Categorie archief: Poëzievertaling

Sonnet 130 – Shakespeare

Shakespeare_(oval-cropped) (1)

William Shakespeare

Dit sonnet van William Shakespearesonnet 130, een van de 154 – is gericht aan de Zwarte Dame, The Dark Lady. Het is geen moeilijk en zelfs een heel toegankelijk gedicht, maar je moet wel even begrijpen dat Shakespeare hier de draak steekt met de petrarkistische conventies (de door Petrarca in het leven geroepen dichterlijke gewoonten) om de geliefde met fraaie beeldspraak te overladen: lippen zijn koraalrood, de geliefde beweegt zich voort als een godin, de haren zijn gouden draden en de ogen stralen zeker zo intens als de zon.

Al deze dingen zijn op Shakespeare’s geliefde niet van toepassing, en dan komt de pointe: nochtans houdt hij zielsveel van haar.

Het oorspronkelijke gedicht is geschreven in jambische vijfvoeten (het metrum van elke versregel is dus als volgt: pom-póm, pom-póm, pom-póm, pom-póm, pom-póm). Ik heb de meeste (12 van de 14) regels vertaald met een jambische zesvoet (één keertje extra pom-póm).

Het Shakespeare-sonnet wijkt af van het Italiaanse sonnet. De wending of volte komt niet na de achtste regel, maar na de twaalfde. De laatste twee regels geven de pointe.

Ik heb de eerste twaalf regels weergegeven in kwatrijnvorm omwille van de leesbaarheid – wat in de oorspronkelijke Shakespeare-uitgaven vaak niet gebeurde.

Vertaling:

Sonnet 130

De ogen van mijn lief zijn echt niet hemelsblauw;
Haar lippen steken bleekjes af bij rood koraal,
Als sneeuw dan wit is, is haar boezem zeker grauw?
Die zwarte draden maken haar nog net niet kaal.

Ik zag soms rozen, damascener-rood en -wit,
Maar zulke blossen tonen toch haar wangen niet.
Waar menig parfum een verfijnd bouquet bezit,
Blijkt dat haar adem naar iets anders riekt.

Ik luister graag naar haar, maar weet heel goed
Dat het nou niet bepaald muziek der sferen is.
Godinnen komen je soms zwierig tegemoet,
Terwijl mijn lief weer aan het klossen is.

Maar toch, hoezeer zij met die beelden wordt onteerd,
Ik heb haar lief – en er is niets dat mij nog deert.

Origineel:

Sonnet 130

My mistress’ eyes are nothing like the sun;
Coral is far more red than her lips’ red.
If snow be white, why then her breasts are dun;
If hairs be wires, black wires grow on her head.

I have seen roses damasked, red and white,
But no such roses see I in her cheeks;
And in some perfumes is there more delight
Than in the breath that from my mistress reeks.

I love to hear her speak, yet well I know
That music hath a far more pleasing sound.
I grant I never saw a goddess go:
My mistress when she walks treads on the ground.

And yet, by heaven, I think my love as rare
As any she belied with false compare.

Advertenties

De afwezigheid – R.S. Thomas

r.-s.-thomas-4da1a5eab4f6b_360x225

Ronald Stuart Thomas

Dit gedicht van de Welshe dominee-dichter Ronald Stuart Thomas is wel geheimzinnig, maar niet heel moeilijk.

Het gaat over het bidden tot een God wiens aanwezigheid bijna net zo reëel is als zijn maar al te reële afwezigheid.

Ik ben opgegroeid in een gereformeerd-vrijgemaakt milieu, een GPV-milieu, waarin dit gedicht zonder twijfel met onbegrip en afwijzing ontvangen zou zijn, althans in mijn vormende jaren (jaren ’80). In SGP-kringen – een milieu van bevindelijke christenen – heb ik soms wel begrip gevonden voor de in dit gedicht uitgedrukte gevoelens van godsvrucht die dwars ingaan tegen gevoelens van godverlatenheid in.

Je kunt het gedicht bijna als lakmoesproef gebruiken om refo’s van grefo’s te onderscheiden.

Vertaling:

De afwezigheid

Het is deze immense afwezigheid,
bijna een aanwezigheid, die me ertoe
noopt iets te zeggen zonder hoop
op antwoord. Een kamer die ik binnenga

waaruit zojuist iemand verdwenen
is, een vestibule in afwachting
van iemand die mogelijk nog komt.
Ik zoek in mijn taal naar nieuwe

anachronismen, maar hij blijft weg
als vroeger. Genen, moleculen
hebben net zo min kracht hem op te roepen
als de wierook der Hebreeën

bij het altaar. Mijn vergelijkingen deugen niet,
net als mijn woorden. Welk middel heb ik,
behalve de volstrekte leegheid van mijn wezen,
een vacuüm waarvoor hij misschien niet terugdeinst?

Origineel:

The Absence

It is this great absence
that is like a presence, that compels
me to address it without hope
of a reply. It is a room I enter

from which someone has just
gone, the vestibule for the arrival
of one who has not yet come.
I modernise the anachronism

of my language, but he is no more here
than before. Genes and molecules
have no more power to call
him up than the incense of the Hebrews

at their altars. My equations fail
as my words do. What resources have I
other than the emptiness without him of my whole
being, a vacuum he may not abhor?

Naar het einde – R.S. Thomas

rs_thomas_01

Ronald Stuart Thomas

De Welshe dichter Ronald Stuart Thomas (1913 – 2000) was een anglicaanse dominee die meest Engelse gedichten schreef. Kingsley Amis zei ooit dat Thomas’ poëzie de meeste moderne gedichten degradeert tot triviale gekkigheid.

Hij heeft met zijn religieuze houding, met zijn neiging om zich met de profetenmantel te behangen, en toch ook wel met de klap waarmee zijn versregels soms aankomen, wel enige overeenkomst met Ida Gerhardt.

Dit gedicht is niet heel moeilijk: wijze mensen worden niet gehoord in het tumult van de tijd, en de meeste mensen luisteren naar raadgevers die adviseren om je rust aanstonds te verkopen, met – uiteraard – tumult als gevolg.

De titel is dubbelzinnig: deze betekent ‘periode’, ‘tijdperk’, maar natuurlijk ook ‘punt’, ‘afsluiting’. Ik heb deze daarom vertaald met ‘Naar het einde’.

Het origineel is hier raadpleegbaar (R.S. Thomas, Collected Poems: 1945-1990).

Naar het einde

’t Was een tijd waarin wijze mensen
Niet zwegen, maar werden gesmoord
In rumoer en geraas. Ze doken onder
In boeken die niemand las.

Het publiek leende gaarne het oor
Aan twee raadgevers. De een riep
Uitentreuren: ‘Koop’; de ander, nog
Overtuigender: ‘Verkoop hier uw rust’.

Origineel:

Period

It was a time when wise men
Were not silent, but stifled
By vast noise. They took refuge
In books that were not read.

Two counsellors had the ear
Of the public. One cried ‘Buy’
Day and Night, and the other,
More plausibly, ‘Sell your repose’.

 

Sonnet 78 – Shakespeare

Shakespeare_(oval-cropped) (1)De Engelse dichter, toneelschrijver en acteur William Shakespeare (1564-1616) wordt algemeen beschouwd als een van de grootste dichters die ooit heeft geleefd. Naast toneelwerk in verzen heeft hij ook 154 sonnetten geschreven die al vaker in het Nederlands vertaald zijn. Veel van die vertalingen zijn ook wel online te vinden.

In Sonnet 78 blijkt dat Shakespeare te maken heeft met geleerde concurrenten. Het betreft hier waarschijnlijk “een groep elizabethanen, bekend als de […] University Wits, (…)”, volgens Peter Verstegen, die een tweetalige editie van de sonnetten heeft gemaakt en ook een commentaar heeft geschreven bij elk sonnet (William Shakespeare, Sonnetten, Amsterdam: G.A. van Oorschot, 1993, p.268).

