waiting for Godot): wachten is onlosmakelijk verbonden met het leven.

Yeats is William Butler Yeats. Het gedicht kreeg aanvankelijk de titel Waiting en in een latere herdruk de titel Waiting for it.

Het is een afrekening met Yeatsiaanse retoriek, en het gedicht spreekt tevens zichzelf tegen door met een fraaie metafoor en een mooi ritme eigenlijk heel retorisch te eindigen.

Een goede analyse van het gedicht is gemaakt door William V. Davis in zijn boek Miraculous Simplicity – Miraculeuze eenvoud.1, een rake karakteristiek van Thomas’ poëzie. Deze titel werd ontleend aan een lezing van R.S. Thomas aan Swansea University in 1963, waarin hij het begrip veel ruimer toepaste:2

Art is not simple, and yet about so much of the best, whether in painting, poetry or music, there is a kind of miraculous simplicity.

liter-2

Pagina 66

Vertaling:

Afwachten

Yeats zei het. Ik genoot ervan
toen ik jong was:
er was tijd genoeg.

Vingers die branden, een hart
dat schroeit, een vieze smaak
in de mond, terwijl ik hem opnieuw

lees, maar dit keer zonder
vertrouwen. Welke raad
kan geschreven retoriek ons

geven? Spiegels kapot slaan,
een geest strak aankijken, trachten
zonder krukken te lopen

op de rand van een graf? De enige
welsprekendheid die je, nu het de kleine
geloofsuurtjes zijn, nog onder de knie

moet krijgen, is die van het
gebogen hoofd, de knielende
knie, in afwachting van

de eerste bloem, aan het eind
van een koude winter, die zich opent
aan de doornstruik van de geest.

Mijn vertaling is in iets gewijzigde vorm gepubliceerd in het christelijk literair tijdschrift Liter (nr. 83, jrg. 19, september 2016).

Origineel:

Waiting for it

Yeats said that. Young
I delighted in it:
there was time enough.

Fingers burned, heart
seared, a bad taste
in the mouth, I read him

again, but without trust
any more. What counsel
has the pen’s rhetoric

to impart? Break mirrors, stare
ghosts in the face, try
walking without crutches

at the grave’s edge? Now
in the small hours
of belief the one eloquence

to master is that
of the bowed head, the bent
knee, waiting, as at the end

of a hard winter
for one flower to open
on the mind’s tree of thorns.


  1. William V. Davis, Miraculous Simplicity: Essays on R.S. Thomas, Fayetteville: University of Arkansas Press 1993, p.94-97 
  2. S.J. Perry, Chameleon Poet: R.S. Thomas and the Literary Tradition, Oxford: Oxford University Press 2013, p.35-36 

Ivan Karamazov – R.S. Thomas

Dostoevskij_1872

Portret van Fjodor M. Dostojevsky (Wikimedia Commons)

In 1879 schreef Fjodor Dostojevsky  een dik en beroemd boek onder de titel De gebroeders Karamazov. Eén van deze gebroeders, één van de hoofdpersonen van het boek dus, is Ivan Karamazov, die opgevoerd wordt als een hartstochtelijk rationalist. Hij houdt in het boek een verhalende toespraak, die ook wel afzonderlijk is uitgegeven onder de titel De grootinquisiteur van Sevilla (in oudere vertalingen wordt dit verhaal soms De parabel van de grootinquisiteur genoemd), waarin de grootinquisiteur, die de kerk vertegenwoordigd, de op aarde weergekeerde Christus te woord staat. Christus maakt de kerk verwijten, en de grootinquisiteur verdedigt de kerk. Het aardige aan deze gefingeerde situatie is dat zowel Christus die zegt dat de kerk zijn werk heeft verraden, namelijk door de mens zijn vrijheid te ontnemen, als de grootinquisiteur die zegt dat de kerk Christus’ werk heeft verbeterd, namelijk door rekening te houden met het menselijk tekort, in dit geval de afschuw die veel mensen voor vrijheid voelen, hier het gelijk aan hun kant lijken te hebben.

