Categorie archief: Poëzievertaling

Golven kijken – R.S. Thomas

R.S. Thomas in a Welsh landscape seen on the back

R.S. Thomas kijkt uit over zee

Ronald Stuart Thomas (1913-2000) was een Welshe dichter die ook in Wales woonde en werkte als een Anglicaans priester. Hij was een groot natuurliefhebber, had een vrij vergaande afkeer van moderne zaken die hij vond afleiden van waar het in het leven echt om ging, en hij schreef in het Engels.

Een aardige bespreking door Theodore Dalrymple van zijn biografie – Byron Rogers, The Man Who Went into the West: The Life of R. S. Thomas, Aurum Press – vindt u hier.

Hij was een merkwaardige, eenzelvige figuur die prachtige gedichten schreef, getrouwd was met de schilder Mildred (Elsi) Eldridge, aan wie hij een paar fraaie gedichten heeft gewijd – zie elders op dit blog (bereikbaar via het menu op de hoofdpagina, onder de naam R.S. Thomas).

Kingsley Amis – zeker geen geestverwant – schreef dat zijn poëzie “reduces most modern verse to footling whimsy” (=triviale gekkigheid). Hij is in Nederland niet zeer bekend. John Betjeman meende dat Thomas’ poëzie nog gelezen zou worden lang nadat zijn gedichten zouden zijn vergeten.

Het gedicht Sea-watching is een karakteristiek gedicht in Thomas’ oeuvre: bidden, afwezigheid, zee, vogels. Thomas was een vogelaar. In dit gedicht kijkt hij uit over de zee – het lijkt een terugkeer te betreffen. Zijn ogen zoeken vergeefs naar de vogel die zich niet vertoont. De schoonheid van dit alles is zo overweldigend dat de afwezigheid van de vogel er bijna niet meer toe doet. Het gedicht behandelt hiermee het thema van de Via Negativa op een gedempte manier: zie elders op dit blog.

De titel luidt dan ook Sea -watching en geen ‘Bird-watching’, Golven kijken en geen ‘Vogels kijken’.

Het gedicht is opgenomen in de bundel Laboratories of the Spirit, uitgegeven bij Macmillan in Londen (1976).

(Met dank aan deze dichter en Twitter-collega voor het aanreiken van de vertaling van ‘omwoond’ voor ‘habited’.)

Vertaling:

Golven kijken

Grijze wateren, uitgestrekt
                               als de gebedscontreien
die je betreedt. Dagelijks,
                               gedurende een aantal jaren,
liet ik het oog erop rusten.
Was er iets waarop ik wachtte?
                               Niets gebeurde
behalve dat onophoudelijke aanrollen
                               van doelloze
golven.
                               Ah, maar een vogel die je haast nooit ziet,
zie je haast nooit. Hij komt pas
als je niet kijkt, op een moment
                              dat je er niet bent.
Je moet je ogen verslijten,
zoals een ander zijn knieën.
                               Ik werd de kluizenaar
van de rotsen, omwoond door de wind
en de mist. Er waren dagen –
zo prachtig was de leegte
die hij had kunnen vullen –
                              dat z’n afwezigheid
was als z’n aanwezigheid; zo onlosmakelijk
zijn die twee, dat in mijn verwoede geest,
na het lange vasten,
                              mijn kijken met bidden versmolt.

Origineel:

Sea-watching

Grey waters, vast
                              as an area of prayer
that one enters. Daily
                              over a period of years
I have let the eye rest on them.
Was I waiting for something?
                              Nothing
but that continuous waving
                              that is without meaning
occurred.
                              Ah, but a rare bird is
rare. It is when one is not looking
at times one is not there
                              that it comes.
You must wear your eyes out,
as others their knees.
                              I became the hermit
of the rocks, habited with the wind
and the mist. There were days,
so beautiful the emptiness
it might have filled,
                              its absence
was as its presence; not to be told
any more, so single my mind
after its long fast,
                              my watching from praying.

De Elfenkoningin (Proloog Boek 2) – Edmund Spenser

Edmund Spenser (1552/1553 – 1599) was een Engels protestants dichter uit de zestiende eeuw. Hij was ruim tien jaar ouder dan Shakespeare (1564-1616), en ze waren dus tijdgenoten. Beiden waren jonger dan ik nu ben (geb. 1964) toen ze stierven.

Maar voor hun poëzie geldt misschien wel een tweetal regels van Ida Gerhardt, ontleend aan Twee Uur, de klokken antwoordden elkaar:

… wat ontsprong aan hun verwondering
en stralend de millennia doorscheen

Spensers bekendste werk is The Faerie Queene. Dat is een episch gedicht dat heldenverhalen vertelt, en het is ook een allegorisch gedicht waarin gepersonifieerde begrippen worden opgevoerd. The Faerie Queene is één van de langste gedichten in het Engelse taalgebied.

Een Faerie Queene is een elfenkoningin, een feeënkoningin, een koningin van sprookjesland. Het lange gedicht is opgedragen aan Elizabeth I, en kan ook gelezen worden als een eerbetoon aan de vorstin, naast de allegorische uitbeelding van een flink aantal ridderlijke deugden.

In 1590 kwamen de eerste drie boeken van The Faerie Queene uit, en in 1596 opnieuw drie boeken. Het voornemen lijkt te zijn geweest twaalf boeken te laten verschijnen, maar we beschikken alleen over de eerste zes.

Het vertaalde gedicht is een proloog die tevens een opdracht is aan Elizabeth I. De proloog gaat vooraf aan de tekst van Boek 2 waarin de avonturen van Sir Guyon worden verteld, een ridder die de deugd van de zelfbeheersing, de matiging, de discipline belichaamt.

Het gedicht heeft vijf strofen die geschreven zijn in een vorm die de ‘Spenserian Stanza‘ wordt genoemd: een strofevorm met negen regels, geschreven in jambische vijfvoeten, met een alexandrijn (een jambische zesvoet met een cesuur) als afsluitende slotzin. Het rijmschema is heel strak: ababbcbcc.

De aanleiding voor deze vertaling is het verhelderende voorwoord dat de C.S. Lewis-vertaler Arend Smilde heeft geschreven bij de vertaling van Of This and Other Worlds (1982), een boek van Lewis dat in de nabije toekomst in Nederlandse vertaling verschijnt onder de titel Andere Werelden en de onze. In dat voorwoord laat Smilde het verband zien tussen Lewis’ christelijke geloof en diens geloof in de literaire verbeeldingskracht. De titel van die Lewis-bundel lijkt een toespeling te bevatten op een zinsnede uit de derde strofe van het onderhavige gedicht (regel 7/8):

What if in euery other starre vnseene
Of other worldes he happily should heare?

Uiteindelijk heeft Smilde mijn vertaling niet gebruikt, maar hij heeft wel grondig en waardevol commentaar geleverd op mijn vertaling toen deze nog niet helemaal af was, waardoor het resultaat zeer is verbeterd, waarvoor veel dank. Uiteraard ben ik zelf geheel verantwoordelijk voor alle vertaalfouten die het gedicht mogelijk nog bevat.

De eerste vier strofen zijn eerder vertaald door Christine D’Haen en werden aangeboden aan koningin Beatrix en koningin Fabiola ter gelegenheid van Beatrix’ bezoek aan België in 1981.

Hier vindt u de geannoteerde tekst van het gedicht.

Vertaling:

De Elfenkoningin – proloog Boek 2

Ik weet heel goed, doorluchte soeverein,
dat heel deez’ roemrijke geschiedenis
het schuim lijkt van een ijdel brein,
verzinsel slechts, een bron van ergernis,
in plaats van raak herleefde heugenis,
want geen die adem heeft, heeft weet
waar toch dat fraaie elfenland wel is,
dat ik zo blij bezing, ´t ontglipt ons steeds
tenzij men tijd met ijle oudheden verdeed.

Maar laat ons het verstand als leidraad nemen,
veel van het aardrijk is nog niet ontdekt:
haast dagelijks wordt door vlijtig ondernemen,
besef van nieuwe streken opgewekt,
tot nu toe onvermoed, of hoogst suspect.
Wie had voorheen iets van Peru vernomen?
Welk dapper schip had een gegist bestek
der grote Amazone, met haar zomen?
Of van Virginia, welks vruchten tot ons komen?

Dit al bestond reeds – niemand die het wist,
en ’t bleef de knapste eeuwen onbekend:
een later tijd kent nieuwe zaken, onbetwist.
Waarom ontkennen als je nog onwetend bent,
slechts prijzen wat je uit aanschouwing kent?
Wat schuilt er in de lichtkring van de maan?
Wat als ‘n vreemde ster een boodschap zendt
van nieuwe oorden? – je zou perplex staan,
en je verwonderen – er zijn er die ’t verstaan.

Over dat elfenland kun je misschien
nog tekens vinden die jou vroeg of laat
een tipje geven. Mocht je ‘t niet doorzien,
besef dat speurzin bot kan zijn, inadequaat,
en volg het fijne spoor van rijm en maat.
Dan zult gij toch, o schone hemelkoningin,
in deze klare spiegel schouwen uw gelaat,
zoals uw rijk aan ‘t elfenland ontspringt,
uw voorgeslacht zich in dit oude beeld bevindt.

Een beeld dat ik, vergeef me, op zal bouwen,
gehuld in sluiers, vol van schaduwtonen,
zodat uw glorie zich durft te ontvouwen,
die anders zich niet makk’lijk zou vertonen,
verblinding treft wie schittering aanschouwen.
Vergeef me, en verleen aandachtig oor
aan ‘t avontuur dat Guyon zal bekronen,
met elfendapperheid, en tussendoor
vindt ook de schone deugd der Matiging gehoor.

Origineel:

The Faerie Queene (Book 2, Prologue)

Right well I wote most mighty Soueraine,
That all this famous antique history,
Of some th’aboundance of an idle braine
Will iudged be, and painted forgery
Rather than matter of iust memory,
Sith none, that breatheth liuing aire, does know,
Where is that happy land of Faery,
Which I so much do vaunt, yet no where show,
But vouch antiquities, which nobody can know.

But let that man with better sence aduize,
That of the world least part to vs is red:
And dayly how through hardy enterprize,
Many great Regions are discouered,
Which to late age were neuer mentioned.
Who euer heard of th’Indian Peru?
Or who in venturous vessell measured
The Amazons huge riuer now found trew?
Or fruitfullest Virginia who did euer vew?

Yet all these were, when no man did them know;
Yet haue from wisest ages hidden beene:
And later times things more vnknowne shall show.
Why then should witlesse man so much misweene
That nothing is, but that which he hath seene?
What of within the Moones faire shining spheare?
What if in euery other starre vnseene
Of other worldes he happily should heare?
He wonder would much more: yet such to some appeare.

Of Faerie lond yet if he more inquire,
By certaine signes here set in sundry place
He may it find; ne let him then admire,
But yield his sence to be too blunt and bace,
That no’te without an hound fine footing trace.
And thou, O fairest Princesse vnder sky,
In this faire mirrhour maist behold thy face,
And thine owne realmes in lond of Faery,
And in this antique Image thy great auncestry.