In veel gevallen worden de eerste twaalf regels als één blok geschreven. Ik heb ze als kwatrijnen genoteerd omwille van de leesbaarheid.

Vertaling:

Sonnet 78

Heel dikwijls riep ik jou als muze aan,
Wat al mijn verzen zeer te stade kwam;
Door vreemde pennen werd het nagedaan,
Zodat men nog wat van hun poëzie vernam.

Jouw ogen leerden zwijgers kwinkeleren,
Verhieven logge domheid in de lucht,
Geleerde wieken kregen heuse veren,
Waar gratie was, nam die nog hoger vlucht.

Verhef je maar op wat ik nederschrijf,
Jij bent de oorsprong, en jij bent het vuur.
Kunst die zich warmt aan jou, beklijft,
Bij broeders geeft het hooguit wat structuur.

Kern van mijn kunst ben jij, en zelfs bereid
Jij nog geleerdheid uit mijn dommigheid.

Origineel:

Sonnet 78

So oft have I invoked thee for my muse,
And found such fair assistance in my verse
As every alien pen hath got my use,
And under thee their poesy disperse.

Thine eyes, that taught the dumb on high to sing
And heavy ignorance aloft to fly,
Have added feathers to the learned’s wing
And given grace a double majesty.

Yet be most proud of that which I compile,
Whose influence is thine, and born of thee.
In others’ works thou dost but mend the style,
And arts with thy sweet graces gracèd be;

But thou art all my art, and dost advance
As high as learning my rude ignorance.

Zwarte trocheeën

Zwarte trocheeën

Niemand durf ik iets te vragen,
Angst is alles wat ik voel.
Leed is steevast onvoldragen,
Bid een mincha in de sjoel.

Ongenadig is het leven,
Tragisch is ons aards bestaan,
Gratis is al wat wij geven,
Graven zien ons grijnzend aan.

Ritmisch leven, ritmisch denken,
Wissel kalmte af met vuur.
Laat het Schip van Staat maar zwenken,
Blijf de baas van eigen stuur.

Graaf een kuil en jammer bitter,
Aan de dood ontkomt niet een.
Schrijf geen vuig bericht op Twitter.
Vloek geen vromen, werp geen steen.

Houd maar vast aan je conundrum,
Aan je wanhoop en je lust.
Liefde lonkt als een postscriptum,
Slechts voor wie zijn noodlot kust.

(Eigen werk)

Terugdenken aan schoonheid – George S. Fraser

Gisteravond, 30 januari 2019, was in Theater De Boerderij in Huizen de prijsuitreiking van de poëzie-vertaalwedstrijd die werd georganiseerd door de Stichting Kunst en Cultuur Huizen en de Bibliotheek Huizen-Laren-Blaricum. Ik won de derde prijs met mijn vertaling van On a Memory of Beauty van George S. Fraser. Door omstandigheden kon ik helaas niet aanwezig zijn.

De Schotse dichter George Sutherland Fraser (1915-1980) is niet heel erg bekend, en als u zijn naam wel eens tegenkomt, dan misschien vaker als criticus en man of letters dan als dichter, wat hij ook was.

oorkondepoc3abzievertaalwedstrijdHet gedicht is gepubliceerd in The Traveller has Regrets and Other Poems (1948).

Het juryrapport kunt u hier nalezen.

De voor mijn vertaling relevante passages uit het juryrapport luiden:

 

“Een enkeling koos voor een wat vrijere vertaling [van de titel] en daar is niets op tegen, zoals Terugdenken aan schoonheid. Mooi gevonden. Ik moest toen ik dat las, denken aan de beginregel van het gedicht van Hendrik Marsman: Denkend aan Holland zie ik brede rivieren traag door oneindig laagland gaan.”

“Deze inzender dankt zijn prijs aan de compacte stijl, goed lopende en ritmisch verantwoorde regels die op een natuurlijke manier rijmen (d.w.z. zonder rijmdwang). Een regel als haar welving in het woelen der zee is een fraaie vondst. Daar stond wel weer tegenover dat de inzender een paar keer qua stijl en woordgebruik de plank misslaat en is daarom op de derde plaats gekomen.”

(Het is mij niet geheel duidelijk waar ik “qua stijl en woordgebruik” de plank heb misgeslagen, maar het is altijd goed om ter zake oplettend te blijven.)

Een interpretatie van het gedicht door jurylid Petra Kos, vindt u hier.

Vertaling:

Terugdenken aan schoonheid

Hoe komt het dat het hart verflauwt
Bij zee en rots, gekweld door leed
Dat het een lief gezicht maar niet onthoudt –
‘t Decor bewaart, de vrouw vergeet?

Maar is het ondeelbaar of zijn het er twee,
Was het een meisje of een sculptuur?
Schuimt haar welving in het woelen der zee,
Herstelt de lente opnieuw haar figuur?

Zo vluchtig als schoonheid ons bescheen,
Zo snel wordt ook van golf of wolk het beeld,
Hun vluchtig aspect, dat verdween,
In de geheugenzeef verspeeld.

En wat ik diep van binnen vind?
Rare, wilde dingen,
Zwoegend als zwanen in de sneeuw, half-blind –
Hoor de stervende zwaan zingen.

Origineel:

On a Memory of Beauty

How can the heart for sea and stone
Be cumbered, and forget a face
That moved it once to fret and moan—
Forget the woman, see the place?

But was it one or was it two,
Was it a statue or a girl?
Might every spring her form renew,
And the white sea-froth be her curl?

Beauty but for a moment shone,
The likeness of a cloud or wave
Whose momentary aspect, gone,
The sieve of memory cannot save.

Right at the back of my head I know
Incredible wild things
Struggle like swans half-blind with snow—
And the dying swan sings.

 

 

 

Alle lust wil eeuwigheid – Friedrich Nietzsche

nietzsche1882

Friedrich Nietzsche, 1882 (Photographie von Gustav Adolf Schultze)

Friedrich Nietzsche (1844-1900) is een belangrijke 19e-eeuwse Duitse schrijver en taalgeleerde die na zijn dood beroemd is geworden als filosoof. Een filosoof in eigenlijke zin is hij (volgens mij) nauwelijks – er is geen filosofisch systeem dat zijn naam draagt – maar zijn boeken hebben veel invloed gehad op het wijsgerige denken, een invloed die voortduurt tot in onze tijd.

Hij was een van de eersten die probeerden onder woorden te brengen wat het betekent als het christendom – Nietzsche was zelf een domineeszoon – voorgoed zou verdwijnen. Enerzijds juichte hij dat toe; anderzijds leed hij daaronder – de resulterende mentale spanning kon hij uiteindelijk niet aan, en hij bracht zijn laatste jaren als een geesteszieke door.

Diepzinnigheid – al schold hij daarop – was zijn geestesmerk, in een tijd dat de diepzinnigheid verschoof van de religie naar de ideologie.

Nietzsche was een heel goed, maar wel zeer geëxalteerd, poëtisch schrijver. Een van zijn meest dichterlijke boeken is Also sprach Zarathustra. Hierin komt het titelloze gedicht voor dat hier is vertaald. Ik heb dit gedicht een titel gegeven om reden dat het op die manier gemakkelijker is om te onthouden en terug te vinden, maar het is goed te beseffen dat het oorspronkelijke gedicht geen titel droeg.

De Oostenrijkse componist Gustav Mahler heeft het gedicht gebruikt in zijn Derde Symfonie, het vierde deel: 4. Sehr langsam. Misterioso. Een opname (Birmingham Symphony Orchestra) kunt u hier beluisteren.

Het gedicht voldoet niet aan een vast poëtisch stramien, maar is wel ritmisch en bovendien overladen met rijm, wat maakt dat de lezer of luisteraar de intensiteit ervan sterk ervaart. Na de twee openingsregels is de rest van het gedicht datgene wat Middernacht ons te vertellen heeft.

