Tagarchief: Acceptance

Aanvaarding – Robert Frost

De Amerikaanse dichter Robert Frost (1874-1963) behoeft eigenlijk geen introductie. Hij is veelvuldig gelauwerd, hij slaagt erin een snaar te raken bij iedere versgevoelige die hem leest, hij hanteert een eenvoudig idioom, hij is erg goed in spreektaal, hij is niet eenvoudig te plaatsen in levensbeschouwelijke of godsdienstige coördinatensystemen, maar hij heeft een duidelijke, zij het weinig orthodoxe, religieuze inslag. Zijn moeder was een aanhanger van de Lutheraanse mysticus Emanuel Swedenborg; zijn vader was een sceptische en atheïstische journalist. Hij had manisch-depressieve trekken. Over zijn levenshouding, zie: Jay Parini, Listening for God in Unusual Places: The unorthodox faith of Robert Frost, America The Jesuit Review, March 4, 2013 issue (February 20, 2013).

Het gedicht Acceptance is een Shakespeareaans sonnet: veertien regels, drie kwatrijnen en een distichon. Maar er is niet een volte of wending na de eerste twee kwatrijnen zoals gebruikelijk bij het sonnet. Wie meer wil lezen over dit vers, kan terecht bij dit boek (wel een beetje breedsprakig gewauwel over meerlagigheid, helaas): H.A. Maxson, On the Sonnets of Robert Frost: A Critical Examination of the 37 Poems, Jefferson, North Carolina: McFarland 1997.

In dit vers komen twee vogels voor: het vrouwtje zit als het donker wordt op haar nest, het mannetje is bij het invallen van de duisternis ver weg. Feministische interpretaties van dit gegeven lijken me beside the point. Het aantal versvoeten is in vertaling soms wat uitgebreid. Het rijm in vertaling is op een paar plaatsen halfrijm, waar in het origineel een volrijm wordt gehanteerd.

Vertaling:

Aanvaarding

Als de fletse zon zijn stralen op de wolken spuwt,
En wegzinkt om te branden in ‘t ravijn beneden,
Weerklinkt in de natuur geen stem die luide schreeuwt
Bij wat er plaatsvond. Slechts vogels kennen de reden:

Het wordt weer donker, hoog in de lucht daarbuiten.
Met prevelend kopje zacht tegen haar borstje aan,
Besluit een vogel het omfloerste oog te sluiten,
Een ander, overvallen, ver bij zijn nest vandaan,

Vliegt laag en vlug over de bomen, schiet net op tijd,
De moede zwerver, in zijn vertrouwde kruin,
En denkt of kwettert hooguit zachtjes: “O Zaligheid!
Schenk duisternis aan al wat ik beschouw als ‘mijn’,

Laat deze nacht zo donker zijn, dat ik niet meen
Te zien wat op mij afkomt. Laat al wat zijn zal, zijn.”

Origineel:

Acceptance

When the spent sun throws up its rays on cloud
And goes down burning into the gulf below,
No voice in nature is heard to cry aloud
At what has happened. Birds, at least must know

It is the change to darkness in the sky.
Murmuring something quiet in her breast,
One bird begins to close a faded eye;
Or overtaken too far from his nest,

Hurrying low above the grove, some waif
Swoops just in time to his remembered tree.
At most he thinks or twitters softly, “Safe!
Now let the night be dark for all of me.

Let the night be too dark for me to see
Into the future. Let what will be, be.”

Advertenties