Ik doe een bescheiden poging om te zeggen waar dit gedicht over gaat. De aangesprokene is Ivan Karamazov, en er worden een paar godsbeelden aan een onderzoekje onderworpen: we maken kennis met god als robot, maar ook met de god van de romantiek, de god die schuilt in het sublieme, die zich laat horen in natuurgeweld en kraters. Deze laatste god, en impliciet ook de aanbidder daarvan, wordt eigenliefde verweten omdat hij de stem van de kleine schepselen en de realiteit van de dood miskent.

Elia is de bijbelse profeet die volgens 1 Koningen 18 op de berg Karmel een competitie aangaat met de Baäl-priesters. Volgens Elia kan zijn God, de God van het Oude Testament, het klaargelegde offer op verzoek wel aansteken (door het te laten bliksemen), iets wat de Baäl met het door de Baäl-priesters voor hem klaargelegde offer op hun verzoek niet zou kunnen. Het is een spannende, sublieme scène die bloederig afloopt, maar Elia wint.

Vertaling:

Ivan Karamazov

Ja, ik weet hoe hij is:
een onmogelijk soort robot
waarin je je gebeden stopt
als kaartjes, die na een poosje
worden geretourneerd
met het woord ‘afgewezen’ erop.
Ik wijs zo’n god van de hand.
Maar als hij, zoals je beweert, bestaat,
en ik krenk hem met wat ik doe,
laat hem mij dan straffen:
Ik zal kikken noch krijsen; gelijk krijgen
is wel een levenslange kastijding
waard. En God zich te zien
wreken, geeft je een uitgelezen
positie, totdat de aarde zich opent
om je op te nemen in een donkere
spleet, waarin je hem, zekerder
dan Elia, zult horen loeien in de wind
en het vuur en het gebrul
van de aardschok, maar niet
in de stille, zachte stem van de
wormen die je voor altijd verlossen
uit de tirannie van zijn eigenliefde.

Origineel:

Ivan Karamazov

Yes, I know what he is like:
a kind of impossible robot
you insert your prayers into
like tickets, that after a while
are returned to you with the words
‘Not granted’ written upon them.
I repudiate such a god.
But if, as you say, he exists,
and what I do is an offence
to him, let him punish me:
I shall not squeal; to be proved
right is worth a lifetime’s
chastisement. And to have God
avenging himself is to have
the advantage, till the earth opens
to receive one into a dark
cleft, where, safer than Elijah,
one will know him trumpeting
in the wind and the fire
and the roar of the earthquake, but not
in the still, small voice of the
worms that deliver one for ever
out of the tyranny of his self-love.

Synopsis – R.S. Thomas

Plato_Aristotle_della_Robbia_OPA_Florence

Plato en Aristoteles, of de filosofie, Luca della Robbia (1400-1481) (Wikimedia Commons)

Voor de meesten van ons is filosofie niet alleen saai, maar bovendien irritant: je begrijpt al die beschouwingen zelden, en ze geven je het akelige gevoel dat je minderwaardig bent, dat je slechts dient tot brandhout van de geschiedenis. Om deze laatste gedachte te kunnen toelaten, moet je natuurlijk al wel een beetje filosofisch aangelegd zijn. En wat die minderwaardigheid betreft: die is natuurlijk een feit: u en ik, de mens, wij deugen bijna voor niets. Er schuilt wel iets heel bevrijdends in het besef van de eigen overtolligheid, misbaarheid, nutteloosheid, als u mij een kleine filosofische uitweiding, meer een ontboezeming eigenlijk, wilt toestaan.

Ronald Stuart Thomas – merkwaardig genoeg heeft hij nog geen artikel op de Nederlandse Wikipedia – heeft een gedicht geschreven dat als titel draagt Synopsis, samenvatting, overzicht, uittreksel. Lees dat gedicht, en u kunt een heleboel akelige filosofische beschouwingen overslaan, want niet alleen deugen u en ik vrijwel nergens toe, dat geldt ook voor bijna alle wijsgerige bespiegelingen.