The which O pardon me thus to enfold
In couert vele, and wrap in shadowes light,
That feeble eyes your glory may behold,
Which else could not endure those beames bright
But would be dazled by exceeding light.
O pardon, and vouchsafe with patient eare
The braue aduentures of this Faery knight
The good Sir Guyon gratiously to heare,
In whom great rule of Temp’raunce goodly doth appeare.

De berg – Elizabeth Bishop

elizabeth-bishop 1

Elizabet Bishop (Bron: The Library of America)

Elizabeth Bishop (1911-1979) was een Amerikaans schrijfster van gedichten en korte verhalen.

Het gedicht One Art, in het verleden door mij vertaald als De kunst bij uitstek (elders op dit kleine blog raadpleegbaar), is een bekend gedicht in haar oeuvre.

Ze heeft weinig gemeen met de Confessional Poets, tijdgenoten die erg openhartig waren over hun persoonlijk leven, en die details daarvan openlijk gebruikten in hun poëzie. Ze was daar terughoudend mee, en ze was, hoewel ze de feministische zaak zeker was toegedaan, onwillig om met nadruk te worden bejegend als de lesbische vrouw die ze was, bijvoorbeeld in door feministen samengestelde bloemlezingen.

Er zijn tijdens haar leven niet veel meer dan honderd gedichten gepubliceerd. Ze cultiveerde een objectieve dichtstijl, die rijk is aan details, en haar gedichten zijn zeer evocatief. Het effect ontlenen ze mede aan de sterke emotie die schemert door die uiterlijke objectiviteit heen.

Het artikel van Bridget Read, ‘The Powerful Reticence of Elizabeth Bishop‘, The New Republic, 9 juni 2017, is een goede eerste kennismaking met Elizabeth Bishop. (Het onderschrift bij de openingsfoto van dat artikel is misleidend. De fotograaf is haar toenmalige levenspartner Alice Methfessel, en de afgebeelde persoon is Elizabeth Bishop op latere leeftijd.)

Fraai citaat uit dit artikel:

She sought to tap into “the surrealism of everyday life, unexpected moments of empathy” in order to produce something universal, whole. She had felt most of her life that she was at odds with the world around her, and that poetry was her salve. Verse could break into the essential, crack open “the horrible and terrible world,” which had given her such pain. Why bring reality back in?

The Mountain lijkt enigszins op een villanelle, een strenge dichtvorm, al voldoet dit gedicht zeker niet aan alle eisen van die vorm. De openingsstrofe opent bijvoorbeeld niet met de keerregels in de eerste en derde regel, zoals gebruikelijk. Er zijn ook meer strofen. Alle strofen zijn vierregelig, in plaats van meestentijds drieregelig. Er is geen noemenswaardig rijm.

Het gedicht kent dramatiek. Er komt een berg aan het woord bij het vallen van de avond. Deze vertelt hoe het overdag is. En ten slotte wordt het donker en valt de nacht. En steeds de herhaalde dramatische mededeling: ik weet mijn leeftijd niet, en de herhaalde vraag: zeg me hoe oud ik ben.

De stem van het gedicht is die van de berg, en de berg personifieert natuurlijk de dichter, of de mens in het algemeen, iemand met misschien een onverwoestbare kern, maar die ook onderworpen is aan de nacht, zoals wij allemaal.

Vertaling:

De berg

’s Avonds, er doemt wat achter me.
Ik kom in beweging, ik krimp ineen,
of houd moeizaam stil en brand.
Ik weet mijn leeftijd niet.

‘s Morgens is alles anders.
Een boek ligt open voor mij,
al te dichtbij om fijn te lezen.
Zeg me hoe oud ik ben.

En dan vult zich het dal
Met een potdichte mist
Als een katoenprop in mijn oor.
Ik weet mijn leeftijd niet.

Niet dat ik klagen wil.
Ze zeggen ‘t ligt aan mij.
Niemand vertelt me iets.
Zeg me hoe oud ik ben.

De scherpste scheidslijn
loopt langzaam uit en wijkt
als een verwelkte tattoo.
Ik weet mijn leeftijd niet.

Een schaduw valt; licht stijgt.
Klauterende lichtjes, oh jeugd,
nooit ben je hier lang genoeg!
Zeg me hoe oud ik ben.

Een steenkam zeefde hier
met tanden de versteende veren.
De klauwen gingen toen teloor.
Ik weet mijn leeftijd niet.

Ik word steeds dover. Vogelroep
sijpelt nog voort, en de waterval
wordt niet gewist. Mijn leeftijd?
Zeg me hoe oud ik ben.

Tijd voor de maan om te hangen,
voor sterren om te vliegeren.
Ik wil mijn leeftijd weten.
Zeg me hoe oud ik ben.

Origineel:

The Mountain

At evening, something behind me.
I start for a second, I blench,
or staggeringly halt and burn.
I do not know my age.

In the morning it is different.
An open book confronts me,
too close to read in comfort.
Tell me how old I am.

And then the valleys stuff
impenetrable mists
like cotton in my ears.
I do not know my age.

I do not mean to complain.
They say it is my fault.
Nobody tells me anything.
Tell me how old I am.

The deepest demarcation
can slowly spread and sink
like any blurred tattoo.
I do not know my age.

Shadows fall down; lights climb.
Clambering lights, oh children!
You never stay long enough.
Tell me how old I am.

Stone wings have sifted here
with feathers hardening feathers.
The claws are lost somewhere.
I do not know my age.

I am growing deaf. Bird-calls
dribble and the waterfalls
go unwiped. What is my age?
Tell me how old I am.

Let the moon go hang,
the stars go fly their kites.
I want to know my age.
Tell me how old I am.

Rauw – R.S. Thomas

r.-s.-thomas-4da1a5eab4f6b_360x225

R.S. Thomas

Ronald Stuart Thomas (1913-2000) was een Welshe dichter die ook in Wales woonde en werkte als een Anglicaans priester. Hij was een groot natuurliefhebber, had een vrij vergaande afkeer van moderne zaken die hij vond afleiden van waar het in het leven echt om ging, en hij schreef in het Engels.

Een aardige bespreking door Theodore Dalrymple van zijn biografie – Byron Rogers, The Man Who Went into the West: The Life of R. S. Thomas, Aurum Press – vindt u hier.

Hij was een merkwaardige, eenzelvige figuur die prachtige gedichten schreef, getrouwd was met de schilder Mildred (Elsi) Eldridge, aan wie hij een paar fraaie gedichten heeft gewijd – zie elders op dit blog (bereikbaar via het menu op de hoofdpagina, onder de naam R.S. Thomas).

Kingsley Amis – zeker geen geestverwant – schreef dat zijn poëzie “reduces most other modern verse to footling whimsy” (=triviale gekkigheid). Hij is in Nederland niet zeer bekend. John Betjeman meende dat Thomas’ poëzie nog gelezen zou worden lang nadat zijn gedichten zouden zijn vergeten.

Ik heb op dit kleine blog al aardig wat vertalingen gepubliceerd. De twee dichters van wie ik het meeste heb vertaald zijn W.H. Auden en R.S. Thomas. Joseph Brodsky zei ooit van Auden – de dichter van wie hij het meeste hield – dat ‘godsdienstwaanzin’ een aandoening was waarvan Auden niet geheel vrij was. Als dat waar is – en het is waar, als je dat ‘waanzin’ niet al te letterlijk neemt – geldt het ook voor Thomas. En ook voor de vertaler wiens stukje u nu aan het lezen bent.

Het gedicht Rough is een heel merkwaardig, hard, sardonisch gedicht. Het beschrijft een schepper-god die zijn malicieuze grillen volgt en die de bedenker lijkt te zijn van een leven dat slechts gruwelijke hindernissen voor mens en dier oplevert en een akelige dood ten gevolge heeft. Van liefde en mededogen lijkt geen sprake. Aan het eind blijkt God een wezen te zijn dat bulderend lacht, met een steek in zijn zij tot gevolg, een steek die iemand verbeeldt die in de christelijke traditie Gods zoon genoemd wordt, namelijk Jezus.

De steek in de zij van de lachende God verwijst niet alleen naar de bulderlach, maar ook naar het verhaal van de kruisiging in het evangelie: toen Jezus aan het kruis was gestorven werd een steek in zijn zij toegebracht door soldaten om daarmee vast te kunnen stellen dat hij inderdaad niet meer leefde. De boosaardige schepper-god blijkt daarmee over een van de kruiswonden, de stigmata, te beschikken, en leeft verrassenderwijs voort als een gekruisigde, terwijl Jezus in de vorm van het stigma opduikt.

Dat we hier ver verwijderd zijn van vroompraterij, is wel duidelijk.

De kale tekst en de sardonisch gecomponeerde voorstellingswereld zijn typerend voor een aantal Thomas-gedichten, en ze sorteren een sterk effect bij de lezer.

Het gedicht verscheen in zijn bundel Laboratories of the Spirit, en het is opgenomen in zijn Collected Poems: 1945-1990.

(Ik heb twee suggesties overgenomen en enkele aanpassingen gedaan n.a.v. het scherpe commentaar van Twitter-collega Breinbaas, onder dank!)

Vertaling:

Rauw

God keek naar de arend die keek naar
de wolf die spiedde naar de haas
die graasde in het gras, groen en golvend
als Gods baard. Hij deed een stapje terug;
het was perfect, een zelfregulerende machine
van bloed en faeces. Een ding ontbrak nog:
hij scheidde in zeewater een vage nabootsing
af van zichzelf, blies er lucht in, en liet
de rode bloedlichaampjes wervelen. Het schepsel
liet daarop al gauw de arend, de wolf en
de haas smeken om genade. Alleen het gras
bood weerstand. Dat diende om zijn verbeelding
te verhitten. God nam een handvol ziektekiemen,
die hij zaaide in het malse vlees. Zeer opmerkelijk
was de oogst: de ledematen vormden een obscene
vraag, het hoofd zwol op, uit de ogen kwamen
tranen van pus. Er was een geluid als van de
donder, de luide, onbedaarlijke lach van
God, met een steek in zijn zij tot gevolg, Jezus.

Origineel:

Rough

God looked at the eagle that looked at
the wolf that watched the jack-rabbit
cropping the grass, green and curling
as God’s beard. He stepped back;
it was perfect, a self-regulating machine
of blood and faeces. One thing was missing:
he skimmed off a faint reflection of himself
in sea-water; breathed air into it,
and set the red corpuscles whirling. It was not long
before the creature had the eagle, the wolf and
the jack-rabbit squealing for mercy. Only the grass
resisted. It used it to warm its imagination
by. God took a handful of small germs,
sowing them in the smooth flesh. It was curious,
the harvest: the limbs modelled an obscene
question, the head swelled, out of the eyes came
tears of pus. There was the sound
of thunder, the loud, uncontrollable laughter of
God, and in his side like an incurred stitch, Jesus.

Toen te leven – R.S. Thomas

Ronald Stuart Thomas - Cottage

R.S. Thomas

Ronald Stuart Thomas was een Welshe dichter-dominee die in het Engels schreef en getrouwd was met de fijnzinnige schilder Mildred Eldridge. Hij had samen met zijn vrouw één zoon.