Vertaling:

Alle lust wil eeuwigheid

O Mens! Sla acht
Op ‘t woord van middernacht!
“Ik sliep, ik sliep –
Ontwaakt uit wat de droom mij bracht –
De wereld is zo diep,
Nog dieper dan de dag bedacht.
Diep is haar pijn –
O lust – die dieper is dan treurigheid.
Pijn zegt: Verdwijn!
Maar alle lust wil eeuwigheid,
Wil diepe, diepe eeuwigheid.”

Origineel:

O Mensch! Gib acht!
Was spricht die tiefe Mitternacht?
“Ich schlief, ich schlief –
Aus tiefen Traum bin ich erwacht –
Die Welt ist tief,
Und tiefer als der Tag gedacht.
Tief ist ihr Weh –
Lust – tiefer noch als Herzeleid.
Weh spricht: Vergeh!
Doch alle Lust will Ewigkeit,
will tiefe tiefe Ewigkeit!”

De mooiste kleuren – Karl Ernst Knodt

 

Karl Ernst Knodt (1856-1917) was een Duitse dichter die niet erg bekend is geworden – of althans gebleven. Hij was een domineeszoon uit een Luthers theologengeslacht, en werd ook zelf dominee. Hij is predikant geweest in Gernsheim en Ober-Klingen, stond bekend als de “Waldpfarrer”, onderhield een uitgebreide briefwisseling met Hermann Hesse, en was een steun en toeverlaat voor andere dichters en mensen met dichterlijke aspiraties.

Het gedicht dat ik vertaald heb is niet moeilijk te begrijpen: het verbindt de kleurenpracht vlak voor het vallen van de schemering met het besef dat je niet lang meer te leven hebt.

Het zijn twee kwatrijnen, waarvan alleen de tweede en de vierde regel rijmen.

Vertaling:

De mooiste kleuren

De mooiste kleuren zijn de laatste:
zo zalig vredig, zuiver en sereen.
We zien in dit gerijpte weefsel
De gunsten van het jaar bijeen.

En zo zien onze rijpe zielen
de diepte in die kleurenpracht,
het raadsel van de laatste gloed,
bij ‘t naderen van de laatste nacht.

Origineel:

Die schönsten Farben

Die schönsten Farben sind die späten:
ganz friedensselig, reif und rein.
Gewoben sind in ihre Ruhe
die Jahressegnungen hinein.

So schaut die reife Menschenseele
die Helle höchster Farbenpracht
und das Geheimnis letzten Leuchtens
just an der Pforte letzter Nacht.

Ergens – R.S. Thomas

De dichter Ronald Stuart Thomas – plattelandsdominee in Wales – was een eigenaardig man. Hij was Welsh, sprak en schreef ook in het Welsh, maar zijn poëzie is vrijwel geheel in het Engels geschreven. Hij verzette zich zijn hele leven tegen bijna alle aspecten van onze moderne wereld, van apparaten tot bikini’s, van glamour tot ronkende tractoren, van popmuziek tot milieuvervuiling. Voordat u nu denkt dat we hier met een idioot te maken hebben, citeer ik nog even de atheïst Kingsly Amis die over zijn dichtkunst zei: “[Thomas’s poetry] reduces most other modern verse to footling whimsy”.

Hij was getrouwd met Mildrid Eldrige, een verfijnde schilder, hield van vogels kijken en wandelen in het bijna verlaten Welshe landschap.

In dit gedicht steekt hij de draak met onze neiging tot gemakzuchtige nabootsing en de oppervlakkigheid van het moderne toerisme, het zoeken naar ervaringen en thrills die een imitatie zijn van wat je bij anderen hebt gezien of gehoord, de illusie dat je iets meemaakt als je iets nadoet wat een ander reeds voor jou heeft gedaan.

Hij gebruikt alledaagse taal, is treffend in zijn beeldspraak, zijn verzen lopen heel natuurlijk, maar hij gebruikt weinig rijm. Hij gebruikt wel veel enjambementen, zinnen die over de versregels heenlopen.

Misschien zou hij ook wel de draak hebben gestoken met vertalingen.

Vertaling:

Ergens

Iets om mee te nemen zodat je kan
laten zien dat je er was: een lok van Gods
haar, stiekem gestolen toen hij
lag te slapen; een kiekje van de tuin
van de geest. Zoals bekend gaat het
bij het reizen niet om de aankomst,
maar om de thuiskomst, beladen
met stuifmeel die je moet opwerken
Tot de honing waarop de ziel kan teren.

Zijn onze levens niet eigenlijk havens
waarvan we steeds bezig zijn te
vertrekken, vliegvelden die we aandoen,
maar waarop we te kort verblijven
om te zeggen waaraan ze ons doen
denken? En altijd zoeken we
bij de ander de zekerheid van een
ervaring die het waard is om voor te sterven.

Er zal toch wel een reeds afgedragen,
vurig kleed zijn, dat als een uniek
schapenvachtje is opgehangen in de eregalerij?
We vergissen ons toch niet dat het huwelijk
van deze mannen en vrouwen steevast geurt
naar het vroege voorjaar? Ergens moet toch wel
– de rechtvaardiging van al ons speuren –
dat ene licht zijn dat zulke schaduwen werpen kan?

Origineel:

Somewhere

Something to bring back to show
you have been there: a lock of God’s
hair, stolen from him while he was
asleep; a photograph of the garden
of the spirit. As has been said,
the point of travelling is not
to arrive, but to return home
laden with pollen you should work up
into the honey the mind feeds on.

What are our lives but harbours
we are continually setting out
from, airports at which we touch
down and remain in too briefly
to recognise what it is they remind
us of? And always in one
another we seek the proof
of experiences it would be worth dying for.

Surely there is a shirt of fire
this one wore, that is hung up now
like some rare fleece in the hall of heroes?
Surely these husbands and wives
have dipped their marriages in a fast
spring? Surely there exists somewhere,
as the justification for our looking for it,
the one light that can cast such shadows?

Het Derde Rijk – Kurt Tucholsky

Stamps_of_Germany_(Berlin)_1985,_MiNr_748Ik eer op mijn manier – citeren, ter sprake brengen, prijzen – al enkele decennia Kurt Tucholsky (1890-1935), een Duitse dichter en columnist die soms nu nog bewondering wekt bij Nederlandse schrijvers.

Tucholsky was een zeer levendige, dwarse, humoristische en daarmee ook zeer serieuze schrijver, die de opkomst van het nationaalsocialisme niet heeft kunnen meemaken, en die in 1935 zelfmoord pleegde in Zweden.

Vorige week kocht ik in een kringloopwinkel aan de Veluwezoom de Rowohlt-uitgave van de Gedichte van Kurt Tucholsky voor vijftig eurocent. Ik ben er erg blij mee.

Kurt Tucholsky - GedichteKarel van het Reve schreef ooit dat Tucholsky niet erg expliciet over de opkomst van Hitler geschreven had. Hij citeerde toen de zin die hij erg mooi vond, en die ook erg mooi is: “Um mich herum verspüre ich ein leises Wandern. Sie rüsten zur Reise ins Dritte Reich.”

In de bundel die ik gekocht heb, merk ik dat Tucholsky in zekere zin na 1930 over weinig anders schreef. Zijn wereld ging ten onder.

“Wendisch und kaschubisch” zijn aanduidingen van slavische volkeren binnen de Duitse gemeenschap.

Er zijn een paar niet-bestaande Duitse woorden die ik heb vervangen door niet-bestaande Nederlandse woorden.

Ik heb overwogen om een foto van obsceniteiten schreeuwende Zwarte Piet-voorvechters op te nemen. Ik heb dat bewust en opzettelijk niet gedaan.

