Tagarchief: Kurt Tucholsky

Het Derde Rijk – Kurt Tucholsky

Stamps_of_Germany_(Berlin)_1985,_MiNr_748Ik eer op mijn manier – citeren, ter sprake brengen, prijzen – al enkele decennia Kurt Tucholsky (1890-1935), een Duitse dichter en columnist die soms nu nog bewondering wekt bij Nederlandse schrijvers.

Tucholsky was een zeer levendige, dwarse, humoristische en daarmee ook zeer serieuze schrijver, die de opkomst van het nationaalsocialisme niet heeft kunnen meemaken, en die in 1935 zelfmoord pleegde in Zweden.

Vorige week kocht ik in een kringloopwinkel aan de Veluwezoom de Rowohlt-uitgave van de Gedichte van Kurt Tucholsky voor vijftig eurocent. Ik ben er erg blij mee.

Kurt Tucholsky - GedichteKarel van het Reve schreef ooit dat Tucholsky niet erg expliciet over de opkomst van Hitler geschreven had. Hij citeerde toen de zin die hij erg mooi vond, en die ook erg mooi is: “Um mich herum verspüre ich ein leises Wandern. Sie rüsten zur Reise ins Dritte Reich.”

In de bundel die ik gekocht heb, merk ik dat Tucholsky in zekere zin na 1930 over weinig anders schreef. Zijn wereld ging ten onder.

“Wendisch und kaschubisch” zijn aanduidingen van slavische volkeren binnen de Duitse gemeenschap.

Er zijn een paar niet-bestaande Duitse woorden die ik heb vervangen door niet-bestaande Nederlandse woorden.

Ik heb overwogen om een foto van obsceniteiten schreeuwende Zwarte Piet-voorvechters op te nemen. Ik heb dat bewust en opzettelijk niet gedaan.

Vertaling:

Het Derde Rijk

Gewenst: een verheven ideaal
Voor de nationale mens,
Dat men een- en andermaal
Kan bijsnijden naar wens.
Men heeft met duitse mannenmoed
In zegenrijke uren
Een ideaal nieuw opgewroet
Dat ons niet zal bezuren:
Nee, het is niet het Eerste Rijk,
Nee, het is niet het Tweede Rijk…

Het Derde Rijk?
Alstublieft, liefst nu gelijk!

We mogen niet meer massalig zijn –
We moeten eindelijk raszalig zijn –
En vrijduits, jongduits, haard-en-erfjes-wolkerig,
En samenklontend, volks en volksig, volkerig,
En wat dan ook.
Wie het gelooft
Zal zalig zijn. Wie ’t niet gelooft, is
Heus een uitgezakte Paci- en Bolsjewist.

Het Derde Rijk?
Alstublieft, liefst nu gelijk!

Het Derde Rijk is vol van loos geluk.
We halen onze broeders eindelijk weer terug:
Sudetenduitsers, Saarduitsers,
Eupenduitsers en Deenseduitsers…
We staan steevast pal! Bejubelen de vrede.
Tijd nu voor oorlog. Wat zijn we hier beneden?
In ‘t Derde Rijk is de overwinning zeker,
Lekker onder mekaar.

Maar zacht gezegd, wat zien we daar?
Daar heerst de knoet, de sabel, de karwats,
Daar schittert zilver, bonte linten op het pak,
Daar wordt het tijdrad weer teruggedraaid –
We roepen ‘vaderland’ als ‘t echt niet langer gaat…
Daar zijn we allen rijk, gelijk
In ’t Derde Rijk.
De puurste wendische, slavische ariërs.

Ja, heus… En ook nog proletariërs!
Die ons vast als bevrijders zullen zien!
Die God gaan danken in de morgendienst –
Ze merken meteen:
We zijn sloebers als voorheen,
Opnieuw het zwoegende, grauwe gemeen,
Arme schelmen zonder hooi en haver –
Maar wel:
In ‘t Derde Rijk.

Ja, dat zijn wij.
Een blik in de statistiek:
We fabriceren veel. Meest vaderlandmystiek.

Origineel:

Das Dritte Reich

Es braucht ein hohes Ideal
der nationale Mann,
daran er morgens allemal
ein wenig turnen kann.
Da hat denn deutsche Manneskraft
in segensreichen Stunden
als neueste Errungenschaft
ein Ideal erfunden:
Es soll nicht sein das erste Reich,
es soll nicht sein das zweite Reich…

Das dritte Reich?
Bitte sehr! Bitte gleich!

Wir dürfen nicht mehr massisch sein –
wir müssen durchaus rassisch sein –
und freideutsch, jungdeutsch, heimatwolkig
und bündisch, völkisch, volkisch, volkig…
und überhaupt.
Wers glaubt,
wird selig. Wer es nicht glaubt, ist
ein ganz verkommener Paz- und Bolschewist.

Das dritte Reich?
Bitte sehr! Bitte gleich!

