Categorie archief: Poëzie

Een kaartje naar de Melkweg

Een kaartje naar de Melkweg

Zacht schoof ik de gordijnen open.
De straten glommen in het zwakke licht.
Een autodeur sloeg woedend dicht.
Ik zag de schimmen door de regen lopen.

Er viel geen touw meer vast te knopen
aan wat, uit noodzaak, sleur of plicht,
door mij was opgeschreven of verricht.
Ik wou een kaartje naar de Melkweg kopen.

Wie laks is en niet goed is voorbereid,
lijdt in de hoogte kans op helse pijnen
en valt ten prooi aan hemelgruis en strijd.

Voilà, een visum, krachtvoer, medicijnen.
Ik wist wat ik moest doen, ik nam de tijd.
De grootste opgaaf is om te verdwijnen.

(Eigen werk)

Advertenties

De heks

De heks

De heks zat blakend voor de microfoon.
Haar rode sjaaltje hing een beetje scheef.
Ze sprak op een verleidelijke toon.

Ze weet niet, overwoog ik, waar ik woon.
Het was alsof het parfum overdreef.
De heks zat blakend voor de microfoon.

Haar broche leek sprekend op een anemoon,
Waaraan mijn blik steeds haken bleef.
Ze sprak op een verleidelijke toon.

Haar borsten dansten lichtelijk asynchroon.
‘k Begon te vrezen dat ik iets misdreef.
De heks zat blakend voor de microfoon.

Mijn ouders hielden innig van hun zoon.
Het is geen wonder dat ik verzen schreef.
Ze sprak op een verleidelijke toon.

Voorzichtig kom ik uit mijn comfort zone,
En als ik mij ten slotte aan haar geef,
Zie ik haar blakend voor de microfoon.
Ze sprak op een verleidelijke toon.

(Eigen werk)

Als je aan kunst doet

Als je aan kunst doet

Als je aan kunst doet, moet je beelden maken:
Di Lampedusa schiep een zeemeermin uit schelpen;
‘k Plavei met pindakaas, en stut met bonenstaken.

De lampenkap leek wel gemaakt van gouden knaken,
En warmt niet alle liefde zich aan vossenwelpen?
Als je aan kunst doet, moet je beelden maken.

Sint Joris bond de strijd aan met de draken,
Het culturele raamwerk is van elpen,
Ik verf met pindakaas, en klim in bonenstaken.

De wetenschap kan slechts wat codes kraken,
Wie weet nog hoe de publicatievloed te stelpen?
Als je aan kunst doet, moet je beelden maken.

Geneeskracht schuilt, zegt men, in gele pastinaken,
Een halfrijm helpt een vers soms aan te sterken,
‘k Vervloek de pindakaas, en walg van bonenstaken.

Uit welke droom zal niemand ooit ontwaken?
De porno helpt de mens zichzelf te helpen.
Als je aan kunst doet, moet je beelden maken,
Al eet je pindakaas, en plaats je bonenstaken.

(eigen werk)

De angst voor de dood

Experiment met klank en metrum.

De angst voor de dood

De angst voor de dood is het grootst in de Doeroelizanen,
En zij krakelieren hun nakroost zo gauw ze voor ’t eerst zijn gekrield.
Verlateringskloet heeft zich snel in hun klompige armen ontzield,
En niemand heeft ooit nog de Karmitoet durven vermanen.

De Karmitoet is, met zijn keilige stroken en platsige wenden,
Door Doerilizanen en Elpen en Pinok met vreugde aanvaard,
Al had onze Pinok bitoeren, en heeft hij dramentig in tarsoe verklaard
Dat hij zijn krawatsen, zijn heil en zijn konterziek spoedig zal zenden.

Zo komt het dat Karmitoet Pinok de droesem amechtig doet klieven,
En Elp zich versnaterd ten koste van Pinok en Doerilizaan.
Het helpt niet bepaald dat dezulken zich troekus en krenk laten gaan,
Maar ach, de graven beslinken zodra het behaagt aan de krong der gelieven.

(Eigen werk)

De boom der liefde

De boom der liefde

Ze hoopte dat haar man weer aan zou sterken,
En bette liefdevol het transpirerend hoofd.
Het fraaie kerkhof telt wel duizend zerken.

Een kraai verhief zich schielijk op zijn vlerken:
Wat hij gezien had, had geen mens geloofd.
Ze hoopte dat haar man weer aan zou sterken.

De vogel vloog nu zonder aarzeling ter kerke:
Het liefdesloon is dat men eeuwig slooft.
Het kerkhof zwijgt en telt wel duizend zerken.

De hovenier verzorgde plichtsgetrouw de perken.
De boom der liefde droeg een bitter ooft.
Ze hoopte dat haar man weer aan zou sterken,

En dat de buren nooit iets zouden merken:
Het lijk was van zijn waardigheid beroofd.
Het fraaie kerkhof telt wel duizend zerken.