Vertaling:

Het Derde Rijk

Gewenst: een verheven ideaal
Voor de nationale mens,
Dat men een- en andermaal
Kan bijsnijden naar wens.
Men heeft met duitse mannenmoed
In zegenrijke uren
Een ideaal nieuw opgewroet
Dat ons niet zal bezuren:
Nee, het is niet het Eerste Rijk,
Nee, het is niet het Tweede Rijk…

Het Derde Rijk?
Alstublieft, liefst nu gelijk!

We mogen niet meer massalig zijn –
We moeten eindelijk raszalig zijn –
En vrijduits, jongduits, haard-en-erfjes-wolkerig,
En samenklontend, volks en volksig, volkerig,
En wat dan ook.
Wie het gelooft
Zal zalig zijn. Wie ’t niet gelooft, is
Heus een uitgezakte Paci- en Bolsjewist.

Het Derde Rijk?
Alstublieft, liefst nu gelijk!

Het Derde Rijk is vol van loos geluk.
We halen onze broeders eindelijk weer terug:
Sudetenduitsers, Saarduitsers,
Eupenduitsers en Deenseduitsers…
We staan steevast pal! Bejubelen de vrede.
Tijd nu voor oorlog. Wat zijn we hier beneden?
In ‘t Derde Rijk is de overwinning zeker,
Lekker onder mekaar.

Maar zacht gezegd, wat zien we daar?
Daar heerst de knoet, de sabel, de karwats,
Daar schittert zilver, bonte linten op het pak,
Daar wordt het tijdrad weer teruggedraaid –
We roepen ‘vaderland’ als ‘t echt niet langer gaat…
Daar zijn we allen rijk, gelijk
In ’t Derde Rijk.
De puurste wendische, slavische ariërs.

Ja, heus… En ook nog proletariërs!
Die ons vast als bevrijders zullen zien!
Die God gaan danken in de morgendienst –
Ze merken meteen:
We zijn sloebers als voorheen,
Opnieuw het zwoegende, grauwe gemeen,
Arme schelmen zonder hooi en haver –
Maar wel:
In ‘t Derde Rijk.

Ja, dat zijn wij.
Een blik in de statistiek:
We fabriceren veel. Meest vaderlandmystiek.

Origineel:

Das Dritte Reich

Es braucht ein hohes Ideal
der nationale Mann,
daran er morgens allemal
ein wenig turnen kann.
Da hat denn deutsche Manneskraft
in segensreichen Stunden
als neueste Errungenschaft
ein Ideal erfunden:
Es soll nicht sein das erste Reich,
es soll nicht sein das zweite Reich…

Das dritte Reich?
Bitte sehr! Bitte gleich!

Wir dürfen nicht mehr massisch sein –
wir müssen durchaus rassisch sein –
und freideutsch, jungdeutsch, heimatwolkig
und bündisch, völkisch, volkisch, volkig…
und überhaupt.
Wers glaubt,
wird selig. Wer es nicht glaubt, ist
ein ganz verkommener Paz- und Bolschewist.

Das dritte Reich?
Bitte sehr! Bitte gleich!

Im dritten Reich ist alles eitel Glück.
Wir holen unsre Brüder uns zurück:
die Sudetendeutschen und die Saardeutschen
und die Eupendeutschen und die Dänendeutschen…
Trutz dieser Welt! Wir pfeifen auf den Frieden.
Wir brauchen Krieg. Sonst sind wir nichts hienieden.
Im dritten Reich haben wir gewonnenes Spiel.
Da sind wir unter uns.

Und unter uns, da ist nicht viel.
Da herrscht der Bakel und der Säbel und der Stock –
da glänzt der Orden an dem bunten Rock,
da wird das Rad der Zeit zurückgedreht –
wir rufen »Vaterland!«, wenns gar nicht weitergeht…
Da sind wir alle reich und gleich
im dritten Reich.
Und wendisch und kaschubisch reine Arier.

Ja, richtig… Und die Proletarier!
Für die sind wir die Original-Befreier!
Die danken Gott in jeder Morgenfeier –
Und merken gleich:
Sie sind genau so arme Luder wie vorher,
genau solch schuftendes und graues Heer,
genau so arme Schelme ohne Halm und Haber –
Aber:
im dritten Reich.

Und das sind wir.
Ein Blick in die Statistik:
Wir fabrizieren viel. Am meisten nationale Mistik.

Sonnet 66 – Shakespeare

De dichter William Shakespeare (1564-1616) heeft, behalve een heleboel toneelwerk in verzen (verreweg het meeste daarvan is trouwens pure poëzie), ook 154 sonnetten geschreven. Hier volgt de vertaling van Sonnet 66. Het is geen moeilijk sonnet. De dichter somt, na eerst gezegd te hebben dat hij om al deze dingen liever dood zou zijn, allerhande akeligs op, en zegt vervolgens dat hij er al lang niet meer geweest zou zijn, ware het niet dat hij het niet over zijn hart kan krijgen om zijn geliefde alleen te laten.

Het is dus de liefde die zin geeft aan een bestaan dat zinloos zou zijn door alle onheil en krankzinnigheid die de wereld te zien en te verstaan geeft. Opmerkelijk is dat alle akelige dingen abstracties zijn: een bedelende deugd, versmade trouw, eerbetoon aan de lafheid, misbruikte kuisheid, besmeurde zuiverheid, misleide goedheid.

De vorm van het gedicht is het Engelse sonnet (of Shakespeare-sonnet): drie rijmende kwatrijnen (strofen van vier regels), afgesloten met een rijmend distichon (een strofe van twee regels). De wending, cesuur of volte komt pas na de eerste twaalf regels.

Vertaling:

Sonnet 66

Hier walg ik van, het liefste was ik dood:
Neem nou de deugd die bedelt aan de straat,
En geile niksigheid, getooid in kirrend rood,
En echte trouw die akelig wordt versmaad,

En eer die op de lafheid wordt gespeld,
En kuisheid die aan pooiers valt ten prooi,
En zuiverheid die wordt besmeurd voor geld,
En sterkte die voor misbruik wordt vergooid,

En kunst die wordt gemuilkorfd door gezag,
En eenvoud, weggehoond voor dommigheid,
En dwaasheid, met kordate oogopslag,
En goedheid, door sirenenzang misleid.

Hier walg ik van, en ‘k was al lang gegaan,
Als ik mijn liefste niet in tranen had zien staan.

Origineel:

Sonnet 66

Tired with all these, for restful death I cry:
As, to behold desert a beggar born,
And needy nothing trimm’d in jollity,
And purest faith unhappily forsworn,

And gilded honour shamefully misplaced,
And maiden virtue rudely strumpeted,
And right perfection wrongfully disgraced,
And strength by limping sway disablèd,

And art made tongue-tied by authority,
And folly, doctor-like, controlling skill,
And simple truth miscalled simplicity,
And captive good attending captain ill.

Tired with all these, from these would I be gone,
Save that to die I leave my love alone.

Corona – Paul Celan

De dichter Paul Celan (1920-1970) was een duitstalige jood die in Tsjernivtsi – toenmalig Roemenië, tegenwoordig Oekraïne – werd geboren. Hij wordt beschouwd als een van de grootste lyrische dichters van het Duitse taalgebied. Zijn ouders werden door de nazi’s vermoord. Zelf maakte hij in Parijs in 1970 een einde aan zijn leven.

Corona betekent ‘kroon’ of ‘krans’, en het is in dit geval een poging om luister, een bladerkrans te verlenen aan de kortstondige liefde die zich afspeelt in de tijd die ook nog eens een neergang beleeft in de herfst.

Dit gedicht is een prachtig, meeslepend, bezwerend gedicht.

Vertaling:

Corona

Uit mijn hand eet de herfst nu een blaadje: we zijn vrienden.
We pellen Tijd uit de schaal van de nootjes, en leren haar lopen:
De Tijd keert terug in de schaal.

