Categorie archief: Poëzievertaling

Herfstziel – Georg Trakl

De dichter Georg Trakl (1887-1914) was een Oostenrijks dichter die overrompelende verzen schreef met een expressionistische vorm en toon. (Ik laat de hyperlink wijzen naar het Duitse Wikipedia-artikel, want het Nederlandse artikel is bar slecht en klinkt bovendien te vertaald.)

Voor een klein overzichtje van wat het ‘expressionisme’ betekende voor de lyrische dichtkunst, verwijs ik eveneens naar een Duits Wikipedia-artikel: Expressionismus (Literatur), onder het subkopje Lyrik.

Trakl groeide betrekkelijk gelukkig op in een groot gemengd luthers/katholiek gezin, maar bezat een zwaarmoedige aard. De beroemde filosoof van taal en logica Ludwig Wittgenstein heeft hem een tijdlang ondersteund met een financiële toelage. Hij was enigszins religieus in christelijke zin, zij het volstrekt onorthodox, maar zijn oog voor schuld en zonde was aanmerkelijk groter dan zijn besef van verlossing: hij is op 27-jarige leeftijd aan een overdosis cocaïne overleden.

In de titel van dit gedicht komen de begrippen ‘herfst’ en ‘ziel’ samen, twee begrippen die vaak voorkwamen in Trakls gedichten: het najaar resoneerde het best met zijn geestelijke toestand, en de ziel met zijn pijnigingen was een van zijn hoofdthema’s.

Het gedicht heeft vier strofen met regels die zeven (staand of mannelijk rijm) of acht (slepend of vrouwelijk rijm) lettergrepen kennen. Het metrum is trochaeïsch, dat wil zeggen dat het een afwisseling van beklemtoonde en onbeklemtoonde lettergrepen heeft en begint met een beklemtoonde lettergreep. (De meeste Nederlandse gedichten zijn jambisch en beginnen dus met een onbeklemtoonde lettergreep.)

Het rijm van elke strofe is abba – waarbij de a-rijmen staand zijn en de b-rijmen slepend. Ik heb soms een halfrijm toegepast waar in het origineel een volrijm werd gebruikt.

Dit gedicht is geschreven in augustus 1913, nadat hij een tijd vaak wel gelukkig, maar soms ook angstig had doorgebracht met vrienden als Karl Kraus, Adolf Loos und Bessie Bruce in Venetië.

In elke strofe staat een kleur centraal: bruin (herfstig), zwart (somber), blauw (afgezonderd), rood (pijnlijk).

[Een toelichting over de versies volgt later]

Vertaling:

Herfstziel
(2e versie)

Jachtgeroep, geblaf om bloed;
achter kruis en bruine heuvel
schittert zacht de waterspiegel,
schreeuwt de havik schel en luid.

Boven stoppelveld en pad
siddert reeds een inktzwart zwijgen;
pure hemel tussen twijgen;
slechts de beek vloeit stadig af.

Dra ontglipt ons vis en wild.
Blauwe ziel, dit duister dwalen,
maakte ons eenzaam, telkenmale.
Avond wisselt zin en beeld.

Eenvoud, goedheid – brood en wijn,
God in uw clemente handen
legt de mens het duister einde,
alle schuld en rode pijn.

Origineel:

Herbstseele
(2. Fassung)

Jägerruf und Blutgebell;
Hinter Kreuz und braunem Hügel
Blindet sacht der Weiherspiegel,
Schreit der Habicht hart und hell.

Über Stoppelfeld und Pfad
Banget schon ein schwarzes Schweigen;
Reiner Himmel in den Zweigen;
Nur der Bach rinnt still und stad.

Bald entgleitet Fisch und Wild.
Blaue Seele, dunkles Wandern
Schied uns bald von Lieben, Andern.
Abend wechselt Sinn und Bild.

Rechten Lebens Brot und Wein,
Gott in deine milden Hände
Legt der Mensch das dunkle Ende,
Alle Schuld und rote Pein.

Doodsfuga – Paul Celan

De dichter Paul Celan (1920-1970) was een duitstalige jood die in Tsjernivtsi – toenmalig Roemenië, tegenwoordig Oekraïne – werd geboren. Hij wordt beschouwd als een van de grootste lyrische dichters van het Duitse taalgebied. Zijn ouders werden door de nazi’s vermoord. Zelf maakte hij in Parijs in 1970 een einde aan zijn leven.

Het gedicht Todesfuge is een van de beroemdste gedichten uit zijn oeuvre. Het is overduidelijk een Holocaust-gedicht met een bezwerende toon, en het maakt gebruik van een obsessieve herhaling van zinsneden. Een fuga is een muziekvorm waarin ook bepaalde muzikale frasen op wisselende toonhoogten herhaald worden.

In het gedicht wordt zwarte melk gedronken, op alle tijden van de dag, en het is niet overdreven om te vermoeden dat het de bedoeling is dat je als lezer of toehoorder het gevoel krijgt dat er hier wordt gekokhalsd.

In het gedicht wordt een kampcommandant opgevoerd die kennelijk diepe gevoelens heeft voor een hoogblonde germaanse dame die luistert naar de naam Margarete, terwijl tezelfdertijd een joodse dame met de naam Sulamith wordt ontmenselijkt en vermoord.

dein-aschenes-haar-sulamith-anselm-kiefer-72578-copyright-kroller-muller-museum (1)

Anselm Kiefer, Dein aschenes Haar Sulamith, 1981 (copyright Kröller Müller  Museum)

De donkerte, de zwarte lucht die schemert naar Duitsland, is een beeld voor de rook die de schoorsteen van het moordcrematorium verlaat. De scène die wordt opgeroepen is een beeld van joodse gevangen die een graf graven terwijl andere gevangen daarbij geestdriftig dienen te musiceren terwijl de bruut zelf hen met zijn honden opjaagt en hoont.

Hier is een geluidsfragment waarin Paul Celan zijn gedicht zelf (heel mooi) voordraagt.

Er zijn geen leestekens, maar ik denk niet dat iemand daarover hoeft te struikelen. Het geeft een effect van grote wanhopige koortsachtigheid, met twee wegstervende slotzinnen.

Margarete is een verwijzing naar de blonde Gretchen in Goethes Faust. Sulamith is een joodse naam en zij komt voor in Hooglied 6:13 (SV): “Keer weder, keer weder, o Sulammith! Keer weder, keer weder, dat wij u mogen aanzien. Wat ziet gijlieden de Sulammith aan? Zij is als een rei van twee heiren.”

Het gedicht heeft Anselm Kiefer geïnspireerd tot verschillende kunstwerken, waarvan er één hierboven is afgebeeld.

Een collega-twitteraar die zich op dat forum Maarten Devant noemt, heeft me onlangs uitgedaagd om dit gedicht te vertalen. Dank – die uitdaging heb ik aangenomen.

Vertaling:

Doodsfuga

Zwarte melk van de vroegte wij drinken die ‘s-avonds
wij drinken die ’s-middags en ’s-morgens wij drinken die ‘s-nachts
wij drinken en drinken
wij delven een graf in de luchten daar lig je wat minder benauwd
In het huis woont een man die speelt met de slangen die schrijft
die schrijft als het duistert naar Duitsland
jouw goudblonde haar Margarete

Hij schrijft het en opent de deur en er fonkelen sterren
hij fluit dan zijn honden nabij
hij fluit dan zijn joden tevoorschijn laat delven een graf in de aarde
hij beveelt ons zweep je nu op tot de dans

Zwarte melk van de vroegte wij drinken die ‘s-nachts
wij drinken die ’s-middags en ’s-morgens wij drinken die ‘s-avonds
wij drinken en drinken
In het huis woont een man die speelt met de slangen die schrijft
die schrijft als het duistert naar Duitsland
jouw goudblonde haar Margarete
jouw asgrauwe haar Sulamith wij delven een graf in de luchten daar lig je wat minder benauwd

Hij roept steek dieper de grond in ja jullie en jullie anderen zing maar en speel
hij grijpt in zijn koppel naar ijzer en zwaait het zijn ogen zijn blauw
steek dieper die spaden ja jullie en jullie anderen zweep weer op tot de dans

