Tagarchief: Emily Dickinson

Poëzie volgens Emily Dickinson

Onlangs (2 november 2016) werd ik geattendeerd op een recent blog over onderwerpen die mij zeer interesseren: Elizabethanpartsongs. Het wordt volgeschreven in voortreffelijk Engels door iemand, kennelijk een Nederlander, die ik niet ken, die op zijn blog niets over zichzelf bekend maakt, iemand die duidelijk een hekel heeft aan de literatuurwetenschap (waarover Karel van het Reve in 1979 de Huizinga-lezing Het raadsel der onleesbaarheid hield), iemand ook die leesbaar en interessant schrijft over de onderwerpen die hem bezig houden, iemand ten slotte die (als ik mag afgaan op WordPress-meldingen “posted on x-x-2016 by klaasalberts”) zichzelf Klaas Alberts noemt. Misschien heet hij zelfs wel zo.

Ik citeer een brieffragment dat door Alberts wordt aangehaald. Het is van Emily Dickinson, een dichteres die ook verder uitgebreid ter sprake komt op genoemd blog. Het fragment trof mij als raak:

If I read a book and it makes my whole body so cold no fire can ever warm me, I know that is poetry. If I feel physically as if the top of my head were taken off, I know that is poetry. These are the only ways I know it. Is there any other way?

Het werd geschreven omstreeks 1870 in een brief aan een zekere Higginson. Zie het door James Reeves geredigeerde en van een inleiding voorziene, Selected Poems of Emily Dickinson, Heinemann Educational Publishers 1959, p.104.

 

Dek dit bed royaal – Emily Dickinson

Emily Dickinson (1830-1886) was een Amerikaans dichter. Ze stamde uit een aanzienlijke familie, was excentriek, leefde teruggetrokken, was angstig en nerveus. (Dat geldt voor veel meer mensen dan u misschien denkt.) De meeste gedichten die ze schreef zijn pas na haar dood gepubliceerd.

Dit gedicht werd in 1864 geschreven. De scène begint met het opmaken van een bed en eindigt in het pikkedonker. Het tafereel verandert in iets engs, iets afgrondelijks, iets fundamenteels, iets wat nog het meeste op een doodskist lijkt. Het klievende oordeel waarop wordt gewacht kan – uiteraard – van alles zijn: het oordeel over het leven zoals het is geleid, het oordeel over iets wat de hoofdpersoon heel graag wil: misschien liefde of erkenning of iets anders waartegen ze opziet.

Het vers had oorspronkelijk geen titel, maar ik vind – anders dan sommige moderne tekstbezorgers – dat hier pragmatische overwegingen de doorslag moeten geven boven principiële. Het is onhandig, onpraktisch en idealistisch om een gedicht geen titel te geven. (Hetzelfde geldt volgens mij – mutatis mutandis – voor het geheel weglaten van leestekens. Daar is – net als bij de atonale muziek – nog zelden of nooit iets goeds uit voortgekomen.)

In verschillende beschouwingen over dit vers lees ik dat het over de “duality of sex and death” gaat (hier bijvoorbeeld), of over de rol die “gender” speelt bij “a rather suversive death dance, in which the speaker is both the director of the scene and its addressed victimized female subject” (kijk maar eens hier). Een bed is natuurlijk een plek waar gevreeën en gestorven wordt, dat hoeft niemand Emily Dickinson – of wie dan ook – te vertellen, maar voor het overige lijken me deze beschouwingen weinig te verhelderen – om me kalm uit te drukken.

De vorm van dit vers is simpel, de toon is bezwerend.

Vertaling:

Dek dit bed royaal

Dek dit bed royaal.
Dek het toe met vrees;
Wacht er tot het oordeel klieft:
Raak, rechtvaardig, goed.

Laat het matras recht,
En het kussen gewelfd zijn;
Zorg dat het gele tumult van de zon
Dit fundament niet schendt.

Origineel:

Ample make this bed

Ample make this bed.
Make this bed with awe;
In it wait till judgment break
Excellent and fair.

Be its mattress straight,
Be its pillow round;
Let no sunrise’ yellow noise
Interrupt this ground.

 

Roem is een bij – Emily Dickinson

Dit gedichtje is een epigram van Emily Dickinson. In de laatste regel schiet het de dichteres plotseling te binnen dat de vleugeltjes ook relevant zijn voor de vergelijking, want voor je het weet vliegt het bijtje weer weg, de wijde wereld in. Althans, zo is het gedichtje opgebouwd. In werkelijkheid was de vluchtigheid van de roem misschien wel het eerste wat de dichteres herkende in de vlucht van de bij.

Ik heb dit keer twee vertalingen gemaakt waaruit ik vooralsnog niet goed kan kiezen:

Vertaling 1:

Roem is een bij

Roem is een bij,
Ze heeft een lied –
Ze heeft een angel –
En – ja, ja – ze heeft vleugels.

