Categorie archief: Poëzievertaling

De zon komt op – John Donne

John Donne (1572-1631) is de bekendste dichter van de groep dichters die door Samuel Johnson (1709-1784) de Metaphysical Poets is gedoopt.

Een informatieve Nederlandse website over John Donne, waarop ook veel vertalingen van zijn werk, vindt u hier.

De Metaphysical Poets gebruikten zogeheten Metaphysical Conceits in hun gedichten. Dat zijn uitgebreide vergelijkingen die weinig voor de hand lijken te liggen, die onwaarschijnlijk zijn, waarvan de elementen zeer ver uit elkaar liggen, maar die toch op een dichterlijke manier treffend zijn. In dit gedicht wordt de zon bespot en bars toegesproken, en worden de geliefden die zich in bed bevinden vergeleken met staten, vorsten, continenten, en is de slaapkamer het heelal.

Ten geleide voor de lezer:

  • Het gedicht The Sun Rising is een liefdesgedicht.
  • In de openingsstrofe spreekt de Ik-figuur de zon toe die kennelijk aan het opkomen is (en de geliefden verrast in bed). De toon is afwisselend spottend en bevelend. In het tweede deel van de strofe verheft de dichter zichzelf en zijn geliefde boven de spijbelaars, gezellen, hondendrijvers, luie varkens. Met een bijzondere vorm van het bekende cliché dat de liefde geen tijd kent, wordt deze strofe besloten.
  • In de tweede strofe wordt allereerst twijfel gezaaid aan de zaligheid en de kracht van de zonnestralen: de ik-figuur kan deze immers door zijn ogen te sluiten laten verdwijnen. Daarna wordt de geliefde voor het eerst ter sprake gebracht: de ‘haar’ in het gedicht, wier stralende ogen volgens de toenmalige conventie de stralen van de zon in de schaduw stellen. Alles wat er op aarde werkelijk toe doet voor de geliefden, blijkt zich in het liefdesbed te bevinden.
  • In de slotstrofe wordt er nog een schepje bovenop gedaan en blijkt de slaapkamer de gehele kosmos te wezen. De zon komt dus niets te kort als hij de twee geliefden maar heerlijk verwarmt.
  • De versregels zijn onregelmatig van lengte en kennen geen vast metrum. Het rijmschema van de strofen is ABBACDCDEE.

Vertaling:

De zon komt op

Nijvere ouwe dwaas, ongezeglijke zon,

Wat win je hiermee?

Ben je content met je gordijngezeefde, matineuze entree?

Dacht je dat jouw ommegang de liefdestijd bestieren kon?

Brutale pedante vlerk, ga ze een beetje plagen,

De spijbelaars, de zeurende gezellen,

Meld hondendrijvers dat de koning wil gaan jagen,

Zeg luie varkentjes hun taken niet nog langer uit te stellen,

Liefde, welke ook, kent geen klimaat, seizoen, respijt,

Geen uren, dagen, maanden, al die lorren van de tijd.

 

Jouw stralen, vol eerbied en kracht –

Zou ‘t echt zo zijn?

Ik kan ze in een oogwenk verduisteren en je verdwijnt,

Maar ik doe het niet, omdat ik naar haar aanblik smacht;

En als jouw ogen naast de hare durven stralen,

Zie toe, en vertel dan morgen eens aan mij,

Of beide Indiën, hun kruiden en metalen,

Zijn waar je ze achterliet, of hier liggen naast mij.

En als je naar die koningen vraagt – je zag ze zonet –

Dan krijg je ten antwoord: hier zijn ze, hier in dit bed.

 

Zij is alle staten, alle vorsten ben ik, zie

Daarbuiten is niets.

En vorsten doen ons slechts na; in dit licht bezien

Is alle hulde imitatie, alle weelde alchemie.

En Zon, sinds de wereld zo is geslonken,

Verdien je wel een beetje erbarmen.

Ouderdom vergt rust, en sinds jou als taak is geschonken

De wereld te warmen, dien je dus ons te verwarmen.

Schijn hier voor ons, en het heelal is waar je bent;

Dit bed is jouw centrum, dit vertrek jouw firmament.

 

Origineel:

The Sun Rising

Busy old fool, unruly sun,
Why dost thou thus,
Through windows, and through curtains call on us?
Must to thy motions lovers’ seasons run?
Saucy pedantic wretch, go chide
Late school boys and sour prentices,
Go tell court huntsmen that the king will ride,
Call country ants to harvest offices,
Love, all alike, no season knows nor clime,
Nor hours, days, months, which are the rags of time.

Thy beams, so reverend and strong
Why shouldst thou think?
I could eclipse and cloud them with a wink,
But that I would not lose her sight so long;
If her eyes have not blinded thine,
Look, and tomorrow late, tell me,
Whether both th’ Indias of spice and mine
Be where thou leftst them, or lie here with me.
Ask for those kings whom thou saw’st yesterday,
And thou shalt hear, All here in one bed lay.

She’s all states, and all princes, I,
Nothing else is.
Princes do but play us; compared to this,
All honor’s mimic, all wealth alchemy.
Thou, sun, art half as happy as we,
In that the world’s contracted thus.
Thine age asks ease, and since thy duties be
To warm the world, that’s done in warming us.
Shine here to us, and thou art everywhere;
This bed thy center is, these walls, thy sphere.

Advertenties

Een lieflijke avond – William Wordsworth

William Wordsworth (1770-1850) was een Engels romantisch dichter. Samen met Samuel Taylor Coleridge (1772-1834) publiceerde hij de Lyrical Ballads, waarmee de romantiek zijn intrede deed in de Engelse letteren.

In 1791 ontmoette Wordsworth in Frankrijk Annette Vallon, van wie hij in 1792 een dochter kreeg: Caroline. Zonder Caroline ooit gezien te hebben, keerde hij – mede als gevolg van de politieke turbulentie – terug naar Engeland. Na de Vrede van Amiens in 1802, ging hij terug naar Frankrijk. Daar ontmoette hij zijn toen 9-jarige dochter voor het eerst. De strandwandeling met haar is de aanleiding tot het gedicht It is a Beauteous Evening, Calm and Free.

Ik ken het gedicht al sinds mijn middelbareschooltijd (1976-1982) uit het hoofd. Het komt voor in het boek Enjoying Literature dat toen voor het onderwijs werd gebruikt.

Als ik op het strand ben, heb ik de haast onbedwingbare neiging om te roepen:

Listen! the mighty Being is awake,
And doth with his eternal motion make
A sound like thunder—everlastingly.

Dit gedicht is uiteraard een sonnet. De jambische vijfvoeten, soms met trochaeïsche opmaat, zijn in vertaling grotendeels vervangen door jambische zesvoeten.

Vertaling:

Een lieflijke avond

Een lieflijke avond, onbevangen, teder…
De gewijde tijd is stil geworden als een Non
Die ademloos is in aanbidding, de brede zon
Daalt roerloos in zijn vredigheden neder;

En zorgzaam op de zee rust ’s hemels goedheid;
Maar hoor! het machtig Wezen is ontwaakt,
Waarmee het onophoudelijk geluiden maakt
Alsof de donder rolt – in eeuwige gestadigheid.

Lief kind! lief meisje! wandel- en gespreksgenoot,
Ook als de ernst maar nauwelijks tot jou doordringt,
Toch is jouw kern hooghemels en verheven:

Jij ligt het hele jaar in Abrahams schoot,
Jij mag in ’t heiligst heiligdom des Tempels leven,
Door God – en niemand ziet het – met Zijn zorg omringd.

Origineel:

It is a Beauteous Evening, Calm and Free

It is a beauteous evening, calm and free,
The holy time is quiet as a Nun
Breathless with adoration; the broad sun
Is sinking down in its tranquility;

The gentleness of heaven broods o’er the Sea;
Listen! the mighty Being is awake,
And doth with his eternal motion make
A sound like thunder—everlastingly.

Dear child! dear Girl! that walkest with me here,
If thou appear untouched by solemn thought,
Thy nature is not therefore less divine:

Thou liest in Abraham’s bosom all the year;
And worshipp’st at the Temple’s inner shrine,
God being with thee when we know it not.

De Tuin der Lusten – William Blake

William Blake (1757-1827) was een visonaire, romantische Engelse dichter en schilder. Hij was religieus, maar gekant tegen vormen van georganiseerde godsdienst, met name tegen de Anglicaanse kerk, de Church of England.

In het onderhavige gedicht wordt een Tuin der Lusten opgeroepen. De titel en het onderwerp verwijzen naar het Hooglied (hfdst. 6:2), een oud-testamentisch liefdeslied dat vol staat met erotische toespelingen. Indirect verwijzen ze ook naar de Hof van Eden, de paradijstuin, waarin voorafgaand aan de zondeval nog geen schaamte bestond.

