Categorie archief: Poëzie

Kwatrijn

Hotel_Angst.001_219

Hotel Angst met dames (Wikimedia Commons)

Heel zacht ging ik haar kamer binnen;
Zij lag op bed met opgetrokken been…
Maar toen ik over liefde wou beginnen,
Bevroor mijn tong, en werd mijn hart van steen.

 

Advertenties

Met jou aan mijn hand

IJssel Dieren - zonsopgang

IJssel met overstroomde uiterwaarden bij  zonsopgang, Dieren, 2016

Voor Chanel Bleiker, ter gelegenheid van haar verjaardag, in liefde.

Met jou aan mijn hand
Bestijg ik hoge bergen,
Bezeil ik woeste zeeën
Laat alle ironie varen.

Ik loop tientallen mijlen,
Met jou aan mijn hand;
Daal van honderden trappen,
Juich diep onder de grond.

Mijn onverdiende geluk
Wordt vermengd met gegak,
Met jou aan mijn hand,
Van duizenden ganzen.

Mijn kwijnende ironie,
Mijn ondergronds gejubel,
Leg ik neer in dit lied,
Met jou aan mijn hand!

Unity

Edward Hopper, The House by the Railroad (1925)

Edward Hopper, The House by the Railroad (1925)

Oorspronkelijk wilde ik een gedichtje maken met het woord Twitter erin. Dat mislukte, en in plaats daarvan ontstond dit versje:

Unity

Methought, exclaimed a desperate soul,
One day all things will form a whole
In which I play a vital role…

But none of this came ever true;
The earth was rock, the ocean glue,
The swallow twitt’ring, and the heaven blue.

Het bevat een citaat, een zinsnede uit Elegy Written in a Country Churchyard (1750) van Thomas Gray.

De regels 17-20 van de Elegy luidden:

The breezy call of incense-breathing Morn,
The swallow twitt’ring from the straw-built shed,
The cock’s shrill clarion, or the echoing horn,
No more shall rouse them from their lowly bed.

Honnepon

Honnepon staat op het punt haar bril af te zetten.

Honnepon staat op het punt haar bril af te zetten.

Honnepon

Honnepon lag bleek als was
Lang uitgestrekt in ’t groene gras,
Ontdaan van bril en bloemjapon,
Zich bruin te bakken in de zon.

Ik zag een toefje okselhaar…

Oh Honnepon, één nachtje maar,
Ik zou de koning zijn te rijk,
Al zag je bleekgroen als een lijk.

Capriccio

Willem Wilmink

Willem Wilmink

Ter gelegenheid van de 19e Willem Wilmink Dichtwedstrijd had ik een gedicht met de titel Capriccio ingezonden. De opdracht was om een door Ingmar Heytze opgegeven regel in het gedicht te verwerken. Deze regel luidde: Alles is meteen zo veel. Voor het overige was de verzenmaker vrij.

Capriccio

Alles is meteen zoveel machtiger als je het opblaast,
Laaiender als de zon schijnt,
Dromeriger in de hooitijd,
Bedrieglijker als je jong bent.

Ik volgde haar deinende heupen in Madame Tussauds.
Alles is heviger als je geketend wordt,
Als je haar silhouet bevend ziet rijmen,
Als je denkt dat je haar levend kust.

In maten en kleuren is Alles te koop.
Zingend dansen ze op het scherm,
Jonge mensen, spontaan en fris.
Geluk wiegt geurend in een flacon.

“Van verzen word je niet rijk”, zingen ze,
“Je kunt beter wat anders gaan doen.”
Kan me niks schelen; ik wil altijd Alles
Omhelzen, iedereen op stelten zetten.

Scheepmaker schreef Over Alles
De kip van Egypte, voetbal, samizdat,
Ik ben het moe een mens te zijn” –
Dwars tegen wijze adviezen in.

Soms droom ik dat ik Alles ben,
Een luchtbel met een glans van mystiek.
“Omnia vanitas”, zegt de Prediker.
En het wordt niet snel licht.

Men spreekt wel van ‘Alleskunners’.
Ik zal vermoedelijk niet dol op ze zijn,
Maar ik heb, als wijlen Szymborska, gemakkelijk praten:
Ik ken er niet één.

Wie Alles kan, schrijft geen gedichten.
De goddelijke komedie trekt een select publiek:
Wilmink, Mandelstam, de Beatrijs,
Montale, Auden, Focquenbroch!

Christus wilde Alles verlossen,
Een alleszins vermetele poging die thans evenwel
Als minder geslaagd wordt beschouwd:
“Alles is meteen zo veel.”