Thomas was een man die het moderne leven voor een groot deel beschouwde als een dwaling, als een miskenning van het centrale levensthema, als minachting voor datgene waar het werkelijk op aan kwam, namelijk het volgen van het liefdegebod en het met aandacht en verwondering opgaan in de ongelooflijke rijkdom van al het geschapene. Hij preekte en gedroeg zich heel onalledaags, en hij ontpopte zich ook wel eens als een fanatieke Welshe nationalist.

Ik vermoed sterk dat de neiging binnen delen van de Nederlandse christenheid om zich conservatief te noemen, samenhangt met de afkeer van de moderniteit die ook voor R.S. Thomas zo opvallend aanwezig was.

Een goede introductie tot deze dichter wordt gevormd door deze bespreking van zijn biografie: A Man out of Time, door Theodore Dalrymple, niet toevallig ook zelf een uitgesproken conservatief.

Zo geformuleerd zullen veel mensen misschien denken dat ze zijn werk met een gerust hart ongelezen kunnen laten, maar dan zouden ze zichzelf toch te kort doen. Vergeleken met zijn gedichten doet veel moderne poëzie aan als “triviale gekkigheid” (footling whimsy), zei Kingsley Amis, en John Betjeman meende dat Thomas nog gelezen zou worden lang nadat zijn eigen werk al in de vergetelheid zou zijn verzonken.

Het onderhavige gedicht behandelt het centrale thema van Thomas expliciet.

Het is een betrekkelijk vrij gedicht, modern van vorm, vol ingehouden spot, en met een zware, het gehele gedicht doortrekkende ernst.

The lips of time zijn misschien een stille verwijzing naar het gedicht The force that through the green fuse drives the flower (1934) van Dylan Thomas:

The lips of time leech to the fountain head;
Love drips and gathers, but the fallen blood
Shall calm her sores.

Bron van het gedicht: R.S. Thomas, Counterpoint – A.D. p. 44, Bloodaxe Books 1990.

Vertaling:

Toen te leven

Toen te leven
was beseffen hoe onmisbaar
het gebed was, hoe onmogelijk.

Geweldig werk deden ze, de filosofen,
de vloer aanvegend met verklaringen
waarin niemand ooit geloofde.

We dreven weg in de ruimte-
tijd, vasthoudend aan het voorgoed
onbereikbare dat we hadden achtergelaten.

Tersluiks wegkijkend, repeteerden we
de smoesjes voor de tekortkomingen
van het rijk der liefde.

Omsingeld als we waren door
wetenschappelijke wegwijzers, snikten we
vergeefs dat we het spoor bijster waren.

We zijn er nog. Welke band
heeft voortbestaan met
zin en betekenis? Het antwoord was ooit

het lied van het gebeente op de lippen
van de tijd. Beide laten we nu
tot as vergaan in het crematorium van de geest.

Origineel:

To be alive then

To be alive then
was to be aware how necessary
prayer was and impossible.

The philosophers had done
their work well, demolishing
proofs we never believed in.

We were drifting in space –
time, in touch with what we had
left and could not return to.

We rehearsed the excuses
for the deficiencies of love’s
kingdom, avoiding our eyebeams.

Beset, as we were,
with science’s signposts, we whimpered
to no purpose that we were lost.

We are here still. What
is survival’s relationship
with meaning? The answer once

was the bone’s music at the lips
of time. We are incinerating
them both now in the mind’s crematorium.

Liefdeslied van een dwaas meisje – Sylvia Plath

Sylvia Plath (1932-1963) was een Amerikaanse dichter en schrijver van romans en korte verhalen. Ze trouwde met de dichter Ted Hughes (1930-1998) en kreeg twee kinderen met hem. Sylvia Plath leed haar hele leven onder depressies. Haar worsteling daarmee heeft ze vormgegeven in de roman The Bell Jar. Ze maakte in 1963 zelf een eind aan haar leven.

Het gedicht Mad Girl’s Love Song is een bekend gedicht in haar oeuvre. Plath beschouwde het zelf als een van haar beste gedichten.

Het gedicht is een villanelle: er zijn zes strofen, vijf drieregelige strofen en een vierregelige slotstrofe. De eerste en de derde regel keren afwisselend als keerregels terug in de volgende strofen. De slotregels van de slotstrofe zijn de beide keerregels. Een villanelle heeft twee rijmklanken. In dit geval is Sylvia Plath daar enigszins vrij mee omgesprongen: ze gebruikte soms halfrijmen. Die vrijheid heeft deze vertaler ook genomen.

Veel toelichting heeft dit gedicht niet nodig. Door de ogen te sluiten kun je de wereld en je angsten laten verdwijnen, en kun je ook dingen oproepen. Maar het heeft wel een prijs: de dingen keren terug als je je ogen open doet, de dromen verdwijnen, en de liefde die je met je ogen dicht oproept, biedt geen wederliefde.

Serafiem zijn zesvleugelige tempelwezens – een soort engelen.

Ik heb Sylvia Plath altijd een beetje een drama queen gevonden, en eigenlijk vind ik dat nog wel. Maar ik houd me momenteel bezig met de villanelle, en ik vond dit gedicht toch wel heel goed gedaan.

Vertaling:

Liefdeslied van een dwaas meisje

“Mijn ogen toe, en al wat is valt dood;
Ik sla ze op, en alles doet weer mee.
(Je bent er vast alleen maar in mijn hoofd.)

De sterren walsen nu in blauw en rood,
En zwartheid doet nu lukraak mee;
Mijn ogen toe, en al wat is valt dood.

Ik ben behekst – je hebt me in je bed genood,
Je wiegde me in maanlicht, gulzig en extreem.
(Je bent er vast alleen maar in mijn hoofd.)

God tuimelt uit de lucht, en hellevuur dat dooft:
Exit de serafiem, de duivelen gaan heen:
Mijn ogen toe, en al wat is valt dood.

Ik hoopte dat je kwam, zoals je had beloofd;
Zo oud ben ik, dat ik je naam niet langer weet.
(Je bent er vast alleen maar in mijn hoofd.)

Had ik maar in mijn dondervogeltje geloofd;
Dat brult ten minste in het voorjaar nog voor twee.
Mijn ogen toe, en al wat is valt dood.
(Je bent er vast alleen maar in mijn hoofd.)”

Origineel:

Mad Girl’s Love Song

“I shut my eyes and all the world drops dead;
I lift my lids and all is born again.
(I think I made you up inside my head.)

The stars go waltzing out in blue and red,
And arbitrary blackness gallops in:
I shut my eyes and all the world drops dead.

I dreamed that you bewitched me into bed
And sung me moon-struck, kissed me quite insane.
(I think I made you up inside my head.)

God topples from the sky, hell’s fires fade:
Exit seraphim and Satan’s men:
I shut my eyes and all the world drops dead.

I fancied you’d return the way you said,
But I grow old and I forget your name.
(I think I made you up inside my head.)

I should have loved a thunderbird instead;
At least when spring comes they roar back again.
I shut my eyes and all the world drops dead.
(I think I made you up inside my head.)”

Als ik het zeggen kon – W.H. Auden

De dichter Wystan Hugh Auden (1907-1973) is een van de grootste twintigste-eeuwse dichters in het Engelse taalgebied. Hij stamde uit een anglicaans middle class milieu, studeerde in Oxford, werd al snel de centrale figuur van een groep dichters in de jaren dertig – Louis MacNeice, Stephen Spender, Christopher Isherwood, John Betjeman – was zich al vroeg bewust van zijn dichterlijke roeping, gebruikte Freud in zijn beginjaren, Marx in de jaren die erop volgden, en keerde op middelbare leeftijd terug naar de christelijke levensovertuiging die hij al van kindsbeen aan kende.

Het gedicht If I could tell you is een van de bekendste gedichten uit Audens oeuvre. Het is een villanelle, een dichtvorm met zes strofen, vijf drieregelige strofen en een slotstrofe met vier regels. De openingsregel en de slotregel van de eerste strofe keren afwisselend terug als keerregels aan het eind van de volgende strofen. In de slotstrofe keren beide regels als slotregels terug. In het gedicht komen maar twee eindrijmklanken voor.

Dit gedicht speelt met wat je kunt zeggen, met dat waarover je wel of niet kunt spreken. Misschien dat de bekende slotzin van Ludwig Wittgensteins Tractatus Logico-Philosophicus hierbij een rol heeft gespeeld: “En van dat, waarover niet gesproken kan worden, moet men zwijgen” (vertaling W.F. Hermans).

Hier vindt u de vertaling van Arie van der Krogt, en hier de vertaling van Ans Bouter. Beide vertalingen houden zich goed aan de vorm, zijn inventief, en verschillen in hun interpretatie op een paar punten aanzienlijk van de mijne.

Auden draagt hier zijn gedicht zelf voor.

[De openingszin van mijn vertaling luidde aanvankelijk bij publicatie op dit kleine blog: “De Tijd zwijgt stil, maar ’t is zoals ik zei”.

Ik had die zin niet goed vertaald. Deze betekent: “De Tijd zegt niets, behalve: ik heb het je toch gezegd”. De ‘ik’ in het tweede deel van de zin is de Tijd en niet de stem van het gedicht.

Ik heb de verkeerde vertaling vervangen door: “De Tijd zegt niets, slechts: hoor je wat ik zei”.]

Vertaling:

Als ik het zeggen kon

De Tijd zegt niets, slechts: hoor je wat ik zei,
De Tijd weet goed wat je betalen moet;
Als ik het zeggen kon, dan hoorde je het van mij.

Ook als een clown zou maken dat ik schrei,
Of een stuk muziek mij bijna wankelen doet,
De Tijd zegt niets, slechts: hoor je wat ik zei.

Veel gunstigs is het niet, zeg ik er alvast bij,
Maar sinds m’n liefde meer is dan mijn woordenvloed,
Als ik het zeggen kon, dan hoorde je het van mij.

Niet zonder reden waait de wind ons straks voorbij,
Er moet een grond zijn voor de najaarsgloed;
De Tijd zegt niets, slechts: hoor je wat ik zei.

Misschien ontluikt de roos opzettelijk in mei,
En dringt het visioen wel aan op spoed;
Als ik het zeggen kon, dan hoorde je het van mij.

Stel nu dat alle leeuwen gingen, eindelijk vrij,
En beken en soldaten met een afscheidsgroet;
De Tijd zegt niets, slechts: hoor je wat ik zei.
Als ik het zeggen kon, dan hoorde je het van mij.

Origineel:

If I could tell you

Time will say nothing but I told you so,
Time only knows the price we have to pay;
If I could tell you I would let you know.

If we should weep when clowns put on their show,
If we should stumble when musicians play,
Time will say nothing but I told you so.

There are no fortunes to be told, although,
Because I love you more than I can say,
If I could tell you I would let you know.

The winds must come from somewhere when they blow,
There must be reasons why the leaves decay;
Time will say nothing but I told you so.

Perhaps the roses really want to grow,
The vision seriously intends to stay;
If I could tell you I would let you know.

Suppose the lions all get up and go,
And all the brooks and soldiers run away;
Will Time say nothing but I told you so?
If I could tell you I would let you know.

 

Verdwijn niet vredig in die goedertieren nacht – Dylan Thomas

Dylan_Thomas_Getty

Dylan Thomas (Getty Images)

Dylan Thomas (1914-1953) was een Welshe dichter die in het Engels schreef. Hij wordt beschouwd als een van de grootste Engelse modernistische dichters van de 20e eeuw. Een bekend hoorspel/toneelstuk van hem is Under Milk Wood.