In dit gedicht wordt de gestrengheid van de georganiseerde godsdienst tegenover de als zuiver beschouwde erotiek geplaatst.

Vertaling:

De Tuin der Lusten

Ik ging naar de Tuin der Lusten,
En zag wat er vroeger nooit was:
Een Kerkje, gebouwd in het midden,
Waar ik toen speelde als kind op het gras.

En de poort van de Kerk was gesloten,
En “Gij zult niet” kon je zien op de deur;
Dus ik ging naar de Tuin der Lusten,
Naar de bloemen, hun lieflijke geur.

En ik zag dat die vol was met graven,
En met zerken, waar een bloemperk moest zijn:
En Priesters die paden in zwarte gewaden betraden,
En mijn vreugde & verlangen met distels bedwongen.

Origineel:

The Garden of Love

I went to the Garden of Love,
And saw what I never had seen:
A Chapel was built in the midst,
Where I used to play on the green.

And the gates of this Chapel were shut,
And Thou shalt not. writ over the door;
So I turn’d to the Garden of Love,
That so many sweet flowers bore.

And I saw it was filled with graves,
And tomb-stones where flowers should be:
And Priests in black gowns, were walking their rounds,
And binding with briars, my joys & desires.

Ennui – Marianne Moore

Marianne_Moore_1935

Marianne Moore (fotografie: George Platt Lynes)

Marianne Moore (1887-1972) was een Amerikaanse dichter. Ze beschikte over een veelzijdige verstechniek. Ze werd bewonderd door Wystan Hugh Auden en was mentor en vriendin van Elizabeth Bishop.

Het gedicht Ennui – wat verveling betekent, een kernbegrip van het modernisme – heeft weinig toelichting nodig. De titel is ironisch, uiteraard, en het gedicht suggereert dat een onvermogen om te kiezen een belangrijke oorzaak van verveeldheid, levensmoeheid zou kunnen zijn.

Het gedicht heeft iets grappigs en iets ernstigs tegelijk. De vorm is niet bijzonder modern en doet denken aan Johann Wolfgang von Goethe, bijvoorbeeld aan diens beroemde Nachtliedje.

Vertaling:

Ennui

Hij had, zei hij vaak,
Een typische wens:
Niemand die weet
Of ik vis ben of mens;
Het aas van de haak
Zuig ik wel graag,
Deelde hij mee,
En kalm dan weer gaan
Als een schim
In de zee.

Origineel:

Ennui

He often expressed
A curious wish,
To be interchangeably
Man and fish;
To nibble the bait
Off the hook,
Said he,
And then slip away
Like a ghost
In the sea.

 

Spotrijm van een burger op leeftijd – W.H. Auden

AudenVanVechten1939

W.H. Auden

Wystan Hugh Auden (1907-1973), was een groot Engelstalig dichter. Hij schopte graag tegen de schenen van de mensen die hem het meest nabij waren.

Doggerel by a Senior Citizen, is een rijmend vers, een rijmsel eigenlijk, dat tongue in cheek een reactionaire – maar niet noodzakelijk onjuiste – boodschap brengt.

Hier is een video waar Auden het vers zelf voordraagt. De ondertiteling is de vertaling die Peter Verstegen, een gerenommeerd vertaler, van het vers gemaakt heeft.

Vertaling:

Spotrijm van een burger op leeftijd
(voor Robert Lederer)

1969 – de aarde is niet de planeet,
Die ik met trots de mijne heet;
’t Is niet de wereld die mij voedt,
En die voor chaos mij behoedt.

De zaligheden van de Hof van Eden,
Stammen reeds van lang geleden,
Toen badkamers nog zalen waren,
En wij God smeekten bij gevaren.

Het vliegtuig en de automobiel,
Heel nuttig, hoor, maar pueriel:
De machines waar ik van droom
Draaien op water of op stoom.

De Rede vergt dat ik bezing
De gloeilamp – wat een akelig ding!
Niet dat ik er ooit een koop –
Liever ‘n olielamp op de overloop.

De spoken van mijn voorgeslacht,
Bevocht ik, heb ze hooggeacht:
De protestantse werkmoraal
Was handig en vaak ideaal.

Schulden maken was onbezonnen,
Toen paren nog duetten zongen
En altijd zal ik zonder dralen,
Al wat ik koop contant betalen.

Het kerkenliedboek kwam tot stand
Omstreeks het Twaalfjarige Bestand:
Bijbehorende preken zijn wel aardig,
Liturgische omslag minderwaardig.

O zeker, seks was – als altijd
Aanlokkelijk door geheimzinnigheid;
Maar de kiosk was toch niet overladen
Met Manicheïsche pornobladen.

De taal was kunstig, afgemeten,
Je liet geen boeren, liet geen scheten:
Waar lig ik nog het meeste wakker van,
‘t Vrije vers, de dood van de roman?

Ook wil ‘k geen promovendi op visite,
Die symbolen delven, of de mythe,
En hoor ik tot de literaten
Die lof aan meerderen overlaten.

Is gedoogbeleid wel een succes?
Het is een ramp in elke les!
Grieks en Latijn – wij laafden ons
Aan deze zaken als een spons.

Men houdt zich graag oostindisch doof,
Voor onze generatiekloof,
Wiens schuld is dat, en welk verhaal?
Geen hond leert meer zijn Moedertaal!

Maar liefde is, meen ik, geen keus
Die ouderwets is, modieus!
En ‘k heb wel degelijk goede vrinden,
Die samen eten leuk gaan vinden.

Vergis ik mij? Da’s kul! Ik word niet goed
Dat ik met vuur verdedigen moet
Dat ik me ’t allerbeste thuis
Voel bij wat Echt is, bij wat Pluis.

Origineel:

Doggerel by a Senior Citizen
(for Robert Lederer)

Our earth in 1969
Is not the planet I call mine,
The world, I mean, that gives me strength
To hold off chaos at arm’s length.

My Eden landscapes and their climes
Are constructs from Edwardian times,
When bath-rooms took up lots of space,
And, before eating, one said Grace.

The automobile, the aeroplane,
Are useful gadgets, but profane:
The enginry of which I dream
Is moved by water or by steam.

Reason requires that I approve
The light-bulb which I cannot love:
To me more reverence-commanding
A fish-tail burner on the landing.

My family ghosts I fought and routed,
Their values, though, I never doubted:
I thought the Protestant Work-Ethic
Both practical and sympathetic.

When couples played or sang duets,
It was immoral to have debts:
I shall continue till I die
To pay in cash for what I buy.

The Book of Common Prayer we knew
Was that of 1662:
Though with-it sermons may be well,
Liturgical reforms are hell.

Sex was of course —it always is—
The most enticing of mysteries,
But news-stands did not then supply
Manichean pornography.

Then Speech was mannerly, an Art,
Like learning not to belch or fart:
I cannot settle which is worse,
The Anti-Novel or Free Verse.

Nor are those Ph.D’s my kith,
Who dig the symbol and the myth:
I count myself a man of letters
Who writes, or hopes to, for his betters.

Dare any call Permissiveness
An educational success?
Saner those class-rooms which I sat in,
Compelled to study Greek and Latin.

Though I suspect the term is crap,
There is a Generation Gap,
Who is to blame? Those, old or young,
Who will not learn their Mother-Tongue.

But Love, at least, is not a state
Either en vogue or out-of-date,
And I’ve true friends, I will allow,
To talk and eat with here and now.

Me alienated? Bosh! It’s just
As a sworn citizen who must
Skirmish with it that I feel
Most at home with what is Real.

Ken je het land, waar de citroenen groeien – Goethe

Het gedicht ‘Kennst du das Land, wo die Zitronen blühn‘ is een heel beroemd gedicht van Johann Wolfgang von Goethe (1749-1832), die vaak beschouwd wordt als de grootste Duitse dichter die ooit heeft geleefd en geschreven.

Het werd gepubliceerd als het openingsgedicht in het eerste hoofdstuk van Boek 3 van Wilhelm Meisters Lehrjahre. Het personage in de roman die als auteur van het gedicht wordt opgevoerd, is Mignon. Het openingsvers roept Italië op.

Het gedicht is heel vaak op muziek gezet, onder anderen door Robert Schumann, Franz Schubert en Hugo Wolf.

Er zijn ook parodieën op gemaakt, bijvoorbeeld: ‘Kennst du das Land wo die Kanonen blühn?‘ van Erich Kästner.

Ik heb de enorme hoeveelheid literatuur over dit gedicht niet uitgebreid bestudeerd. In mijn ogen is dit een gedicht dat over de dood gaat. Het beschrijft drie levensfasen: de jeugd, de middelbare leeftijd en de oude dag.

Het is wel ontnuchterend, maar we gaan op weg, en het blijft lyrisch.