Zwarte melk van de vroegte wij drinken die ‘s-nachts
wij drinken die ’s-middags en ’s-morgens wij drinken die ‘s-avonds
wij drinken en drinken
in het huis woont een man jouw goudblonde haar Margarete
jouw asgrauwe haar Sulamith hij speelt met de slangen

Hij roept speel de dood lekker lokkend de dood is een meester uit Duitsland
hij roept strijk donkerder nog die violen dan stijg je als rook in de lucht
dan heb je een graf in de wolken daar lig je wat minder benauwd

Zwarte melk van de vroegte wij drinken die ‘s-nachts
wij drinken die ’s-middags de dood is een meester uit Duitsland
wij drinken die ’s-avonds en ’s-morgens wij drinken en drinken
de dood is een meester uit Duitsland zijn oog schittert blauw
hij treft je met kogels van lood hij raakt je dan rauw
in het huis woont een man jouw goudblonde haar Margarete
hij stuurt dan zijn honden recht op ons af hij schenkt ons een graf in de lucht
hij speelt met de slangen en droomt met dwang de dood is een meester uit Duitsland

jouw goudblonde haar Margarete
jouw asgrauwe haar Sulamith

Origineel:

Todesfuge

Schwarze Milch der Frühe wir trinken sie abends
wir trinken sie mittags und morgens wir trinken sie nachts
wir trinken und trinken
wir schaufeln ein Grab in den Lüften da liegt man nicht eng
Ein Mann wohnt im Haus der spielt mit den Schlangen der schreibt
der schreibt wenn es dunkelt nach Deutschland
dein goldenes Haar Margarete

er schreibt es und tritt vor das Haus und es blitzen die Sterne
er pfeift seine Rüden herbei
er pfeift seine Juden hervor läßt schaufeln ein Grab in der Erde
er befiehlt uns spielt auf nun zum Tanz

Schwarze Milch der Frühe wir trinken dich nachts
wir trinken dich morgens und mittags wir trinken dich abends
wir trinken und trinken
Ein Mann wohnt im Haus der spielt mit den Schlangen der schreibt
der schreibt wenn es dunkelt nach Deutschland
dein goldenes Haar Margarete
Dein aschenes Haar Sulamith

wir schaufeln ein Grab in den Lüften da liegt man nicht eng

Er ruft stecht tiefer ins Erdreich ihr einen ihr andern singet und spielt
er greift nach dem Eisen im Gurt er schwingts seine Augen sind blau
stecht tiefer die Spaten ihr einen ihr anderen spielt weiter zum Tanz auf

Schwarze Milch der Frühe wir trinken dich nachts
wir trinken dich mittags und morgens wir trinken dich abends
wir trinken und trinken
ein Mann wohnt im Haus dein goldenes Haar Margarete
dein aschenes Haar Sulamith er spielt mit den Schlangen

Er ruft spielt süßer den Tod der Tod ist ein Meister aus Deutschland
er ruft streicht dunkler die Geigen dann steigt ihr als Rauch in die Luft
dann habt ihr ein Grab in den Wolken da liegt man nicht eng

Schwarze Milch der Frühe wir trinken dich nachts
wir trinken dich mittags der Tod ist ein Meister aus Deutschland
wir trinken dich abends und morgens wir trinken und trinken
der Tod ist ein Meister aus Deutschland sein Auge ist blau
er trifft dich mit bleierner Kugel er trifft dich genau
ein Mann wohnt im Haus dein goldenes Haar Margarete
er hetzt seine Rüden auf uns er schenkt uns ein Grab in der Luft
er spielt mit den Schlangen und träumet der Tod ist ein Meister aus Deutschland

dein goldenes Haar Margarete
dein aschenes Haar Sulamith

Herfst – Rainer Maria Rilke

Rainer_Maria_Rilke_Author-869x1024 (1)

Rainer Maria Rilke

Rainer Maria Rilke (1875-1926) is een van de grootste lyrische dichters van het Duitse taalgebied. Het gedicht Herbst oogt eenvoudig en is een beroemd gedicht in zijn oeuvre.

Een kleine excursie vooraf: ooit heb ik het verzameld proza van Martinus Nijhoff (1894-1953) gelezen, uiteraard nadat ik een bewonderaar van zijn gedichten was geworden. Nijhoff besprak veel boeken, en op zeker moment werd hij geacht Uren met Dirk Coster van E. du Perron (1899-1940) te bespreken (Du Perron was iemand met wie hij ook letterlijk op de vuist zou gaan). Dirk Coster was een man van gezag in zijn tijd, over wie Henriëtte de Beaufort (1890-1982) in haar levensbericht voor de Maatschappij der Nederlandse Letterkunde schreef:

Nooit is hij afgeweken van zijn beginsel, dat ook de literaire schoonheid verworteld is met religieuze moraal, die hij soms liefde, een andermaal goedheid noemt. Wordt de schoonheid van deze groeibodem afgesplitst, dan kan zij geen levenskracht blijven en is gedoemd uiteen te vallen.

Dat kon natuurlijk niet verder afstaan van de beginselen van Forum, het tijdschrift waarin Ter Braak en Du Perron schreven. En Du Perron ondernam dan ook een poging om Coster te verpletteren, een poging die grotendeels geslaagd moet worden genoemd. Niemand weet meer wie Dirk Coster is.

Nijhoff kon destijds dat vernietigende boek van Du Perron over Coster niet bespreken; hij vond Du Perrons boek te polemisch, te vernietigend, te negatief. En dat schreef hij toen ook, een heel kort stukje, in plaats van de gevraagde bespreking.

Er zijn duidelijke overeenkomsten tussen Nijhoff en Rilke: beiden zijn het ‘witte magiërs’ – de term is van de dichter Hendrik de Vries (1896-1989) – dat wil zeggen sensitieve dichters die probeerden alles wat ze voelden en beseften, en ook alle dromen, gruwelen, verwachtingen, angsten, hoge gedachtevluchten, een plaats te geven in hun poëzie. Felle pennetwisten, meningenstrijd, polemiek konden ze daar eigenlijk niet bij gebruiken.

Het onderhavige gedicht lijkt op het eerste gezicht een relatief eenvoudig gedicht over de herfst, een vers dat het lot van vallende blaadjes thematiseert, algemeen maakt, zodat het ook over onszelf, onze dood, onze existentiële angsten, onze mislukkingen gaat. En dat is het ook.

Maar er is nog wel iets meer over te zeggen: verreweg de beste tekst die ik over dit gedicht ken, is van de hand van Coen Wessel, een PKN-predikant uit Hoofddorp. Hij heeft heel aannemelijk gemaakt dat de beeldtaal van de beeldhouwer Auguste Rodin belangrijk is om dit gedicht goed te begrijpen. Wessels verbazing (ook de mijne) betrof de introductie van de ‘handen’ – wat niet zo voor de hand ligt als het over vallende blaadjes gaat. Wessel maakt aannemelijk dat Rilkes metafoor ontleend is aan de beeldtaal van Rodin. Het artikel van Wessel vindt u hier. (Een link naar de uitgebreidere Duitse tekst die verschenen is in een liber amicorum van Andreas Pangritz vindt u onderaan het artikel.)

Wessel heeft in dit artikel ook zelf een vertaling van eigen hand opgenomen die ik mooi vind. Diens slotregels vind ik metrisch niet helemaal goed lopen, en hij mist het rijm fält/hält. Het halfrijm gaarden/gebaren had ik onafhankelijk van hem gevonden, maar hij was er eerder mee.

Een vertaling van de gelauwerde vertaler Peter Verstegen vindt u hier. Deze vertaling ligt, vrees ik, ver beneden het peil dat Verstegen met andere vertalingen wist te bereiken.

Vertaling:

Herfst

De bladeren vallen – als uit oneindigheid,
Als dorden er verre hemelse gaarden;
Ze vallen met afwerende gebaren.

En ’s-nachts, dan valt de zware aarde,
Weg van de sterren, in de eenzaamheid.

Wij allen vallen. Het geldt ook deze hand.
En zie naar de andere: het is in allen.

Toch is er Iemand die dit algemene vallen
Oneindig teder met zijn hand omvaamt.

