Tagarchief: Heinrich Heine

Het Hooglied – Heinrich Heine

the_kiss

Rodin, De Kus (licentie)

Das Hohelied – lofzang op het vrouwenlichaam van de Duits-Joodse dichter Heinrich Heine –  verscheen in 1854.

Dit gedicht toont een ironische Heine. Bedenk dat ironie nooit een echte ontsnappingsroute is. Wat ironisch wordt gezegd, is meestal wat de spreker van mening is; de ironische vormgeving toont vooral het besef dat wat volgt niet in goede aarde zal vallen. De ironie stelt in staat om de omstreden boodschap alsnog te brengen of om datgene hardop te zeggen waarover het passender wordt geacht te zwijgen.

Twee jaar na de verschijning van dit gedicht werd Sigmund Freud geboren, de onwetenschappelijke fantast die de toenmalige oorzaken en uitingsvormen van destijds voorkomende seksuele geremdheid wel degelijk (soms accuraat) beschreef.

Het Hooglied is een bijbelboek dat de lichamelijke liefde plastisch bezingt – al bestaan er in de christelijke traditie ook veel symbolische of allegorische verklaringen.

Vertaling:

Het Hooglied

Het lichaam van de vrouw is poëzie,
Dat God ooit heeft geschreven
In ‘t grote stamboek der natuur,
Door de Geest daartoe gedreven.

Ja, in dat uur zat alles mee,
De Heer had inspiratie;
Hij schiep uit hoogst weerbarstige stof
Een zeer artistieke creatie.

Voorwaar, het lichaam van de vrouw
Is ‘t Hooglied, dat ons blijft verwarmen;
De schoonste strofen van dit lied
Zijn die lieve, slanke armen.

O wat een goddelijk idee
Is toch die hals, dat zachte,
Waarop dat kleine kopje wiegt,
De krullende hoofdgedachte!

De tepeltjes zijn rozenknopjes,
Epigrammatisch in hun schoonheid;
En zaliglijk is de cesuur
Die lieve borstjes dapper scheidt.

Beeldend schiep de Schepper toen
De heuppartij, die spiegelend deint;
Die tussenzin met dat vijgenblad
Mag er zeker ook wel zijn.

Dit is geen vaag, wijsgerig lied!
Dit vers heeft vlees en knoken,
Heeft hand en voet, het lacht en kust,
Met rijmende lippen, ogen geloken.

Hier ademt ware poëzie!
Galant in elke wending!
En op het voorhoofd draagt dit lied
Het stempel der volending.

Lofzingen wil ik U, o Heer,
Eerbiedig U verheven heten!
Wij zijn slechts stumpers nevens U,
De Hoogste aller poëten.

Graag wil ik opgaan, lieve Heer,
In wat U heeft geschapen,
Ik wijd aan haar mijn studiezin,
Des daags, en als ik niet kan slapen.

Ja, dag en nacht studeer ik erop,
Niets anders kan mij animeren,
Mijn benen worden akelig dun –
Door al dat harde studeren.

Origineel:

Das Hohelied

Des Weibes Leib ist ein Gedicht,
Das Gott der Herr geschrieben
Ins große Stammbuch der Natur,
Als ihn der Geist getrieben.

Ja, günstig war die Stunde ihm,
Der Gott war hochbegeistert;
Er hat den spröden, rebellischen Stoff
Ganz künstlerisch bemeistert.

Fürwahr, der Leib des Weibes ist
Das Hohelied der Lieder;
Gar wunderbare Strophen sind
Die schlanken, weißen Glieder.

O welche göttliche Idee
Ist dieser Hals, der blanke,
Worauf sich wiegt der kleine Kopf,
Der lockige Hauptgedanke!

Der Brüstchen Rosenknospen sind
Epigrammatisch gefeilet;
Unsäglich entzückend ist die Zäsur,
Die streng den Busen teilet.

Den plastischen Schöpfer offenbart
Der Hüften Parallele;
Der Zwischensatz mit dem Feigenblatt
Ist auch eine schöne Stelle.

Das ist kein abstraktes Begriffspoem!
Das Lied hat Fleisch und Rippen,
Hat Hand und Fuß es lacht und küßt
Mit schöngereimten Lippen.

Hier atmet wahre Poesie!
Anmut in jeder Wendung!
Und auf der Stirne trägt das Lied
Den Stempel der Vollendung.

Lobsingen will ich dir, O Herr,
Und dich im Staub anbeten!
Wir sind nur Stümper gegen dich,
Den himmlischen Poeten.

Versenken will ich mich, o Herr,
In deines Liedes Prächten;
Ich widme seinem Studium
Den Tag mitsamt den Nächten.

Ja, Tag und Nacht studier ich dran,
Will keine Zeit verlieren;
Die Beine werden mir so dünn –
Das kommt vom vielen Studieren.

Advertenties

Het meisje aan de zee – Heinrich Heine

Na het vorige gedicht – zware kost met al die executies – nu een lieflijk gedicht vol diepe, dichterlijke gevoelens.