Vertaling:

Ken je het land, waar de citroenen groeien

Ken je het land, waar de citroenen groeien,
In ‘t donker loof de gouden sinaasappels gloeien,
Een milde wind vanuit de blauwe hemel daalt,
De myrte rust, een lauwertak naar boven taalt?
Zeg, ken je het?
Daarheen! daarheen
Wil ik met jou graag gaan, mijn lief, meteen.

Ken je het huis? Zijn dak rust op een zuilenrij.
De eetzaal blinkt, de suite ligt er stralend bij,
En marmerbeelden overal – ze zien mij aan
Wat heeft men jou, och arme kind, gedaan?
Zeg, ken je het?
Daarheen! daarheen
Wil ik met jou graag gaan, mijn hoedster, nu meteen.

Ken je de berg, zijn nauwe, dichtbewolkte gang?
Het muildier zoekt zijn weg, voor mist noch nevel bang;
In de spelonk, daar woont het oude drakenbroed;
Het stoot de rots, daaroverheen de vloed!
Zeg, ken je het?
Daarheen! daarheen
Voert onze weg! O Vader, zo meteen!

Origineel:

Kennst du das Land, wo die Zitronen blühn

Kennst du das Land, wo die Zitronen blühn,
Im dunkeln Laub die Gold-Orangen glühn,
Ein sanfter Wind vom blauen Himmel weht,
Die Myrte still und hoch der Lorbeer steht?
Kennst du es wohl?
Dahin! dahin
Möcht ich mit dir, o mein Geliebter, ziehn.

Kennst du das Haus? Auf Säulen ruht sein Dach.
Es glänzt der Saal, es schimmert das Gemach,
Und Marmorbilder stehn und sehn mich an:
Was hat man dir, du armes Kind, getan?
Kennst du es wohl?
Dahin! dahin
Möcht ich mit dir, o mein Beschützer, ziehn.

Kennst du den Berg und seinen Wolkensteg?
Das Maultier sucht im Nebel seinen Weg;
In Höhlen wohnt der Drachen alte Brut;
Es stürzt der Fels und über ihn die Flut!
Kennst du ihn wohl?
Dahin! dahin
Geht unser Weg! O Vater, laß uns ziehn!

Nachtelijke rit over de Rijnbrug bij Keulen – Ernst Stadler

Ernst Stadler (1883-1914) was een Duits taalgeleerde en expressionistisch dichter die in het eerste jaar van de Eerste Wereldoorlog in het Belgische Zandvoorde, vlakbij Yper, op 31-jarige leeftijd door een granaat werd gedood.

Ik heb tussen 2008 en 2014 gewerkt als Wikipedia-vrijwilliger. Een van mijn toenmalige Wikipedia-collega’s – hij is net als ik inmiddels niet meer actief – was een man die zich S.Kroeze noemde.

S.Kroeze had besef van kwaliteit, zijn bewerkingen waren vrijwel zonder uitzondering onberispelijk, als hij een artikel bewerkte was zijn greep op de stof steeds boven alle lof verheven. Hij had zich bovendien steevast goed voorbereid en kende de relevante literatuur grondig. Hij schreef heel goed en beheerste een aantal moderne talen uitstekend.

Niet verwonderlijk dus dat hij met veel tegenstand te maken kreeg. De mensen verdragen het slecht als ze verbeterd worden, en als hun daarop volgende domme verontwaardiging scherp en afdoend wordt beantwoord.

Hij was in de sociale omgang geen groot talent. Hij maakte nodeloos snel ruzie, was soms ergdenkend en vernederde ook wel eens opponenten die het niet kwaad met hem meenden.

S.Kroeze had gevoel voor symbool, beeldtaal, poëzie. Op zijn gebruikerspagina staat (nog steeds) een foto die ook hierboven is afgebeeld: een door hongerige wolven omringde Amerikaanse bizon (in Yellowstone Park). Deze foto verbeeldt heel goed in welke krankzinnige wereld hij zich bevond, en ik denk dat hij zich inderdaad in een krankzinnige wereld bevond, overigens net als wij allemaal.

Op de gebruikerspagina van S.Kroeze staat het gedicht van Ernst Stadler, ‘Fahrt über die Kölner Rheinbrücke bei Nacht’ dat ik ook op deze plaats voor het eerst heb leren kennen.

 

 

Vertaling:

Nachtelijke rit over de Rijnbrug bij Keulen

De sneltrein gaat tastend
en stotend door het donker voort.

Een leidstar ontbreekt. De wereld is slechts een mijngang,
nauw, nachtomhuld, railsbespoord,

waarin de productie van blauwe gloed
soms onverhoedse horizonnen schept: vuurkring

om lichtbollen, daken, schoorsteenpijpen,
rokend, vlietend .. korte betovering..

En daarna alles zwart.
Als worden wij in nachtelijk ingewand naar ploegendienst geleid.

Slechts lichtjes die opduiken .. onbestemd, troosteloos verlaten ..
steeds meer .. ze komen bijeen .. en versmelten altijd.

Geraamtes van grauwe gevels liggen naakt,
bleek in het flauwe licht, dood –

er gaat iets gebeuren .. o, ik voel de druk
in het hoofd. Iets zwaars zingt in ‘t bloed.

Dan opeens davert de grond als een zee:
We vliegen door de lucht, koninklijk opgeheven,

weggerukt uit de nacht, hoog boven de rivier.
O lus van miljoenen lichtjes, zwijgende wake,

wier stoet van flonkeringen
traag over het water heen wegglijdt.
Eindeloos raster, ons als nachtgroet gegeven!

Met fakkels die wuiven! Een zaligheid!
Saluut van schepen op het blauwe water! Sterreschitteringen!

Krioelend, met klare ogen weggekeken!
Tot waar de stad
met de laatste huizen haar gast laat gaan.

En dan de lange eenzaamheden. Kale oevers.
Stilte. Nacht. Bezinning. Inkeer. Avondmaal.
En gloed en drang

naar laatste dingen, zegeningen, vreugde der ontvangenis.
Naar wellust. Naar gebed. Naar zee.
Naar ondergang.

Origineel:

Fahrt über die Kölner Rheinbrücke bei Nacht

Der Schnellzug tastet sich
und stößt die Dunkelheit entlang.

Kein Stern will vor. Die ganze Welt ist nur ein enger,
nachtumschienter Minengang,

darein zuweilen Förderstellen
blauen Lichtes jähe Horizonte reißen: Feuerkreis

von Kugellampen, Dächern, Schloten,
dampfend, strömend .. nur sekundenweis ..

und wieder alles schwarz.
Als führen wir ins Eingeweid der Nacht zur Schicht.

Nur taumeln Lichter her .. verirrt, trostlos vereinsamt ..
mehr .. und sammeln sich .. und werden dicht.

Gerippe grauer Häuserfronten liegen bloß,
im Zwielicht bleichend, tot –

etwas muß kommen .. o, ich fühl es schwer
im Hirn. Eine Beklemmung singt im Blut.
Dann dröhnt der Boden plötzlich wie ein Meer:

Wir fliegen, aufgehoben,
königlich durch nachtentrissne Luft, hoch übern Strom.
O Biegung der Millionen Lichter, stumme Wacht,

von deren blitzender Parade
schwer die Wasser abwärts rollen.
Endloses Spalier, zum Gruß gestellt bei Nacht!

Wie Fackeln stürmend! Freudiges!
Salut von Schiffen über blauer See! Bestirntes Fest!

Wimmelnd, mit hellen Augen hingedrängt!
Bis wo die Stadt
mit letzten Häusern ihren Gast entläßt.

Und dann die langen Einsamkeiten. Nackte Ufer.
Stille. Nacht. Besinnung. Einkehr. Kommunion.
Und Glut und Drang

zum Letzten, Segnenden. Zum Zeugungsfest.
Zur Wollust. Zum Gebet. Zum Meer.
Zum Untergang.

 

De therapie – R.S. Thomas

Ronald Stuart Thomas (1913-2000) was een Engels dichter die afkomstig was uit Wales en daar ook woonde en werkte als een Anglicaans priester. Hij was getrouwd met de schilder Mildred (Elsi) Eldridge. Hij is in Nederland niet zeer bekend.

De stijlvorm van het gedicht The Cure – vrije verzen met goed gekozen enjambementen (de zin loopt over de versregels heen) – wordt vaak gebruikt door R.S. Thomas.

Het onderhavige gedicht, afkomstig uit de bundel Poetry for Supper (1958), p.41, is een gedicht waarin wordt getwijfeld.

Er wordt in de eerste plaats gewezen op de navelstaarderij waartoe de dichter geroepen is sinds hij zich een buitenstaander voelt en er buiten hemzelf nauwelijks nog zielzorg wordt bedreven. R.S. Thomas lijkt zich hoogst ongemakkelijk te voelen bij het idee dat de dichter zichzelf zou moeten genezen. (Een schrijver is zijn eigen therapeut, zei W.F. Hermans.)