Origineel:

Herbst

Die Blätter fallen, fallen wie von weit,
als welkten in den Himmeln ferne Gärten;
sie fallen mit verneinender Gebärde.

Und in den Nächten fällt die schwere Erde
aus allen Sternen in die Einsamkeit.

Wir alle fallen. Diese Hand da fällt.
Und sieh dir andre an: es ist in allen.

Und doch ist Einer welcher dieses Fallen
unendlich sanft in seinen Händen hält.

Sonnet 130 – Shakespeare

Shakespeare_(oval-cropped) (1)

William Shakespeare

Dit sonnet van William Shakespearesonnet 130, een van de 154 – is gericht aan de Zwarte Dame, The Dark Lady. Het is geen moeilijk en zelfs een heel toegankelijk gedicht, maar je moet wel even begrijpen dat Shakespeare hier de draak steekt met de petrarkistische conventies (de door Petrarca in het leven geroepen dichterlijke gewoonten) om de geliefde met fraaie beeldspraak te overladen: lippen zijn koraalrood, de geliefde beweegt zich voort als een godin, de haren zijn gouden draden en de ogen stralen zeker zo intens als de zon.

Al deze dingen zijn op Shakespeare’s geliefde niet van toepassing, en dan komt de pointe: nochtans houdt hij zielsveel van haar.

Het oorspronkelijke gedicht is geschreven in jambische vijfvoeten (het metrum van elke versregel is dus als volgt: pom-póm, pom-póm, pom-póm, pom-póm, pom-póm). Ik heb de meeste (12 van de 14) regels vertaald met een jambische zesvoet (één keertje extra pom-póm).

Het Shakespeare-sonnet wijkt af van het Italiaanse sonnet. De wending of volte komt niet na de achtste regel, maar na de twaalfde. De laatste twee regels geven de pointe.

Ik heb de eerste twaalf regels weergegeven in kwatrijnvorm omwille van de leesbaarheid – wat in de oorspronkelijke Shakespeare-uitgaven vaak niet gebeurde.

Vertaling:

Sonnet 130

De ogen van mijn lief zijn echt niet hemelsblauw;
Haar lippen steken bleekjes af bij rood koraal,
Als sneeuw dan wit is, is haar boezem zeker grauw?
Die zwarte draden maken haar nog net niet kaal.

Ik zag soms rozen, damascener-rood en -wit,
Maar zulke blossen tonen toch haar wangen niet.
Waar menig parfum een verfijnd bouquet bezit,
Blijkt dat haar adem naar iets anders riekt.

Ik luister graag naar haar, maar weet heel goed
Dat het nou niet bepaald muziek der sferen is.
Godinnen komen je soms zwierig tegemoet,
Terwijl mijn lief weer aan het klossen is.

Maar toch, hoezeer zij met die beelden wordt onteerd,
Ik heb haar lief – en er is niets dat mij nog deert.

Origineel:

Sonnet 130

My mistress’ eyes are nothing like the sun;
Coral is far more red than her lips’ red.
If snow be white, why then her breasts are dun;
If hairs be wires, black wires grow on her head.

I have seen roses damasked, red and white,
But no such roses see I in her cheeks;
And in some perfumes is there more delight
Than in the breath that from my mistress reeks.

I love to hear her speak, yet well I know
That music hath a far more pleasing sound.
I grant I never saw a goddess go:
My mistress when she walks treads on the ground.

And yet, by heaven, I think my love as rare
As any she belied with false compare.

De afwezigheid – R.S. Thomas

r.-s.-thomas-4da1a5eab4f6b_360x225

Ronald Stuart Thomas

Ronald Stuart Thomas (1913-2000) was een Welshe dichter die ook zijn leven lang in Wales woonde en werkte als een Anglicaans priester. Hij was een groot natuurliefhebber, had een vrij vergaande afkeer van moderne zaken die hij vond afleiden waar het in het leven echt om ging, en hij schreef in het Engels.

Een aardige bespreking door Theodore Dalrymple van zijn biografie – Byron Rogers, The Man Who Went into the West: The Life of R. S. Thomas, Aurum Press – vindt u hier.

Hij was een merkwaardige, eenzelvige figuur die prachtige gedichten schreef, getrouwd was met de schilder Mildred (Elsi) Eldridge (aan wie hij een paar zeer fraaie gedichten heeft gewijd – zie elders op dit blog). Kingsly Amis – zeker geen geestverwant – schreef dat zijn poëzie “reduces most other modern verse to footling whimsy” (=triviale gekkigheid). Hij is in Nederland niet zeer bekend.

Dit gedicht is wel geheimzinnig, maar niet heel moeilijk.

Het gaat over het bidden tot een God wiens aanwezigheid bijna net zo reëel is als zijn maar al te reële afwezigheid.

Ik ben opgegroeid in een gereformeerd-vrijgemaakt milieu, een GPV-milieu, waarin dit gedicht zonder twijfel met onbegrip en afwijzing ontvangen zou zijn, althans in mijn vormende jaren (jaren ’70-’80).

In SGP-kringen – een milieu van bevindelijke christenen – heb ik soms wel begrip gevonden voor de in dit gedicht uitgedrukte gevoelens van godsvrucht die gewoon kunnen samengaan met gevoelens van godverlatenheid.

Je kunt het gedicht misschien als lakmoesproef gebruiken om refo’s van grefo’s (orthodox-gereformeerden van bevindelijk-gereformeerden) te onderscheiden.

De slotregel verwijst naar de Horror Vacui – angst voor de leegte – een begrip uit de oudheid dat natuurkundige en filosofische betekenissen draagt.

Vertaling:

De afwezigheid

Het is deze immense afwezigheid,
bijna een aanwezigheid, die me ertoe
noopt iets te zeggen zonder hoop
op antwoord. Een kamer die ik binnenga

waaruit net iemand is verdwenen,
een vestibule in afwachting
van iemand die nog niet is gekomen.
Ik probeer mijn anachronistische taal

te moderniseren, maar evengoed
blijft hij weg. Genen, moleculen
hebben net zo min kracht hem op te roepen
als de wierook der Hebreeën

aan het altaar. Mijn vergelijkingen deugen niet,
net als mijn woorden. Welk middel heb ik,
behalve de goddeloze leegheid van mijn wezen,
een vacuüm waarvoor hij misschien niet terugdeinst?

Origineel:

The Absence

It is this great absence
that is like a presence, that compels
me to address it without hope
of a reply. It is a room I enter

from which someone has just
gone, the vestibule for the arrival
of one who has not yet come.
I modernise the anachronism

of my language, but he is no more here
than before. Genes and molecules
have no more power to call
him up than the incense of the Hebrews

at their altars. My equations fail
as my words do. What resources have I
other than the emptiness without him of my whole
being, a vacuum he may not abhor?

Naar het einde – R.S. Thomas

rs_thomas_01

Ronald Stuart Thomas

De Welshe dichter Ronald Stuart Thomas (1913 – 2000) was een anglicaanse dominee die meest Engelse gedichten schreef. Kingsley Amis zei ooit dat Thomas’ poëzie de meeste moderne gedichten degradeert tot triviale gekkigheid.

Hij heeft met zijn religieuze houding, met zijn neiging om zich met de profetenmantel te behangen, en toch ook wel met de klap waarmee zijn versregels soms aankomen, wel enige overeenkomst met Ida Gerhardt.

Dit gedicht is niet heel moeilijk: wijze mensen worden niet gehoord in het tumult van de tijd, en de meeste mensen luisteren naar raadgevers die adviseren om je rust aanstonds te verkopen, met – uiteraard – tumult als gevolg.

De titel is dubbelzinnig: deze betekent ‘periode’, ‘tijdperk’, maar natuurlijk ook ‘punt’, ‘afsluiting’. Ik heb deze daarom vertaald met ‘Naar het einde’.

Het origineel is hier raadpleegbaar (R.S. Thomas, Collected Poems: 1945-1990).

Naar het einde

’t Was een tijd waarin wijze mensen
Niet zwegen, maar werden gesmoord
In rumoer en geraas. Ze doken onder
In boeken die niemand las.