Het gedicht komt voor in de Collected Poems: 1945-1990.

Plato is Plato, en Aristotelianen zijn degenen die de filosofische traditie van Aristoteles voortgezet hebben. Hume is David HumeSøren Kierkegaard kent u natuurlijk wel. Positivisten geloven uitsluitend in rationaliteit en wetenschap.

De thousands of fathoms die Kierkegaard overstak, verwijzen naar de afgrond waarboven, volgens Kierkegaard, de gelovige, als hij werkelijk gelooft, gegarandeerd zweeft, en wel in “vrees en beven“, een titel van één van Kierkegaards boeken. Een vadem is een lengtemaat, meestal gebruikt voor de dieptemeting van de zee, die, afhankelijk van de traditie, tussen de 1.82m en 1.89m bedraagt.

Vertaling:

Synopsis

Plato gaf ons weinig dat de
Aristotelianen niet weer
terugnamen. Spinoza gaf naderhand
voor onze aanpak een redenering;
hij leerde ons dat de liefde
een intellectuele bestaanswijze.
is. Toch vroeg Hume zich af
of minnaar en geliefde wel echt
bestonden. Het innerlijk dat hij
voor ons achterliet, was wat Kant
niet wist te transcenderen, en Hegel
niet kon ontleden: vrees, dat grauwe
onderwerp, dat Søren Kierkegaard
beschreef toen hij zijn duizenden
vadems overstak; het beest dat door
de geschiedenis raast, dat lachend
het beraad der positivisten voorzit.

Origineel:

Synopsis

Plato offered us little
the Aristotelians did not
take back. Later Spinoza
rationalized our approach;
we were taught that love
is an intellectual mode
of our being. Yet Hume questioned
the very existence of lover
or loved. The self he left us
with was what Kant
failed to transcend or Hegel
to dissolve: that grey subject
of dread that Søren Kierkegaard
depicted crossing its thousands
of fathoms; the beast that rages
through history; that presides smiling
at the councils of the positivists.

 

De gloeiende akker – R.S. Thomas

Ik heb in mijn leven heel wat preken beluisterd, en de eerlijkheid gebiedt te zeggen dat ze altijd veel te lang waren. De treurigste gemeenplaatsen werden schaamteloos aaneengeregen. Veel predikanten hebben een voorkeur – om een woord van de C.S. Lewis-vertaler Arend Smilde aan te halen – voor uitdrukkingen die “als een grafsteen over hun betekenis zijn gevallen”. Meestal antwoordde ik op de vraag hoe ik de preek had gevonden: “Zes keer zo kort en in het latijn.”

Maar ik beklaag mezelf niet: de kennis die ik heb opgedaan van de bijbelse taal en de christelijke traditie is een waardevol bezit.

Dit gedicht is een preek in de edelste zin van het woord. Ik besef onmiddellijk dat vrijwel niemand hierin een aanbeveling zal zien, want preken is passé, abominabel en afschuwelijk, en we zijn er – denken we – definitief vanaf… maar heel misschien vergissen we ons wel een beetje. We zijn er allereerst natuurlijk helemaal niet vanaf – de moderne moraal toetert je van alle kanten in de oren, vooral uit de mond van nihilistische en hedonistische popmuzikanten die zich cool en ongenaakbaar wanen – en enige instructie, een spoor om te volgen, hebben we misschien toch vaak wel nodig, zo autonoom en mondig als we denken dat we zijn…

Er wordt in dit gedicht naar drie bijbelverhalen verwezen, één in het Oude Testament en twee in het Nieuwe Testament. Het betreft het verhaal van Mozes en het brandende braambos in Exodus 3, de gelijkenis van de schat in de akker in Mattheüs 13, en de aansporing om alles wat je hebt te verkopen om een schat in de hemel te bezitten in Mattheüs 19. Ik heb ‘field’ daarom met ‘akker’ vertaald, en ‘turning aside’ met ‘zich wenden naar’, zoals in de Statenvertaling.