Maar er wordt vervolgens getwijfeld aan de mogelijkheden die de dichter heeft om de cultuur te redden, om zich met de profetenmantel te behangen, om politiek heil te brengen, niet omdat “Poetry makes nothing happen“, zoals W.H. Auden zei, maar omdat de cultuur er misschien zelden beter van wordt.

 

Dan nu de vertaling:

De therapie

Wat te doen? Verzendokters komen
Nauwelijks nog voor, de meeste dichters
Zijn hun eigen patiënt, genoopt eerst
Zichzelf te behandelen, met de eeuwige klacht
Dat ze anders zijn. Bedenk, eer jouw
Ruwe hand het subtiele gestel
Zal beroeren van een zieke cultuur,
Welke streken van dat kranke lichaam
Kunnen echt niet zonder dichterstherapie.

Origineel:

The Cure

But what to do? Doctors in verse
Being scarce now, most poets
Are their own patients, compelled to treat
Themselves first, their complaint being
Peculiar always. Consider, you,
Whose rough hands manipulate
The fine bones of a sick culture,
What areas of that infirm body
Depend solely on a poet’s cure.

 

Kleine uitsmijter

Karel van het Reve schreef ooit een limerick waarin dezelfde twijfel wordt uitgesproken (in dit geval uiteraard op een spottende manier):

Gij wilt bij de mensen in tel zijn
En strijden voor ’t algemeen welzijn,
Ik wens u het beste,
Maar zult gij ten leste
Wel meer dan een luidende schel zijn?

 

 

 

Ecce Puer – James Joyce

Voor de wedstrijd Nederland Vertaalt, een samenwerking van Verstegen & Stigter en NRC, gesubsidieerd door het Prins Bernhard Cultuurfonds, had ik een vertaling ingezonden van Ecce Puer, een gedicht van de Ierse schrijver James Joyce (1882-1941). Het oorspronkelijke gedicht is opgenomen in Collected Poems (1936).

Mijn vertaling is niet genomineerd voor de prijzen.

De genomineerde vertalingen zijn hier te vinden.

De titel betekent: Zie het kind, naar analogie van het bekende woord Ecce Homo, zie de mens, dat de Romeinse landvoogd Pontius Pilatus sprak toen hij de gegeselde Jezus met doornenkroon en spotmantel toonde aan een verzamelde Joodse menigte.

Het gedicht beschrijft de ontroering van een vader die zijn slapende kind ziet, die de wonderlijke oorsprong van het nieuwe leven ondergaat, die de wording van een nieuw mens beleeft, maar die tevens beseft dat de komst van het kind zijn vertrek aankondigt.

Het gedicht eindigt met een verwijzing naar het kruiswoord My God, my God, why hast thou forsaken me? – Mijn God, mijn God, waarom hebt Gij Mij verlaten? – met dit verschil dat hier de vader verlaten wordt, waarbij de vader tevens gemaand wordt degene die het gevoel van verlatenheid oproept – zijn zoon – te vergeven. Een gedeeltelijke en geraffineerde omkering dus.

Het gedicht werd door Joyce geschreven in 1932 ter gelegenheid van de geboorte van een kleinkind en kort na het overlijden van zijn vader.

James Joyce wordt beschouwd als een van de belangrijkste schrijvers van het Modernisme. Zijn bekendste boek is de roman Ulysses.

Mijn vertaling:

ECCE PUER

Een kind wordt geboren
Uit duistere zee.
Mijn hart wordt verscheurd
Door vreugde en wee.

Zacht in zijn wiegje
Sluimert het leven.
Moge liefde en genâ
Hem uitzicht geven!

Een pril bestaan
Wordt geademd op glas;
De wereld verschijnt
Die eerder niet was.

Daar slaapt nu een kind,
Een grijsaard ten hoon.
O vader, verlaten,
Vergeef je zoon!

Origineel:

ECCE PUER

Of the dark past
A child is born.
With joy and grief
My heart is torn.

Calm in his cradle
The living lies.
May love and mercy
Unclose his eyes!

Young life is breathed
On the glass;
The world that was not
Comes to pass.

A child is sleeping:
An old man gone.
O, father forsaken,
Forgive your son!

Onherhaalbaar – Peter Rühmkorf

Voor de wedstrijd Nederland Vertaalt, een samenwerking van Verstegen & Stigter en NRC, gesubsidieerd door het Prins Bernhard Cultuurfonds, heb ik een vertaling ingezonden van Auf was nur einmal ist, een gedicht van Peter Rühmkorf. Het origineel is afkomstig uit: Haltbar bis Ende 1999 (Hamburg 1979).

Mijn vertaling is niet genomineerd voor de prijzen.

De genomineerde vertalingen zijn hier te vinden.

Mijn vertaling:

Onherhaalbaar

Voor Heinrich Maria Ledig-Rowohlt

Soms wik je: is dat dan het leven?
Soms weeg je: is dit nu het wezen?
Bij ’t ontwaken, slaan de luiken dicht – voorbij.
Geestdrift geweken, vluchtig belezen,
kijk, dat ben jij.

En je denkt misschien: ik ga ten onder,
peilloos diep en gruwelijk – :
Eentje uit de grote hagelhoop,
kleurloos, nauwelijks bijzonder,
kijk, dat ben ik.

Maar dan, plotsklaps, tijdens loos geslenter,
scheurt de schil, komt de getemde pracht pas vrij,
vliegen vonken tussen hoed en schoen:
Deze pertinente wending van de route,
deze uithaal naar het abnormale,
in dit onherhaalbaar, onherroepelijk moment:
kijk, dat ben jij.

Origineel:

AUF WAS NUR EINMAL IST

Für Heinrich Maria Ledig-Rowohlt

Manchmal fragt man sich: ist das das Leben?
Manchmal weiß man nicht: ist dies das Wesen?
Wenn du aufwachst, ist die Klappe zu.
Nichts eratmet, alles angelesen,
siehe, das bist du.

Und du denkst vielleicht: ich gehe unter,
bodenlos und fürchterlich –:
Einer aus dem großen Graupelhaufen,
nur um einen kleinen Flicken bunter,
siehe, das bin ich.

Aber dann, aufeinmalso, beim Schlendern,
lockert sich die Dichtung, bricht die Schale,
fliegen Funken zwischen Hut und Schuh:
Dieser ganz bestimmte Schlenker aus der Richtung,
dieser Stich ins Unnormale,
was nur einmal ist und auch nicht umzuändern:
siehe, das bist du.

Op de helft – Friedrich Hölderlin

[Deze vertaling bevat nog vertaalfouten.]

Friedrich Hölderlin (1770-1843) is een belangrijke Duitse dichter. Zijn verzen zijn klassiek van vorm, soms romantisch van inhoud, bijna altijd lyrisch van toon. Hij slaagt er vaak in je mee te slepen, je te vervoeren.

Zijn vader en stiefvader overleden toen hij nog vrij jong was. Zijn moeder had een toekomst als predikant voor hem in gedachten, maar hij koos betrekkelijk vastberaden voor zijn ware roeping: dichter. Hij bezat een aan de klassieke Griekse cultuur ontleende tragische levensopvatting. Zijn werk getuigt tevens van een religieus, maar niet-christelijk, levensbesef. Friedrich Nietzsche was een bewonderaar.

Hölderlin was filosofisch ingesteld. Hij heeft, naast gedichten, een wijsgerig werk geschreven (Urteil und Seyn), een filosofische roman (Hyperion oder Der Eremit in Griechenland), een treurspel (Empedokles); hij vertaalde ook Sophocles.

Het onderhavige gedicht, Hälfte des Lebens, is geschreven kort voor een zenuwinzinking.

Het gedicht is een van de beroemdste Hölderlin-gedichten. Het kent twee strofen, beide van zeven versregels. De eerste strofe roept een stralend levensbegin op, de tweede een treurig levenseinde. De enjambementen lopen over het gehele gedicht heen en verschaffen dichterlijke samenhang. De versregels zijn kort; er is geen eindrijm. Hölderlin volgde hierin klassieke voorbeelden na.

De eerste levenshelft wordt opgeroepen met beeldspraak: rijpe vruchten, fraaie bloesems, een weelderige oever, dichterlijke zwanen, warme liefde. De beelden zijn zowel natuurlijk als sacraal en religieus. Het adjectief ‘heilignuchter’ brengt beide aspecten samen.

De tweede strofe, en daarmee de tweede levenshelft, begint met een weeklacht: het roept gemis op, een ruïneuze cultuur, vlaggen die nog wapperen terwijl de geest reeds geweken is.

[De openingszin staat in de aanvoegende wijs?]