Het publiek leende gaarne het oor
Aan twee raadgevers. De een riep
Uitentreuren: ‘Koop’; de ander, nog
Overtuigender: ‘Verkoop hier uw rust’.

Origineel:

Period

It was a time when wise men
Were not silent, but stifled
By vast noise. They took refuge
In books that were not read.

Two counsellors had the ear
Of the public. One cried ‘Buy’
Day and Night, and the other,
More plausibly, ‘Sell your repose’.

 

Sonnet 78 – Shakespeare

Shakespeare_(oval-cropped) (1)De Engelse dichter, toneelschrijver en acteur William Shakespeare (1564-1616) wordt algemeen beschouwd als een van de grootste dichters die ooit heeft geleefd. Naast toneelwerk in verzen heeft hij ook 154 sonnetten geschreven die al vaker in het Nederlands vertaald zijn. Veel van die vertalingen zijn ook wel online te vinden.

In Sonnet 78 blijkt dat Shakespeare te maken heeft met geleerde concurrenten. Het betreft hier waarschijnlijk “een groep elizabethanen, bekend als de […] University Wits, (…)”, volgens Peter Verstegen, die een tweetalige editie van de sonnetten heeft gemaakt en ook een commentaar heeft geschreven bij elk sonnet (William Shakespeare, Sonnetten, Amsterdam: G.A. van Oorschot, 1993, p.268).

In veel gevallen worden de eerste twaalf regels als één blok geschreven. Ik heb ze als kwatrijnen genoteerd omwille van de leesbaarheid.

Vertaling:

Sonnet 78

Heel dikwijls riep ik jou als muze aan,
Wat al mijn verzen zeer te stade kwam;
Door vreemde pennen werd het nagedaan,
Zodat men nog wat van hun poëzie vernam.

Jouw ogen leerden zwijgers kwinkeleren,
Verhieven logge domheid in de lucht,
Geleerde wieken kregen heuse veren,
Waar gratie was, nam die nog hoger vlucht.

Verhef je maar op wat ik nederschrijf,
Jij bent de oorsprong, en jij bent het vuur.
Kunst die zich warmt aan jou, beklijft,
Bij broeders geeft het hooguit wat structuur.

Kern van mijn kunst ben jij, en zelfs bereid
Jij nog geleerdheid uit mijn dommigheid.

Origineel:

Sonnet 78

So oft have I invoked thee for my muse,
And found such fair assistance in my verse
As every alien pen hath got my use,
And under thee their poesy disperse.

Thine eyes, that taught the dumb on high to sing
And heavy ignorance aloft to fly,
Have added feathers to the learned’s wing
And given grace a double majesty.

Yet be most proud of that which I compile,
Whose influence is thine, and born of thee.
In others’ works thou dost but mend the style,
And arts with thy sweet graces gracèd be;

But thou art all my art, and dost advance
As high as learning my rude ignorance.

Zwarte trocheeën

Zwarte trocheeën

Niemand durf ik iets te vragen,
Angst is alles wat ik voel.
Leed is steevast onvoldragen,
Bid een mincha in de sjoel.

Ongenadig is het leven,
Tragisch is ons aards bestaan,
Gratis is al wat wij geven,
Graven zien ons grijnzend aan.

Ritmisch leven, ritmisch denken,
Wissel kalmte af met vuur.
Laat het Schip van Staat maar zwenken,
Blijf de baas van eigen stuur.

Graaf een kuil en jammer bitter,
Aan de dood ontkomt niet een.
Schrijf geen vuig bericht op Twitter.
Vloek geen vromen, werp geen steen.

Houd maar vast aan je conundrum,
Aan je wanhoop en je lust.
Liefde lonkt als een postscriptum,
Slechts voor wie zijn noodlot kust.

(Eigen werk)

Terugdenken aan schoonheid – George S. Fraser

Gisteravond, 30 januari 2019, was in Theater De Boerderij in Huizen de prijsuitreiking van de poëzie-vertaalwedstrijd die werd georganiseerd door de Stichting Kunst en Cultuur Huizen en de Bibliotheek Huizen-Laren-Blaricum. Ik won de derde prijs met mijn vertaling van On a Memory of Beauty van George S. Fraser. Door omstandigheden kon ik helaas niet aanwezig zijn.

De Schotse dichter George Sutherland Fraser (1915-1980) is niet heel erg bekend, en als u zijn naam wel eens tegenkomt, dan misschien vaker als criticus en man of letters dan als dichter, wat hij ook was.

oorkondepoc3abzievertaalwedstrijdHet gedicht is gepubliceerd in The Traveller has Regrets and Other Poems (1948).

Het juryrapport kunt u hier nalezen.

De voor mijn vertaling relevante passages uit het juryrapport luiden:

 

“Een enkeling koos voor een wat vrijere vertaling [van de titel] en daar is niets op tegen, zoals Terugdenken aan schoonheid. Mooi gevonden. Ik moest toen ik dat las, denken aan de beginregel van het gedicht van Hendrik Marsman: Denkend aan Holland zie ik brede rivieren traag door oneindig laagland gaan.”

“Deze inzender dankt zijn prijs aan de compacte stijl, goed lopende en ritmisch verantwoorde regels die op een natuurlijke manier rijmen (d.w.z. zonder rijmdwang). Een regel als haar welving in het woelen der zee is een fraaie vondst. Daar stond wel weer tegenover dat de inzender een paar keer qua stijl en woordgebruik de plank misslaat en is daarom op de derde plaats gekomen.”

(Het is mij niet geheel duidelijk waar ik “qua stijl en woordgebruik” de plank heb misgeslagen, maar het is altijd goed om ter zake oplettend te blijven.)

Een interpretatie van het gedicht door jurylid Petra Kos, vindt u hier.

Vertaling:

Terugdenken aan schoonheid

Hoe komt het dat het hart verflauwt
Bij zee en rots, gekweld door leed
Dat het een lief gezicht maar niet onthoudt –
‘t Decor bewaart, de vrouw vergeet?

Maar is het ondeelbaar of zijn het er twee,
Was het een meisje of een sculptuur?
Schuimt haar welving in het woelen der zee,
Herstelt de lente opnieuw haar figuur?

Zo vluchtig als schoonheid ons bescheen,
Zo snel wordt ook van golf of wolk het beeld,
Hun vluchtig aspect, dat verdween,
In de geheugenzeef verspeeld.

En wat ik diep van binnen vind?
Rare, wilde dingen,
Zwoegend als zwanen in de sneeuw, half-blind –
Hoor de stervende zwaan zingen.

Origineel:

On a Memory of Beauty

How can the heart for sea and stone
Be cumbered, and forget a face
That moved it once to fret and moan—
Forget the woman, see the place?

But was it one or was it two,
Was it a statue or a girl?
Might every spring her form renew,
And the white sea-froth be her curl?

Beauty but for a moment shone,
The likeness of a cloud or wave
Whose momentary aspect, gone,
The sieve of memory cannot save.

Right at the back of my head I know
Incredible wild things
Struggle like swans half-blind with snow—
And the dying swan sings.

 

 

 

Alle lust wil eeuwigheid – Friedrich Nietzsche

nietzsche1882

Friedrich Nietzsche, 1882 (Photographie von Gustav Adolf Schultze)

Friedrich Nietzsche (1844-1900) is een belangrijke 19e-eeuwse Duitse schrijver en taalgeleerde die na zijn dood beroemd is geworden als filosoof. Een filosoof in eigenlijke zin is hij (volgens mij) nauwelijks – er is geen filosofisch systeem dat zijn naam draagt – maar zijn boeken hebben veel invloed gehad op het wijsgerige denken, een invloed die voortduurt tot in onze tijd.

Hij was een van de eersten die probeerden onder woorden te brengen wat het betekent als het christendom – Nietzsche was zelf een domineeszoon – voorgoed zou verdwijnen. Enerzijds juichte hij dat toe; anderzijds leed hij daaronder – de resulterende mentale spanning kon hij uiteindelijk niet aan, en hij bracht zijn laatste jaren als een geesteszieke door.

Diepzinnigheid – al schold hij daarop – was zijn geestesmerk, in een tijd dat de diepzinnigheid verschoof van de religie naar de ideologie.