Im dritten Reich ist alles eitel Glück.
Wir holen unsre Brüder uns zurück:
die Sudetendeutschen und die Saardeutschen
und die Eupendeutschen und die Dänendeutschen…
Trutz dieser Welt! Wir pfeifen auf den Frieden.
Wir brauchen Krieg. Sonst sind wir nichts hienieden.
Im dritten Reich haben wir gewonnenes Spiel.
Da sind wir unter uns.

Und unter uns, da ist nicht viel.
Da herrscht der Bakel und der Säbel und der Stock –
da glänzt der Orden an dem bunten Rock,
da wird das Rad der Zeit zurückgedreht –
wir rufen »Vaterland!«, wenns gar nicht weitergeht…
Da sind wir alle reich und gleich
im dritten Reich.
Und wendisch und kaschubisch reine Arier.

Ja, richtig… Und die Proletarier!
Für die sind wir die Original-Befreier!
Die danken Gott in jeder Morgenfeier –
Und merken gleich:
Sie sind genau so arme Luder wie vorher,
genau solch schuftendes und graues Heer,
genau so arme Schelme ohne Halm und Haber –
Aber:
im dritten Reich.

Und das sind wir.
Ein Blick in die Statistik:
Wir fabrizieren viel. Am meisten nationale Mistik.

Advertenties

Domheid

Twee citaten over de menselijke domheid. Het is vaak wat hovaardig – maar ook amusant natuurlijk – om zo’n citaat te gebruiken, dus je moet ermee oppassen.

Kurt Tucholsky (Dürfen darf man alles):

Die mensliche Dummheit ist international.

Albert Einstein (Zitate und Aussprüche):

Zwei Dinge sind unendlich, das Universum und die menschliche Dummheit, aber bei dem Universum bin ich mir noch nicht ganz sicher.

Twijfel – Kurt Tucholsky

Kurt Tucholsky - Stamps_of_Germany_(Berlin)_1985,_MiNr_748Het gedicht Twijfel van de Duitse dichter, journalist, columnist en schrijver Kurt Tucholsky werd gepubliceerd in het blad Die Weltbühne, op 20 januari 1925, nr. 3, p.90, onder het pseudoniem Theobald Tiger.

Het is een heel mooi gedicht, maar het is extra ontroerend voor wie beseft in welke onmogelijke omstandigheden Tucholsky zijn werk als schrijver moest doen, omstandigheden die mede zouden leiden tot zijn voortijdige dood in 1935.

Van alle Duitse schrijvers die ik bewonder is Tucholsky mij het allerliefst, reden waarom ik in 2008 het pseudoniem Theobald Tiger heb gekozen, geleend eigenlijk, als mijn alias op Wikipedia.

De laatste zin van dit gedicht vinden sommige critici niet goed: deze is, hoe raak ook, in dichterlijke zin wel wat veel van het goede, maar in zijn tijd was haast alles wat Tucholsky schreef wel wat veel van het goede, vrees ik: “Um mich spüre ich ein leises Wandern. Sie rüsten zur Reise ins Dritte Reich” (uit het hoofd).  Het lijkt me niet eenvoudig als je moet kiezen welke retorische middelen het meest effectief zijn om de komende catastrofe af te wenden.

Vertaling:

Twijfel

Ik zit op het verkeerde schip.
Van wat we doen, van al ons streven
Van wat wij in de bladen schreven,
Deugt vrijwel niets. Woord en begrip.

De bodem deint. Waartoe? Waarom?
Kunst. Geen kunst. Vele kamers ging ik door.
Nooit is het einde daar. En alsmaar
Een nieuwe deur. Waarvoor?

Onmogelijk. Er is geen terugkeer.
Wat ik ook doe, opstomen, in verzet komen,
Het galmt voortdurend in mijn dromen:
Niet meer.

Maar de nieuwste lichting vatte moed.
Ze geloven. Met moeite, maar ze geloven.
En uit die koene zielen stijgt naar boven:
‘t Komt goed.

Is dat het nu? Het slaat mij met stomheid.
Wie zijn die lui die daar beneden zingen?
Niemand kan ooit zijn tijd ontspringen.
En hoe benijd ik, wie zich neerlegt bij de dingen…
Zij hebben ’t goed,
Zij gloriëren in hun domheid.

Origineel:

Zweifel

Ich sitz auf einem falschen Schiff.
Von allem, was wir tun und treiben,
und was wir in den Blättern schreiben,
stimmt etwas nicht. Wort und Begriff.

Der Boden schwankt. Wozu? Wofür?
Kunst. Nicht Kunst. Lauf durch viele Zimmer.
Nie ist das Ende da. Und immer
stößt du an eine neue Tür.

Es gibt ja keine Wiederkehr.
Ich mag mich sträuben und mich bäumen,
es klingt in allen meinem Träumen:
Nicht mehr.

Wie gut hat es die neue Schicht.
Sie glauben. Glauben unter Schmerzen.
Es klingt aus allen tapfern Herzen:
Noch nicht.

Ist es schon aus? Ich warte stumm.
Wer sind Die, die da unten singen?
Aus seiner Zeit kann Keiner springen.
Und wie beneid ich Die, die gar nicht ringen.
Die habens gut.
Die sind schön dumm.