Ze werd geroerd door ’t bloeden van de berken.
Ze had zijn schedel met een bijl gekloofd.
Ze had gehoopt dat hij weer aan zou sterken.
Het kerkhof telt nu meer dan duizend zerken.

(Eigen werk)

Hoofdpiet wordt Heiligman

Graag draag ik ook een steentje bij aan het hier te lande zo welig tierende Zwartepietendebat.

Ik koos voor de vorm van het Ollebolleke of de Dubbele Dactylus, ook wel Dartele Dactylus. Deze  versvorm heeft twee strofen die allebei als metrum hebben: ollekebolleke, ollekebolleke, ollekebolleke, ollekebom. De eerste regel is een soort motto, de tweede een naam, en de tweede regel van de slotstrofe moet uit één woord bestaan. De slotregels van de beide strofen moeten rijmen.

De aanleiding was het bericht dat de hoofdpersoon van het vers, Erik van Muiswinkel, na jarenlang op de televisie Hoofdpiet te zijn geweest, ervoor gekozen heeft om dit jaar als hoofdstedelijke Sinterklaas op te treden.

Hoofdpiet wordt Heiligman –
Erik van Muiswinkel
Koos voor de lijkkleur,
De baard en de staf.

O wat een tragische
Huidkleurverandering,
Want al die wittigheid
Gaat er nooit af!

Rozen

Rozen

Je vouwde
van mijn sidderingen
rode rozen,
rozen die geurden.

Getuite lippen
zonden kleurige bellen
langzaam naar omhoog,
bellen die eindelijk,
zweven konden,
gevuld met huiver.

“Ik geloof
in de regenboog”,
sprak ik ferm,
en strekte
mijn hand
naar haar uit
als een bescheiden
god.

Met onvaste stem
zong ik een lied.

Toen plukte ik
langzaam
de rozen
van haar borsten,
blies zacht
het dons
van haar billen,
en vlijde mezelf,
onder de traag
neerdalende bellen,
geriefelijk
in haar lendenen,
vergenoegd
als een kind.

Wij lachten.
Wij stamelden.
Wij kusten.
Wij ademden.

Wij vergingen
onafwendbaar
in de vlammen
van ons vlees.

“Kom liefste”, riep ik,
“er zijn nog meer bloemen!”

(Eigen werk)

Straten van goud

Straten van goud

De Heilige Stad heeft straten van goud.
Een vlammengloed besluit het jaargetijde.
Zie toe – dit tafereel is eeuwen oud.

Van haat vervulden doen haast alles fout.
’t Klimaatvooruitzicht stemt niet tot verblijden.
De Heilige Stad heeft straten van goud.

Soms word je door de goden afgesnauwd.
De zoutpilaren zijn niet te benijden.
Zie toe – dit tafereel is eeuwen oud.

De harten van de mensen worden koud.
De dichtkunst weet geen warmte te verspreiden.
De Heilige Stad heeft straten van goud.

Een bloeddoorlopen eeuw is ons vertrouwd,
Voor wie geleden heeft, wie heeft doen lijden.
Zie toe – dit tafereel is eeuwen oud.

Kloekmoedigheid was vroeger meestal ‘stout’,
(Wat ons nog slechts tot geilheid kan verleiden).
De Heilige Stad heeft straten van goud.
Zie toe – dit tafereel is eeuwen oud.

(Eigen werk)

Hersenspoeling

Dit is een kleine oefening in het schrijven van een villanelle, een heel strenge versvorm waarin twee regels die onmiddellijk in de eerste strofe van drie regels worden genoemd, afwisselend worden herhaald in de volgende strofen, om uiteindelijk, na elkaar in het slotkwatrijn op te treden als slotregels.

Een villanelle heeft negentien regels: vijf strofen van drie regels waarin de refreinregels uit het openingsterzine afwisselend worden herhaald, en een afsluitend kwatrijn waarin de refreinregels optreden als slotregels. Er komen slechts twee rijmklanken in voor.

Hersenspoeling

Het spoelen van de hersens kun je leren:
Soms louter weerstand wat je tegenkomt.
Het is het privilege van de hoge heren

Om zomaar iets zelfzuchtigs te beweren,
En door te lullen tot de tegenstand verstomt.
Het spoelen van de hersens kun je leren.

Het hebben van bezit wekt alom ons begeren,
En wie niks heeft, denkt meestal dat dat komt
Door ’t privilege van de hoge heren.

Een duffe garderobe met confectiekleren
Wordt niet door simpel kletsen uitgegomd.
Het spoelen van de hersens kun je leren.

Maar wie zich met het eigentijdse redeneren
Onledig houdt, en zich als populist vermomd,
Omzeilt het privilege van de hoge heren.