Vreest niet – deze preek is heel kort en er is geen woord latijn bij.

Vertaling:

De gloeiende akker

Ik heb de zon zien doorbreken
boven een kleine akker die een poosje
oplichtte, en ging heen
en vergat het. Maar dat was de parel
van grote waarde, dat was de akker waarin
zich de schat bevond. Ik besef nu
dat ik alles wat ik heb, moet opgeven
om hem te bezitten. Leven is niet jakkeren
naar een wijkende toekomst, niet hunkeren
naar een ingebeeld verleden. Het is zich
wenden als Mozes naar het wonder
van de vlammende struik, naar een gloed
die vergankelijk lijkt als je jeugd van toen,
maar die de eeuwigheid is die op jou wacht.

Origineel:

The Bright Field

I have seen the sun break through
to illuminate a small field
for a while, and gone my way
and forgotten it. But that was the pearl
of great price, the one field that had
the treasure in it. I realise now
that I must give all that I have
to possess it. Life is not hurrying
on to a receding future, nor hankering after
an imagined past. It is the turning
aside like Moses to the miracle
of the lit bush, to a brightness
that seemed as transitory as your youth
once, but is the eternity that awaits you.

De lach – R.S. Thomas

rs-thomas-cheerful-cropped

R.S. Thomas met een lachje (herkomst)

De lach is een kort, typerend gedichtje van R.S. Thomas, waaruit zowel levensaanvaarding spreekt als het besef dat onze wensen en verwachtingen niet zelden vergeefs en vaak zelfs een beetje bespottelijk zijn. Heel geschikt voor een wat ernstiger poesiealbum misschien wel. Jammer dat het niet rijmt natuurlijk, want een poesiealbum zonder rijm is een tandeloze tijger.

A sweet tooth is een zoetekauw.

Het gedichtje is opgenomen in Collected Poems: 1945-1990, zie hier.

Vertaling:

De lach

Mijn moeder bad dat ik zoet engelenhaar zou krijgen.
Mijn vader zei dat ik niet zonder flinke knuisten kon.
Het leven zelf, dat ergens doelloos rondhing,
Schonk me een lach, en gaf me geen van beide.

In een eerdere versie had ik gekozen voor ‘gulzig tongetje’ i.p.v. ‘zoet engelenhaar’.

Origineel:

The Smile

My mother prayed that I should have the sweet tooth.
My father said that I should have the big fist.
And life, lingering somewhere by,
Smiled on me, giving me neither.

 

Misgelopen Nobelprijs – R.S. Thomas

R.S. Thomas werd in 1995 genomineerd voor de Nobelprijs voor literatuur 1996, een prijs die toen is gewonnen door Wisława Szymborska, een (overleden) Poolse dichteres die ook bijzonder mooie verzen maakte.

Hij vond het maar niks om genomineerd te worden,1 maar zei uiteindelijk:

“I don’t know anything about the mechanics of the business, but one can only be grateful if anybody thinks you’re worth putting up” […] “It’s sort of local boy made good and I imagine that all over the world there are minorities putting up their champions.”

 


  1. Zie Marianne Macdonald, ‘R S Thomas nominated for Nobel prize‘, Independent, 9 juli 1995. 

Een graf dat ik niet bezocht – R.S. Thomas

R S Thomas[4]

R.S. Thomas (herkomst)

De dichter R.S. Thomas hield erg van de Deense filosoof Søren Kierkegaard, de existentialistische filosooof, theoloog en cultuurcriticus. Dit gedicht gaat niet over Kierkegaards graf, al neemt het in de verbeelding dat graf als vertrekpunt, maar over diens geestelijke nalatenschap.

Het oorspronkelijke gedicht is afkomstig uit de bundel: Not That He Brought Flowers (1968), en werd opgenomen in Collected Poems 1945-1990, p. 183.