[Werk in uitvoering]

Vertaling:

Op de helft

Dat het land met gele peren,
En bezaaid met wilde rozen,
Moge huiven boven het meer,
Gij aanbiddelijke zwanen,
Dronken van kussen,
Ge doopt het hoofd
In heilignuchter water.

Wee mij, waar vind ik, als
Het winter is, de bloemen, waar
De zonneschijn,
De schaduwen der aarde?
De muren staan hier
Sprakeloos en koud; in de wind
Wapperen hol de vlaggen.

Origineel:

Hälfte des Lebens

Mit gelben Birnen hänget
Und voll mit wilden Rosen
Das Land in den See,
Ihr holden Schwäne,
Und trunken von Küssen
Tunkt ihr das Haupt
Ins heilignüchterne Wasser.

Weh mir, wo nehm´ ich, wenn
Es Winter ist, die Blumen, und wo
Den Sonnenschein,
Und Schatten der Erde ?
Die Mauern stehn
Sprachlos und kalt, im Winde
Klirren die Fahnen.

Gun me een jongemannendood – Roger McGough

1102_untitled_001

Fotograaf: Will Wilkinson

Roger McGough (1937, Litherland, Lancashire, Engeland) is een nu bijna tachtigjarige Engelse dichter, televisiemaker en kinderboekenschrijver. Hij hoort bij de Liverpool poets, heeft samengewerkt met The Beatles, gaf mede vorm aan de beatcultuur van de jaren zestig. Hij presenteert het programma Poetry Please, op BBC Radio 4.

Het maken van een vertaling van McGoughs gedicht Let Me Die A Youngman’s Death was de opdracht van een vertaalwedstrijd die werd georganiseerd door Stichting Kunst en Cultuur Huizen in samenwerking met de plaatselijke bibliotheek. De prijsuitreiking vond plaats op 25 januari 2017 met Maartje van Weegen als presentatrice en een onderhoudend programma dat werd afgesloten met mooie muziek, uitgevoerd door het Staffa Trio. Het winnende gedicht kunt u hier nalezen.

(Ik had ook vorig jaar meegedaan. Zie mijn blogbericht Het pad dat ik niet nam – Robert Frost.)

Onderstaande vertaling was mijn inzending. Deze is niet in de prijzen gevallen. Wel had de jury in mijn vertaling een domme spelfout ontdekt (ik … wordt), waarvoor dank, een fout die ik uiteraard verbeterd heb. Ik heb nog twee andere wijzigingen ten opzichte van mijn inzending aangebracht: (i) titel en de openingsregel heb ik gewijzigd in Gun me een jongemannendood. Mijn inzending had Gun me een ferme-jongensdood om reden dat het Engelse youngman een ongebruikelijke, enigszins archaïsche schrijfwijze is van young man, en het gedicht ook een homo-erotische suggestie bevat: angst voor gerommel met de zoon van de maîtresse. Bij nader inzien klinkt ‘ferme-jongensdood’ me wat al te oubollig in de oren: ferme jongens, stoere knapen; (ii) ik heb het woord ‘onophoudelijke’ vervangen door ‘immer’ omwille van de beknoptheid.

Het thema van de Poëzieweek (26-01-2017 tot 3-02-2017) is ‘humor’. McGoughs gedicht was gekozen omdat het humoristisch zou zijn. De veronderstelde humor schuilt o.a. in de woordgrappen: ‘a constant good tumour’ – stralende tumor i.p.v. stralend humeur; gangsters die je bij de kapper ‘a short back and insides’ geven – ‘a short back and sides’ is een kapsel met achterhoofd en boven de oren kaalgeschoren, en ‘insides’ is je inwendige. De humor schuilt tevens in de beschrijving van het verlangen om een spectaculaire en avontuurlijke dood te sterven, terwijl het gedicht er ondertussen gewoon van uit gaat dat de hoofdpersoon ten minste 104 jaar oud wordt. Gruwelijke ongelukken en moordscènes worden voorgesteld als een aantrekkelijk levenseinde. Een vredige dood – iets wat de meeste mensen hopen te bereiken – wordt beschreven als iets wat je beter niet kunt hebben. Alles wordt in betrekkelijk gewone woorden verteld, al is de toon hier en daar bijna lyrisch, wat grappig contrasteert met de inhoudelijke bravoure.

Ik vind het gedicht desondanks niet bijzonder humoristisch. Het getuigt naar mijn smaak meer van een Jan Cremer-achtige jongemannenbranie dan van humor, al heeft McGough wel wat meer zelfrelativering dan Ik-Jan.

De vorm van het gedicht is vrij, regellengte varieert, interpunctie ontbreekt. Het gedicht kent hier en daar alliteratie en gebruikt alleen eindrijm aan het begin en het eind bij de obstinate herhaling van het woord dood (rime riche). De slotstrofe is een echo van de openingsstrofe. Het gedicht heeft vaart, mede door het ontbreken van leestekens.

The Cavern is een nachtclub in Liverpool die in de jaren zestig beroemd werd als de ‘poptempel’ waarin The Beatles debuteerden.

mersey-sound

Originele omslag van The Mersey Sound

Het gedicht werd gepubliceerd in de bundel The Mersey Sound (medeauteurs: Adrian Henri en Brian Patten), Harmondsworth: Penguin 1967.

In 2012 publiceerde McGough een parodie op het onderhavige gedicht onder de titel Not For Me A Youngman’s Death.

Vertaling:

Gun me een jongemannendood

Gun me een jongemannendood
geen nette en tussen witte
lakens liggende wijwater-dood
geen beroemde-laatste-woorden
vredig naar adem happende dood

Ik hoop op m’n 73e
en met een immer stralende tumor
’s morgens vroeg te worden neergemaaid
door een felrode sportwagen
op weg naar huis
na een hele nacht doorzakken

Of dat ik op m’n 91e
met haren van zilver
in een kappersstoel zal zitten
en door binnenstormende boze gangsters
met bombastische repeteergeweren
aan flarden word geknipt en geschoren

Of dat ik op m’n 104e
en zojuist uit The Cavern gezet
door m’n maîtresse word
betrapt met haar dochter in bed
en dat ze bezorgd om haar zoon
mij in kleine stukjes hakt
en alle stukjes weggooit op eentje na

Gun me een jongemannendood
geen zondeloze stilletjes
in kaarsvet wiegende en kwijnende dood
geen dichte gordijnen door engelen gedragen
‘mooie manier om dood te gaan’-dood

Origineel:

Let Me Die A Youngman’s Death

Let me die a youngman’s death
not a clean and inbetween
the sheets holywater death
not a famous-last-words
peaceful out of breath death

When I’m 73
and in constant good tumour
may I be mown down at dawn
by a bright red sports car
on my way home
from an allnight party

Or when I’m 91
with silver hair
and sitting in a barber’s chair
may rival gangsters
with hamfisted tommyguns burst in
and give me a short back and insides

Or when I’m 104
and banned from the Cavern
may my mistress
catching me in bed with her daughter
and fearing for her son
cut me up into little pieces
and throw away every piece but one

Let me die a youngman’s death
not a free from sin tiptoe in
candle wax and waning death
not a curtains drawn by angels borne
‘what a nice way to go’ death

Wie het meeste liefheeft – W.H. Auden

De Engelse dichter Wystan Hugh Auden is in mijn ogen een van de grootste dichters van de twintigste eeuw.

Het gedicht The More Loving One is een beroemd gedicht dat Auden schreef in 1957, en dat werd gepubliceerd in de bundel Homage to Clio. Het is een kenmerkend gedicht omdat het tegelijkertijd ontroert en spot met zichzelf.

Het onderwerp is universeel – iedereen kent het: ‘onbeantwoorde liefde’, en het gedicht werkt een centrale metafoor uit van begin tot eind: sterren die je wel kunt liefhebben, maar die jou nooit zullen liefhebben.

De zelfspot wordt uitgedrukt doordat een sterretje meer of minder kennelijk onverschillig is voor de vurige sterrenminnaar.

Het laatste kwatrijn gaat in op het verdwijnen van het voorwerp van de liefde. Er wordt niet alleen berust, de lof van de afwezige sterren – het sublieme – wordt zelfs bezongen, maar gemakkelijk zal het niet gaan.

Auden had een relatie met Chester Kallman, dichter, librettist en vertaler, een relatie die niet in alle opzichten bevredigend en gelijkwaardig was. Dit gedicht wordt ten slotte ook wel eens geïnterpreteerd in religieuze zin: er zit niks anders op voor de sterfelijke mens dan te houden van een verre God van wiens liefde we niet altijd even veel merken.

Het gedicht bestaat uit vier kwatrijnen met een strak rijmschema: aabb.

[Werk in uitvoering]

Vertaling:

Wie het meeste liefheeft

Als ik kijk naar de sterren, weet ik zeer goed
Dat mijn bestaan er voor hen niet toe doet.
Maar onverschilligheid is ‘t minste kwaad;
We moeten vrezen wie ons naar het leven staat.