In de spiegel is zondag.
In de droom wordt geslapen,
de mond zegt wat waar is.

Mijn ogen zien op naar ‘t geslacht van mijn liefste:
we zien naar elkaar,
we ruilen ons duister,
we minnen elkaar als getrouwheid en klaproos,
we slapen als wijn in de mossels,
als de zee in de gloed van een bloedende maan.

We staan voor het raam in omhelzing, en ze zien van de straat naar ons op:
Weet u, het is tijd!
Het is tijd dat de steen erin slaagt om te bloeien,
Dat onrust een hart eens doet slaan.
Het is tijd, dat het tijd wordt.

Het is tijd.

Origineel:

Corona

Aus der Hand frißt der Herbst mir sein Blatt: wir sind Freunde.
Wir schälen die Zeit aus den Nüssen und lehren sie gehn:
die Zeit kehrt zurück in die Schale.

Im Spiegel ist Sonntag,
im Traum wird geschlafen,
der Mund redet wahr.

Mein Aug steigt hinab zum Geschlecht der Geliebten:
wir sehen uns an,
wir sagen uns Dunkles,
wir lieben einander wie Mohn und Gedächtnis,
wir schlafen wie Wein in den Muscheln,
wie das Meer im Blutstrahl des Mondes.

Wir stehen umschlungen im Fenster, sie sehen uns zu von der Straße:
es ist Zeit, daß man weiß!
Es ist Zeit, daß der Stein sich zu blühen bequemt,
daß der Unrast ein Herz schlägt.
Es ist Zeit, daß es Zeit wird.

Es ist Zeit.

Sonnet 30 – Shakespeare

250px-ShakespeareWilliam Shakespeare heeft, naast toneel in verzen, ook 154 sonnetten geschreven. De sonnetvorm bij Shakespeare wijkt enigszins af van het Italiaanse sonnet dat door Petrarca is vervolmaakt. Het Shakespeareaanse sonnet telt drie kwatrijnen en een afsluitend distichon. De wending, cesuur of volte bevindt zich niet na het tweede kwatrijn – zoals bij Petrarca – maar tussen de drie kwatrijnen en de afsluitende slotregels.

Dit gedicht behoeft weinig toelichting. De dichter roept in herinnering alle verdriet die het leven voor hem in petto had, hij herbeleeft dit verdriet en ‘betaalt’ daarom dubbel voor alle verlies dat hem is overkomen. Maar in de slotregel blijken alle tekorten verdampt als hij denkt aan zijn ‘dear friend’ – de eerste keer dat deze aanhef wordt gebruikt in de sonnetten.

Het gedicht is geschreven in jambische pentameters – elke regel bevat vijf metrische eenheden die kunnen weergegeven worden met ‘pom-póm’, en heeft dus tien lettergrepen, want alle regels hebben staand of mannelijk rijm. In vertaling heb ik er soms twee lettergrepen bijgesmokkeld.

Vertaling:

Sonnet 30

Als ik aan stil gepeins mij overgeef,
Trekt al wat niet meer is, aan mij voorbij.
Van wat ik zocht, is er haast niets dat bleef;
Met oud geklaag mors ik mijn dure tijd.

Dan pleng ik soms – ik huil niet snel – een traan
Om vrienden die voorgoed verdwenen in de nacht,
Geef aan vergane liefdeswee opnieuw ruim baan,
En treur om wat teloor ging aan genoten pracht.

Dan ben ik droef om droefheid van destijds,
Noteer dan nauwgezet van al wat is verwoest,
Of wat ik vreesde, het saldo aan verdriet en spijt,
Waarmee ik het opnieuw, opnieuw betalen moest.

Maar als ik denk aan jou, mijn lieve vriend,
Wijkt elk verdriet, is het tekort reeds terugverdiend.

Origineel:

Sonnet XXX

When to the sessions of sweet silent thought
I summon up remembrance of things past,
I sigh the lack of many a thing I sought,
And with old woes new wail my dear time’s waste.

Then can I drown an eye unused to flow
For precious friends hid in death’s dateless night,
And weep afresh love’s long-since-cancelled woe,
And moan th’expense of many a vanished sight.

Then can I grieve at grievances foregone,
And heavily from woe to woe tell o’er
The sad account of fore-bemoanèd moan,
Which I new pay as if not paid before.

But if the while I think on thee, dear friend,
All losses are restored, and sorrows end.

Ik ben niemand! Wie ben jij? – Emily Dickinson

Emily Dickinson - NobodyHet gedicht I am nobody! Who are you? is één van de bekendste gedichten van de Amerikaanse dichter Emily Dickinson (1830-1886). Dickinson schreef bijna 1800 gedichten, maar de meeste werden pas gepubliceerd na haar dood, zoals ook dit gedicht in 1891.

Dickinson leefde een enigszins teruggetrokken leven ver van de podia, en in dit gedicht contrasteert ze de anonieme rust waarop ze gesteld was met het publieke gekwaak dat ze om zich heen zag.

Het is een gedicht dat verder weinig toelichting nodig heeft.

Vertaling:

Ik ben niemand! Wie ben jij?

Ik ben niemand! Wie ben jij?
Zeg, ben jij ook niemand?
Dan zijn we samen – hou het stil!
Anders sturen ze ons nog weg.

Hoe treurig om iemand te zijn!
Hoe naakt, alsof je een kikker was
Die dag in dag uit zijn naam moet zeggen
Tegen een juichend moeras!

Origineel:

I’m nobody! Who are you?

I’m nobody! Who are you?
Are you nobody, too?
Then there’s a pair of us — don’t tell!
They’d banish us, you know.

How dreary to be somebody!
How public, like a frog
To tell your name the livelong day
To an admiring bog!

 

Vlootbezoek – W.H. Auden

AudenVanVechten1939De dichter Wystan Hugh Auden schreef het gedicht Fleet Visit in 1951. Hij woonde toen in Amerika.

Een paar opmerkingen ten geleide:

  • Hollow ships verwijst naar Homerus – hollow is bij Homerus in de Ilias en de Odyssee een versierend bijvoeglijk naamwoord (epitheton ornans).
  • Troje is uiteraard ook een verwijzing naar de soldaten die onverwacht uit de buik van een hol paard wisten te kruipen.
  • Auden was homoseksueel. De mooie jongens die uit het holle schip kropen, lieten hem niet onberoerd.
  • Het begrip junk in relatie tot de hoer en de nietsnut betekent – behalve ‘troep’ – ook ‘bedekte genitaliën’.
  • Het begrip Social Beast verwijst naar het werk van Simone Weil.

Hier draagt Auden zelf het gedicht voor.

Vertaling:

Vlootbezoek

De zeelui gaan aan wal
Vanuit uit hun holle schip,
Gewone jongens, schooiers,
Dol op cartoon en strip;
Een wedstrijd met een bal
Zegt ze meer dan vijftig Trojes.

Ze lijken verloren, neergezet
Als yankees in den vreemde,
Waar lokalen langs marcheren
Met eigen doel en eigen wet.
Een stelletje ontheemden,
Zolang het moet; het tij kan keren.

De nietsnut en de hoer,
Hen sarrend met bobbel of doos,
Zijn altijd morsig geweest,
En dienen het Sociale Beest;
Ledigheid staat aan het roer,
En ze worden dus laveloos.

Maar de schepen die in het ijle
havenblauw getekend staan,
Hebben baat bij dit verwijlen;
Zonder mensen die commanderen
Wie ze moeten liquideren,
Zijn hun contouren humaan.

En verloren ogen ze niet;
Ze stralen als was het hun aard
Een hoogst abstract ontwerp te zijn
Van vlakpatroon en lijn,
Zeker elke cent wel waard
Van de miljoenen die je erin ziet.