 

Er zijn opvallende overeenkomsten tussen Kierkegaard en Thomas. Beiden hadden een afstandelijke relatie tot hun vader en tot hun God; beiden voelden zich vreemdelingen in hun tijd en in hun land; beiden waren filosofisch en theologisch geïnteresseerd; beiden waren religieus en geloofden dat kunst en religie bij elkaar hoorden, en ten slotte: beiden waren er met heel hun wezen op gericht om hun gedachten en levensbesef tot uitdrukking te brengen in een overrompelende taal.1

De verwijzing naar het Lucas-evangelie heeft betrekking op de openingsverzen van Lucas 24.2

Vertaling:

Een graf dat ik niet bezocht

Er zijn plaatsen waar ik nooit ben geweest;
Met opzet niet, zoals Sørens graf
In Kopenhagen. Toen ik de straten zag,
Met hun eentonige nabootsing van
Alle straten, ging ik liever naar Dragør,
Het opgeknapte dorpje met zijn bloemen
En oude dakpannen, dat lag afgetekend
Langs de Oostzee, dat obsolete water.

Dat ze hadden gedaan wat ze konden
Om hem te verankeren met de zwaarte
Die een natie aan respect verleent,
Daarvan ben ik overtuigd. Ik stelde me voor
Hoe groot zijn grafsteen was, het zware marmer
Dat zijn beenderen plette; maar zou hij er
Echt geweest zijn om de bedevaart
Van dit zwoegende lichaam te ontvangen,
Een paar maanden terug,
Als ik wel was gegaan?
Wat brengt mensen ertoe een grote geest
Te verwerpen, en later te denken dat deze
Terugkeert, verenigd met de lijkwade
Die ze ervoor hebben klaargelegd?
Het is het Lucas-evangelie dat ons
Waarschuwt om niet tussen de doden
Te scharrelen als er levenden zijn – dus dein ik
Met hem mee in zijn boeken,
Hand aan hand, zoals een kind
Met zijn vader, soms stilstaand om te staren,
Zoals hij ooit deed, naar het geestelijk vaderland.

[Toevoegingen en correcties 16 februari]

Oorspronkelijk gedicht:

A Grave Unvisited

There are places where I have not been;
Deliberately not, like Soren’s grave
In Copenhagen. Seeing the streets
With their tedious reproduction
Of all streets, I preferred Dragort,
The cobbled village with its flowers
And pantiles by the clear edge
Of the Baltic, that extinct sea.

What they could do to anchor him
With the heaviness of a nation’s
Respectability they have done,
I am sure. I imagine the size
Of his tombstone, the solid marble
Cracking his bones; but would he have been
There to receive this toiling body’s
Pilgrimage a few months back,
Had I made it?
What is it drives a people
To the rejection of a great
Spirit, and after to think it returns
Reconciled to the shroud
Prepared for it? It is Luke’s gospel
Warns us of the danger
Of scavenging among the dead
For the living – so I go
Up and down with him in his books,
Hand and hand like a child
With its father, pausing to stare
As he did once at the mind’s country.


  1.  Zie ook William Virgil Davis, R.S. Thomas. Poetry and Theology, Waco, Texas: Baylor University Press 2007, hfdst. R.S. Thomas and Søren Kierkegaard, p.123-142. 
  2. Deze verzen luiden in de Nieuwe Bijbelvertaling (NBV): “Maar op de eerste dag van de week gingen ze bij het ochtendgloren naar het graf met de geurige olie die ze bereid hadden. Bij het graf aangekomen, zagen ze echter dat de steen voor het graf was weggerold, en toen ze naar binnen gingen vonden ze het lichaam van de Heer Jezus niet. Hierdoor raakten ze helemaal van streek. Plotseling stonden er twee mannen in stralende gewaden bij hen. Ze werden door schrik bevangen en sloegen de handen voor hun ogen. De mannen zeiden tot hen: “Waarom zoekt u de levende onder de doden?” 

