Tagarchief: Harry Mulisch

Drie titels van literaire lezingen

Wie een lezing houdt, geeft meestal aan die lezing ook een titel mee. Die titel kan – als de auteur zijn of haar titel goed heeft gekozen – veelzeggend zijn.

In dit korte blogtekstje vergelijk ik drie titels:

  1. Het woord bij de daad, van Harry Mulisch
  2. Mondelinge mededelingen, van Willem Frederik Hermans
  3. Nu ik hier iets zeggen mag, van Ida Gerhardt

De titels die Mulisch, Hermans en Gerhardt gekozen hebben, zijn treffend – ze laten meteen al iets zien over de houding die deze auteurs aannemen ten aanzien van het leven.

Mulisch is voluit megalomaan, Hermans natuurwetenschappelijker dan hij is, Gerhardt wat al te christelijk.

De titel van Mulisch is een bewuste omkering van De daad bij het woord [voegen], een bekende Nederlandse uitdrukking. Mulisch was enthousiast over de studentenrevolutie van de jaren ’60 en en de revolutie van Fidel Castro. Het Woord bij de Daad is een pamflet dat daadwerkelijk de Cubaanse revolutie met woorden steunt. Mulisch liep daarbij geen risico en kon daarbij moeiteloos zijn pose van literaire glamourboy handhaven. Pogingen om hem ter verantwoording te roepen – het was uiteraard verkeerd en onverantwoordelijk wat hij te berde bracht – liepen stuk op zijn solipsistische stilzwijgen of zijn stugge herhaling van oude standpunten.

De filosofische houding van Willem Frederik Hermans was gebaseerd op de natuurwetenschappelijke zienswijze. Hoezeer hij ook een romanticus was, en hoezeer ook geteisterd door wrokkigheid en ressentiment, hij wilde een dienaar van de waarheid zijn, hij wilde datgene zeggen wat zijn lezers niet onder ogen wilden zien, maar wat in zijn ogen onontkoombaar was. De titel van zijn gebundelde lezingen getuigt daarvan: Mondelinge mededelingen – meer valt er niet over te zeggen, en meer zegt het ook niet. Maar het is – denk ik – wel degelijk zo dat er meer over valt te zeggen. De slotzin van het door door Hermans vertaalde en door Wittgenstein geschreven Tractatus Logico-Philosophicus: “Van dat, waarover niet kan worden gesproken, moet men zwijgen”, is een streng klinkende constatering die, als deze als richtlijn wordt toegepast, hoogst onwenselijke resultaten afwerpt. Hermans wilde geen andere dan natuurwetenschappelijke pretenties voeren, al streefde hij volgens mij wel degelijk iets anders na, wat hij op andere momenten in interviews ook toegaf.

Ida Gerhardt was een dichteres die op latere leeftijd paranoïde werd, en haar leven lang geteisterd werd door gevoelens van miskenning. In de praktijk viel deze miskenning wel mee – ze heeft aanzienlijke literaire erkenning gehad – maar in haar gevoelsleven was deze erkenning slechts gebrekkig verankerd. Maar ze was ook een christelijke dichteres die samen met haar partner, Marie H. van der Zeyde, de bijbelse psalmen heeft vertaald. Ootmoed, een ander uitnemender achten dan jezelf, waren hoge deugden. Deze christelijke houding klinkt door in de nederige titel van haar voordrachten, Nu ik hier iets zeggen mag. Het wankele evenwicht tussen het besef van talent en roeping enerzijds en de boze houding jegens de (onontkoombare) literaire praktijk van kritiek en miskenning anderzijds, uitte zich in een wat al te nederige titel.

De titel van dit blogtekstje heeft – denk ik – de meeste verwantschap met de titel van Willem Frederik Hermans.

Advertenties