Thomas had een militant-atheïstische vader en een nonconformistische moeder die een trouwe kerkganger was. Deze tegenstelling leidde ook tot huiselijke twisten. Thomas’ ambivalente houding jegens godsdienstige zaken kan daardoor niet als een verrassing komen. Hij bleef zijn leven lang wel gevoelig voor bijbelse taal en bijbelse voorstellingen.

Hij is vrij jong gestorven in New York City, tijdens een tour in Amerika, waarschijnlijk als gevolg van overmatig alcoholgebruik.

Het gedicht ‘Do not gentle go into that good night‘ is een van de bekendste gedichten die Dylan Thomas heeft geschreven. Het is een opstandig gedicht.

Alle metaforen in dit gedicht wijzen op de dood: ‘good night‘, ‘end of day‘, ‘dying of the light‘, ‘wise men at their end‘, ‘the last wave by‘, ‘near death‘, ‘there on that sad height‘ (vlak voor de dood zal intreden).

De vader die in de slotstrofe wordt aangesproken is reeds ‘on that sad height’ waar de zoon nog tegen te hoop loopt. Het is eigenlijk niet zo’n nobel sentiment dat onder woorden wordt gebracht – accepteer die ellendige rotdood niet – maar het gedicht ontleent zijn effect aan de rauwe bitterheid die schemert door de sonore versregels, een beetje vergelijkbaar met het beroemde gedicht ‘Het huwelijk’ van Willem Elsschot. Je voelt de onontkoombaarheid van ‘that good night‘.

Het gedicht is een ‘villanelle’: zes strofen met keerregels. De eerste en de laatste regel van de drieregelige openingsstrofe keren om de beurt terug in de vervolgstrofen, en ze keren samen terug in de slotstrofe. Er zijn maar twee rijmklanken.

Andere vertalingen van dit gedicht vindt u hier.

En hier hoort u Dylan Thomas zelf  op gedragen toon het gedicht voordragen.

Vertaling:

Verdwijn niet vredig in die goedertieren nacht

Verdwijn niet vredig in die goedertieren nacht,
De ouderdom moet laaien – ‘t is nog niet voorbij;
Blijf tieren tegen ‘t lot dat alle vuurgloed wacht.

Omdat zijn woord geen bliksems heeft teweeggebracht,
Beseft de wijze dat het donker goed is, maar ook hij
Verdwijnt niet vredig in die goedertieren nacht.

De goede, voortgaand op z’n laatste golf, huilt zacht
Om hoe zijn broze daden konden dansen in de wei,
Blijf tieren tegen ’t lot dat alle vuurgloed wacht.

De wilde, die de zon ontvoerde in een jubelende jacht,
Beseft te laat: de jammerende zon is niet van mij.
Verdwijn niet vredig in die goedertieren nacht.

De ernstige, het graf nabij, ziet nog uit alle macht
Dat blinde ogen vonken als een meteoor, ook hij
Blijft tieren tegen ’t lot dat alle vuurgloed wacht.

En gij, mijn vader, die uw grijsheid reeds volbracht,
Vloek mij met felle tranen, bid ik, zegen mij.
Verdwijn niet vredig in die goedertieren nacht.
Blijf tieren tegen ’t lot dat alle vuurgloed wacht.

Origineel:

Do not go gentle into that good night

Do not go gentle into that good night,
Old age should burn and rave at close of day;
Rage, rage against the dying of the light.

Though wise men at their end know dark is right,
Because their words had forked no lightning they
Do not go gentle into that good night.

Good men, the last wave by, crying how bright
Their frail deeds might have danced in a green bay,
Rage, rage against the dying of the light.

Wild men who caught and sang the sun in flight,
And learn, too late, they grieved it on its way,
Do not go gentle into that good night.

Grave men, near death, who see with blinding sight
Blind eyes could blaze like meteors and be gay,
Rage, rage against the dying of the light.

And you, my father, there on the sad height,
Curse, bless, me now with your fierce tears, I pray.
Do not go gentle into that good night.
Rage, rage against the dying of the light.

En de dood zal niet meer heersen – Dylan Thomas

Dylan_Thomas_Getty

Dylan Thomas (Getty Images)

Dylan Thomas (1914-1953) was een Welshe dichter die in het Engels schreef. Hij wordt beschouwd als een van de grootste Engelse modernistische dichters van de 20e eeuw. Een bekend hoorspel/toneelstuk van hem is Under Milk Wood.

Thomas had een militant-atheïstische vader en een nonconformistische moeder die een trouwe kerkganger was. Deze tegenstelling leidde ook tot huiselijke twisten. Thomas’ ambivalente houding jegens godsdienstige zaken kan daardoor niet als een verrassing komen. Hij bleef zijn leven lang wel gevoelig voor bijbelse taal en bijbelse voorstellingen.

Hij is vrij jong gestorven in New York City, tijdens een tour in Amerika, waarschijnlijk als gevolg van overmatig alcoholgebruik.

Het onderhavige gedicht – And death shall have no dominion – is een van de beroemdste gedichten uit zijn oeuvre. Het werd geschreven in 1933, toen Dylan Thomas nog geen twintig was.

Het gedicht ontstond uit een afspraak die Thomas had gemaakt met een bevriende dichter – Bert Trick (zelf niet bekend geworden) – om een gedicht over onsterfelijkheid te maken. Trick schreef een vers waarin de regel voorkwam: For death is not the end. Thomas schreef daarop het vers waarvan ik hier een vertaling publiceer.

De titel is tevens een refreinregel waarmee elke strofe opent en eindigt. Deze is een verwijzing naar Romeinen 6:9, een bijbelvers dus, dat in de King James-vertaling luidt:

Knowing that Christ being raised from the dead dieth no more; death hath no more dominion over him.

Romeinen 6:9 luidt in de Statenvertaling:

Wetende, dat Christus, opgewekt zijnde uit de doden, niet meer sterft; de dood heerst niet meer over Hem.

Ook in de rest van het vers komen veel bijbelse verwijzingen voor. Het slot van de openingsstrofe doet denken aan de retoriek van de Bergrede, een beroemde toespraak van Christus. De strekking van het vers – vergankelijke lichamen hebben deel aan de onvergankelijkheid – lijkt schatplichtig aan 1 Korinthiërs 15:40-44.

Het gedicht kent drie strofen met enigszins wisselende regellengte en onregelmatige eindrijmen, binnenrijmen, alliteraties en halfrijmen. Ik heb me bij de vertaling een paar vrijheden veroorloofd om de inhoud goed te kunnen overbrengen. De slotwoorden van de meeste regels van Thomas zijn eenlettergrepig (mannelijk rijm). Ik heb regelmatig gekozen voor tweelettergrepige slotwoorden (vrouwelijk rijm).

De zinsnede ‘man in the wind and the west moon‘ is een ongebruikelijke uitdrukking in het Engels. Thomas verplaatste de attributen. Gewoon zou zijn: ‘man in the moon [het gezicht dat je in de maan kunt zien] and the west wind‘.

De zinsnede ‘hammer through daisies‘ – beuken door de margrieten – verwijst naar de uitdrukking ‘pushing up the daisies‘, wat een toespeling is op de doden die, nadat ze begraven zijn, de bloemen omhoog zouden duwen. In dit geval lijkt Thomas het opstandingsmotief te gebruiken. Ze beuken zich door de bloemen op het graf omhoog, en enteren de zon.

Een eerdere vertaling door Arie van der Krogt, een vertaling die wat kaler, wat minder gedragen is, die ook wat minder bijbels klinkt, vindt u hier. (Er zijn ook een paar duidelijke inhoudelijke verschillen.)

En hier hoort u de sonore stem van Dylan Thomas die het gedicht op bezwerende toon voordraagt.

Vertaling:

En de dood zal niet meer heersen

En de dood zal niet meer heersen.
Naakte doden, zij zullen één zijn
Met het mannetje van de wind en de westenmaan;
Als hun gebeente is kaalgepikt, hun kale gebeente verdwenen,
Dragen ze sterren aan elleboog en voet;
Al worden zij dwazen, zij zullen heel zijn,
Al zinken zij weg in de diepten, zij zullen herrijzen;
Al gaan geliefden teloor, de liefde zal blijven;
En de dood zal niet meer heersen.

En de dood zal niet meer heersen.
Zelfs onder de woelingen der zee
Zal wie daar langgerekt ligt niet weggewaaid sterven;
Gelegd op de pijnbank tot pezen het begeven,
Gebonden op het rad, zullen zij nochtans niet breken;
In hun hand zal overtuiging splijten in tweeën,
En het eenhoornkwaad zal hen doorboren;
Trek alle rafels uiteen, zij zullen niet scheuren;
En de dood zal niet meer heersen.

En de dood zal niet meer heersen.
Nooit meer krijsen meeuwen aan hun oren,
Of zullen golven luide kapotslaan op rotsen;
Waar een bloem tierde, zal een bloem nooit meer
Zijn hoofd heffen onder de tierende regen;
Al werden ze dwaas en dood als een pier,
De markante koppen slaan zich door de grafbloesem,
Enteren de zon, tot de zon zal bezwijken,
En de dood zal niet meer heersen.

Origineel:

And death shall have no dominion

And death shall have no dominion.
Dead men naked they shall be one
With the man in the wind and the west moon;
When their bones are picked clean and the clean bones gone,
They shall have stars at elbow and foot;
Though they go mad they shall be sane,
Though they sink through the sea they shall rise again;
Though lovers be lost love shall not;
And death shall have no dominion.

And death shall have no dominion.
Under the windings of the sea
They lying long shall not die windily;
Twisting on racks when sinews give way,
Strapped to a wheel, yet they shall not break;
Faith in their hands shall snap in two,
And the unicorn evils run them through;
Split all ends up they shan’t crack;
And death shall have no dominion.

And death shall have no dominion.
No more may gulls cry at their ears
Or waves break loud on the seashores;
Where blew a flower may a flower no more
Lift its head to the blows of the rain;
Though they be mad and dead as nails,
Heads of the characters hammer through daisies;
Break in the sun till the sun breaks down,
And death shall have no dominion.

La Belle Dame sans Merci, een ballade – John Keats

John Keats (1795-1821) is een van de belangrijkste romantische Engelse dichters.

Hij behoorde tot een groep dichters waartoe ook Percy Byssche Shelley en Lord Byron behoorden. Zijn dichterlijke productie kwam in ongeveer zes jaar tot stand, want hij overleed al heel vroeg – op 25-jarige leeftijd – aan tuberculose.

Zijn vader stierf toen hij acht was, en zijn moeder toen hij veertien was. Hij stierf in Rome en ligt ook daar begraven. Enkele weken na zijn dood schreef Shelley een gedicht ter herdenking aan Keats, onder de titel Adonais.

De biografische schets van Keats in de Encyclopaedia Brittannica vindt u hier.