Vertaling 2:

Roem is een bij

Roem is een bij,
Ze zingt graag –
Ze steekt weleens –
En – kijk – ze kan vliegen.

Origineel:

Fame is a bee

Fame is a bee.
It has a song –
It has a sting –
Ah, too, it has a wing.

Hoop is dat ding met veren – Emily Dickinson

 

Volgens een onbevestigde overlevering zou Willem van Oranje gezegd of geschreven hebben: “Men hoeft niet te hopen om iets te ondernemen, noch te slagen om te volharden” (Point n’est besoin d’espérer pour entreprendre, ni de réussir pour persévérer). Dat is een mooie gedachte.

In de christelijke traditie zijn Geloof, Hoop en Liefde de goddelijke deugden.

Upton Sinclair schreef in The Jungle als openingszin van hoofdstuk 8: “Yet even by this deadly winter the germ of hope was not to be kept from sprouting in their hearts.

Dit gedicht gaat dus over hoop. Maar hoe hartverwarmend de hoop vaak ook is, en hoe zelfklevend meestal de illusie dat wat je hoopt ooit waar zal wezen, de dichteres laat er zich op voorstaan dat zij er niets – echt niets – aan te danken heeft.

[4 nov 2016. Vertaalfout gecorrigeerd: “in  de diepten van de Zee” > “op de hachelijkste Zee”.]

Vertaling:

Hoop is dat ding met veren

‘Hoop’ is dat ding met veren,
Dat neerstrijkt in de ziel,
En ‘t wijsje zingt, zonder de woorden,
En dat ons nooit – nog nooit – ontviel.

In Stormwind klinkt zij allerliefst;
En vreselijk moet het noodweer zijn,
Dat zorgt dat ’t Vogeltje de moed verliest;
Ze was zo teder en zo fijn.

Ik hoorde haar in bitterkoude streken;
Ook op de hachelijkste Zee was zij,
Maar nooit – ik overdrijf niet –
Vroeg zij een kruimeltje – van Mij.

Origineel:

‘Hope’ is the thing with feathers

‘Hope’ is the thing with feathers—
That perches in the soul—
And sings the tune without the words—
And never stops—at all—

And sweetest—in the Gale—is heard—
And sore must be the storm—
That could abash the little Bird
That kept so many warm—

I’ve heard it in the chillest land—
And on the strangest Sea—
Yet, never, in Extremity,
It asked a crumb—of Me.

Een Uitvaart voelde ik, in mijn Brein – Emily Dickinson

Emily Dickinson (1830-1886) was een Amerikaanse dichteres die pas na haar dood beroemd is geworden.

Het zonnetje in huis was ze bepaald niet, maar wat een geweldige poëzie!

Dit gedicht beschrijft een nachtmerrie die niet eindigt in een verlossing, maar in een verdoving – zoals nachtmerries vaak aflopen – net als de werkelijkheid trouwens. Aardig is dat waar in het gedicht Ratio en Rede genoemd worden, dezelfde nachtmerrie onverminderd van kracht blijft, zelfs het allersterkst is, Op Weg Naar het Krankzinnige Einde.

Vertaling:

Een Uitvaart voelde ik, in mijn Brein

Een Uitvaart voelde ik, in mijn Brein,
Met rouwenden die bleven komen –
Bleven komen, af en aan – tot het leek
Of de Ratio zich plotseling vertoonde.

En toen ten slotte iedereen een plekje had,
Begon een Dienst, die als gestage Trom
Ging dreunen – dreunen – tot ik dacht
Dat het mijn geest haast had verstomd.

Toen tilden ze, zo hoorde ik, een Kist
Die knerpte dwars doorheen mijn Ziel,
Met weer diezelfde Loden Laarzen,
Toen kwam de Ruimte – het luide bonzen,

Alsof de Hemelen zich kromden tot een Gong,
En het Zijn zich welfde tot een Oor,
En ik, en Stilte, een vreemdsoortig Ras,
Waren verscheurd, solitair, hier –

En in de Rede brak opeens een Plank,
En ik, ik stortte naar omlaag – omlaag,
En raakte een Wereld, bij elke buiteling,
En Stopte met beseffen, daar –

Origineel:

I felt a Funeral, in my Brain

I felt a Funeral, in my Brain,
And Mourners to and fro
Kept treading – treading – till it seemed
That Sense was breaking through –

And when they all were seated,
A Service, like a Drum –
Kept beating – beating – till I thought
My mind was going numb –

And then I heard them lift a Box
And creak across my Soul
With those same Boots of Lead, again,
Then Space – began to toll,

As all the Heavens were a Bell,
And Being, but an Ear,
And I, and Silence, some strange Race,
Wrecked, solitary, here –

And then a Plank in Reason, broke,
And I dropped down, and down –
And hit a World, at every plunge,
And Finished knowing – then –