Nietzsche was een heel goed, maar wel zeer geëxalteerd, poëtisch schrijver. Een van zijn meest dichterlijke boeken is Also sprach Zarathustra. Hierin komt het titelloze gedicht voor dat hier is vertaald. Ik heb dit gedicht een titel gegeven om reden dat het op die manier gemakkelijker is om te onthouden en terug te vinden, maar het is goed te beseffen dat het oorspronkelijke gedicht geen titel droeg.

De Oostenrijkse componist Gustav Mahler heeft het gedicht gebruikt in zijn Derde Symfonie, het vierde deel: 4. Sehr langsam. Misterioso. Een opname (Birmingham Symphony Orchestra) kunt u hier beluisteren.

Het gedicht voldoet niet aan een vast poëtisch stramien, maar is wel ritmisch en bovendien overladen met rijm, wat maakt dat de lezer of luisteraar de intensiteit ervan sterk ervaart. Na de twee openingsregels is de rest van het gedicht datgene wat Middernacht ons te vertellen heeft.

Vertaling:

Alle lust wil eeuwigheid

O Mens! Sla acht
Op ‘t woord van middernacht!
“Ik sliep, ik sliep –
Ontwaakt uit wat de droom mij bracht –
De wereld is zo diep,
Nog dieper dan de dag bedacht.
Diep is haar pijn –
O lust – die dieper is dan treurigheid.
Pijn zegt: Verdwijn!
Maar alle lust wil eeuwigheid,
Wil diepe, diepe eeuwigheid.”

Origineel:

O Mensch! Gib acht!
Was spricht die tiefe Mitternacht?
“Ich schlief, ich schlief –
Aus tiefen Traum bin ich erwacht –
Die Welt ist tief,
Und tiefer als der Tag gedacht.
Tief ist ihr Weh –
Lust – tiefer noch als Herzeleid.
Weh spricht: Vergeh!
Doch alle Lust will Ewigkeit,
will tiefe tiefe Ewigkeit!”

De mooiste kleuren – Karl Ernst Knodt

 

Karl Ernst Knodt (1856-1917) was een Duitse dichter die niet erg bekend is geworden – of althans gebleven. Hij was een domineeszoon uit een Luthers theologengeslacht, en werd ook zelf dominee. Hij is predikant geweest in Gernsheim en Ober-Klingen, stond bekend als de “Waldpfarrer”, onderhield een uitgebreide briefwisseling met Hermann Hesse, en was een steun en toeverlaat voor andere dichters en mensen met dichterlijke aspiraties.

Het gedicht dat ik vertaald heb is niet moeilijk te begrijpen: het verbindt de kleurenpracht vlak voor het vallen van de herfstschemering met het besef dat je niet lang meer te leven hebt.

Het zijn twee kwatrijnen, waarvan alleen de tweede en de vierde regel rijmen.

Vertaling:

De mooiste kleuren

De mooiste kleuren zijn de laatste:
zo zalig vredig, zuiver en sereen.
We zien in dit gerijpte weefsel
De gunsten van het jaar bijeen.

En zo zien onze rijpe zielen
de diepte in die kleurenpracht,
het raadsel van de laatste gloed,
bij ‘t naderen van de laatste nacht.

Origineel:

Die schönsten Farben

Die schönsten Farben sind die späten:
ganz friedensselig, reif und rein.
Gewoben sind in ihre Ruhe
die Jahressegnungen hinein.

So schaut die reife Menschenseele
die Helle höchster Farbenpracht
und das Geheimnis letzten Leuchtens
just an der Pforte letzter Nacht.

Ergens – R.S. Thomas

De dichter Ronald Stuart Thomas – plattelandsdominee in Wales – was een eigenaardig man. Hij was Welsh, sprak en schreef ook in het Welsh, maar zijn poëzie is vrijwel geheel in het Engels geschreven. Hij verzette zich zijn hele leven tegen bijna alle aspecten van onze moderne wereld, van apparaten tot bikini’s, van glamour tot ronkende tractoren, van popmuziek tot milieuvervuiling. Voordat u nu denkt dat we hier met een idioot te maken hebben, citeer ik nog even de atheïst Kingsly Amis die over zijn dichtkunst zei: “[Thomas’s poetry] reduces most other modern verse to footling whimsy” (footling whimsy = triviale gekkigheid).

Hij was getrouwd met Mildrid Eldrige, een verfijnde schilder, hij hield van vogels kijken en wandelen in het bijna verlaten Welshe landschap.

In dit gedicht steekt hij de draak met onze neiging tot gemakzuchtige nabootsing en de oppervlakkigheid van het moderne toerisme, het zoeken naar ervaringen en thrills die een imitatie zijn van wat je bij anderen hebt gezien of gehoord, de illusie dat je iets meemaakt als je iets nadoet wat een ander reeds voor jou heeft gedaan.

Hij gebruikt alledaagse taal, is treffend in zijn beeldspraak, zijn verzen lopen heel natuurlijk, maar hij gebruikt weinig rijm. Hij gebruikt wel veel enjambementen, zinnen die over de versregels heenlopen.

Misschien zou hij ook wel de draak hebben gestoken met vertalingen.

Vertaling:

Ergens

Iets om mee te nemen zodat je kan
laten zien dat je er was: een lok van Gods
haar, stiekem gestolen toen hij
lag te slapen; een kiekje van de tuin
van de geest. Zoals bekend gaat het
bij het reizen niet om de aankomst,
maar om de thuiskomst, beladen
met stuifmeel die je moet opwerken
Tot de honing waarop de ziel kan teren.

Zijn onze levens niet eigenlijk havens
waarvan we steeds bezig zijn te
vertrekken, vliegvelden die we aandoen,
maar waarop we te kort verblijven
om te zeggen waaraan ze ons doen
denken? En altijd zoeken we
bij de ander de zekerheid van een
ervaring die het waard is om voor te sterven.

Er zal toch wel een reeds afgedragen,
vurig kleed zijn, dat als een uniek
schapenvachtje is opgehangen in de eregalerij?
We vergissen ons toch niet dat het huwelijk
van deze mannen en vrouwen steevast geurt
naar het vroege voorjaar? Ergens moet toch wel
– de rechtvaardiging van al ons speuren –
dat ene licht zijn dat zulke schaduwen werpen kan?

Origineel:

Somewhere

Something to bring back to show
you have been there: a lock of God’s
hair, stolen from him while he was
asleep; a photograph of the garden
of the spirit. As has been said,
the point of travelling is not
to arrive, but to return home
laden with pollen you should work up
into the honey the mind feeds on.

What are our lives but harbours
we are continually setting out
from, airports at which we touch
down and remain in too briefly
to recognise what it is they remind
us of? And always in one
another we seek the proof
of experiences it would be worth dying for.

Surely there is a shirt of fire
this one wore, that is hung up now
like some rare fleece in the hall of heroes?
Surely these husbands and wives
have dipped their marriages in a fast
spring? Surely there exists somewhere,
as the justification for our looking for it,
the one light that can cast such shadows?

Het Derde Rijk – Kurt Tucholsky

Stamps_of_Germany_(Berlin)_1985,_MiNr_748Ik eer op mijn manier – citeren, ter sprake brengen, prijzen – al enkele decennia Kurt Tucholsky (1890-1935), een Duitse dichter en columnist die soms nu nog bewondering wekt bij Nederlandse schrijvers.

Tucholsky was een zeer levendige, dwarse, humoristische en daarmee ook zeer serieuze schrijver, die de opkomst van het nationaalsocialisme niet heeft kunnen meemaken, en die in 1935 zelfmoord pleegde in Zweden.

Vorige week kocht ik in een kringloopwinkel aan de Veluwezoom de Rowohlt-uitgave van de Gedichte van Kurt Tucholsky voor vijftig eurocent. Ik ben er erg blij mee.

Kurt Tucholsky - GedichteKarel van het Reve schreef ooit dat Tucholsky niet erg expliciet over de opkomst van Hitler geschreven had. Hij citeerde toen de zin die hij erg mooi vond, en die ook erg mooi is: “Um mich herum verspüre ich ein leises Wandern. Sie rüsten zur Reise ins Dritte Reich.”