Origineel:

Fleet Visit

The sailors come ashore
Out of their hollow ships,
Mild-looking middle-class boys
Who read the comic strips;
One baseball game is more
To them than fifty Troys.

They look a bit lost, set down
In this unamerican place
Where natives pass with laws
And futures of their own;
They are not here because
But only just-in-case.

The whore and ne’er-do-well
Who pester them with junk
In their grubby ways at least
Are serving the Social Beast;
They neither make nor sell —
No wonder they get drunk.

But the ships on the dazzling blue
Of the harbor actually gain
From having nothing to do;
Without a human will
To tell them whom to kill
Their structures are humane

And, far from looking lost,
Look as if they were meant
To be pure abstract design
By some master of pattern and line,
Certainly worth every cent
Of the millions they must have cost.

Rozen, nazomer – Mary Oliver

Mary Oliver

Mary Oliver (2001) tijdens een poëzievoordracht

Ze is een Amerikaanse dichter, Mary Oliver (1935-2019), en ze werd geboren in een landelijk gelegen plaats, vlakbij Cleveland in Ohio. Daar ontwikkelde ze een grote voorliefde voor de natuur.

Ze begon betrekkelijk vroeg met dichten. Ze schrijft verzen met een fraai ritme, waarin vaak rijm ontbreekt, maar waarin een dichterlijke stroom en tegenstroom nooit ontbreken, en die ons gevoelig maken en verrijken – zoals elk goed gedicht – voor de gruwelen en de schoonheden en de geheimenissen van het bestaan – “We are nourished by the mystery” (The Fish).

Ze was bevriend met de zus van  Edna St. Vincent Millay, en heeft met haar de nagelaten papieren van de dichteres geordend.

Hier kunt u Mary Oliver beluisteren terwijl ze het gedicht Roses, Late Summer voordraagt. Ze heeft een aangename en heel duidelijke voordracht.

Hier kunt u uitgebreider met haar voordracht en haar persoon kennis maken.

Vertaling:

Rozen, nazomer

Wat gebeurt er
met de bladeren als
ze rood kleuren of goud, als ze
afvallen? Wat gebeurt er

met de zangvogels
als ze niet langer kunnen
zingen? Wat gebeurt er
met hun snelle vleugeltjes?

Denk je dat er een
persoonlijke hemel is
voor ieder van ons?
Denk je dat er iemand,

gene zijde van die duisternis,
ons zal roepen, daarmee ons zal bedoelen?
Achter de bomen
blijven de vossen hun welpen leren

hoe je leeft in de duinpan;
het lijkt wel of ze nooit verdwijnen, ze zijn er altijd
in het bloeiende licht
dat elke ochtend weer oprijst

in de donkere lucht.
En nog weer een duinenrij verder,
vlak langs de zee,
beginnen de laatste rozen hun productie van lieflijkheid,

en schenken ze deze terug aan de wereld.
Als ik een ander leven zou krijgen,
zou ik het willen geven aan een onbekend
tomeloos geluk.

Het zou een vos kunnen zijn, of een boom
vol met wuivende takken.
Ik zou het niet erg vinden een roos te zijn
in een veld vol met rozen.

Angst is nooit tot hen doorgedrongen; ambitie evenmin.
Verstand valt buiten hun besef.
Ook vragen ze nooit hoe lang ze rozen moeten zijn, en wat dan?
Of welke idiote vraag dan ook.

Origineel:

Roses, Late Summer

What happens
to the leaves after
they turn red and golden and fall
away? What happens

to the singing birds
when they can’t sing
any longer? What happens
to their quick wings?

Do you think there is any
personal heaven
for any of us?
Do you think anyone,

the other side of that darkness,
will call to us, meaning us?
Beyond the trees
the foxes keep teaching their children

to live in the valley.
so they never seem to vanish, they are always there
in the blossom of the light
that stands up every morning

in the dark sky.
And over one more set of hills,
along the sea,
the last roses have opened their factories of sweetness

and are giving it back to the world.
If I had another life
I would want to spend it all on some
unstinting happiness.

I would be a fox, or a tree
full of waving branches.
I wouldn’t mind being a rose
in a field full of roses.

Fear has not yet occurred to them, nor ambition.
Reason they have not yet thought of.
Neither do they ask how long they must be roses, and then what.
Or any other foolish question.

Aanvaarding – Robert Frost

De Amerikaanse dichter Robert Frost (1874-1963) behoeft eigenlijk geen introductie. Hij is veelvuldig gelauwerd, hij slaagt erin een snaar te raken bij iedere versgevoelige die hem leest, hij hanteert een eenvoudig idioom, hij is erg goed in spreektaal, hij is niet eenvoudig te plaatsen in levensbeschouwelijke of godsdienstige coördinatensystemen, maar hij heeft een duidelijke, zij het weinig orthodoxe, religieuze inslag. Zijn moeder was een aanhanger van de Lutheraanse mysticus Emanuel Swedenborg; zijn vader was een sceptische en atheïstische journalist. Hij had manisch-depressieve trekken. Over zijn levenshouding, zie: Jay Parini, Listening for God in Unusual Places: The unorthodox faith of Robert Frost, America The Jesuit Review, March 4, 2013 issue (February 20, 2013).

Het gedicht Acceptance is een Shakespeareaans sonnet: veertien regels, drie kwatrijnen en een distichon. Maar er is niet een volte of wending na de eerste twee kwatrijnen zoals gebruikelijk bij het sonnet. Wie meer wil lezen over dit vers, kan terecht bij dit boek (wel een beetje breedsprakig gewauwel over meerlagigheid, helaas): H.A. Maxson, On the Sonnets of Robert Frost: A Critical Examination of the 37 Poems, Jefferson, North Carolina: McFarland 1997.

In dit vers komen twee vogels voor: het vrouwtje zit als het donker wordt op haar nest, het mannetje is bij het invallen van de duisternis ver weg. Feministische interpretaties van dit gegeven lijken me beside the point. Het aantal versvoeten is in vertaling soms wat uitgebreid. Het rijm in vertaling is op een paar plaatsen halfrijm, waar in het origineel een volrijm wordt gehanteerd.

Vertaling:

Aanvaarding

Als de fletse zon zijn stralen op de wolken spuwt,
En wegzinkt om te branden in ‘t ravijn beneden,
Weerklinkt in de natuur geen stem die luide schreeuwt
Bij wat er plaatsvond. Slechts vogels kennen de reden:

Het wordt weer donker, hoog in de lucht daarbuiten.
Met prevelend kopje zacht tegen haar borstje aan,
Besluit een vogel het omfloerste oog te sluiten,
Een ander, overvallen, ver bij zijn nest vandaan,

Vliegt laag en vlug over de bomen, schiet net op tijd,
De moede zwerver, in zijn vertrouwde kruin,
En denkt of kwettert hooguit zachtjes: “O Zaligheid!
Schenk duisternis aan al wat ik beschouw als ‘mijn’,

Laat deze nacht zo donker zijn, dat ik niet meen
Te zien wat op mij afkomt. Laat al wat zijn zal, zijn.”

Origineel:

Acceptance

When the spent sun throws up its rays on cloud
And goes down burning into the gulf below,
No voice in nature is heard to cry aloud
At what has happened. Birds, at least must know

It is the change to darkness in the sky.
Murmuring something quiet in her breast,
One bird begins to close a faded eye;
Or overtaken too far from his nest,

Hurrying low above the grove, some waif
Swoops just in time to his remembered tree.
At most he thinks or twitters softly, “Safe!
Now let the night be dark for all of me.

Let the night be too dark for me to see
Into the future. Let what will be, be.”

Gekooide vogel – Maya Angelou

Maya Angelou, pseudoniem van Marguerite Annie Johnson (1928–2014), was een Amerikaans dichter, zangeres, danseres, burgerrechtenactivist en hoogleraar amerikanistiek.

