Tagarchief: 1 september 1939

1 september 1939 – W.H. Auden

Polen, Parade vor Adolf Hitler

Polen, parade voor Adolf Hitler (1939), overgenomen van Wikimedia Commons

De vertaling van dit gedicht draag ik op aan Robbert Jan Bron (1966, Groningen), ter gelegenheid van zijn vijftigste verjaardag. Robbert Jan heeft veel met Wystan Hugh Auden gemeen: diepgaande culturele belangstelling, taalgevoeligheid, retorisch talent (die soms met hem aan de loop gaat), politieke interesse, diagnostische vermogens, een vrijzinnige maar ernstige verhouding tot het christendom, het vermogen om de spijker op de kop te slaan, en een zelfbeeld: “…if I hadn’t been a poet, I might have become an Anglican bishop – politically liberal, I hope; theologically and liturgically conservative, I know.” 

Het gedicht September 1, 1939 werd door Auden geschreven bij het uitbreken van de Tweede Wereldoorlog. De titel is de datum waarop Hitlers Duitsland Polen binnen viel. Auden bevond zich toen, net als de ik-figuur in het gedicht, in New York. Het gedicht werd al snel erg populair. Ook na de aanslagen op de Twin Towers in 2001 werd het gedicht veel geciteerd. De symboliek van wolkenkrabbers, waarvoor kennelijk ook de zelfmoordterroristen gevoelig waren, is een van de motieven in dit gedicht.

Maar de weerklank die het vindt, betekent nog niet dat het een “politiek gedicht” is, zoals vaak is betoogd. Ik zou niet weten wat dat is, een ‘politiek gedicht’.

De beroemdste zinnen – “We must love one another or die” – waren voor Auden in een later stadium van zijn dichterschap aanleiding om het gedicht als onwaarachtig te verwerpen. We moeten immers sowieso sterven. In het algemeen vond Auden dat de retoriek met hem aan de haal was gegaan, in plaats van andersom, reden waarom hij herdrukken ervan tegen hield. Veel critici vinden dit moeilijk te verteren, maar helemaal onbegrijpelijk is het niet: de slotzinnen van diverse strofen klinken bijzonder sonoor, maar ze ronken toch ook wel een beetje. Ook is voor mijn gevoel de in het gedicht geconstrueerde tegenstelling tussen een alomvattende liefde, die goed is, en een exclusieve liefde, die verkeerd is, wel heel erg idealistisch als de eraan gehechte waardeoordelen zonder meer worden toegepast op de gehele mensheid. Het is een paulinisch idealisme waarop ook het katholieke priestercelibaat is gebaseerd. De apostel Paulus zegt in 1 Kor. 7:7 : “Ik zou wel willen, dat alle mensen waren, zoals ikzelf [dat wil zeggen: ongehuwd, AS].” Enfin, ik heb erg mijn best gedaan om ook de welluidende retoriek netjes te vertalen.

Joseph Brodsky wijdde een 53 pagina’s tellende beschouwing aan dit gedicht, dat gepubliceerd werd in zijn essaybundel Less than One (1985), vertaald als Tussen iemand en niemand (vertaling: Frans Kellendonk en Kees Verheul, 1987).

Het gedicht voldoet aan een door de jonge Auden geciteerde definitie van poëzie: “Memorable Speech”. Ik ken het gedicht al sinds mijn studietijd – dertig jaar geleden – uit mijn hoofd.

Het oorspronkelijke gedicht, negen strofen van elf regels, vindt u hier.

Mijn vertaling luidt:

1 september 1939

Ik zit in één van de bars
Van Fifty-second Street,
Onzeker en ook bang,
Nu de vernuftige hoop vervliegt
Van een laag en vals decennium:
Golven van woede en angst
Gaan rond over de  verlichte
En verduisterde streken der aarde,
En houden ons in hun ban;
Het onzegbare bouquet van de dood
Schendt de septembernacht.

Trefzekere geleerdheid kan
Het hele misdrijf opdelven,
Dat een cultuur al sinds Luther
In waanzin heeft gestort,
Nagaan wat er voorviel in Linz,
Welk kolossaal imago
Een geesteszieke god schiep:
U en ik, wij weten –
Elk kind leert dat al vlug –
Wie kwaad moet ondergaan,
Betaalt met kwaad terug.

Verbannen Thucidides wist
Wat een toespraak zeggen kon
Over Democratie,
En wat dictators doen,
Hun oudemannengezever,
Gericht tot een apathisch graf,
Ontleedde het in zijn boek:
De verdreven Verlichting,
De verslavende pijn,
Wanbeleid en verdriet:
Het overstelpt ons nu opnieuw.