In de bundel die ik gekocht heb, merk ik dat Tucholsky in zekere zin na 1930 over weinig anders schreef. Zijn wereld ging ten onder.

“Wendisch und kaschubisch” zijn aanduidingen van slavische volkeren binnen de Duitse gemeenschap.

Er zijn een paar niet-bestaande Duitse woorden die ik heb vervangen door niet-bestaande Nederlandse woorden.

Ik heb overwogen om een foto van obsceniteiten schreeuwende Zwarte Piet-voorvechters op te nemen. Ik heb dat bewust en opzettelijk niet gedaan.

Vertaling:

Het Derde Rijk

Gewenst: een verheven ideaal
Voor de nationale mens,
Dat men een- en andermaal
Kan bijsnijden naar wens.
Men heeft met duitse mannenmoed
In zegenrijke uren
Een ideaal nieuw opgewroet
Dat ons niet zal bezuren:
Nee, het is niet het Eerste Rijk,
Nee, het is niet het Tweede Rijk…

Het Derde Rijk?
Alstublieft, liefst nu gelijk!

We mogen niet meer massalig zijn –
We moeten eindelijk raszalig zijn –
En vrijduits, jongduits, haard-en-erfjes-wolkerig,
En samenklontend, volks en volksig, volkerig,
En wat dan ook.
Wie het gelooft
Zal zalig zijn. Wie ’t niet gelooft, is
Heus een uitgezakte Paci- en Bolsjewist.

Het Derde Rijk?
Alstublieft, liefst nu gelijk!

Het Derde Rijk is vol van loos geluk.
We halen onze broeders eindelijk weer terug:
Sudetenduitsers, Saarduitsers,
Eupenduitsers en Deenseduitsers…
We staan steevast pal! Bejubelen de vrede.
Tijd nu voor oorlog. Wat zijn we hier beneden?
In ‘t Derde Rijk is de overwinning zeker,
Lekker onder mekaar.

Maar zacht gezegd, wat zien we daar?
Daar heerst de knoet, de sabel, de karwats,
Daar schittert zilver, bonte linten op het pak,
Daar wordt het tijdrad weer teruggedraaid –
We roepen ‘vaderland’ als ‘t echt niet langer gaat…
Daar zijn we allen rijk, gelijk
In ’t Derde Rijk.
De puurste wendische, slavische ariërs.

Ja, heus… En ook nog proletariërs!
Die ons vast als bevrijders zullen zien!
Die God gaan danken in de morgendienst –
Ze merken meteen:
We zijn sloebers als voorheen,
Opnieuw het zwoegende, grauwe gemeen,
Arme schelmen zonder hooi en haver –
Maar wel:
In ‘t Derde Rijk.

Ja, dat zijn wij.
Een blik in de statistiek:
We fabriceren veel. Meest vaderlandmystiek.

Origineel:

Das Dritte Reich

Es braucht ein hohes Ideal
der nationale Mann,
daran er morgens allemal
ein wenig turnen kann.
Da hat denn deutsche Manneskraft
in segensreichen Stunden
als neueste Errungenschaft
ein Ideal erfunden:
Es soll nicht sein das erste Reich,
es soll nicht sein das zweite Reich…

Das dritte Reich?
Bitte sehr! Bitte gleich!

Wir dürfen nicht mehr massisch sein –
wir müssen durchaus rassisch sein –
und freideutsch, jungdeutsch, heimatwolkig
und bündisch, völkisch, volkisch, volkig…
und überhaupt.
Wers glaubt,
wird selig. Wer es nicht glaubt, ist
ein ganz verkommener Paz- und Bolschewist.

Das dritte Reich?
Bitte sehr! Bitte gleich!

Im dritten Reich ist alles eitel Glück.
Wir holen unsre Brüder uns zurück:
die Sudetendeutschen und die Saardeutschen
und die Eupendeutschen und die Dänendeutschen…
Trutz dieser Welt! Wir pfeifen auf den Frieden.
Wir brauchen Krieg. Sonst sind wir nichts hienieden.
Im dritten Reich haben wir gewonnenes Spiel.
Da sind wir unter uns.

Und unter uns, da ist nicht viel.
Da herrscht der Bakel und der Säbel und der Stock –
da glänzt der Orden an dem bunten Rock,
da wird das Rad der Zeit zurückgedreht –
wir rufen »Vaterland!«, wenns gar nicht weitergeht…
Da sind wir alle reich und gleich
im dritten Reich.
Und wendisch und kaschubisch reine Arier.

Ja, richtig… Und die Proletarier!
Für die sind wir die Original-Befreier!
Die danken Gott in jeder Morgenfeier –
Und merken gleich:
Sie sind genau so arme Luder wie vorher,
genau solch schuftendes und graues Heer,
genau so arme Schelme ohne Halm und Haber –
Aber:
im dritten Reich.

Und das sind wir.
Ein Blick in die Statistik:
Wir fabrizieren viel. Am meisten nationale Mistik.

Sonnet 66 – Shakespeare

De dichter William Shakespeare (1564-1616) heeft, behalve een heleboel toneelwerk in verzen (verreweg het meeste daarvan is trouwens pure poëzie), ook 154 sonnetten geschreven. Hier volgt de vertaling van Sonnet 66. Het is geen moeilijk sonnet. De dichter somt, na eerst gezegd te hebben dat hij om al deze dingen liever dood zou zijn, allerhande akeligs op, en zegt vervolgens dat hij er al lang niet meer geweest zou zijn, ware het niet dat hij het niet over zijn hart kan krijgen om zijn geliefde alleen te laten.

Het is dus de liefde die zin geeft aan een bestaan dat zinloos zou zijn door alle onheil en krankzinnigheid die de wereld te zien en te verstaan geeft. Opmerkelijk is dat alle akelige dingen abstracties zijn: een bedelende deugd, versmade trouw, eerbetoon aan de lafheid, misbruikte kuisheid, besmeurde zuiverheid, misleide goedheid.

De vorm van het gedicht is het Engelse sonnet (of Shakespeare-sonnet): drie rijmende kwatrijnen (strofen van vier regels), afgesloten met een rijmend distichon (een strofe van twee regels). De wending, cesuur of volte komt pas na de eerste twaalf regels.

Vertaling:

Sonnet 66

Hier walg ik van, het liefste was ik dood:
Neem nou de deugd die bedelt aan de straat,
En geile niksigheid, getooid in kirrend rood,
En echte trouw die akelig wordt versmaad,

En eer die op de lafheid wordt gespeld,
En kuisheid die aan pooiers valt ten prooi,
En zuiverheid die wordt besmeurd voor geld,
En sterkte die voor misbruik wordt vergooid,

En kunst die wordt gemuilkorfd door gezag,
En eenvoud, weggehoond voor dommigheid,
En dwaasheid, met kordate oogopslag,
En goedheid, door sirenenzang misleid.

Hier walg ik van, en ‘k was al lang gegaan,
Als ik mijn liefste niet in tranen had zien staan.

Origineel:

Sonnet 66

Tired with all these, for restful death I cry:
As, to behold desert a beggar born,
And needy nothing trimm’d in jollity,
And purest faith unhappily forsworn,

And gilded honour shamefully misplaced,
And maiden virtue rudely strumpeted,
And right perfection wrongfully disgraced,
And strength by limping sway disablèd,

And art made tongue-tied by authority,
And folly, doctor-like, controlling skill,
And simple truth miscalled simplicity,
And captive good attending captain ill.

Tired with all these, from these would I be gone,
Save that to die I leave my love alone.

Corona – Paul Celan

De dichter Paul Celan (1920-1970) was een duitstalige jood die in Tsjernivtsi – toenmalig Roemenië, tegenwoordig Oekraïne – werd geboren. Hij wordt beschouwd als een van de grootste lyrische dichters van het Duitse taalgebied. Zijn ouders werden door de nazi’s vermoord. Zelf maakte hij in Parijs in 1970 een einde aan zijn leven.

Corona betekent ‘kroon’ of ‘krans’, en het is in dit geval een poging om luister, een bladerkrans te verlenen aan de kortstondige liefde die zich afspeelt in de tijd die ook nog eens een neergang beleeft in de herfst.