Keats was heel productief in de weinige jaren die hem ter beschikking stonden. Het onderhavige gedicht, La Belle Dame sans Merci: A Ballad, is een van de beroemdste, romantische gedichten uit de Engelse letterkunde. Het werd voor het eerst gepubliceerd in 1820, en het wordt beschouwd als de tegenhanger van Keats’ gedicht The Eve of St. Agnes, een gedicht dat een idyllische liefde bezingt.

La Belle Dame sans Merci – de mooie meedogenloze dame – beschrijft de destructieve kant en de ontredderende gevolgen van een onvoorwaardelijke liefde die slechts in de vorm van valse verleidingskunst beantwoord wordt.

Keats ontleende de titel van het gedicht aan de Franse dichter Alain Chartier (1385 – ca. 1433).

Gerard Reve heeft zijn ‘Meedogenloze jongen’- een homoseksule pendant van de fatale vrouw – ontleend aan het romantische motief dat Keats in dit gedicht mede heeft gemunt.

Omdat het licht werpt op het romantische motief van de fatale dame, citeer ik een passage uit Klaus Beekman en Mia Meijer, Kort Revier, Gerard Reve en het oordeel van zijn medeburgers (1973), waarin ze Johan Polak uitgebreid citeren, als volgt:

“Een van de in het oog springende motieven in de romantiek, vooral in de late romantiek, is de fatale vrouw. Hoewel de eerste specimina van dit verschrikkelijke slag al optreden in de vroegste griekse literatuur in de gedaante van de Sirenen die Odysseus moeten verleiden, wemelt het in de romantische letteren van deze vrouwen. Klassiek is het gedicht van Keats: La belle dame sans merci (de uitdrukking zelf is gevleugeld geworden):

I saw pale kings and princes too,
Pale warriors, death-pale were they all;
They cried—‘La Belle Dame sans Merci
Thee hath in thrall!’

 

Op dit stramien zitten de andere fatale vrouwen geborduurd. Of ze nu pacteren met de duivel (en dat doen ze graag), geselend rondgaan (dit vooral is een geliefde fantasie: she slays and her hands are not bloody, zingt Swinburne), eindeloze masturbaties bedrijven bij de man die in haar macht is (Mirbeau), één motief blijft hetzelfde: de man die zich in haar macht bevindt, komt daar niet meer van los.”

Vertaling:

La Belle Dame sans Merci – een ballade

Wat scheelt eraan, O, ridder-met-de-helm,
Zo eenzaam, bleek, door schrik omringd?
De zegge langs het meer is al verdord,
Geen vogel zingt.

Wat scheelt eraan, O, ridder-met-de-helm,
Zo afgemat, zo aangedaan?
De eekhoorn-voorraadschuur is vol,
De oogst gedaan.

Een lelie prijkt er op je hoofd,
Zo klam van angst, met koorts berijpt,
En op je wang een schrale roos
Die snel verkwijnt.

Ik trof een dame in het veld,
Ze was beeldschoon – een elfenkind,
Haar haar was lang, haar tred was licht,
Haar ogen waren wild.

Ik vlocht een krans voor om haar hoofd,
Een sjerp, een armband – geur en pracht;
Ze keek naar mij heel liefdevol,
En neuriede zacht.

Ik zette haar op mijn snelle hengst,
En wat ik zag was anders niet
Dan zij die zijwaarts hangend zong
Een elfenlied.

Ze vond mij bron van alle zoets,
Van wilde honing, manna-dauw,
Toen zei ze op haar vreemde wijs –
“’k hou echt van jou”.

Ze ontvoerde mij naar de elfengrot,
Ze huilde, zuchtte diep en puur,
Ik kuste toen haar wilde ogen
Met laaiend vuur.

Daar wiegde ze me toen in slaap,
Daar droomde ik – afgrondelijk erg! –
De laatste droom die ‘k heb gedroomd
Daar op die koude berg.

‘k Zag menig koning, menig prins,
Ze waren allemaal lijkbleek,
Het klonk – ‘La Belle Dame Sans Merci,
Ze houdt je in de greep’

‘k Zag grauwe lippen in de schemering,
Hun wrede lessen, wijd gesperd,
En ik ontwaakte en bevond
Me op die koude berg.

En dit is waarom ik hier toef,
Zo eenzaam, bleek, door schrik omringd,
Al is de zegge langs het meer verdord,
Geen vogel meer die zingt.

Origineel:

La Belle Dame sans Merci: A Ballad

O what can ail thee, knight-at-arms,
Alone and palely loitering?
The sedge has withered from the lake,
And no birds sing.

O what can ail thee, knight-at-arms,
So haggard and so woe-begone?
The squirrel’s granary is full,
And the harvest’s done.

I see a lily on thy brow,
With anguish moist and fever-dew,
And on thy cheeks a fading rose
Fast withereth too.

I met a lady in the meads,
Full beautiful—a faery’s child,
Her hair was long, her foot was light,
And her eyes were wild.

I made a garland for her head,
And bracelets too, and fragrant zone;
She looked at me as she did love,
And made sweet moan

I set her on my pacing steed,
And nothing else saw all day long,
For sidelong would she bend, and sing
A faery’s song.

She found me roots of relish sweet,
And honey wild, and manna-dew,
And sure in language strange she said—
‘I love thee true’.

She took me to her Elfin grot,
And there she wept and sighed full sore,
And there I shut her wild wild eyes
With kisses four.

And there she lullèd me asleep,
And there I dreamed—Ah! woe betide!—
The latest dream I ever dreamt
On the cold hill side.

I saw pale kings and princes too,
Pale warriors, death-pale were they all;
They cried—‘La Belle Dame sans Merci
Thee hath in thrall!’

I saw their starved lips in the gloam,
With horrid warning gapèd wide,
And I awoke and found me here,
On the cold hill’s side.

And this is why I sojourn here,
Alone and palely loitering,
Though the sedge is withered from the lake,
And no birds sing.

 

Sestina – Elizabeth Bishop

Elizabeth Bishop

Elizabeth Bishop

Elizabeth Bishop (1911-1979) was een Amerikaans schrijfster van gedichten en korte verhalen.

Uit het Nederlandse Wikipedia-artikel citeer ik een passage omdat die relevant is om het gedicht Sestina te begrijpen:

Bishops vader stierf kort na haar geboorte. Haar moeder kampte vaak met depressies en werd in later ook in een inrichting opgenomen. Vanaf haar derde tot haar zesde jaar werd Elizabeth liefdevol opgevoed door haar grootouders van moederszijde, in Great Village (Nova Scotia). Daarna werd de voogdij toegewezen aan de familie van haar vader in Worcester en twee jaar later werd ze ondergebracht bij de oudste zus van haar moeder in Revere, die leefden in relatief armoedige omstandigheden. Na de scheiding van haar grootouders had ze een ongelukkige kindertijd. Ze ontwikkelde ze chronische astma, die haar de rest van haar leven parten zou spelen.

De vorm van dit gedicht is een Sestina, ‘zesregelige strofe’ in het Italiaans. Uit het Lexicon der poëzie, p.291 (beschikbaar via de dbnl) citeer ik de volgende beschrijving:

[Het betreft] een Italiaanse laatmiddeleeuwse dichtvorm die tijdens de renaissance geïmiteerd werd in West-Europa en een heropleving kende in de 19de eeuw. Hij bestaat uit zes strofen van elk zes versregels, en een drieregelige eindstrofe. De rijmwoorden uit de eerste strofe keren alle terug als rijmwoorden in de volgende strofen, in een welbepaalde conventionele orde. Voorbeelden vinden we bij Petrarca, Dante en Camões.

Deze vorm wordt soms ook een sextine genoemd.

De volgorde van de slotwoorden van de versregels dient als volgt gekozen te worden (a is het slotwoord van de eerste regel, f is het slotwoord van de zesde regel):

1e strofe – abcdef
2e strofe – faebdc
3e strofe – cfdabe
4e strofe – ecbfad
5e strofe – deacfb
6e strofe – bdfeca
7e strofe – eca of ace

De slotstrofe van drie regels wordt wel de ‘envoi’ genoemd. Meestal komen alle zes slotwoorden terug in de envoi.

De vorm van dit gedicht is – zoals elke poëtische vorm – een spel. Het gedicht opent met heel gewone dingen: een huis, een kacheltje, een almanak, een grootmoeder, een kind.

Maar er zijn ook de tranen van de grootmoeder.

De verschuiving van de slotwoorden en de verschuiving van de rollen die die woorden in het gedicht spelen, maken dat het gedicht zich op een verrassende manier ontwikkelt.

Op de achtergrond lijkt zich een onuitgesproken drama af te spelen, waar het kind met haar fantasie op een geheel eigen manier op reageert. De instabiliteit van de situatie wordt in de slotstrofen gecontrasteerd met de schepping van een robuust huis in tweevoud, weliswaar vooralsnog in de tekeningen van het kind.

Bishops biografie verklaart het gedicht niet, maar maakt de keuze van deze thematiek wel begrijpelijk. Een vroege werktitel – Early Sorrow – werd later door Bishop vervangen door Sestina.

Wie iets meer over dit gedicht wil lezen, kan hier terecht, of hier.

Vertaling:

Sestina

De herfstregen valt op het huis.
In het slechte licht zit de oude grootmoeder
in de keuken samen met het kind
naast het Kleine Wonder-Kacheltje;
ze leest grapjes voor uit de almanak,
verbergt met gelach en gepraat haar tranen.

Ze denkt dat haar equinoctische tranen
en de regen die slaat op het dak van het huis
beide waren voorspeld door de almanak,
zij het slechts bekend bij een grootmoeder.
De fluitketel zingt op het kacheltje.
Ze snijdt wat brood en zegt tot het kind,

Het is nu theetijd; maar het kind
kijkt naar de kleine, harde theepot-tranen
die driftig dansen op de plaat van het kacheltje,
zoals de regen ook vast zal dansen op het huis.
Bij het opruimen hangt de oude grootmoeder
hem op aan z’n touwtje, de almanak

die zo wijs is. Als een vogel spreidt de almanak
zich half geopend uit boven het kind,
spreidt zich uit boven de oude grootmoeder
en haar theekopje vol donkerbruine tranen.
Ze huivert en zegt dat het misschien in huis
koud aanvoelt, en doet wat hout in het kacheltje.

Het moest zo zijn, zegt het Wonder-Kacheltje.
Ik weet wat ik weet, zegt de almanak.
Met krijtjes tekent het kind een standvastig huis
en een kronkelig paadje. Dan voegt het kind
er een mannetje aan toe met knopen als tranen
en laat het trots zien aan de grootmoeder.

Maar stiekem, terwijl de grootmoeder
druk bezig is met het kacheltje
vallen de maantjes omlaag als tranen
van tussen de bladzijden van de almanak
recht in het bloembed dat het kind
zo netjes heeft neergezet in het voorhuis.

Tijd om tranen te zaaien, zegt de almanak.
De grootmoeder zingt tot het wonderlijke kacheltje
en het kind tekent nog een ondoorgrondelijk huis.

Origineel:

Sestina

September rain falls on the house.
In the failing light, the old grandmother
sits in the kitchen with the child
beside the Little Marvel Stove,
reading the jokes from the almanac,
laughing and talking to hide her tears.

