Tagarchief: John Donne

De zon komt op – John Donne

John Donne (1572-1631) is de bekendste dichter van de groep dichters die door Samuel Johnson (1709-1784) de Metaphysical Poets is gedoopt.

Een informatieve Nederlandse website over John Donne, waarop ook veel vertalingen van zijn werk, vindt u hier.

De Metaphysical Poets gebruikten zogeheten Metaphysical Conceits in hun gedichten. Dat zijn uitgebreide vergelijkingen die weinig voor de hand lijken te liggen, die onwaarschijnlijk zijn, waarvan de elementen zeer ver uit elkaar liggen, maar die toch op een dichterlijke manier treffend zijn. In dit gedicht wordt de zon bespot en bars toegesproken, en worden de geliefden die zich in bed bevinden vergeleken met staten, vorsten, continenten, en is de slaapkamer het heelal.

Ten geleide voor de lezer:

  • Het gedicht The Sun Rising is een liefdesgedicht.
  • In de openingsstrofe spreekt de Ik-figuur de zon toe die kennelijk aan het opkomen is (en de geliefden verrast in bed). De toon is afwisselend spottend en bevelend. In het tweede deel van de strofe verheft de dichter zichzelf en zijn geliefde boven de spijbelaars, gezellen, hondendrijvers, luie varkens. Met een bijzondere vorm van het bekende cliché dat de liefde geen tijd kent, wordt deze strofe besloten.
  • In de tweede strofe wordt allereerst twijfel gezaaid aan de zaligheid en de kracht van de zonnestralen: de ik-figuur kan deze immers door zijn ogen te sluiten laten verdwijnen. Daarna wordt de geliefde voor het eerst ter sprake gebracht: de ‘haar’ in het gedicht, wier stralende ogen volgens de toenmalige conventie de stralen van de zon in de schaduw stellen. Alles wat er op aarde werkelijk toe doet voor de geliefden, blijkt zich in het liefdesbed te bevinden.
  • In de slotstrofe wordt er nog een schepje bovenop gedaan en blijkt de slaapkamer de gehele kosmos te wezen. De zon komt dus niets te kort als hij de twee geliefden maar heerlijk verwarmt.
  • De versregels zijn onregelmatig van lengte en kennen geen vast metrum. Het rijmschema van de strofen is ABBACDCDEE.

Vertaling:

De zon komt op

Nijvere ouwe dwaas, ongezeglijke zon,

Wat win je hiermee?

Ben je content met je gordijngezeefde, matineuze entree?

Dacht je dat jouw ommegang de liefdestijd bestieren kon?

Brutale pedante vlerk, ga ze een beetje plagen,

De spijbelaars, de zeurende gezellen,

Meld hondendrijvers dat de koning wil gaan jagen,

Zeg luie varkentjes hun taken niet nog langer uit te stellen,

Liefde, welke ook, kent geen klimaat, seizoen, respijt,

Geen uren, dagen, maanden, al die lorren van de tijd.

 

Jouw stralen, vol eerbied en kracht –

Zou ‘t echt zo zijn?

Ik kan ze in een oogwenk verduisteren en je verdwijnt,

Maar ik doe het niet, omdat ik naar haar aanblik smacht;

En als jouw ogen naast de hare durven stralen,

Zie toe, en vertel dan morgen eens aan mij,

Of beide Indiën, hun kruiden en metalen,

Zijn waar je ze achterliet, of hier liggen naast mij.

En als je naar die koningen vraagt – je zag ze zonet –

Dan krijg je ten antwoord: hier zijn ze, hier in dit bed.

 

Zij is alle staten, alle vorsten ben ik, zie

Daarbuiten is niets.

En vorsten doen ons slechts na; in dit licht bezien

Is alle hulde imitatie, alle weelde alchemie.

En Zon, sinds de wereld zo is geslonken,

Verdien je wel een beetje erbarmen.

Ouderdom vergt rust, en sinds jou als taak is geschonken

De wereld te warmen, dien je dus ons te verwarmen.

Schijn hier voor ons, en het heelal is waar je bent;

Dit bed is jouw centrum, dit vertrek jouw firmament.

 

Origineel:

The Sun Rising

Busy old fool, unruly sun,
Why dost thou thus,
Through windows, and through curtains call on us?
Must to thy motions lovers’ seasons run?
Saucy pedantic wretch, go chide
Late school boys and sour prentices,
Go tell court huntsmen that the king will ride,
Call country ants to harvest offices,
Love, all alike, no season knows nor clime,
Nor hours, days, months, which are the rags of time.

Thy beams, so reverend and strong
Why shouldst thou think?
I could eclipse and cloud them with a wink,
But that I would not lose her sight so long;
If her eyes have not blinded thine,
Look, and tomorrow late, tell me,
Whether both th’ Indias of spice and mine
Be where thou leftst them, or lie here with me.
Ask for those kings whom thou saw’st yesterday,
And thou shalt hear, All here in one bed lay.

She’s all states, and all princes, I,
Nothing else is.
Princes do but play us; compared to this,
All honor’s mimic, all wealth alchemy.
Thou, sun, art half as happy as we,
In that the world’s contracted thus.
Thine age asks ease, and since thy duties be
To warm the world, that’s done in warming us.
Shine here to us, and thou art everywhere;
This bed thy center is, these walls, thy sphere.

Advertenties