Dit gedicht is een prachtig, meeslepend, bezwerend gedicht.

Vertaling:

Corona

Uit mijn hand eet de herfst nu een blaadje: we zijn vrienden.
We pellen Tijd uit de schaal van de nootjes, en leren haar lopen:
De Tijd keert terug in de schaal.

In de spiegel is zondag.
In de droom wordt geslapen,
de mond zegt wat waar is.

Mijn ogen zien op naar ‘t geslacht van mijn liefste:
we zien naar elkaar,
we ruilen ons duister,
we minnen elkaar als getrouwheid en klaproos,
we slapen als wijn in de mossels,
als de zee in de gloed van een bloedende maan.

We staan voor het raam in omhelzing, en ze zien van de straat naar ons op:
Weet u, het is tijd!
Het is tijd dat de steen erin slaagt om te bloeien,
Dat onrust een hart eens doet slaan.
Het is tijd, dat het tijd wordt.

Het is tijd.

Origineel:

Corona

Aus der Hand frißt der Herbst mir sein Blatt: wir sind Freunde.
Wir schälen die Zeit aus den Nüssen und lehren sie gehn:
die Zeit kehrt zurück in die Schale.

Im Spiegel ist Sonntag,
im Traum wird geschlafen,
der Mund redet wahr.

Mein Aug steigt hinab zum Geschlecht der Geliebten:
wir sehen uns an,
wir sagen uns Dunkles,
wir lieben einander wie Mohn und Gedächtnis,
wir schlafen wie Wein in den Muscheln,
wie das Meer im Blutstrahl des Mondes.

Wir stehen umschlungen im Fenster, sie sehen uns zu von der Straße:
es ist Zeit, daß man weiß!
Es ist Zeit, daß der Stein sich zu blühen bequemt,
daß der Unrast ein Herz schlägt.
Es ist Zeit, daß es Zeit wird.

Es ist Zeit.

Sonnet 30 – Shakespeare

250px-ShakespeareWilliam Shakespeare heeft, naast toneel in verzen, ook 154 sonnetten geschreven. De sonnetvorm bij Shakespeare wijkt enigszins af van het Italiaanse sonnet dat door Petrarca is vervolmaakt. Het Shakespeareaanse sonnet telt drie kwatrijnen en een afsluitend distichon. De wending, cesuur of volte bevindt zich niet na het tweede kwatrijn – zoals bij Petrarca – maar tussen de drie kwatrijnen en de afsluitende slotregels.

Dit gedicht behoeft weinig toelichting. De dichter roept in herinnering alle verdriet die het leven voor hem in petto had, hij herbeleeft dit verdriet en ‘betaalt’ daarom dubbel voor alle verlies dat hem is overkomen. Maar in de slotregel blijken alle tekorten verdampt als hij denkt aan zijn ‘dear friend’ – de eerste keer dat deze aanhef wordt gebruikt in de sonnetten.

Het gedicht is geschreven in jambische pentameters – elke regel bevat vijf metrische eenheden die kunnen weergegeven worden met ‘pom-póm’, en heeft dus tien lettergrepen, want alle regels hebben staand of mannelijk (eenlettergrepig) rijm. In vertaling heb ik er soms twee lettergrepen bijgesmokkeld, maar ik heb wel het mannelijk rijm zo goed mogelijk gehandhaafd.

Vertaling:

Sonnet 30

Als ik aan stil gepeins mij overgeef,
Trekt al wat niet meer is, aan mij voorbij.
Van wat ik zocht, is er haast niets dat bleef;
Met oud geklaag mors ik mijn dure tijd.

Dan pleng ik soms – ik huil niet snel – een traan
Om vrienden die voorgoed verdwenen in de nacht,
Geef aan vergane liefdeswee opnieuw ruim baan,
En treur om wat teloor ging aan genoten pracht.

Dan ben ik droef om droefheid van destijds,
Noteer dan nauwgezet van al wat is verwoest,
Of wat ik vreesde, het saldo aan verdriet en spijt,
Waarmee ik het opnieuw, opnieuw betalen moest.

Maar als ik denk aan jou, mijn lieve vriend,
Wijkt elk verdriet, is het tekort reeds terugverdiend.

Origineel:

Sonnet XXX

When to the sessions of sweet silent thought
I summon up remembrance of things past,
I sigh the lack of many a thing I sought,
And with old woes new wail my dear time’s waste.

Then can I drown an eye unused to flow
For precious friends hid in death’s dateless night,
And weep afresh love’s long-since-cancelled woe,
And moan th’expense of many a vanished sight.

Then can I grieve at grievances foregone,
And heavily from woe to woe tell o’er
The sad account of fore-bemoanèd moan,
Which I new pay as if not paid before.

But if the while I think on thee, dear friend,
All losses are restored, and sorrows end.

Ik ben niemand! Wie ben jij? – Emily Dickinson

Emily Dickinson - NobodyHet gedicht I am nobody! Who are you? is één van de bekendste gedichten van de Amerikaanse dichter Emily Dickinson (1830-1886). Dickinson schreef bijna 1800 gedichten, maar de meeste werden pas gepubliceerd na haar dood, zoals ook dit gedicht in 1891.

Dickinson leefde een enigszins teruggetrokken leven ver van de podia, en in dit gedicht contrasteert ze de anonieme rust waarop ze gesteld was met het publieke gekwaak dat ze om zich heen zag.

Het is een gedicht dat verder weinig toelichting nodig heeft.

Vertaling:

Ik ben niemand! Wie ben jij?

Ik ben niemand! Wie ben jij?
Zeg, ben jij ook niemand?
Dan zijn we samen – hou het stil!
Anders sturen ze ons nog weg.

Hoe treurig om iemand te zijn!
Hoe naakt, alsof je een kikker was
Die dag in dag uit zijn naam moet zeggen
Tegen een juichend moeras!

Origineel:

I’m nobody! Who are you?

I’m nobody! Who are you?
Are you nobody, too?
Then there’s a pair of us — don’t tell!
They’d banish us, you know.

How dreary to be somebody!
How public, like a frog
To tell your name the livelong day
To an admiring bog!

 

Vlootbezoek – W.H. Auden

AudenVanVechten1939De dichter Wystan Hugh Auden schreef het gedicht Fleet Visit in 1951. Hij woonde toen in Amerika.

Een paar opmerkingen ten geleide:

  • Hollow ships verwijst naar Homerus – hollow is bij Homerus in de Ilias en de Odyssee een versierend bijvoeglijk naamwoord (epitheton ornans).
  • Troje is uiteraard ook een verwijzing naar de soldaten die onverwacht uit de buik van een hol paard wisten te kruipen.
  • Auden was homoseksueel. De mooie jongens die uit het holle schip kropen, lieten hem niet onberoerd.
  • Het begrip junk in relatie tot de hoer en de nietsnut betekent – behalve ‘troep’ – ook ‘bedekte genitaliën’.
  • Het begrip Social Beast verwijst naar het werk van Simone Weil.

Hier draagt Auden zelf het gedicht voor.

Vertaling:

Vlootbezoek

De zeelui gaan aan wal
Vanuit uit hun holle schip,
Gewone jongens, schooiers,
Dol op cartoon en strip;
Een wedstrijd met een bal
Zegt ze meer dan vijftig Trojes.

Ze lijken verloren, neergezet
Als yankees in den vreemde,
Waar lokalen langs marcheren
Met eigen doel en eigen wet.
Een stelletje ontheemden,
Zolang het moet; het tij kan keren.

De nietsnut en de hoer,
Hen sarrend met bobbel of doos,
Zijn altijd morsig geweest,
En dienen het Sociale Beest;
Ledigheid staat aan het roer,
En ze worden dus laveloos.

Maar de schepen die in het ijle
havenblauw getekend staan,
Hebben baat bij dit verwijlen;
Zonder mensen die commanderen
Wie ze moeten liquideren,
Zijn hun contouren humaan.

En verloren ogen ze niet;
Ze stralen als was het hun aard
Een hoogst abstract ontwerp te zijn
Van vlakpatroon en lijn,
Zeker elke cent wel waard
Van de miljoenen die je erin ziet.