Toch hoeft de lezer niet te dispereren,
Want het komt hoe dan ook weer goed: verdomd,
Het spoelen van de hersens kun je leren,
Dat blijft het privilege van de hoge heren.

(Eigen werk)

 

Schapen zoeken op de maan

Schapen zoeken op de maan

Schapen zoeken op de maan naar water.
Het veer glijdt zacht over de doodsrivier.
De wespen doen zich hier te goed aan bier.
Successen komen nu, of nooit, of later.

De godsdienststichter stortte in een krater.
Een witte eenhoorn danste van plezier.
De tederheden dwalen op papier,
Je ziet het misschien niet, maar toch, het staat er.

Ik ben, weet ik, geen man van bacchanalen,
Geen god meer die triomfen viert in bed,
Al trek ik in gedachten volle zalen,

En schrijf ik vlijtig voort aan dit sonnet.
Ze kunnen desgewenst me komen halen:
‘k Woon driehoog achter, in een serviceflat.

(Eigen werk)

Grijze haren

Dit versje dateert van een paar weken geleden. Het was een kleinigheid, een niemendalletje misschien, maar ik merk dat ik het bij herlezing wel aardig vind.

Grijze haren

Voor Machiel Wetselaar, ter gelegenheid van zijn 50e verjaardag.

Alle bladeren vergelen
Bij het klimmen van de jaren;
Onze blik gaat somber staren,
Zelfs het spel gaat ons vervelen.

Maar hoe groot ook de gevaren,
Ook de dood – een hoogst reële –,
Je blijft je liefste teder strelen,
Al draagt je kop ook grijze haren.

Unity

Edward Hopper, The House by the Railroad (1925)

Edward Hopper, The House by the Railroad (1925)

Oorspronkelijk wilde ik een gedichtje maken met het woord Twitter erin. Dat mislukte, en in plaats daarvan ontstond dit versje:

Unity

Methought, exclaimed a desperate soul,
One day all things will form a whole
In which I play a vital role…

But none of this came ever true;
The earth was rock, the ocean glue,
The swallow twitt’ring, and the heaven blue.

Het bevat een citaat, een zinsnede uit Elegy Written in a Country Churchyard (1750) van Thomas Gray.

De regels 17-20 van de Elegy luidden:

The breezy call of incense-breathing Morn,
The swallow twitt’ring from the straw-built shed,
The cock’s shrill clarion, or the echoing horn,
No more shall rouse them from their lowly bed.

Honnepon

Honnepon staat op het punt haar bril af te zetten.

Honnepon staat op het punt haar bril af te zetten.

Honnepon

Honnepon lag bleek als was
Lang uitgestrekt in ’t groene gras,
Ontdaan van bril en bloemjapon,
Zich bruin te bakken in de zon.

Ik zag een toefje okselhaar…

Oh Honnepon, één nachtje maar,
Ik zou de koning zijn te rijk,
Al zag je bleekgroen als een lijk.

Capriccio

Willem Wilmink

Willem Wilmink

Ter gelegenheid van de 19e Willem Wilmink Dichtwedstrijd had ik een gedicht met de titel Capriccio ingezonden. De opdracht was om een door Ingmar Heytze opgegeven regel in het gedicht te verwerken. Deze regel luidde: Alles is meteen zo veel. Voor het overige was de verzenmaker vrij.

Het gedicht is overigens niet in de prijzen gevallen.

Capriccio

Alles is meteen zoveel machtiger als je het opblaast,
Laaiender als de zon schijnt,
Dromeriger in de hooitijd,
Bedrieglijker als je jong bent.

Ik volgde haar deinende heupen in Madame Tussauds.
Alles is heviger als je geketend wordt,
Als je haar silhouet bevend ziet rijmen,
Als je denkt dat je haar levend kust.

In maten en kleuren is Alles te koop.
Zingend dansen ze op het scherm,
Jonge mensen, spontaan en fris.
Geluk wiegt geurend in een flacon.

“Van verzen word je niet rijk”, zingen ze,
“Je kunt beter wat anders gaan doen.”
Kan me niks schelen; ik wil altijd Alles
Omhelzen, iedereen op stelten zetten.

Scheepmaker schreef Over Alles
De kip van Egypte, voetbal, samizdat,
Ik ben het moe een mens te zijn” –
Dwars tegen wijze adviezen in.

Soms droom ik dat ik Alles ben,
Een luchtbel met een glans van mystiek.
“Omnia vanitas”, zegt de Prediker.
En het wordt niet snel licht.

Men spreekt wel van ‘Alleskunners’.
Ik zal vermoedelijk niet dol op ze zijn,
Maar ik heb, als wijlen Szymborska, gemakkelijk praten:
Ik ken er niet één.

Wie Alles kan, schrijft geen gedichten.
De goddelijke komedie trekt een select publiek:
Wilmink, Mandelstam, de Beatrijs,
Montale, Auden, Focquenbroch!