Stel dat een ster voor ons stond te laaien,
Zonder dat we ooit terug konden zwaaien?
Als je op wederliefde niet kunt bouwen,
Maak mijn liefde groter dan de jouwe.

Al blijf ik luid mijn lofzang kwelen
Op sterren die ’t geen reet kan schelen,
Ik kan niet zeggen, nu ‘k ze zie,
Dat er één mist, zo een twee drie.

Als al die sterren sterven of verzwinden,
Zal ik de duisternis subliem gaan vinden,
En naar een lege hemel leren turen,
Maar dat zal wel een tijdje duren.

Origineel:

The More Loving One

Looking up at the stars, I know quite well
That, for all they care, I can go to hell,
But on earth indifference is the least
We have to dread from man or beast.

How should we like it were stars to burn
With a passion for us we could not return?
If equal affection cannot be,
Let the more loving one be me.

Admirer as I think I am
Of stars that do not give a damn,
I cannot, now I see them, say
I missed one terribly all day.

Were all stars to disappear or die,
I should learn to look at an empty sky
And feel its total dark sublime,
Though this might take me a little time.

 

 

Musée des Beaux Arts – W.H. Auden

De Engelse dichter Wystan Hugh Auden (1907-1973) was in 1938 in Brussel. Hij bezocht er het Koninklijk Museum voor Schone Kunsten en bekeek er onder andere het schilderij De val van Icarus, waarschijnlijk een kopie van een schilderij van Pieter Brueghel de Oude (1525/1530-1569).

Dit schilderij is de aanleiding voor het gedicht. Het roept op hoe de erin voorkomende figuren – naar een woord van Vincent van Gogh waaraan Auden veel waarde hechtte – “in de ontreddering de kalmte bewaren”.

Het schilderij is gedateerd omstreeks 1600 toen Pieter Brueghel al dertig jaar dood was, maar dat was in Audens tijd nog niet bekend. Als het inderdaad een kopie is, is het de eerste en enige keer dat Brueghel een mythisch motief heeft gebruikt voor een schilderij.

Volgens de mythe zat Icarus samen met zijn vader Daedalus vast op Kreta. Om weg te kunnen komen, maakte Daedalus vleugels voor hen beiden. Hij gaf Icarus instructies: niet te dicht bij de zee, want met natte vleugels kun je niet vliegen, en niet te dicht bij de zon, want anders zal de was met behulp waarvan de vleugels samengesteld en bevestigd zijn, smelten. Icarus luisterde niet, kwam te dicht bij de zon, stortte in het water en verdronk.

Het gedicht is heel vrij van vorm, zonder noemenswaardig rijm en met een wisselende regellengte. Het gebruikt een gewone, heel onverstoorbare toon die tegelijkertijd gevoelig maakt voor de soms vreselijke dingen die verteld worden, en tevens de mogelijkheid opent om door te gaan met leven, ook al gebeuren er dingen die het evenwicht ernstig bedreigen. Dit is een belangrijk thema bij Auden: een vergelijkbare toon, een vergelijkbare onverstoorbare en gevoelige ernst proef je ook in veel andere gedichten, bijvoorbeeld in de gedichten In Praise of Limestone, Homage to Clio en de slotregels van The Fall of Rome.

Vertaling:

Musée des Beaux Arts

In het lijden vergisten ze zich nooit,
De Oude Meesters; hoe goed beseften ze zijn plaats
In een mensenleven, hoe het gebeurt
Terwijl iemand anders eet of een raam open doet of zomaar even langsloopt;
Hoe er, naast het eerbiedige, opgewonden wachten
Van ouderen op de wonderbare geboorte, nog iets bij moet,
Kinderen, voor wie het niet zo nodig hoeft, terwijl ze schaatsen
Op een vijver aan de rand van het bos.
Nooit vergaten ze
Dat ook het vreselijke martelaarschap zijn loop moet hebben
In een hoekje, ergens op een rommelige plek
Waar honden doorgaan met hun hondedingen, en het paard van de beul
Zijn onschuldige achterste schuurt aan een boom.

In Breughels Icarus bijvoorbeeld: hoe alles zich toch vrij kalm
Afwendt van het onheil: want misschien heeft de ploeger
De plons wel gehoord, de vergeefse gil,
Maar voor hem ging er niets mis wat er werkelijk toe deed; de zon scheen
Zoals het hoorde op de witte benen die verdwenen in het groene
Water, en het dure verfijnde schip dat toeschouwer was geweest
Van iets verbazingwekkends, een jongen die uit de lucht viel,
Moest gewoon ergens naar toe en voer rustig door.

Origineel:

Musée des Beaux Arts

About suffering they were never wrong,
The old Masters: how well they understood
Its human position: how it takes place
While someone else is eating or opening a window or just walking dully along;
How, when the aged are reverently, passionately waiting
For the miraculous birth, there always must be
Children who did not specially want it to happen, skating
On a pond at the edge of the wood:
They never forgot
That even the dreadful martyrdom must run its course
Anyhow in a corner, some untidy spot
Where the dogs go on with their doggy life and the torturer’s horse
Scratches its innocent behind on a tree.

In Breughel’s Icarus, for instance: how everything turns away
Quite leisurely from the disaster; the ploughman may
Have heard the splash, the forsaken cry,
But for him it was not an important failure; the sun shone
As it had to on the white legs disappearing into the green
Water, and the expensive delicate ship that must have seen
Something amazing, a boy falling out of the sky,
Had somewhere to get to and sailed calmly on.

Onder Sirius – W.H. Auden

Het gedicht Under Sirius is een onderschat gedicht in het oeuvre van Wystan Hugh Auden. Het is een dreigend gedicht met een vermanende strekking, en het is gericht tot de vroeg-middeleeuwse dichter Venantius Fortunatus (Venantius Honorius Clementianus Fortunatus, ca. 530 – ca. 609), tevens bisschop van Poitiers.

Het gedicht is bovendien een doelbewuste, enigszins provocerende apologie van een burgerlijke moraal – afspraken nakomen, rekeningen betalen, tijdig uit bed komen, niet wachten tot de beloning arriveert. Deze burgerlijke moraal wekte namelijk irritatie in de anti-burgerlijke culturele atmosfeer waarin Auden zich destijds bevond. Wie tegenwoordig provoceren wil moet omwentelingen toejuichen, want de atmosfeer is nu eerder angstig en behoudend dan revolutionair.

Het is zeker niet uitgesloten dat Auden dit gedicht in feite tot zichzelf richtte als berisping voor een te geringe toewijding aan een geloof dat hij eerder met zoveel woorden had omhelsd (Anthony Hecht, The Hidden Law. The Poetry of W.H. Auden, Harvard University Press 1993, p.333).

Het gedicht heeft een parlando-effect, maar kent tegelijkertijd vrij strenge vormeisen.

Sirius is de hondsster, de helderste ster van het sterrenbeeld Grote Hond. Volgens de oude Grieken veroorzaakte de verschijning ervan een periode van hitte en grote droogte, overdrachtelijk: een seizoen van geestelijke verlatenheid.

De oude Grieken geloofden dat Sibillen orakels waren, vrouwen die van goddelijke inspiratie gebruik maakten voor hun spreuken.

Trooster is een bijnaam van de Heilige Geest. De wind die de Troostervleugels laat waaien, verwijst naar de adem die God de mens bij de schepping in de neusgaten blies en die hem zijn hoogste gave, de taal, doet spreken. Het dromen van een goddelijke interventie die Fortunatus’ writers block opheft, wordt in dit vers niet toegejuicht, en daarmee is de verwijzing naar de vleugels van de Heilige Geest in hoge mate ironisch.

In het bijbelboek Zefanja 2:9 worden de zoutgroeven genoemd waarin Sodom en Gomorra veranderden nadat God deze steden van verderf had gedoemd tot oorden van eeuwige verwoesting.

Pantokratisch is een aan het Grieks ontleend woord dat verwijst naar pantokrator, een benaming van God die het Al heeft geschapen.

Megalopods betekent ‘grootvoetigen’.

Vertaling:

Onder Sirius

Ja, dit zijn de hondsdagen Fortunatus:
De heide ligt kreupel en dood
Tegen de berg, de razende beekstroom
Kwijnt weg tot een siepelend draadje;
Roestig is de legionaire speer, stoppelig de kapitein,
Leeg het geleerde brein
Onder z’n ruime baret;
Hoezeer ook beneveld, de Sibille schenkt gratis
Een scheut met borrelklets.

En jijzelf, snipverkouden, je rekeningen onbetaald,
Gekweld door opkomend maagzuur,
Je luid aangeprezen epos nog niet begonnen,
Slapend tot het middaguur,
Jij lijdt ook vreselijk. Je hoopt de hele dag, zo zei je,
Dat een aardschok ons zal verblijden,
Of Troostervleugels zouden waaien
Om kerkers te ontsluiten en de wanordelijke
Toeloop te hertalen.