Origineel:

Fleet Visit

The sailors come ashore
Out of their hollow ships,
Mild-looking middle-class boys
Who read the comic strips;
One baseball game is more
To them than fifty Troys.

They look a bit lost, set down
In this unamerican place
Where natives pass with laws
And futures of their own;
They are not here because
But only just-in-case.

The whore and ne’er-do-well
Who pester them with junk
In their grubby ways at least
Are serving the Social Beast;
They neither make nor sell —
No wonder they get drunk.

But the ships on the dazzling blue
Of the harbor actually gain
From having nothing to do;
Without a human will
To tell them whom to kill
Their structures are humane

And, far from looking lost,
Look as if they were meant
To be pure abstract design
By some master of pattern and line,
Certainly worth every cent
Of the millions they must have cost.

Rozen, nazomer – Mary Oliver

Mary Oliver

Mary Oliver (2001) tijdens een poëzievoordracht

Ze is een Amerikaanse dichter, Mary Oliver (1935-2019), en ze werd geboren in een landelijk plaatsje, vlakbij Cleveland in Ohio. Daar ontwikkelde ze een grote voorliefde voor de natuur.

Ze begon betrekkelijk vroeg met dichten. Ze schrijft verzen met een fraai ritme, waarin vaak rijm ontbreekt, maar waarin een dichterlijke stroom en tegenstroom nooit ontbreken, en die ons gevoelig maken en verrijken – zoals elk goed gedicht – voor de gruwelen en de schoonheden en de geheimenissen van het bestaan – “We are nourished by the mystery” (The Fish).

Ze was bevriend met de zus van  Edna St. Vincent Millay, en heeft met haar de nagelaten papieren van de dichteres geordend.

Hier kunt u Mary Oliver beluisteren terwijl ze het gedicht Roses, Late Summer voordraagt. Ze heeft een aangename en heel duidelijke voordracht.

Hier kunt u uitgebreider met haar voordracht en haar persoon kennis maken.

Het gedicht heeft weinig toelichting nodig. Oliver beschrijft allereerst de eenvoud en natuurlijkheid van de schepping, van vos en roos. Ze eindigt met een verlangen naar de natuurlijkheid, de zuiverheid van deze schepselen.

De slotvraag is de pointe. Die vraag contrasteert in zijn betrekkelijk agressieve lading sterk met de lieflijkheid van het voorafgaande, eigenlijk precies omgekeerd als in het gedicht Weg met die heilige parabels van Heinrich Heine: daar is het gedicht juist vrij agressief, en is de slotregel zeer ontwapenend in zijn naïeve eenvoud.

Vertaling:

Rozen, nazomer

Wat gebeurt er
met de bladeren als
ze rood kleuren of goud, als ze
afvallen? Wat gebeurt er

met de zangvogels
als ze niet langer kunnen
zingen? Wat gebeurt er
met hun snelle vleugeltjes?

Denk je dat er een
persoonlijke hemel is
voor ieder van ons?
Denk je dat er iemand,

gene zijde van die duisternis,
ons zal roepen, daarmee ons zal bedoelen?
Achter de bomen
blijven de vossen hun welpen leren

hoe je leeft in de duinpan;
het lijkt wel of ze nooit verdwijnen, ze zijn er altijd
in het bloeiende licht
dat elke ochtend weer oprijst

in de donkere lucht.
En nog weer een duinenrij verder,
vlak langs de zee,
beginnen de laatste rozen hun productie van lieflijkheid,

en schenken ze deze terug aan de wereld.
Als ik een ander leven zou krijgen,
zou ik het willen geven aan een onbekend
tomeloos geluk.

Het zou een vos kunnen zijn, of een boom
vol met wuivende takken.
Ik zou het niet erg vinden een roos te zijn
in een veld vol met rozen.

Angst is nooit tot hen doorgedrongen; ambitie evenmin.
Verstand valt buiten hun besef.
Ook vragen ze nooit hoe lang ze rozen moeten zijn, en wat dan?
Of welke idiote vraag dan ook.

Origineel:

Roses, Late Summer

What happens
to the leaves after
they turn red and golden and fall
away? What happens

to the singing birds
when they can’t sing
any longer? What happens
to their quick wings?

Do you think there is any
personal heaven
for any of us?
Do you think anyone,

the other side of that darkness,
will call to us, meaning us?
Beyond the trees
the foxes keep teaching their children

to live in the valley.
so they never seem to vanish, they are always there
in the blossom of the light
that stands up every morning

in the dark sky.
And over one more set of hills,
along the sea,
the last roses have opened their factories of sweetness

and are giving it back to the world.
If I had another life
I would want to spend it all on some
unstinting happiness.

I would be a fox, or a tree
full of waving branches.
I wouldn’t mind being a rose
in a field full of roses.

Fear has not yet occurred to them, nor ambition.
Reason they have not yet thought of.
Neither do they ask how long they must be roses, and then what.
Or any other foolish question.

Aanvaarding – Robert Frost

De Amerikaanse dichter Robert Frost (1874-1963) behoeft eigenlijk geen introductie. Hij is veelvuldig gelauwerd, hij slaagt erin een snaar te raken bij iedere versgevoelige die hem leest, hij hanteert een eenvoudig idioom, hij is erg goed in spreektaal, hij is niet eenvoudig te plaatsen in levensbeschouwelijke of godsdienstige coördinatensystemen, maar hij heeft een duidelijke, zij het weinig orthodoxe, religieuze inslag. Zijn moeder was een aanhanger van de Lutheraanse mysticus Emanuel Swedenborg; zijn vader was een sceptische en atheïstische journalist. Hij had manisch-depressieve trekken. Over zijn levenshouding, zie: Jay Parini, Listening for God in Unusual Places: The unorthodox faith of Robert Frost, America The Jesuit Review, March 4, 2013 issue (February 20, 2013).

Het gedicht Acceptance is een Shakespeareaans sonnet: veertien regels, drie kwatrijnen en een distichon. Maar er is niet een volte of wending na de eerste twee kwatrijnen zoals gebruikelijk bij het sonnet. Wie meer wil lezen over dit vers, kan terecht bij dit boek (wel een beetje breedsprakig gewauwel over meerlagigheid, helaas): H.A. Maxson, On the Sonnets of Robert Frost: A Critical Examination of the 37 Poems, Jefferson, North Carolina: McFarland 1997.

In dit vers komen twee vogels voor: het vrouwtje zit als het donker wordt op haar nest, het mannetje is bij het invallen van de duisternis ver weg. Feministische interpretaties van dit gegeven lijken me beside the point. Het aantal versvoeten is in vertaling soms wat uitgebreid. Het rijm in vertaling is op een paar plaatsen halfrijm, waar in het origineel een volrijm wordt gehanteerd.

Vertaling:

Aanvaarding

Als de fletse zon zijn stralen op de wolken spuwt,
En wegzinkt om te branden in ‘t ravijn beneden,
Weerklinkt in de natuur geen stem die luide schreeuwt
Bij wat er plaatsvond. Slechts vogels kennen de reden:

Het wordt weer donker, hoog in de lucht daarbuiten.
Met prevelend kopje zacht tegen haar borstje aan,
Besluit een vogel het omfloerste oog te sluiten,
Een ander, overvallen, ver bij zijn nest vandaan,

Vliegt laag en vlug over de bomen, schiet net op tijd,
De moede zwerver, in zijn vertrouwde kruin,
En denkt of kwettert hooguit zachtjes: “O Zaligheid!
Schenk duisternis aan al wat ik beschouw als ‘mijn’,

Laat deze nacht zo donker zijn, dat ik niet meen
Te zien wat op mij afkomt. Laat al wat zijn zal, zijn.”

Origineel:

Acceptance

When the spent sun throws up its rays on cloud
And goes down burning into the gulf below,
No voice in nature is heard to cry aloud
At what has happened. Birds, at least must know

It is the change to darkness in the sky.
Murmuring something quiet in her breast,
One bird begins to close a faded eye;
Or overtaken too far from his nest,

Hurrying low above the grove, some waif
Swoops just in time to his remembered tree.
At most he thinks or twitters softly, “Safe!
Now let the night be dark for all of me.

Let the night be too dark for me to see
Into the future. Let what will be, be.”