Een Welsh testament – R.S. Thomas

rs_thomas_01

R.S. Thomas (herkomst)

R.S. Thomas was een dichter die veel hield van Wales, iemand die ook vaak werd beschouwd als een Welsh nationalist.

Het onderhavige gedicht heet A Welsh Testament, en het werpt weliswaar enig licht op deze kwestie, maar het is niettemin een echt gedicht, zelfs een sterk en ontroerend gedicht, met een frappante pointe.

Hier kunt u horen hoe het gedicht klinkt als het wordt voorgelezen door de dichter zelf. Bedenk: klank is voor elk gedicht zeer belangrijk!

Hier kunt u het gedicht nalezen (even twee keer op ‘volgende’ klikken, want de link opent in de inhoudsopgave).

Het gedicht levert een vertaalprobleem op dat ik nog niet bevredigend heb opgelost. Het geluid van de wind wordt weergegeven met honing, honing, een woord dat zowel het betreffende geluid van de wind als de betekenis ‘slijpend’ weergeeft. Mijn voorlopige oplossing is om het ‘slijpen’ in de voorafgaande regel te gebruiken, en om het woord ‘honing’ – toevallig ook een Nederlands woord – om de klank te handhaven. Goed is het niet, want ‘honing’ richt in het Nederlands de geest op betekenissen die niet ter zake doen, maar voorlopig weet ik niks beters.

Het doet een beetje denken aan Karel van het Reve die de verleiding bijna niet kon weerstaan om een gedicht van Chodasevitsj dat in het Russisch begint met Ja, ja, ja, … (wat betekent: Ik, ik, ik…) naar het Nederlands te vertalen met Ja, ja, ja…

Glyn Dwr was een Welsh leider, de laatste inheemse Prince of Wales, iemand die vocht voor Welshe onafhankelijkheid, een soort vader des (niet bestaanden) vaderlands.

Vertaling:

Een Welsh testament

Inderdaad, ik was Welsh. Maakt het uit?
Ik sprak een taal die mij werd doorgegeven
Op de plaats waar ik nu eenmaal was,
Een plaats opeengehoopt tussen grijze muren
Van mist voor minstens de helft van het jaar.
Mijn woord voor hemel was niet de jouwe.
Het woord voor hel had een scherp randje,
Geslepen door de hand van de wind:
Honing, honing, dag en nacht,
Met een schril geluid. Glyn Dwr wist niks
Van een harnas tegen regenprojectielen;
Wat hebben we aan hem te danken?

Zelfs God had een Welshe naam:
We spraken tot hem in de taal der vaderen;
Hij zou zich vooral bekommerd hebben
Om het Welshe volk. De geschiedenis liet zien
Dat hij te groot was om hem aan de muur
Van een stenen kerkje te spijkeren, maar toch
Propten we hem tussen de kaften van een zwart boek.

Desondanks keek men naar ons.
Mijn hoge jukbeenderen, mijn schedellengte
Trok hen aan, als naar een zeldzaam portret
Van een dode meester. Ik zag hen staren
Uit hun lange auto’s, als mijn buste langs kwam
Tussen ooien en hamels. Ik zag hen staan
Bij de doornhagen, als ik de verre kudden
Bijeen dreef met een schelle fluittoon.
En altijd waren daar hun ogen; ik voelde
De sterke druk: Je bent Welsh, zeiden ze;
Spreek ons zo aan; houd jouw land vrij
Van benzinegeur, van het luide gebrul
Van hete tractoren. Vrede
Willen we, en rust.

Is een museum
Vrede, vroeg ik. Ben ik de hoeder
Van de relieken van het hart, iemand die de stof
In zijn eigen ogen blaast? Ik ben een man;
Ik heb nooit de taaie rol gewild die het leven
Me toebedeelde, een acteur die speelde
Voor een publiek van vroeger op een toneel
Van aarde en steen; het absurde etiket
Van afkomst, van ras, dat scheef
Over mijn schouders hangt. Ik was gekerkerd
Totdat jij kwam; jouw stem was een sleutel
Die draaide in het reusachtige slot
Van de uitzichtloosheid. Ging de deur open
Om mij eruit of jou erin te laten?