Christus wilde Alles verlossen,
Een alleszins vermetele poging die thans evenwel
Als minder geslaagd wordt beschouwd:
“Alles is meteen zo veel.”

Alles is een betovering.
Wie haar met ontroering aanziet, stamelend aanspreekt,
Lokkend meevoert, looft en dartel omhelst,
Danst een verrukkelijke, capricieuze dans.

De wereld koelt af

703px-Nuremberg_chronicles_-_Dance_of_Death_(CCLXIIIIv)

Tanz der Gerippe. Illustratie in de Liber Chronicarum (1493) door Michael Wolgemut.

Amfibrachen:

De wereld koelt af

De wereld koelt af, maar ons hart hamert voort,
Voorlopig althans: een naargeestige stem
Weerklinkt in spelonken, ruïnes en wouden,
Soms krijsend of mompelend – altijd verward.
Het rare geluid komt vervaarlijk dichtbij,
Om dadelijk weer in een schim te verdwijnen.

Strak als een boom staat een man in het bos:
Een eenzame fiets leunt met dwarsgericht voorwiel
op een scheefstandig kruis – god wat moeten wij doen?
Wat is daar gebeurd? Misschien een verkrachting?
Of worden wij straks nog door vreemden vermoord?
Er zijn er die zeggen dat God niet bestaat.

De duivel, zegt Kousbroek, is non-existent;
Een vrouw kust mijn lippen, ik huil als een kind;
Een stormvlaag jaagt gierend door kreunende bomen;
De post brengt een afschrift met negatief saldo;
Maar weinigen zijn in staat te bedwingen
De drang van de wereld, de angst van het hart.

Een man zoekt een vrouw en een vrouw zoekt een man;
Hun harten zijn dartel, hun lichamen speels;
Een eenzame eekhoorn verstijft in de nacht,
Want kreten van wellust verlaten het huis.
…Is iemand in staat om mij te vertellen
Waarom hij zo bot werd, waarom zij zo bits?

Al wijten wij rampspoed aan spoken of trollen,
Al brengen wij vloekend een vijand ten val,
Al kussen wij vurig begeerlijke vrouwen,
Al zoeken wij waarheid en vinden wij goud,
Wij dansen en springen en kletsen als gekken,
Op de Rand van ons Graf en Op Weg naar de Dood.

The Widow and the Mouse

495px-Kletterkünstler_HausmausSoms schrijf ik een vers in het Engels. Het gaat makkelijker dan in het Nederlands – ik denk omdat de dichterlijke traditie me er minder in de weg zit.

The Widow and the Mouse

The world is full of dread and grief,
As Science not yet knows;
In caves of stubborn unbelief
The desperation glows.

A Widow, walking on the street,
Reflects her life and age:
The Bible she has stopped to read;
Her comfort is her rage.

I once discussed a big taboo:
The danger was a Mouse;
A bachelor like Winnetoo
Could not have been a spouse.

The Widow hears a distant call:
The Mouse treads on her foot;
It is a tender animal,
No Shatterhand will shoot.

Look at the Widow’s milk-white thighs,
So definitely crossed;
Her body recollects the sighs
That are forever lost.

No Mouse has ever told the truth;
No Mouse has ever lied;
No Widow’s conscience is that smooth,
But both have multiplied.

The Widow thinks about the State,
Whose buildings are so huge;
In wood and plastic Mice create
A hole for their refuge.

We all are forced to lead a life
As if w’re able to;
And man creates from nine to five
A reasonable Zoo.

And yesterday I prayed to God
For courage and for cash;
“Why me a pig, O Lord, why mud
The proper place to wash?”

No answer got I, but perhaps
He structured lonely time;
Poor engineers are bridging gaps
Whith rhythm and with rhyme.

That’s why I try to cultivate
A meadow and a house,
In which may all participate:
The Widow and the Mouse.

Rijmen kan niet meer

Norsk_Orgel-Harmoniumfabrikk_harmonium_(clip)_-_Holm_camping,_Bindal,_Norway,_2014-07-24_(photo_by_Henning_Klokkeråsen)Rijmen kan niet meer

Das war einmal, maar rijmen kan niet meer;
het is passé, schlemielig en bekrompen –
harmoniums zijn immers psalmenpompen,
wie dankt er nog op vrome toon de Heer?

Vergeet ze maar, die komma’s van weleer,
die hoofdletters, die streepjes en die lompe,
pedante punten – dat geklos op klompen,
die taalterreur van juffrouw Ganzenveer.

Mijn verzen zijn van zulke zaken vrij
en adresseren zonder haperingen –
ik blijf het liefst mijzelve zeer nabij,

al laat ik and’ren gaarne hymnen zingen
of zich verliezen in een hospartij

de kern, de grond, het wezen van de dingen!