En vannacht, zei je, droomde je van die stralende blauwe morgen,
Met bloeiende meidoornhagen,
Als daar, in hun ivoren scheepjes, sereen,
De drie wijze Maria’s opdagen,
Ruisend door rimpelloos water, geloodst
Door zeepaard en vloeiende dolfijn;
Ah, hoe buldert het geschut,
Hoe klingelen de klokken, als Zij
Straks liefelijk landen op de verdorven kust.

‘t Is normaal om te hopen en vroom, uiteraard, te geloven
Dat alles uiteindelijk goed komt,
Maar allereerst, weet je nog,
Aldus voorzeggen de Heilige Boeken,
Wordt het bedorven fruit geschud; houdt jouw hoop stand
In het moment dat de opstandige vloedgolf,
Als het stil wordt, niemand het nog beseft,
Nog eer hij breekt en verzwelgt,
Zich boven de slapende stad verheft?

Hoe zou je kijken en wat zou je doen als de basalten
Graven der magiërs onder zouden gaan,
En hun megalopode wachters,
Kwamen zwijgend-hijgend achter je aan?
Wat zou je zeggen als uit hun pestilente bron
De onsterfelijke nymfen op zouden vliegen,
Luid piepend in de hemel rondom,
En het pantokratisch raadsel kraakt –
“Wie zijt gij en waarom?”

Want als in sierlijke reidans de bevrijden
Onder de appelbomen verdienstelijk dansen,
Zullen er ook zijn, Fortunatus,
Die treurden om hun kansen:
Broddelende schaduwen, morrend naast de zoutgroeven,
IJdel kwelend, hulpbehoevend,
Voor wie deze tussentijdse, doffe
Hondsdagen wel gekroond lijken met olijven,
En verguld met eigenlof.

Origineel:

Under Sirius

Yes, these are the dog-days, Fortunatus:
The heather lies limp and dead
On the mountain, the baltering torrent
Shrunk to a soodling thread;
Rusty the spears of the legion, unshaven its captain,
Vacant the scholar’s brain
Under his great hat,
Drug as she may the Sybil utters
A gush of table-chat.

And you yourself with a head-cold and upset stomach,
Lying in bed till noon
Your bills unpaid, your much advertised
Epic not yet begun,
Are a sufferer too. All day, you tell us, you wish
Some earthquake would astonish
Or the wind of the Comforter’s wing
Unlock the prisons and translate
The slipshod gathering.

And last night, you say, you dreamed of that bright blue morning,
The hawthorn hedges in bloom,
When, serene in their ivory vessels,
The three wise Maries come,
Sossing through seamless waters, piloted in
By sea-horse and fluent dolphin;
Ah! how the cannons roar,
How jocular the bells as They
Indulge the peccant shore.

It is natural to hope and pious, of course, to believe
That all in the end shall be well,
But first of all, remember,
So the Sacred Books foretell,
The rotten fruit shall be shaken. Would your hope make sense
If today were that moment of silence
Before it break and drown
When the insurrected eagre hangs
Over the sleeping town?

How will you look and what will you do when the basalt
Tombs of the sorcerers shatter
And their guardian megalopods
Come after you pitter-patter?
How will you answer when from their qualming spring
The immortal nymphs fly shrieking
Out of the open sky
The pantocratic riddle breaks-
“Who are you and why?”

For when in carol under the apple-trees
The reborn featly dance,
There will also, Fortunatus,
Be those who refused their chance,
Now pottering shades, querolous beside the salt-pits,
And mawkish in their wits
To whom these dull dog-days
Between event seem crowned with olive
And golden with self-praise.

 

Dek dit bed royaal – Emily Dickinson

Emily Dickinson (1830-1886) was een Amerikaans dichter. Ze stamde uit een aanzienlijke familie, was excentriek, leefde teruggetrokken, was angstig en nerveus. (Dat geldt voor veel meer mensen dan u misschien denkt.) De meeste gedichten die ze schreef zijn pas na haar dood gepubliceerd.

Dit gedicht werd in 1864 geschreven. De scène begint met het opmaken van een bed en eindigt in het pikkedonker. Het tafereel verandert in iets engs, iets afgrondelijks, iets fundamenteels, iets wat nog het meeste op een doodskist lijkt. Het klievende oordeel waarop wordt gewacht kan – uiteraard – van alles zijn: het oordeel over het leven zoals het is geleid, het oordeel over iets wat de hoofdpersoon heel graag wil: misschien liefde of erkenning of iets anders waartegen ze opziet.

Het vers had oorspronkelijk geen titel, maar ik vind – anders dan sommige moderne tekstbezorgers – dat hier pragmatische overwegingen de doorslag moeten geven boven principiële. Het is onhandig, onpraktisch en idealistisch om een gedicht geen titel te geven. (Hetzelfde geldt volgens mij – mutatis mutandis – voor het geheel weglaten van leestekens. Daar is – net als bij de atonale muziek – nog zelden of nooit iets goeds uit voortgekomen.)

In verschillende beschouwingen over dit vers lees ik dat het over de “duality of sex and death” gaat (hier bijvoorbeeld), of over de rol die “gender” speelt bij “a rather suversive death dance, in which the speaker is both the director of the scene and its addressed victimized female subject” (kijk maar eens hier). Een bed is natuurlijk een plek waar gevreeën en gestorven wordt, dat hoeft niemand Emily Dickinson – of wie dan ook – te vertellen, maar voor het overige lijken me deze beschouwingen weinig te verhelderen – om me kalm uit te drukken.

De vorm van dit vers is simpel, de toon is bezwerend.

Vertaling:

Dek dit bed royaal

Dek dit bed royaal.
Dek het toe met vrees;
Wacht er tot het oordeel klieft:
Raak, rechtvaardig, goed.

Laat het matras recht,
En het kussen gewelfd zijn;
Zorg dat het gele tumult van de zon
Dit fundament niet schendt.

Origineel:

Ample make this bed

Ample make this bed.
Make this bed with awe;
In it wait till judgment break
Excellent and fair.

Be its mattress straight,
Be its pillow round;
Let no sunrise’ yellow noise
Interrupt this ground.

 

De kunst bij uitstek – Elizabeth Bishop

Elizabeth Bishop (1911-1979) was een Amerikaans schrijfster van gedichten en korte verhalen. Het gedicht One Art, soms ook wel The Art of Losing genoemd, is een belangrijk gedicht in haar oeuvre.

Het verrassende van dit gedicht is dat het haast wel het tegendeel lijkt van wat in onze tijd gebruikelijk is: self-dramatizing, zielig doen, cultivering van vermeend slachtofferschap.

De vorm van dit gedicht is een villanelle, bestaande uit  vijf terzinen en een afsluitend kwatrijn met slechts twee rijmklanken. De eerste en de laatste regel van de eerste drieregelige strofe worden afwisselend als keerrijm in de volgende strofen herhaald.

Dit gedicht is voornamelijk geschreven in vijfvoetige jamben (pom-póm, pom-póm, pom-póm, pom-póm, pom-póm). Bij staand of mannelijk rijm (boot/stoot) zijn er dus tien lettergrepen; bij slepend of vrouwelijk rijm (boten/stoten) zijn er elf lettergrepen. Er zijn maar twee rijmklanken, wat het gedicht een enigszins monomaan en obstinaat karakter geeft.

Ik heb mij bij het aantal lettergrepen een paar vrijheden veroorloofd, omdat de natuurlijkheid van het gedicht er anders onder zou lijden. Datzelfde geldt voor de keus van de rijmwoorden en de keerrijmen, maar hier had de dichteres zichzelf ook al een paar vrijheden veroorloofd.

Zeer fraai is de climax van zaken die achtereenvolgens voor het onvermijdelijke verlies in aanmerking komen. Het begint eenvoudig: sleutels, uren, namen; het wordt dan absurd: huizen, rivieren, een continent; en dan komt de overtreffende trap van continent: de ‘jou’ van dit gedicht. Je kunt het leren – dapper voort!

Dit gedicht is vertaald op verzoek van Robbert Jan Bron (1966-).

Vertaling:

De kunst bij uitstek

Verliezen is een kunst die je kunt leren;
veel dingen lijken voorbestemd teloor te gaan,
en hun verlies zal niemand ernstig kunnen deren.

Blijf dagelijks verliezen. Aanvaard dat ze niet wederkeren:
verloren sleutels, uren die in rook zijn opgegaan.
Verliezen is een kunst die je kunt leren.

Verlies gewoon maar verder, en ten slotte eerder:
plaatsen, namen, waar wou je heen, waar kwam je aan?
Geen van die dingen kan ons werkelijk deren.