[Een paar verbeteringen aangebracht op 12 februari 2016]

Oorspronkelijk gedicht:

A Welsh Testament

All right, I was Welsh. Does it matter?
I spoke a tongue that was passed on
To me in the place I happened to be,
A place huddled between grey walls
Of cloud for at least half the year.
My word for heaven was not yours.
The word for hell had a sharp edge
Put on it by the hand of the wind
Honing, honing with a shrill sound
Day and night. Nothing that Glyn Dwr
Knew was armour against the rain’s
Missiles. What was descent from him?

Even God had a Welsh name:
We spoke to him in the old language;
He was to have a peculiar care
For the Welsh people. History showed us
He was too big to be nailed to the wall
Of a stone chapel, yet still we crammed him
Between the boards of a black book.

Yet men sought us despite this.
My high cheek-bones, my length of skull
Drew them as to a rare portrait
By a dead master. I saw them stare
From their long cars, as I passed knee-deep
In ewes and wethers. I saw them stand
By the thorn hedges, watching me string
The far flocks on a shrill whistle.
And always there was their eyes; strong
Pressure on me: You are Welsh, they said;
Speak to us so; keep your fields free
Of the smell of petrol, the loud roar
Of hot tractors; we must have peace
And quietness.

Is a museum
Peace? I asked. Am I the keeper
Of the heart’s relics, blowing the dust
In my own eyes? I am a man;
I never wanted the drab role
Life assigned me, an actor playing
To the past’s audience upon a stage
Of earth and stone; the absurd label
Of birth, of race hanging askew
About my shoulders. I was in prison
Until you came; your voice was a key
Turning in the enormous lock
Of hopelessness. Did the door open
To let me out or yourselves in?

 

 

De dans – R.S. Thomas

r.-s.-thomas-4da1a5eab4f6b_360x225

R.S. Thomas (herkomst)

Het korte gedicht De dans van R.S. Thomas behoeft weinig toelichting. Het roept op een geresigneerde manier het verlangen op naar de verloren jeugd van een oude man. Het is een treffend gedicht, vind ik, al is het verre van triviaal. Het is vooral een intens en lyrisch gedicht, zonder de sentimentaliteit waardoor voor mijn gevoel vrij veel populaire liedjes en gedichten worden ontsierd.

Het rijm jaren/haren was tijdens het vertalen onopzettelijk ontstaan. Ik heb het gehandhaafd; het stoort zeker niet, en geeft misschien zelfs iets van de spanning terug die onvermijdelijk wegebt in elke poëzievertaling.

Het oorspronkelijke gedicht is te vinden in Collected poems, 1945-1990. Zie hier.

Een interessant interview met de dichter is hier te vinden.

Vertaling:

De dans

Ze is jong. Heb ik het recht
Haar naam maar te noemen? Kind,
Het is geen liefde die ik bied
Aan jouw soepele leden, jouw ogen;
Slechts de dorre hulde
Van een oude man die door de tijd
Wordt gekruisigd. Neem in de dans
Voor even mijn hand,
Negeer zijn steelse druk,
De schrale hunkering van de jaren,
En leid me onder het jonge loof
Van de onschuld. Laat mij mijn jeugd
Opnieuw ruiken in jouw haren.

Oorspronkelijk gedicht:

The Dance

She is young. Have I the right
Even to name her? Child,
It is not love I offer
Your quick limbs, your eyes;
Only the barren homage
Of an old man whom time
Crucifies. Take my hand
A moment in the dance,
Ignoring its sly pressure,
The dry rut of age,
And lead me under the boughs
Of innocence. Let me smell
My youth again in your hair.