De Vertaalwedstrijd Nederland Vertaalt 2018  had als vertaalopgave Angelou’s gedicht Caged Bird. Op de gelinkte website vindt u meer informatie over de wedstrijd waaronder de tekst van de voor een prijs genomineerde vertalingen waartoe de mijne niet behoort.

Mijn vertaling is voorgedragen door Babs Gons op zondag 18 maart 2018 tijdens een poëziemiddag in De Nieuwe Liefde te Amsterdam onder leiding van Mirjam van HengelDe poëzie van Maya Angelou.

Het gedicht is, hoezeer ook welgemeend, naar mijn smaak toch enigszins faciel: een vrije vogel is heerlijk vrij, een gekooide vogel verlangt hartstochtelijk naar vrijheid. Dat is wat mager misschien. Maar het vers loopt heel soepel.

Vertaling:

Gekooide vogel

Een vrije vogel zweeft weg
op de rug van de wind
drijft mee op de vlaag
tot het eind van de stroom
en doopt zijn vleugel
in de gloed van de zon
en zegt: de hemel, die is van mij.

Maar een vogel die steeds
in zijn kooitje verwijlt
ziet weinig tot niets
door z’n spijlen van nijd
z’n vleugels geknipt en
z’n pootjes gestrikt
dus opent hij zijn keel en zingt.

De gekooide vogel zingt
met trillers van verdriet
van wat hij niet kent
maar o zo graag ziet
en op gindse heuvel
hoort men zijn lied
want de gekooide vogel
zingt van vrijheid.

Een vogel die vrij is denkt al aan winden die stromen
en de passaatwind die suist door zuchtende bomen
en volvette wormen die wachten in glorende weiden
en de hemel noemt hij de zijne.

Maar een gekooide vogel staat op het graf van zijn dromen
zijn schaduw is de gil van wie niet kon ontkomen
zijn vleugels geknipt en zijn pootjes gestrikt
dus opent hij zijn keel en zingt.

De gekooide vogel zingt
met trillers van verdriet
van wat hij niet kent
maar o zo graag ziet
en op gindse heuvel
hoort men zijn lied
want de gekooide vogel
zingt van vrijheid.

Origineel:

Caged Bird

A free bird leaps
on the back of the wind
and floats downstream
till the current ends
and dips his wing
in the orange sun rays
and dares to claim the sky.

But a bird that stalks
down his narrow cage
can seldom see through
his bars of rage
his wings are clipped and
his feet are tied
so he opens his throat to sing.

The caged bird sings
with a fearful trill
of things unknown
but longed for still
and his tune is heard
on the distant hill
for the caged bird
sings of freedom.

The free bird thinks of another breeze
and the trade winds soft through the sighing trees
and the fat worms waiting on a dawn-bright lawn
and he names the sky his own.

But a caged bird stands on the grave of dreams
his shadow shouts on a nightmare scream
his wings are clipped and his feet are tied
so he opens his throat to sing.

The caged bird sings
with a fearful trill
of things unknown
but longed for still
and his tune is heard
on the distant hill
for the caged bird
sings of freedom.

MCMXIV (1914) – Philip Larkin

De dichter van MCMXIV – het jaartal 1914 – is Philip Larkin (1922-1985). De Engelsman Larkin was ook romanschrijver, bibliothecaris en jazz-criticus. Hij gebruikte vaak een natuurlijke spreektoon, was wars van uiterlijk vertoon en schreef complex gestructureerde verzen met een ironische, sceptische, soms pijnlijke, soms melancholieke inhoud.

De website van de Philip Larkin Society vind je hier, inclusief een beknopte biografie. De bekendste (ironische) regels van Larkin, de opening van het gedicht Annus Mirabilis – toevallig ook met een jaartal erin – luiden:

Sexual intercourse began
In nineteen sixty-three

Het gedicht is getiteld MCMXIV, 1914 in Romeinse getallennotatie. 1914 is het eerste jaar van de Eerste Wereldoorlog. Het gedicht werd gepubliceerd in The Whitsun Weddings, een gedichtenbundel met 32 gedichten die gepubliceerd werd in 1964.

Het gedicht telt vier strofen van acht regels, waarvan steeds de vierde en de achtste regel eindrijm kennen. De toon is kalm en bespiegelend, waarmee het aanstaande (maar ongenoemd blijvende) onheil tegelijk voelbaar wordt gemaakt en bezworen.

De eerste strofe van het gedicht beschrijft een zwart-witfoto uit 1914 met Britse jongemannen die gemobiliseerd waren voor WO-I, The Great War. Deze oorlog duurde van 1914 tot 1918, de gevechten vonden voor een deel plaats op Belgisch grondgebied, en er waren onvoorstelbaar veel doden van wie er tienduizenden nooit geïdentificeerd zijn. De gruwelijkheid van de naderende oorlog kun je niet aflezen aan de lachende gezichten op de foto.

In de volgende twee strofen wordt uitgezoomd en krijgen we een tijdsbeeld dat gekenmerkt wordt door sereniteit en overzichtelijkheid.

De slotstrofe eindigt met de constatering dat de tijd die direct voorafging aan WO-I een onschuld kende die nooit voorheen en nooit nadien heeft bestaan, en die ook nooit meer terug zal komen.

The Oval is een cricket-stadion in Zuid-Londen, de thuisbasis van Surrey County Cricket Club. Villa Park is een voetbalstadion in Aston, de thuisbasis van de voetbalclub Aston Villa.

In dit gedicht zijn The Oval en Villa Park veralgemeend tot “een cricket- of voetbalstadion”. De reden daarvoor is dat The Oval en Villa Park de Nederlandse poëzielezer waarschijnlijk weinig zullen zeggen. Nederlandse varianten – zoals Thialf of De Kuip – geven bovendien een onhistorische voorstelling van zaken: Nederland bleef immers in de Eerste Wereldoorlog neutraal.

Farthings en Sovereigns zijn oude Britse munteenheden die in vertaling vervangen zijn door duiten en gouden tientjes.

Domesday Lines is een verwijzing naar Domesday Book, een inventarisatie van het landbezit in Engeland en Wales. Het is een middeleeuws manuscript. De inventarisatie werd om fiscale redenen gedaan op initiatief van Willem de Veroveraar en kwam gereed in 1086. In de vertaling is gekozen voor “eeuwenoude kadasters” omdat een nederlandse lezer naar alle waarschijnlijkheid nog nooit van Domesday Book gehoord heeft, en omdat mij bovendien een werk van vergelijkbare strekking en renommée in ons taalgebied niet te binnen wil schieten. De associatie met ‘Doom’ die ‘Domesday’ geeft, kan ik in het Nederlands helaas niet reproduceren.

Ik meen dat begin twintigste eeuw wolgaren soms in blikjes werd verkocht. Als ik mij hierin vergis – ik heb geen goede documentatie gevonden – dan moet de vertaling op dit punt nog worden aangepast. Als zo’n blikje wolgaren wel bestaat, maar anders heet, is ook een aanpassing nodig.

Deze poëzievertaling is gemaakt op verzoek van dr. Henk-Jan Prosman, die binnenkort een vertaling hoopt te publiceren van Peter Hitchens, The Rage Against GodPeter Hitchens is een Engels schrijver en journalist. Hij is een Anglicaans christen met in politieke zin conservatieve opvattingen. Hij is de jongere broer van de militante atheïst Christopher Hitchens – één van The Four Horsemen – die in 2011 is overleden.

In Hitchens’s boek wordt het gedicht geciteerd op p.86-87.