She thinks that her equinoctial tears
and the rain that beats on the roof of the house
were both foretold by the almanac,
but only known to a grandmother.
The iron kettle sings on the stove.
She cuts some bread and says to the child,

It’s time for tea now; but the child
is watching the teakettle’s small hard tears
dance like mad on the hot black stove,
the way the rain must dance on the house.
Tidying up, the old grandmother
hangs up the clever almanac

on its string. Birdlike, the almanac
hovers half open above the child,
hovers above the old grandmother
and her teacup full of dark brown tears.
She shivers and says she thinks the house
feels chilly, and puts more wood in the stove.

It was to be, says the Marvel Stove.
I know what I know, says the almanac.
With crayons the child draws a rigid house
and a winding pathway. Then the child
puts in a man with buttons like tears
and shows it proudly to the grandmother.

But secretly, while the grandmother
busies herself about the stove,
the little moons fall down like tears
from between the pages of the almanac
into the flower bed the child
has carefully placed in the front of the house.

Time to plant tears, says the almanac.
The grandmother sings to the marvelous stove
and the child draws another inscrutable house.

 

 

Zeventigste verjaardag – R.S. Thomas

r.-s.-thomas-4da1a5eab4f6b_360x225

R.S. Thomas

Ronald Stuart Thomas (1913-2000) was een Welshe dichter die ook zijn leven lang in Wales woonde en werkte als een Anglicaans priester. Hij was een groot natuurliefhebber, had een vrij vergaande afkeer van moderne zaken die hij vond afleiden van waar het in het leven echt om ging, en hij schreef in het Engels.

Een aardige bespreking door Theodore Dalrymple van zijn biografie – Byron Rogers, The Man Who Went into the West: The Life of R. S. Thomas, Aurum Press – vindt u hier.

Hij was een merkwaardige, eenzelvige figuur die prachtige gedichten schreef, getrouwd was met de schilder Mildred (Elsi) Eldridge, aan wie hij, behalve dit gedicht, nog een paar fraaie gedichten heeft gewijd – zie elders op dit blog (bereikbaar via het menu op de hoofdpagina, onder de naam R.S. Thomas).

Kingsley Amis – zeker geen geestverwant – schreef dat zijn poëzie “reduces most other modern verse to footling whimsy” (=triviale gekkigheid). Hij is in Nederland niet zeer bekend.

Dit gedicht is wel geheimzinnig, maar niet heel moeilijk.

De openingsstrofe begint met het hart als een samenstel van chemische en histologische (weefselkundige) elementen, neemt dan een bewust-archaïsche wending – legend / oude held – en eindigt met de ietwat spottende vraag: zit je er nog wel in?

De tweede strofe proclameert de definitieve overwinning van de aangesproken vrouw – ongetwijfeld zijn eigen vrouw, Mildred Eldridge. Vervolgens wordt de tijd die het leven aantast benoemd met een aan Yeats  – dat is de beroemde dichter William Butler Yeats – ontleende humoristische beeldspraak: de tijd die als een rups de kroonblaadjes van de roos aanvreet.

De slotstrofe is ontroerend: deze beschrijft beeldend de effecten die het klimmen van de jaren heeft op de geliefde en op hemzelf, met een slotregel die, ondanks het voortschrijden van de onverbiddelijke tijd, voelt als een triomf: de liefde zal worden behouden.

Het gedicht komt voor in de Collected Poems op p.384.

In het boek van M. Wynn Thomas, R.S. Thomas: Serial Obsessive, University of Wales Press, p.142, kunt u nog iets meer over dit gedicht lezen.

Vertaling:

Zeventigste verjaardag

Gemaakt van weefsel en H2O,
en bewogen door aanvurende
cellen – Ah, hart, de oude held
van jouw wezen! Verzon ik
hem, en zit hij er nog steeds in?

In de strijd met andere vrouwen
is jouw overwinning verzekerd.
Het is de tijd, zei Yeats, die
de rups is in de roos van de wang,
de taaie uitzuiger van je kroonbladeren.

Je drijft nu van me weg
op de grijzende golf van je haren.
Ik buig ver af van de hoofdtak van mijn gebeente,
wel wetend dat de hand die ik uitstrek
niets van je kan behouden, alleen je liefde.

Origineel:

Seventieth Birthday

Made of tissue and H2O,
and activated by cells
firing – Ah, heart, the legend
of your person! Did I invent
it, and is it in being still?

In the competition with other
women your victory is assured.
It is time, as Yeats said, is
the caterpillar in the cheek’s rose,
the untiring witherer of your petals.

You are drifting away from
me on the whitening current of your hair.
I lean far out from the bone’s bough,
knowing the hand I extend
can save nothing of you but your love.

Wanneer ik vrees – John Keats

John Keats (1795-1821) is een van de belangrijkste romantische Engelse dichters.

Hij behoorde tot een groep dichters waartoe ook Percy Byssche Shelley en Lord Byron behoorden. Zijn dichterlijke productie kwam in ongeveer zes jaar tot stand, want hij overleed al heel vroeg – op 25-jarige leeftijd – aan tuberculose.

Zijn vader stierf toen hij acht was, en zijn moeder toen hij veertien was. Hij stierf in Rome en ligt ook daar begraven in een graf naast zijn vriend, de romantische kunstschilder Joseph Severn.

Enkele weken na zijn dood schreef Shelley een gedicht ter herdenking aan Keats, onder de titel Adonais. Ook Shelley ligt op diezelfde begraafplaats in Rome begraven – de Cimitero acattolico (de protestantse begraafplaats).

Het onderhavige gedicht is een sonnet in de traditie van Shakespeare, dat wil zeggen het heeft veertien regels, met twee afsluitende slotregels die een soort pointe bevatten. Het rijmschema is abab cdcd efef gg. Het gedicht wordt vaak als één blok tekst afgedrukt, maar ik heb er bij de opmaak de gebruikelijke drie kwatrijnen en een afsluitend distichon van gemaakt, vooral omwille van de leesbaarheid. Ik heb de regels soms iets langer gemaakt dan in het origineel om de inhoud recht te kunnen doen.

FannyBrawne1833_color

Fanny Brawne, c.1833 (R. Goodsell, Keats House)

Het gedicht is een meditatie over de dood, en het beschrijft de gevoelens van iemand die beseft dat de dood misschien wel eens eerder zou kunnen komen dan dat hij zijn droom van een onsterfelijk dichterschap zal kunnen verwezenlijken.

Het verdrietige is dat John Keats inderdaad heel vroeg gestorven is, maar het mooie is dat hij vrij veel verzen heeft geschreven die we vandaag nog steeds met plezier en ontroering lezen.

De ‘you’ in de derde strofe is naar alle waarschijnlijkheid Keats’ geliefde Fanny Brawne, met wie hij een niet altijd even gemakkelijke relatie had, en met wie hij door zijn voortijdige dood nooit getrouwd is geweest.

Wie iets meer wil weten, kan hier een beknopte toelichting vinden die niet al te vervelend is – wat niet vanzelf spreekt bij gedichten.

Dit is een aardige website over Keats: Mapping Keats’s Progress, A Critical Chronology.

En hier is A chapter from the biography of John Keats that inspired the Jane Campion film Bright Star.

Vertaling:

Wanneer ik vrees …

Wanneer ik vrees dat straks m’n einde aan zal breken
Eer ooit mijn pen geproefd heeft van mijn gulle geest,
Eer stapels boeken, rijk van taal en teken,
Als rijpe akkers zijn, waarop men aren leest;

Als ik aanschouw ’t gelaat van de besterde nacht,
Enorme wolksymbolen van de diepste innigheid,
En weet dat geen gelukshand mij ooit onverwacht
Hun schaduw zal doen schetsen bij gelegenheid;

En als ik voel – een breekbaar mensenkind –
Dat nu mijn blik voor ‘t laatst nog op jou rust,
Maar dat ik nooit de tovermacht meer ondervind
Van redeloze liefde – dan sta ik uitgeblust

Aan ‘t einde van de aarde, om te overwegen
Hoe roem en liefde schrompelden en zwegen.

Origineel:

When I have fears that I may cease to be

When I have fears that I may cease to be
Before my pen has gleaned my teeming brain,
Before high-pilèd books, in charactery,
Hold like rich garners the full ripened grain;

When I behold, upon the night’s starred face,
Huge cloudy symbols of a high romance,
And think that I may never live to trace
Their shadows with the magic hand of chance;

And when I feel, fair creature of an hour,
That I shall never look upon thee more,
Never have relish in the faery power
Of unreflecting love—then on the shore

Of the wide world I stand alone, and think
Till love and fame to nothingness do sink.

Ode aan de herfst – John Keats

John Keats (1795-1821) is een van de belangrijkste romantische Engelse dichters.

Hij behoorde tot een groep dichters waartoe ook Percy Byssche Shelley en Lord Byron behoorden. Zijn dichterlijke productie kwam in ongeveer zes jaar tot stand, want hij overleed al heel vroeg – op 25-jarige leeftijd – aan tuberculose.

Zijn vader stierf toen hij acht was, en zijn moeder toen hij veertien was. Hij stierf in Rome en ligt ook daar begraven. Enkele weken na zijn dood schreef Shelley een gedicht ter herdenking aan Keats, onder de titel Adonais.

Keats was heel productief in de weinige jaren die hem ter beschikking stonden. Het onderhavige gedicht, To Autumn, is een van de beroemdste gedichten uit de Engelse letterkunde en het behoort tot de ‘odes’ die Keats schreef in 1819, een jaar waarin hij veel problemen kende.

Het gedicht heeft drie strofen van elf regels, elk met een vrij strikt rijmschema en lettergreepaantal. In mijn vertaling ben ik soms van dat rijmschema en dat aantal afgeweken om in staat te zijn om ook de inhoud enigszins getrouw over te brengen. Ik heb vanzelfsprekend wel gestreefd naar beknoptheid en zeggingskracht.

In de eerste strofe wordt de herfst gepersonifieerd en voorgesteld als iemand die complotten smeedt met zijn boezemvriend, de zon. De rijkdom van de oogst wordt bezongen. De personificatie wordt het gehele gedicht volgehouden.

De tweede strofe roept de herfstsfeer op die gepaard gaat met verschillende vormen van oogstverwerking.

In de derde strofe worden de kleuren en de geluiden aan het einde van een herfstdag opgeroepen.

Het gedicht wordt – volgens de intro van het Engelse Wikipedia-artikel, dat voldoet aan hoge encyclopedische eisen (het heeft de etalagestatus) – op verschillende manieren geïnterpreteerd: als een bespiegeling over de dood, of als een allegorie over scheppende arbeid, of als een commentaar op de Peterloo Massacre (een cavaleriecharge in 1819 tegen een verzamelde menigte met gruwelijke afloop), of – ten slotte – als een nationalistisch gedicht.

Ik geloof daar allemaal weinig van.

Natuurlijk is elk gedicht ook een triomf, en als zodanig een lofzang op de scheppende arbeid, en bijna elk gedicht laat je voelen wat eindigheid en schoonheid betekenen, maar met die massaslachting en met dat nationalisme heeft dit gedicht niets te maken. Het gedicht ontstond na een herfstwandeling, en het is wat de titel ook zegt: een ode aan de herfst, het maakt de ontroering voelbaar van iemand die de herfst echt beleeft.