 

Tijdloos – R.S. Thomas

Aberdaron_church_-_geograph.org.uk_-_13372

Aberdaron Church, de kerk waar Thomas van 1967-1978 dominee was (Wikimedia Commons)

Enkele jaren geleden kwam ik voor het eerst de naam Ronald Stuart Thomas tegen toen ik een bespreking van Thomas’ biografie las. De openingszin van dat stuk luidt: “I am not notably frivolous, but whenever I read R. S. Thomas’s poetry, or his biography, I cannot help but reflect that, like the majority of mankind, I have spent most of my life chasing false gods.

De boekbespreking draagt als titel A Man Out of Time (City Journal, 6 nov 2006), en was geschreven door Theodore Dalrymple, een essayist die ik graag lees. Het gedicht No Time wordt erin geciteerd, evenals het gedicht A Marriage, dat ik al eerder vertaalde.

Thomas was, net als Guillaume van der Graft (pseud. van Willem Barnard), Nicolaas Beets en Piet Paaltjens, een dichter-dominee.

Dit gedicht ontroert mij zeer.

Vertaling:

Tijdloos

Ze liet me alleen. Van wie
was die stem, kouder
dan grafwind, die sprak
“Het is voorbij”? Ongrijpbaar,
onzichtbaar, komt ze nog
bij me, zoals ze vaak
deed, terwijl ik wat lees.
Er is een beving
van licht, als van een vogel die
de zonnebaan kruist, en ik kijk
op in herkenning
van een afwezige aanwezigheid.
Geen woord, geen geluid
als ze haar gang gaat,
maar een geur die blijft hangen,
geur van de tijd die zichzelf offert
in liefdesvuur.

Origineel:

No Time
Uit: No Truce with the Furies (1995)

She left me. What voice
colder than the wind
out of the grave said:
“It is over?” Impalpable,
invisible, she comes
to me still, as she would
do, and I at my reading.
There is a tremor
of light, as of a bird crossing
the sun’s path, and I look
up in recognition
of a presence in absence.
Not a word, not a sound,
as she goes her way,
but a scent lingering
which is that of time immolating
itself in love’s fire.

 

Een Huwelijk – R.S. Thomas

R.S. ThomasRonald Stuart Thomas (1913 – 2000) was een Anglicaans priester, Welsh nationalist en bovendien een groot dichter. Een van zijn bekendste gedichten is A Marriage, een gedicht gewijd aan zijn overleden vrouw Elsi, Mildred Eldridge (1909–1991), die zelf erkenning vond als schilder en illustrator. Het gedicht werd gepubliceerd in Mass for Hard Times (1992), p.74. Ook opgenomen in Collected Later Poems: 1988-2000 (2004).

A Marriage

We met
under a shower
of bird-notes.
Fifty years passed,
Love’s moment
in a world in
servitude to time.
She was young;
I kissed her with my eyes
closed and opened
them on her wrinkles.
“Come” said death,
choosing her as his
partner for
the last dance. And she,
who in life
had done everything
with a bird’s grace,
opened her bill now
for the shedding
of one sigh no
heavier than a feather.

artist's son; (c) Gwydion Thomas; Supplied by The Public Catalogue Foundation

Mildred Eldridge. Dance of Life 3 Copyright: Gwydion Thomas; Supplied by The Public Catalogue Foundation

 

Een vertaalpoging:

Een Huwelijk

Wij troffen elkaar
onder een stortbui
van vogelklanken.
Vijftig jaar verliepen,
moment van Liefde
in een wereld
onderhorig aan de tijd.
Ze was jong;
ik kuste haar met mijn ogen
dicht en toen ik ze opsloeg
zag ik haar rimpels.
“Kom” zei de dood,
haar uitverkiezend
als zijn partner voor
de laatste dans. En zij,
die bij leven
alles deed met de gratie
van een vogel,
opende nu haar snavel
voor het slaken
van een zucht die zo
licht was als een veertje.

Een interessant en informatief artikel over deze dichter is van de hand van Theodore Dalrymple (1949, pseud. van Anthony M. Daniels): ‘A Man Out of Time’ (City Journal, 6 november 2006).

Een uitstekende necrologie van Byron Rogers verscheen op 27 september 2000 in The Guardian.