PS Het boek van Peter Hitchens is in 2018 in Nederlandse vertaling gepubliceerd onder de titel: Opstand tegen God (Uitgeverij: De Blauwe Tijger). Prosman heeft onder dank twee door mij gemaakte poëzievertalingen gebruikt: het onderhavige gedicht en Bij het passeren van de nieuwe Menenpoort – Siegfried Sassoon. De betrekkingen tussen mij en Prosman zijn inmiddels bekoeld. Ik had hem op Twitter verweten onvoldoende afstand te nemen van populistisch-rechts en in complotten te geloven. De dominee heeft mij vervolgens op dat forum geblokkeerd.

Vertaling:

MCMXIV

Deze lange rommelige rijen,
Wat staan ze daar geduldig
Alsof ze een lange keten vormen
Voor een cricket- of voetbalstadion,
De hoeden als kronen, de zon
Op besnorde archaïsche koppen
Lachend alsof er een luchtig
Vakantie-uitje begon;

En de geblindeerde winkels, verbleekte
Bekende namen op zonweringen,
De duiten en gouden tientjes,
De spelende jeugd, in stemmig gewaad,
Vernoemd naar vorsten en vorstinnen,
De advertenties op blikken
Voor cacao en wolgaren, een kroeg
Die altijd open staat;

En het zorgeloze platteland:
De plaatsnamen geheel omsluierd
Met bloeiende grassen, en akkers
Vol tarwe die in de deinende stilte
Zich voegen naar eeuwenoude kadasters;
De anders-geklede bedienden
Met kleine kamers in enorme huizen,
Het stof achter limousines;

Nooit zag je zulke onschuld,
Nooit eerder, nooit later,
Alsof deze zwijgend aan zichzelf
Voorbijging – de mannen die vlug
Hun nette tuintjes achterlieten,
De duizenden huwelijken,
Die het nog wel eventjes volhielden:
Nooit keert deze onschuld terug.

Origineel:

MCMXIV

Those long uneven lines
Standing as patiently
As if they were stretched outside
The Oval or Villa Park,
The crowns of hats, the sun
On moustached archaic faces
Grinning as if it were all
An August Bank Holiday lark;

And the shut shops, the bleached
Established names on the sunblinds,
The farthings and sovereigns,
And dark-clothed children at play
Called after kings and queens,
The tin advertisements
For cocoa and twist, and the pubs
Wide open all day;

And the countryside not caring:
The place-names all hazed over
With flowering grasses, and fields
Shadowing Domesday lines
Under wheat’s restless silence;
The differently-dressed servants
With tiny rooms in huge houses,
The dust behind limousines;

Never such innocence,
Never before or since,
As changed itself to past
Without a word – the men
Leaving the gardens tidy,
The thousands of marriages,
Lasting a little while longer:
Never such innocence again.

 

Bij het passeren van de nieuwe Menenpoort – Siegfried Sassoon

Dit gedicht werd geschreven in 1927 door Siegfried Sassoon (1876-1967), een dag na de officiële opening van de Menenpoort, en werd gepubliceerd in 1928.

De Menenpoort is de Nederlandse naam voor Menin Gate. Het is een herdenkingsmonument in Ieper voor de anoniem gevallen soldaten van het Verenigd Koninkrijk en de Commonwealth die vochten in de Eerste Wereldoorlog en wier graf onbekend gebleven is.

Sassoon schreef veel anti-oorlogslyriek. Het gedicht is een harde afwijzing van de Eerste Wereldoorlog en van de manier waarop WO-I herdacht wordt. Een goede vriend van Sassoon, Gordon Harbord, was gesneuveld bij Ieper. De dichter noemde zelf het gedicht zijn “final word on the 1914 War”. (Bron: Jean Moorcroft Wilson, Siegfried Sassoon. The Journey from the Trenches: a Biography (1918-1967), Gerald Duckworth/Routledge: 2003, p.186)

Menin Gate - Their Name Liveth for Evermore

Their Name Liveth For Evermore

De bittere zin over de leugen die in de poort gebeiteld staat, heeft in letterlijke zin betrekking op het feit dat de herdachte doden naamloos zijn, maar dat de poort zegt dat hun namen voor altijd zullen voortleven. Overdrachtelijk wordt uiteraard de leugen benoemd die is gelegen in het romantiseren van gruwelijke oorlogen.

Ieperboog is de Nederlandse naam voor de Yper Salient – het grote loopgravenstelsel bij Ieper, een uitstulping van de frontlinie in vijandelijk gebied, waarover het gedicht gaat en waar zich ook de Menenpoort bevindt.

Deze vertaling is gemaakt op verzoek van dr. Henk-Jan Prosman, die binnenkort een vertaling hoopt te publiceren van Peter Hitchens‘ boek The Rage Against God. Peter Hitchens, is een Engels schrijver en journalist. Hij is een Anglicaans christen met in politieke zin conservatieve opvattingen. Hij is de jongere broer van de militante atheïst Christopher Hitchens – één van The Four Horsemen – die in 2011 is overleden.

In Hitchens’ boek wordt het gedicht geciteerd op p.51.

Het gedicht is een sonnet in de Engelse traditie, met twee rijmende slotregels (zoals ook bij Shakespeare). De versregels bestaan hoofdzakelijk uit jambische vijfvoeten, soms met trocheïsche opmaat, met uitzondering van de regels 10 en 11.

Ik heb de jambe gehandhaafd, maar het aantal versvoeten vaak wat uitgebreid. Het Nederlands is kwistiger met lettergrepen dan het Engels, en het doel van de vertaling is in dit geval ook dat deze kan dienen als bijdrage aan de vertaling van het boek. De betekenis moest daarom in mijn ogen voldoende getrouw worden overgebracht.

De tekst op de Menenpoort – Their Name Liveth For Evermore – is volgens The Penguin Book of First World War Poetry een citaat uit Jezus Sirach (Engels: Ecclesiasticus), hfdst. 44:15 (of 44:14). Rudyard Kipling heeft het uitgekozen.

PS Het boek van Peter Hitchens is in 2018 in Nederlandse vertaling gepubliceerd onder de titel: Opstand tegen God (Uitgeverij: De Blauwe Tijger). Prosman heeft onder dank twee door mij gemaakte poëzievertalingen gebruikt: het onderhavige gedicht en MCMXIV (1914) van Philip Larkin. De betrekkingen tussen mij en Prosman zijn inmiddels bekoeld. Ik had hem op Twitter verweten onvoldoende afstand te nemen van populistisch-rechts en in complotten te geloven. De dominee heeft mij vervolgens op dat forum geblokkeerd.

Bij het passeren van de nieuwe Menenpoort

Wie kent nog, als hij deze Poort passeert,
De aan de kogels roemloos prijsgegeven Doden?
Wie brengt er in hun smerig lot een keer, –
Dienstplichtigen, tot oneer en tot doem ontboden?

Grof opknapwerk houdt nu de Ieperboog bijeen.
Het loon voor al zijn grauwe strijders: praal en pronk;
Het loon: een stapel zelfvoldane-vredessteen
Voor een armee die in dit rampmoeras verzonk.

Hier was ‘s werelds wreedste wond. En innig tevreden
Meldt de Poort: ‘Hun naam zal thans voor altoos leven’.
Werd ooit een leugen over offers zo brutaal beleden
Als over deze namen die onduldbaar naamloos bleven?

Straks staan misschien de Doden op die sloofden in het slijk
En zetten deze misdaadtombe dan beslist te kijk.

Origineel

On Passing the New Menin Gate

Who will remember, passing through this Gate,
The unheroic Dead who fed the guns?
Who shall absolve the foulness of their fate, –
Those doomed, conscripted, unvictorious ones?

Crudely renewed, the Salient holds its own.
Paid are its dim defenders by this pomp;
Paid, with a pile of peace-complacent stone,
The armies who endured that sullen swamp.

Here was the world’s worst wound. And here with pride
‘Their name liveth for evermore’ the Gateway claims.
Was ever an immolation so belied
As these intolerably nameless names?

Well might the Dead who struggled in the slime
Rise and deride this sepulchre of crime.