Tagarchief: Gerard Manley Hopkins

Bonte pracht – Gerard Manley Hopkins

Herfstkleuren

Herfstkleuren (herkomst)

Op verzoek van Robbert Jan Bron heb ik het gedicht Pied Beauty van Gerard Manley Hopkins vertaald. Het is (inderdaad) een prachtig gedicht.

Het is al eerder vertaald, onder anderen door Leo Vroman1 en door Pater Begheyn2 (ten gehore gebracht bij de uitvaart van Kees Fens).3

W.J.M. Bronzwaer (1936-1999), bij leven hoogleraar Algemene Literatuurwetenschap in Nijmegen, heeft in 1984 bij Ambo een door hem samengestelde tweetalige bundel gepubliceerd:  Gedichten / Gerard Manley Hopkins (keuze uit zijn poëzie met vertaling en commentaren). Een voorpublicatie daarvan en een interessante inleiding zijn online beschikbaar bij de Digitale bibliotheek voor de Nederlandse letteren (dbnl).4

Ik heb op deze vertaling kritiek gekregen die ik inmiddels verwerkt heb: ik had falls met herfsten vertaald, terwijl het vallen van de intens gekleurde kastanjes bedoeld werd, en ik had counter opgevat als werkwoord, wat de structuur van het vers geweld aan deed. Ik ben de criticus (die op deze openbare plaats liever anoniem blijft) zeer erkentelijk.

Volgens Bronzwaer heeft het woord ‘change’ in de laatste regel “zonder twijfel” betrekking op Darwins evolutie. Ik heb mede daarom gekozen voor de vertaling ‘variatie’.

Vertaling:

Bonte pracht

Eer zij God voor bonte dingen –
Voor bipolaire luchten als een gevlekte koe;
Voor rozige sproetjes als stippels op zwemmende forellen;
Vers-gloeiende kastanje-oogst; vleugelglans van vinken;
Verdeeld, verkaveld land – braak, geplooid, geploegd;
En van ieder ambacht het gerei, het tuig, de toestellen.

Hoe strijdig ook, oorspronkelijk, raar, apart;
Al wat balsturig is, bespikkeld (wie weet hoe?)
Met zoet, zuur, flonkerend, flauw, het trage of het snelle –
Hij vadert voort, wiens schoonheid elke variatie tart:
Looft Hem.

Origineel:

Pied Beauty

Glory be to God for dappled things –
For skies of couple-colour as a brinded cow;
For rose-moles all in stipple upon trout that swim;
Fresh-firecoal chestnut-falls; finches’ wings;
Landscape plotted and pieced – fold, fallow, and plough;
And áll trádes, their gear and tackle and trim.

All things counter, original, spare, strange;
Whatever is fickle, freckled (who knows how?)
With swift, slow; sweet, sour; adazzle, dim;
He fathers-forth whose beauty is past change:
Praise him.


  1. Geciteerd in bijv.: Kees Both, ‘Gerard Manley Hopkins en de ecologische theologie‘, website: http://www.sporenvangod.nl, p.6 (pdf-bestand met toelichting bij het gedicht). 
  2. Paul Begheyn S.J. (1944-), jezuiet, stafmedewerker Ignatiushuis en schrijver; hij publiceert sinds 1963 over geschiedenis, spiritualiteit, cultuur van de jezui͏̈etenorde, beeldende kunst en poëzie. Hij wordt beschouwd als een Petrus Canisius-kenner.
  3. Wiel Kusters, Mijn versnipperd bestaan. Het leven van Kees Fens 1929-2008, Amsterdam: Athenaeum-Polak en Van Gennip 2014 
  4. W. Bronzwaer, [Vertaallaboratorium] ‘G.M. Hopkins: een Victoriaans Modernist‘, De Revisor, jrg.11 (1984), p.42-47.

Gods grandeur – Gerard Manley Hopkins

 

GerardManleyHopkins

G.M. Hopkins (herkomst)

Gerard Manley Hopkins (1844-1891) was een van de belangrijkste Victoriaanse dichters. Hij was katholiek priester en jezuiet.

Dit gedicht is een sonnet met een streng rijmschema en de regels zijn bovendien afgeladen met alliteratie of stafrijm. Het gedicht bevat tevens een vrij beroemde zin die uit louter beklemtoonde eenlettergrepige woorden is opgebouwd: Why do men then now not reck his rod?

In deze vertaling heb ik – enigszins tegen mijn gewoonte in – het rijmschema niet strak gevolgd, omdat het vertaalresultaat er naar mijn smaak minder van werd als ik dat toch probeerde.

Om letterlijkheidsaanbidders en Droogstoppels royaal gelijk te geven: er zijn geen foto’s van een broedende Heilige Geest bekend.

Hier kan een bespreking van het gedicht worden geraadpleegd.1

Vertaling:

Gods grandeur

De wereld is geladen met de grandeur van God,
Die opvlamt, als schittering van gekreukeld goudfolie,
Die aanwast tot grootsheid, als trage, uitgeperste olijfolie.
Waarom vreest men nu dan niet de schichten van Zijn staf?

Geslachten traden aan, traden op, traden plat;
Bedrijvigheid heeft alles besmet, besmeurd, bevlekt met vlijt,
Bezoedeld met mensengeur, bespat: de aarde slijt,
Werd kaal; gevoelloos bleek de voet die werd geschoeid.

Natuur wordt niettemin nooit helemaal verbruikt;
Kostbare jonkheid leeft in haar diepste grond;
Zelfs als het laatste licht in het zwarte westen dooft, ontluikt

Deze oostwaards aan de rode rand – O, morgenstond –
Want de Heilige Geest rust broedend op de gewelfde
Wereld met – jawel! – glanzende vleugels en warme borst.

Origineel:

God’s Grandeur

The world is charged with the grandeur of God.
It will flame out, like shining from shook foil;
It gathers to a greatness, like the ooze of oil
Crushed. Why do men then now not reck his rod?

Generations have trod, have trod, have trod;
And all is seared with trade; bleared, smeared with toil;
And wears man’s smudge and shares man’s smell: the soil
Is bare now, nor can foot feel, being shod.

And for all this, nature is never spent;
There lives the dearest freshness deep down things;
And though the last lights off the black West went

Oh, morning, at the brown brink eastward, springs–
Because the Holy Ghost over the bent
World broods with warm breast and with ah! bright wings.


  1.  Skylar H. Burris, University of Virginia, BA ’97; University of Texas at Brownsville, MA, Biblical Imagery in Gerard Manley Hopkins’s “God’s Grandeur” (1999).