Dit gedicht is heel strak van vorm, heel natuurlijk van zegging, en heel mooi van sfeer. Het was daarom voor mij bijzonder moeilijk te vertalen. Ik hoop dat het althans een beetje gelukt is.

Mijn favoriete jaargetijde is de herfst, en ik ben ook persoonlijk bijzonder gesteld op dit gedicht. Commentaar, suggesties ter verbetering zijn altijd welkom. Mijn e-mailadres wordt vermeld op de pagina Over de vertaler/auteur.

[Slotregel verbeterd, 18 maart 2020, met dank aan Henny van den Born.]

Vertaling:

Ode aan de herfst

Seizoen van mist en malse overvloed!
Naaste hartsvriend van de rijpende zon,
Samen smoezend hoe je de wijnrank zoet
En zwaar langs rieten daken leiden kan,
Hoe de bemoste appeltak kan buigen,
En alle fruit kan geuren en kan gloeien,
De kalebas kan zwellen, hazelnoten kraken
Met puike kern, knoppen weer gaan groeien,
Steeds opnieuw, en bijen verse bloemen krijgen,
Totdat ze denken dat ze eeuwig kunnen zuigen,
De zomer zal hun kleverige raat bewaken.

Wie zou jou niet herkennen in die weelde?
En wie jou elders zocht, zag dat je goedgezind,
En rustig in de voorraadschuur verwijlde,
De haren wiegend in de dorsvloerwind,
Of dat je heerlijk sliep in half gemaaide voren,
Bedwelmd door klaproosgeuren, terwijl jouw zeis
De slag liet lopen met de bloemen en het koren;
En soms, net als wie aren leest, ben je in een staat
Van diepe ernst, als je uit een beek oprijst,
Of als je, bij de ciderpers, met kalm gelaat,
Het uitknijpen beziet, dat alsmaar verdergaat.

Waar zijn de lenteliederen. Waar zijn ze? Ach,
Vergeet ze maar, jij hebt je eigen lied, –
Een lage lucht bloost op de kwijnende dag
En dekt het stoppelveld met rozig coloriet;
Daar is de treurzang van het muggenkoor
Tussen de waterwilgen, hoger, alsmaar door,
Of dalend, als de wind weer komt of gaat,
En zie het forse lam dat bij het kreekje blaat,
De krekels zingend in de haag – nu komt het uur
Dat de roodborst in de tuin zijn triller horen laat;
En daar gaan de zwaluwen, kwetterend in ’t azuur.

Origineel:

To Autumn

Season of mists and mellow fruitfulness!
Close bosom-friend of the maturing sun;
Conspiring with him how to load and bless
With fruit the vines that round the thatch-eaves run;
To bend with apples the mossed cottage-trees,
And fill all fruit with ripeness to the core;
To swell the gourd, and plump the hazel shells
With a sweet kernel; to set budding more,
And still more, later flowers for the bees,
Until they think warm days will never cease,
For Summer has o’erbrimmed their clammy cells.

Who hath not seen thee oft amid thy store?
Sometimes whoever seeks abroad may find
Thee sitting careless on a granary floor,
Thy hair soft-lifted by the winnowing wind;
Or on a half-reaped furrow sound asleep,
Drowsed with the fume of poppies, while thy hook
Spares the next swath and all its twined flowers;
And sometimes like a gleaner thou dost keep
Steady thy laden head across a brook;
Or by a cider-press, with patient look,
Thou watchest the last oozings, hours by hours.

Where are the songs of Spring? Ay, where are they?
Think not of them, thou hast thy music too, –
While barred clouds bloom the soft-dying day
And touch the stubble-plains with rosy hue;
Then in a wailful choir the small gnats mourn
Among the river sallows, borne aloft
Or sinking as the light wind lives or dies;
And full-grown lambs loud bleat from hilly bourn;
Hedge-crickets sing, and now with treble soft
The redbreast whistles from a garden-croft;
And gathering swallows twitter in the skies.

Op de helft – Friedrich Hölderlin

friedrich-holderlin-dbp-200-jahre-30-pfennig-1970

Postzegel van 30 Pfennig

Friedrich Hölderlin (1770-1843) is een belangrijke Duitse dichter. Zijn verzen zijn klassiek van vorm, soms romantisch van inhoud, bijna altijd lyrisch van toon. Hij slaagt er vaak in je mee te slepen, je te vervoeren.

Zijn vader en stiefvader overleden toen hij nog vrij jong was. Zijn moeder had een toekomst als predikant voor hem in gedachten, maar hij koos betrekkelijk vastberaden voor zijn ware roeping: dichter. Hij bezat een aan de klassieke Griekse cultuur ontleende tragische levensopvatting. Zijn werk getuigt tevens van een religieus, maar niet-christelijk, levensbesef. Friedrich Nietzsche was een bewonderaar.

Hölderlin was filosofisch ingesteld. Hij heeft, naast gedichten, een wijsgerig werk geschreven (Urteil und Seyn), een filosofische roman (Hyperion oder Der Eremit in Griechenland), een treurspel (Empedokles); hij vertaalde ook Sophocles.

Het onderhavige gedicht, Hälfte des Lebens, is geschreven kort voor een zenuwinzinking.

Het gedicht is een van de beroemdste Hölderlin-gedichten. Het kent twee strofen, beide van zeven versregels. De eerste strofe roept een stralende, rijpe levensrijkdom op, de tweede een weeklacht over een kil, duister en zwijgzaam levenseinde. De enjambementen lopen over de gehele strofe heen en verschaffen dichterlijke samenhang. De versregels zijn kort; er is geen eindrijm. Hölderlin volgde hierin klassieke voorbeelden na.

De eerste levenshelft wordt opgeroepen met beeldspraak: rijpe vruchten, fraaie bloesems, een weelderige oever, dichterlijke zwanen, warme liefde, vervoering. De beelden zijn zowel natuurlijk als sacraal en religieus. Het adjectief ‘heilignuchter’ brengt beide aspecten samen.

De tweede strofe, en daarmee de tweede levenshelft, begint met een weeklacht: het roept gemis op, een ruïneuze cultuur, licht dat gedoofd is, kilte, ontnuchtering, vlaggen die nog wapperen terwijl de geest reeds is geweken.

Via deze link kunt u een wat uitgebreidere interpretatie van het gedicht lezen (in het Duits).

Vertaling:

Op de helft

Met gele peren hangt,
en overdekt met wilde rozen,
het land in het meer,
gij aanbiddelijke zwanen,
en dronken van kussen,
doopt ge het hoofd
in het heilignuchtere water.

Wee mij, waar oogst ik, als
het winter is, de bloemen, waar
de zonneschijn,
en schaduwen der aarde?
De muren staan hier
sprakeloos en koud; in de wind
klapperen de vlaggen.

Origineel:

Hälfte des Lebens

Mit gelben Birnen hänget
Und voll mit wilden Rosen
Das Land in den See,
Ihr holden Schwäne,
Und trunken von Küssen
Tunkt ihr das Haupt
Ins heilignüchterne Wasser.

Weh mir, wo nehm’ ich, wenn
Es Winter ist, die Blumen, und wo
Den Sonnenschein,
Und Schatten der Erde ?
Die Mauern stehn
Sprachlos und kalt, im Winde
Klirren die Fahnen.

Spoorwegkinderen – Seamus Heaney

Seamus_Heaney_Photograph_Edit

Seamus Heaney (Bron)

Seamus Heaney (1939-2013) was een Noord-Iers dichter die veelal in Dublin woonde, die een tijdlang in Amerika werkte als hoogleraar, en die in 1995 de Nobelprijs voor literatuur ontving. Hij schreef ook voor toneel en was vertaler. Zijn voornaam rijmt op ‘famous’.

Heaney kwam uit een groot gezin, en zijn vader was boer. Je kunt aan dit gedicht merken dat hij gewend was aan ‘buiten spelen’, dat de vanzelfsprekendheid van rijkdom en luxe hem niet van kindsbeen aan bekend was. Ik stel dat – als tuinderszoon die geboren werd in de jaren ’60 en die sindsdien met toenemende welvaart te maken kreeg – met enig plezier vast.

Hij was bevriend met Joseph Brodsky, een Russische dichter en Nobelprijs-winnaar, en schreef over hem een treffende en roerende necrologie.

Het gedicht gaat over kinderen die het talud langs de spoorweg beklimmen. De titel lijkt te verwijzen naar Railway Children (1906) van Edith Nesbit.

Het gedicht maakt voelbaar hoe jonge kinderen, ondanks hun overweldigende gevoel van nietigheid, kunnen opgaan in iets dat veel groter is dan zijzelf.

Het ‘oog van de naald’ in de slotregel is een verwijzing naar de uitspraak van Jezus dat het gemakkelijker is dat een kameel gaat door het oog van een naald dan dat een rijke het Koninkrijk Gods binnen gaat. Deze uitspraak van Jezus wordt in de gangbare bijbelvertalingen letterlijk vertaald. Waarschijnlijk wordt met ‘kameel’ een ‘dromedaris’ bedoeld, en met ‘oog van een naald’ een nevenpoortje van de hoofdpoort, een doorgang die veel te laag was voor een passerende dromedaris.

[Ik las onlangs een blogbijdrage van de oudheidkundige Jona Lendering dat het idee van dat nevenpoortje ter verklaring van die beeldspraak een dwaling is die uit de koker komt van Amerikaanse evangelicalen. Helemaal overtuigd ben ik nog niet, want het verklaart wel een toch vrij buitenissige beeldspraak.

Maar buitenissigheid kan bij beeldspraak natuurlijk altijd optreden. ‘Dat slaat als een tang op een varken’ werd een uitdrukking, juist omdat het buitenissig is.

Om reden dat Lendering geen filologische argumenten geeft en het in dit verband uitsluitend heeft over het goedpraten van ‘rijkdom’, twijfel ik nog een beetje. Maar misschien heeft hij gewoon gelijk, en deugt bovenstaande bewering niet.]

Het gedicht Railway Children, voorgedragen door Heaney zelf, kunt u hier beluisteren. Het gedicht is al eerder vertaald in het Nederlands, onder anderen door Cees Buddingh’, zie hier.

Vertaling:

Spoorwegkinderen

Toen we de helling van de tunnelbak beklommen
stonden we oog in oog met de witte knoppen
van de bovenleidingen, met hun gonzende draden.

Als een dansend handschrift golfden ze verder,
mijlenver oostwaarts en westwaarts,
doorzakkend onder de last van hun zwaluwen.

We waren klein, we dachten niet dat we iets wisten
dat van belang was. We dachten dat woorden reisden
langs draden, in de zakjes van regendruppels,

vervuld en verzadigd met een hemels
licht, met de glans van lijnen, en wij, we waren
daarnaast zo oneindig nietig

dat we konden glijden door het oog van een naald.

Origineel:

The Railway Children

When we climbed the slopes of the cutting
We were eye-level with the white cups
Of the telegraph poles and the sizzling wires.

Like lovely freehand they curved for miles
East and miles west beyond us, sagging
Under their burden of swallows.

We were small and thought we knew nothing
Worth knowing. We thought words travelled the wires
In the shiny pouches of raindrops,

Each one seeded full with the light
Of the sky, the gleam of the lines, and ourselves
So infinitesimally scaled

We could stream through the eye of a needle.