En toen was ma’s horloge weg. Kijk, mijn hoogvereerde
laatste, of een-na-laatste, huis (van drie) is heengegaan.
Verliezen is een kunst die je kunt leren.

Twee steden, zeer beminde, raakte ik kwijt. En, meer nog,
m’n rijken, twee rivieren, een continent heb ik al afgestaan.
Ik mis ze, maar het kan me nauwelijks deren.

—Zelfs als ik jou verliezen moest (je plagerige stem, een teer en
lief gebaar), blijf ik dit zeggen. Neem van mij aan:
Verliezen is heus een kunst die je kunt leren,
al lijkt het (schrijf maar op!) of het ons gruwelijk kan deren.

Origineel:

One Art

The art of losing isn’t hard to master;
so many things seem filled with the intent
to be lost that their loss is no disaster.

Lose something every day. Accept the fluster
of lost door keys, the hour badly spent.
The art of losing isn’t hard to master.

Then practice losing farther, losing faster:
places, and names, and where it was you meant
to travel. None of these will bring disaster.

I lost my mother’s watch. And look! my last, or
next-to-last, of three loved houses went.
The art of losing isn’t hard to master.

I lost two cities, lovely ones. And, vaster,
some realms I owned, two rivers, a continent.
I miss them, but it wasn’t a disaster.

—Even losing you (the joking voice, a gesture
I love) I shan’t have lied. It’s evident
the art of losing’s not too hard to master
though it may look like (Write it!) like disaster.

Tijdsovergang – Christian Wiman

De Amerikaanse dichter Christian Wiman lijdt aan een progressieve, ongeneeslijke ziekte. Het gedicht From one Time bevat de uitdrukking die de titel leverde van het door Willem Jan Otten vertaalde boek My Bright Abyss: Mijn heldere afgrond.

Omdat de auteur een tastende christen is (alle christenen zijn uiteraard bekrompen minkukels, bigotte letterlijkheidsaanbidders), zullen de hippe vogels die vandaag de dag in de meeste media de dienst uitmaken, ongetwijfeld smalend reageren of hun schouders ophalen. Ten onrechte.

From one Time is een ontroerend vers waaruit oneindig meer beschaving spreekt dan de liedjes van de narcistische nobelprijswinnaar en eeuwige adolescent Bob Dylan.

De vertaling van de titel is nogal vrij. Het kan misschien beter.

Vertaling:

Tijdsovergang

Maar de wereld is eerder toevlucht
dan zekerheid, vaker troost en schuilplaats
voor de weigerende wil, dan een scherpomlijnd,
ragfijn moment waarin Gods wezen zich brandt
in het onze. Ik zeg God en bedoel meer dan
de heldere afgrond die zich opent in dat woord.
Ik zeg wereld en bedoel minder
dan de abstracte vergetelheid der atomen,
waaruit elk werkend ding tevoorschijn komt,
waartoe elk werkend ding uiteindelijk wederkeert.
Ik weet niet hoe ik nader kan komen tot God
dan door daar te zijn waar de wereld eindigt
voor een enkel mens. Het is nog donker,
en ik luister nu al al een uur
naar de ademhaling van de vrouw die ik meer liefheb
dan ik liefhebben kan. Ik prijs de pijn
die ons deed samengloeien, het verdriet
dat haar, als God het wil, zal sparen, waaraan zij ooit weer
zal ontgroeien. En ik prijs het licht dat nog niet
daar is, de zonsopgang waarin reeds een vogel gelooft,
die roept, niet alsof de nacht niet bestaat,
maar alsof hij er altijd geweest is, in welke nacht dan ook.

Origineel:

From One Time

But the world is more often refuge
than evidence, comfort and covert
for the flinching will, rather than the sharp
particulate instants through which God’s being burns
into ours. I say God and mean more
than the bright abyss that opens in that word.
I say world and mean less
than the abstract oblivion of atoms
out of which every intact thing emerges,
into which every intact thing finally goes.
I do not know how to come closer to God
except by standing where a world is ending
for one man. It is still dark,
and for an hour I have listened
to the breathing of the woman I love beyond
my ability to love. Praise to the pain
scalding us toward each other, the grief
beyond which, please God, she will live
and thrive. And praise to the light that is not
yet, the dawn in which one bird believes,
crying not as if there had been no night
but as if there were no night in which it had not been.

Het wordt donker – Christian Wiman

Christian Wiman is een Amerikaans dichter. Hij werd geboren in Texas. Wiman lijdt aan een betrekkelijk zeldzame vorm van beenmergkanker. Zijn boek My Bright Abyss: Meditation of a Modern Believer, is in het Nederlands vertaald door Willem Jan Otten.

Stevo Akkerman schreef in het dagblad Trouw een sympathieke column over dit boek. Willem Jan Otten schreef een verhelderend essay in Trouw.

Wiman is, anders dan veel schrijvers met een christelijke boodschap, zeker geen kwezel; hij spreekt als modern gelovige een modern publiek aan op een moderne manier. Hij weet daarbij christelijke valkuilen te vermijden.

(Excursie: Kwezels zijn mensen die hun herderlijke bekommernissen – bekommernissen die heel vaak terecht zijn en die in de persoonlijke of intieme sfeer ook zeker tot hun recht kunnen komen – vrijelijk distribueren in het publieke domein. In het publieke domein ontmoetten die bekommernissen echter – meestal terecht – onverschilligheid en hoon.)

In dit gedicht wordt het invallen van de duisternis beschreven. De dichter verbindt daaraan – uiteraard – bespiegelingen.

In de eerste strofe doen schaduwen hun intrede, met een zeer fraaie herhaling van ‘house’ en ‘shape’. Dit neemt zelfs de vorm aan van rime riche (een rijmwoord dat wordt herhaald). Herhalingen zijn sowieso van bijzonder belang in dit gedicht: house/shape/things.

In de tweede strofe wordt opgeroepen wat er daadwerkelijk gebeurt als de dood acte de présence geeft.

De derde strofe beschrijft hoe de dood te werk gaat: eerst het inwendige, dan de rest.

De vierde strofe is een teken van triomf: de dood produceert juichende kinderen.

Vertaling:

Het wordt donker

Een schaduw in de vorm van een huis
glijdt tevoorschijn uit een huis
en verliest zijn vorm op het gras.

Bomen zoeken elkaar
als de stervende wind in hun binnenste verstilt.

Het wordt eerst donker binnenin de dingen;
en ’t gaat nog door nadat de dingen zijn verdwenen.

Zorgeloos op blote voeten achterin de tuin
worden kinderen één met hun gegil.

Origineel:

Darkness Starts

A shadow in the shape of a house
slides out of a house
and loses its shape on the lawn.

Trees seek each other
as the wind within them dies.

Darkness starts inside of things
but keeps on going when the things are gone.

Barefoot careless in the farthest parts of the yard
children become their cries.

Het speelpaardje – Valentin Iremonger

Valentin Iremonger (1918-1991) was een Iers diplomaat en dichter.

Zeer kortstondig – een paar dagen – ben ik lid geweest van een Facebook-groep: Vertaalwedstrijd. Ik ergerde me vrij snel aan de discussies die ik daar geacht werd te voeren. Ik heb één vers vertaald dat buiten mededinging is geplaatst. Ik had al een paar ingezonden vertalingen gezien voordat ik de mijne klaar had.

Het hier geplaatste gedicht wijkt op een paar plaatsen af van het gedicht dat op Facebook staat.

Het vers is niet zonder charme, maar het is niet erg moeilijk en voor mijn gevoel ook niet erg bijzonder.

Vertaling:

Het speelpaardje

Toen ik klein was, stal iemand mijn speelpaardje,
Waarmee ik ’s ochtends ravotte, verrukt als een echte man.
Twee dagen rouwde ik, mijn leed als bloemen schikkend
Tussen de tralies van mijn nors en boos gemoed.

Toen ging ik op pad met een grimmig hart,
Grimmig voorhoofd, vingers die grimmig tintelden,
Op zoek naar mijn vijand, verschanst in zijn vesting,
Tot ik hem vond, spelend in zijn tuin

Met mijn speelpaardje, opgaand in de strijd
Tegen z’n vijanden in het rijk waar de Rede niet gold:
Zo gelukkig was hij, dat ik hem ook mijn felgekleurde krijtjes
En mijn grote glazen stuiter schonk.

Vertaling:

The Toy Horse

Somebody, when I was young, stole my toy horse,
The charm of my morning romps, my man’s delight.
For two days I grieved, holding my sorrow like flowers
Between the bars of my sullen angry mind.

Next day I went out with evil in my heart,
Evil between my eyes and at the tips of my hands,
Looking for my enemy at the armed stations,
Until I found him, playing in his garden

With my toy horse, urgent in the battle
Against the enemies of his Unreason’s land:
He was so happy, I gave him also
My vivid coloured crayons and my big glass marble.