Vertaling:

Het meisje aan de zee

Het meisje aan de zee,
Ze zuchtte diep geraakt;
Het nam haar zozeer mee,
De zon die ondergaat.

Lief meisje, wees wat flinker,
Zo draait dit stuk non-stop;
Recht voor ons gaat ze zinken,
Van achter komt ze op.

Origineel:

Das Fräulein stand am Meere

Das Fräulein stand am Meere
Und seufzte lang und bang,
Es rührte sie so sehre
Der Sonnenuntergang.

Mein Fräulein! sein Sie munter,
Das ist ein altes Stück;
Hier vorne geht sie unter
Und kehrt von hinten zurück.

Een vrouw – Heinrich Heine

Heinrich_Heine-Oppenheim

Heine (licentie)

Een leuk gedicht.

Bij Heinrich Heine krijgt Das Ewigweibliche wel een beetje een opportunistische, cynische betekenis. Misschien spreekt het u aan; misschien wordt u boos. Als u maar niet vergeet om het gedicht te lezen.

In Heines Neue Gedichte, is Een vrouw het eerste gedicht van de afdeling Romanzen.

Vertaling:

Een vrouw

Ze hadden elkaar zo heerlijk lief,
Zij was een ondeugd, hij was een dief.
Als hij de schelm uithing bij nachte,
Wierp zij zich op bed en lachte.

De dag verliep in vreugd en lust,
En ’s nachts werd hij door haar gekust.
Toen ze hem naar het gevang brachten,
Stond zij aan ’t raam en lachte.

Hij zond een boodschap: O kom toch gauw,
Ik verlang zo vreselijk naar jou,
Ik riep om je, ik smachtte –
Ze schudde haar hoofd en lachte.

Om zes uur ’s morgens ging zijn kop eraf,
Om zeven uur daalde hij neer in het graf;
Zij echter ging al rond achten
Aan de rode wijn en lachte.

Origineel:

Ein Weib

Sie hatten sich beide so herzlich lieb,
Spitzbübin war sie, er war ein Dieb.
Wenn er Schelmenstreiche machte,
Sie warf sich aufs Bett und lachte.

Der Tag verging in Freud und Lust,
Des Nachts lag sie an seiner Brust.
Als man ins Gefängnis ihn brachte,
Sie stand am Fenster und lachte.

Er ließ ihr sagen: O komm zu mir,
Ich sehne mich so sehr nach dir,
Ich rufe nach dir, ich schmachte –
Sie schüttelt’ das Haupt und lachte.

Um sechse des Morgens ward er gehenkt,
Um sieben ward er ins Grab gesenkt;
Sie aber schon um achte
Trank roten Wein und lachte.

 

 

Weg met die heilige parabels – Heinrich Heine

Heinrich Heine Moritz Daniel Oppenheim

Heinrich Heine, geschilderd door Moritz Daniel Oppenheim in 1831 (licentie)

De auteur van dit opstandige gedicht is Heinrich Heine. Ik heb voor het eerst met dit vers kennisgemaakt toen ik een opstel van Karel van het Reve las.

Het gedicht werd in 1854 gepubliceerd in de Vermischte Schriften, Bd 1, Dl VIII, als het eerste vers in de cyclus Zum Lazarus, p.148-149. Het ritme van het oorspronkelijke vers is buitengewoon sterk en ondersteunt de inhoud op volmaakte wijze.

De slotzin heeft na de voorafgaande galopperende rebellie iets heel ontroerends, omdat deze oproept dat de dood zowel onontkoombaar als ontoereikend is.

Het gedicht speelt soms een rol in het debat over de vraag of (de joodse) Heine al of niet godsdienstig was.

Vertaling:

Heilge Parabole 148
Weg met die heilige parabels,
Weg met die vrome postulaten –
Zorg dat die vervloekte vragen
Zonder omhaal ons verlaten.

Waarom wordt hier de oprechte,
Kreunend op zijn kruisweg, uitgejouwd,
Terwijl daar, hoog te paard gezeten,
De slechte juichend zijn banier ontvouwd?

Wie is daar schuldig aan? Zou onze Heer
Toch niet zo heel almachtig zijn?
Of schept hij al die euvels zelf?
Ach, dat zou schurkachtig zijn.

En daarom blijven wij maar vragen,
Totdat men onze grote monden
Met wat aarde straks doet zwijgen –
Maar is dat nu een antwoord?

(Tweede strofe 1-4-2016 verbeterd)

Origineel:

Heilge Parabole 149Laß die heil’gen Parabolen,
Laß die frommen Hypothesen –
Suche die verdammten Fragen
Ohne Umschweif uns zu lösen.

Warum schleppt sich blutend, elend,
Unter Kreuzlast der Gerechte,
Während glücklich als ein Sieger
Trabt auf hohem Roß der Schlechte?

Woran liegt die Schuld? Ist etwa
Unser Herr nicht ganz allmächtig?
Oder treibt er selbst den Unfug?
Ach, das wäre niederträchtig.

Also fragen wir beständig,
Bis man uns mit einer Handvoll
Erde endlich stopft die Mäuler –
Aber ist das eine Antwort?