Alles is een betovering.
Wie haar met ontroering aanziet, stamelend aanspreekt,
Lokkend meevoert, looft en dartel omhelst,
Danst een verrukkelijke, capricieuze dans.

Het gedicht is overigens niet in de prijzen gevallen.

De wereld koelt af

703px-Nuremberg_chronicles_-_Dance_of_Death_(CCLXIIIIv)

Tanz der Gerippe. Illustratie in de Liber Chronicarum (1493) door Michael Wolgemut.

Dactyli:

De wereld koelt af

De wereld koelt af, maar ons hart hamert voort,
Voorlopig althans: een naargeestige stem
Weerklinkt in spelonken, ruïnes en wouden,
Soms krijsend of mompelend – altijd verward.
Het rare geluid komt vervaarlijk dichtbij,
Om dadelijk weer in een schim te verdwijnen.

Strak als een boom staat een man in het bos:
Een eenzame fiets leunt met dwarsgericht voorwiel
op een scheefstandig kruis – god wat moeten wij doen?
Wat is daar gebeurd? Misschien een verkrachting?
Of worden wij straks nog door vreemden vermoord?
Er zijn er die zeggen dat God niet bestaat.

De duivel, zegt Kousbroek, is non-existent;
Een vrouw kust mijn lippen, ik huil als een kind;
Een stormvlaag jaagt gierend door kreunende bomen;
De post brengt een afschrift met negatief saldo;
Maar weinigen zijn in staat te bedwingen
De drang van de wereld, de angst van het hart.

Een man zoekt een vrouw en een vrouw zoekt een man;
Hun harten zijn dartel, hun lichamen speels;
Een eenzame eekhoorn verstijft in de nacht,
Want kreten van wellust verlaten het huis.
…Is iemand in staat om mij te vertellen
Waarom hij zo bot werd, waarom zij zo bits?

Al wijten wij rampspoed aan spoken of trollen,
Al brengen wij vloekend een vijand ten val,
Al kussen wij vurig begeerlijke vrouwen,
Al zoeken wij waarheid en vinden wij goud,
Wij dansen en springen en kletsen als gekken,
Op de Rand van ons Graf en Op Weg naar de Dood.

The Widow and the Mouse

495px-Kletterkünstler_HausmausSoms schrijf ik een vers in het Engels. Het gaat makkelijker dan in het Nederlands – ik denk omdat de dichterlijke traditie me er minder in de weg zit.

The Widow and the Mouse

The world is full of dread and grief,
As Science not yet knows;
In caves of stubborn unbelief
The desperation glows.

A Widow, walking on the street,
Reflects her life and age:
The Bible she has stopped to read;
Her comfort is her rage.

I once discussed a big taboo:
The danger was a Mouse;
A bachelor like Winnetoo
Could not have been a spouse.

The Widow hears a distant call:
The Mouse treads on her foot;
It is a tender animal,
No Shatterhand will shoot.

Look at the Widow’s milk-white thighs,
So definitely crossed;
Her body recollects the sighs
That are forever lost.

No Mouse has ever told the truth;
No Mouse has ever lied;
No Widow’s conscience is that smooth,
But both have multiplied.

The Widow thinks about the State,
Whose buildings are so huge;
In wood and plastic Mice create
A hole for their refuge.

We all are forced to lead a life
As if w’re able to;
And man creates from nine to five
A reasonable Zoo.

And yesterday I prayed to God
For courage and for cash;
“Why me a pig, O Lord, why mud
The proper place to wash?”

No answer got I, but perhaps
He structured lonely time;
Poor engineers are bridging gaps
Whith rhythm and with rhyme.

That’s why I try to cultivate
A meadow and a house,
In which may all participate:
The Widow and the Mouse.

Rijmen kan niet meer

Norsk_Orgel-Harmoniumfabrikk_harmonium_(clip)_-_Holm_camping,_Bindal,_Norway,_2014-07-24_(photo_by_Henning_Klokkeråsen)Rijmen kan niet meer
Das war einmal, maar rijmen kan niet meer.
Het is passé, schlemielig en bekrompen –
Harmoniums zijn immers psalmenpompen,
Wie dankt er nog op vrome toon de Heer?

Vergeet ze maar, die komma’s van weleer,
Die Hoofdletters, die streepjes en die lompe,
Pedante punten – dat geklos op klompen,
Die taalterreur van juffrouw Ganzenveer.

Mijn verzen zijn van zulke zaken vrij
En adresseren zonder haperingen –
Ik blijf het liefst mijzelve zeer nabij,

Al laat ik and’ren gaarne hymnen zingen,
Of zich verliezen in een hospartij

De kern, de grond, het wezen van de dingen!