In deze neutrale lucht,
Waar wolkenkrabbers blind
De kracht van het Collectief
In volle omvang proclameren,
Schenkt elke taal om strijd
Zijn scheut met loze praat:
Maar wie houdt het lang vol
In een euforische droom;
Uit de spiegel staren ze ons aan:
Het imperialistische gelaat,
En de internationale doem.

Koppen aan de bar
Hangen aan hun doorsneedag:
Licht mag niet uitgaan,
Muziek moet blijven spelen;
Alle mores spannen samen
Om dit fort te laten lijken
Op het meubilair van thuis.
We zouden eens zien waar we zijn,
Verdwaald in een behekst woud,
Kinderen, bang in het donker,
Nooit gelukkig geweest, of goed.

De holste militante wartaal
Die prominenten uitslaan,
Verbleekt bij onze aandriften:
Wat de gestoorde Nijinsky
Schreef over Djagilev,
Geldt voor ieder mensenhart,
Want de weeffout in het wezen
Van elke man en vrouw
Doet knielen voor een valse god:
Geen liefde die het al omvat,
Maar liefde alleen voor jou.

Uit het conservatieve donker
Trekken de drommen forenzen
Het ethische domein binnen,
Hun ochtendgelofte prevelend:
“Trouw zal ik zijn aan mijn vrouw,
Mijn best ga ik doen op mijn werk.”
Hulpeloze bestuurders staan op
En vervolgen obligaat hun spel:
Wie kan hen nu bevrijden,
Wie bereikt nog de doven,
Wie spreekt voor sprakelozen?

Ik heb alleen een stem
Om de leugenstrik te ontwarren,
De romantische leugen in de geest
Van de zinnelijke Gewone Man,
En de leugen van het Gezag
Wiens gebouwen de hemel kerven:
Iets als de Staat bestaat niet,
En niemand leeft alleen;
Honger laat geen keus
Aan burger of agent;
We moeten liefhebben, of sterven.

Weerloos in de zwarte nacht
Ligt onze wereld uitgeteld;
Toch pinken overal
Ironische lichtpuntjes
Die doven als de Oprechten
Van gedachten wisselen.
Misschien mag ik, die net als zij
Gevormd is uit Eros en stof,
Die net zo belaagd wordt
Door ontkenning en wanhoop,
Een beamende vlam tonen.

Origineel:

September 1, 1939

I sit in one of the dives
On Fifty-second Street
Uncertain and afraid
As the clever hopes expire
Of a low dishonest decade:
Waves of anger and fear
Circulate over the bright
And darkened lands of the earth,
Obsessing our private lives;
The unmentionable odour of death
Offends the September night.

Accurate scholarship can
Unearth the whole offence
From Luther until now
That has driven a culture mad,
Find what occurred at Linz,
What huge imago made
A psychopathic god:
I and the public know
What all schoolchildren learn,
Those to whom evil is done
Do evil in return.

Exiled Thucydides knew
All that a speech can say
About Democracy,
And what dictators do,
The elderly rubbish they talk
To an apathetic grave;
Analysed all in his book,
The enlightenment driven away,
The habit-forming pain,
Mismanagement and grief:
We must suffer them all again.

Into this neutral air
Where blind skyscrapers use
Their full height to proclaim
The strength of Collective Man,
Each language pours its vain
Competitive excuse:
But who can live for long
In an euphoric dream;
Out of the mirror they stare,
Imperialism’s face
And the international wrong.

Faces along the bar
Cling to their average day:
The lights must never go out,
The music must always play,
All the conventions conspire
To make this fort assume
The furniture of home;
Lest we should see where we are,
Lost in a haunted wood,
Children afraid of the night
Who have never been happy or good.

The windiest militant trash
Important Persons shout
Is not so crude as our wish:
What mad Nijinsky wrote
About Diaghilev
Is true of the normal heart;
For the error bred in the bone
Of each woman and each man
Craves what it cannot have,
Not universal love
But to be loved alone.

From the conservative dark
Into the ethical life
The dense commuters come,
Repeating their morning vow;
“I will be true to the wife,
I’ll concentrate more on my work,”
And helpless governors wake
To resume their compulsory game:
Who can release them now,
Who can reach the deaf,
Who can speak for the dumb?

All I have is a voice
To undo the folded lie,
The romantic lie in the brain
Of the sensual man-in-the-street
And the lie of Authority
Whose buildings grope the sky:
There is no such thing as the State
And no one exists alone;
Hunger allows no choice
To the citizen or the police;
We must love one another or die.

Defenceless under the night
Our world in stupor lies;
Yet, dotted everywhere,
Ironic points of light
Flash out wherever the Just
Exchange their messages:
May I, composed like them
Of Eros and of dust,
Beleaguered by the same
Negation and despair,
Show an affirming flame.

Advertenties