Daar komt de dood – Heinrich Heine

Heinrich Heine (1797-1856) is de grootste lyrische dichter van het Duitse taalgebied. Hij was joods, hij voelde vaak als een goi, hij was ernstig, hij was ironisch, hij was trots, hij was onzeker, hij was ernstig, hij was speels, hij was romantisch, hij was klassiek – hij lijkt weliswaar eenvoudig – maar toch zijn veel van zijn gedichten diepzinniger dan die van al zijn diepzinnige tijdgenoten.

Friedrich Nietzsche, Peter Vos en Karel van het Reve waren bewonderaars. Er zijn ook schrijvers geweest die Heinrich Heine met Toon Hermans vergeleken (Boudewijn Büch) of die Heine de Piet Paaltjens der Duitse letteren noemden (J.P. Guépin). Martin van Amerongen – aan wiens artikel ik dit ontleen – was een groot bewonderaar.

Het conflict tussen besef van eigenwaarde en besef van nietigheid veroorzaakt de spanning in dit gedicht.

Toelichting is verder overbodig: er is geen woord latijn bij.

Ik kwam het gedicht voor het eerst tegen bij Karel van het Reve, die een groot liefhebber van Heine was, net als Van het Reve’s leermeester Jacques Presser, die ooit een bloemlezing samenstelde van Heine’s gedichten: Ich weiss nicht was soll es bedeuten. Een bloemlezing (1956, met een prachtige inleiding).

Het gedicht behoort tot Heines Nachgelesene Gedichte 1845 – 1856.

Vertaling:

Daar komt de dood

Daar komt de dood – nu gaat het dagen
wat steeds mijn trots verbergen wou
tot in de eeuwigheid: voor jou, voor jou,
mijn hart heeft steeds voor jou geslagen.

De kist is klaar, men laat mij dalen
in het graf. Dan ben ik vrij.
maar jij, maar jij, Maria, jij
zult huilend naar mij blijven talen.

Ik zie je zelfs je mooie handen wringen –
O huil toch niet – dat is het lot gewoon,
het mensenlot: – wat goed en schoon
en groot is, zal een droevig slotlied zingen.

Origineel:

Es kommt der Tod

Es kommt der Tod – jetzt will ich sagen,
Was zu verschweigen ewiglich
Mein Stolz gebot: für dich, für dich,
Es hat mein Herz für dich geschlagen!

Der Sarg ist fertig, sie versenken
Mich in die Gruft. Da hab ich Ruh.
Doch du, doch du, Maria, du
Wirst weinen oft und mein gedenken.

Du ringst sogar die schönen Hände –
O tröste dich – Das ist das Los,
Das Menschenlos: – was gut und groß
Und schön, das nimmt ein schlechtes Ende.

Gebed – Carol Ann Duffy

Carol_Ann_Duffy

Carol Ann Duffy (Wikimedia Commons)

Carol Ann Duffy is een Schotse dichter en toneelschrijver. Ze was van 2009 tot 2019 Poet Laureate van het Verenigd Koninkrijk. Ze is hoogleraar Contemporary Poetry aan de Manchester Metropolitan University. Duffy is openlijk biseksueel.

Duffy kreeg een katholieke opvoeding, maar werd al betrekkelijk jong atheïst. Over de relatie tussen gebed en poëzie zei ze ooit dat die twee erg op elkaar lijken.

Ze houdt van gewone taal, gebruikt op een gelaagde manier. Ze houdt niet – vertelde ze in een interview – van interessante ‘Seamus Heaney-woorden’, wat in deze context betekent dat die woorden vreemd zijn en de woordbetekenissen nauwelijks bekend.

Het gedicht Prayer is de Engelse vertaalopgaaf van de vertaalwedstrijd Nederland vertaalt 2020. De uiterste inzenddatum was 28 februari 2020. Onderstaande vertaling is mijn inzending.

Het gedicht beschrijft niet-godsdienstige vormen van de gebedshouding, een houding van intense aandacht: een vrouw die haar hoofd opheft als ze de bomen hoort ruisen, een man die verstijft als hij aan zijn middelbareschool-tijd terugdenkt bij het geluid van een langskomende trein, de kamerhuurder die geroerd wordt door een uiterst eenvoudig pianomuziekje dat onverwacht opklinkt, het desolate effect van een kindernaam die luidkeels geroepen wordt, de radio die een routine prevelt en daarmee een trance opwekt.

Bij mijn opvoeding werd een zin van Paulus vaak aangehaald: ‘Het geloof is uit het horen’ (Rom. 10:17). Alle gebedservaringen die door Carol Ann Duffy worden opgeroepen, worden door geluiden opgewekt, en die geluiden worden bovendien steeds taliger: eerst ruisen, dan het metrische geratel en gestamp van een trein dat aan Latijnse verzen doet denken, dan het roepen van een kindernaam, en ten slotte de bijna gescandeerde berichten voor de scheepvaart.

Shipping Forecast

De Engelse zeedistricten inclusief Finisterre (Bron)

De Engelse zeedistricten in de slotregel komen voor in de Shipping Forecast, een nieuwsbericht met een heel strakke vorm. Als u er een poosje naar wilt luisteren, dan kunt u op youtube terecht. Deze namen heb ik in vertaling vervangen door de plaatsnamen die op de Nederlandse radio voorkwamen in de berichten over de waterstanden, berichten die tot 1985 werden voorgelezen, en die ook een vast stramien volgden. Hier is een voorbeeld (met helaas vrij slechte geluidskwaliteit).

Aardig is dat de zeedistricten voor de Engelsen een vergelijkbare existentiële betekenis hebben als de waterstanden voor de Nederlanders.

De Engelse slotnaam Finisterre – een naam die nu niet meer gebruikt wordt voor het betreffende zeedistrict – betekent ‘einde der aarde’. Die betekenis heb ik niet helemaal kunnen overbrengen. Het Grave beneden de Sluis – in latere edities van de berichtgeving over de waterstanden in onbruik geraakt – roept wel een vergelijkbaar eeuwigheidsbesef op.

De dichter Ida Gerhardt gebruikte in haar gedicht Radiobericht eveneens het trance-effect van de radiostem die de waterstanden voorlas.

Op Twitter hebben eerder al twee Twitter-collega’s – Jelle van Baardewijk en Karel Smouter – hun vertaling openbaar gemaakt. Leuk om te lezen! Het zijn heel andere – veel vrijere – vertalingen dan de mijne die betrekkelijk streng de sonnetvorm volgt: ik heb rijm, metrum en aantal regels gehandhaafd: de vrijheden die ik me heb veroorloofd betreffen kleine inhoudelijke aanpassingen (bijv. waterstanden i.p.v. scheepvaartberichten) en in een paar gevallen de toevoeging van een extra versvoet (de metrische eenheid, twee extra lettergrepen).

Het oorspronkelijke gedicht is gepubliceerd in de bundel Mean Time (1993).

[Toevoeging 25 april 2020: Mijn vertaling is niet genomineerd voor de prijzen van de wedstrijd Nederland vertaalt. Er waren 495 inzendingen. De vijf genomineerde vertalingen kunt u hier raadplegen.]

Vertaling:

Gebed

Soms overdag, al lukt bidden ons niet, dient een gebed
zich aan. Een vrouw die plots haar hoofd opheft
uit de zeef van haar handen, als ze de wet
van de trage zang der bomen, een genade, beseft.

Soms ‘s nachts, al geloven we niets, dringt door
wat waar is, de kleine vertrouwde pijn;
een man die verstijft, die zijn jeugd terughoort
in de verre Latijnse cadans van een trein.

Nu dan, bid voor ons. De huurder wordt ongewild
vertroost door ’t prille loopje van een pianist
dat uit het stadje opklinkt. Schemer; iemand gilt
de naam van een kind alsof het is vermist.

Buiten is ‘t donker, de radio bidt binnenshuis –
IJsselkop. Lobith. Grave beneden de Sluis.

Origineel:

Prayer

Some days, although we cannot pray, a prayer
utters itself. So, a woman will lift
her head from the sieve of her hands and stare
at the minims sung by a tree, a sudden gift.

Some nights, although we are faithless, the truth
enters our hearts, that small familiar pain;
then a man will stand stock-still, hearing his youth
in the distant Latin chanting of a train.

Pray for us now. Grade 1 piano scales
console the lodger looking out across
a Midlands town. Then dusk, and someone calls
a child’s name as though they named their loss.

Darkness outside. Inside, the radio’s prayer –
Rockall. Malin. Dogger. Finisterre.

Over de dood – John Keats

John_Keats_by_William_Hilton

John Keats (Wikimedia Commons)

De Engelse dichter John Keats (1795-1821) is een van de belangrijkste dichters van de Romantiek. Hij behoorde tot een groep dichters waartoe ook Percy Byssche Shelley en Lord Byron behoorden. Zijn dichterlijke productie kwam in ongeveer zes jaar tot stand, want hij overleed al heel vroeg – op 25-jarige leeftijd – aan tuberculose.

Zijn vader stierf toen hij acht was, en zijn moeder toen hij veertien was. Hij stierf in Rome en ligt ook daar begraven. Enkele weken na zijn dood schreef Shelley een gedicht ter herdenking aan Keats, onder de titel Adonais.

Het vertaalde gedicht bevat een zowel hoogst ernstige als vermakelijke omkering. Ik denk niet dat iemand veel baat heeft bij een uitgebreide toelichting. Het gedicht blijft geheimzinnig, maar het spreekt toch voor zichzelf, zonder dat het ook maar in de geringste mate faciel is.

Arie Storm

Arie Storm

Het zijn twee kwatrijnen met een streng rijmschema en een duidelijk metrum. De strenge vorm werkt toch niet storend omdat het fraaie ritme het gedicht laat zingen.

De aanleiding tot deze vertaling was een korte en prettige tweetwisseling (hier en hier) met de Nederlandse romanschrijver en literatuurcriticus Arie Storm op Twitter. De tweetwisseling eindigde met de dood, en Storm poste vervolgens On Death van John Keats. Aanvankelijk dacht ik dat het niet te vertalen was, maar ik heb het toch geprobeerd.

Op hoop van zegen.

Vertaling:

Over de dood

Kan dood soms slapen zijn, als leven dromen is,
elk zalig tafereel voorbij gaat als een waan?
Vergankelijk gerief wordt spookgeschiedenis,
de grootste angst blijft toch om dood te gaan.

Hoe vreemd dat ’t mensenkind op aarde dwaalt,
een treurig leven leidt, en ferm en onverkort
zijn ruige paden volgt; en hij er evenmin naar taalt
zijn vloek te zien, die is dat hij straks wakker wordt.

([20-2-2020] De regel ‘en scènes van geluk verzwinden als een waan?’ vervangen door ‘elk zalig tafereel voorbij gaat als een waan?’ En ‘deze mens’ is vervangen door ”t mensenkind’.)

 

Origineel:

On Death

Can death be sleep, when life is but a dream,
And scenes of bliss pass as a phantom by?
The transient pleasures as a vision seem,
And yet we think the greatest pain’s to die.

How strange it is that man on earth should roam,
And lead a life of woe, but not forsake
His rugged path; nor dare he view alone
His future doom which is but to awake.