Categorie archief: Citatentrommel

Poëzie volgens Emily Dickinson

Onlangs (2 november 2016) werd ik geattendeerd op een recent blog over onderwerpen die mij zeer interesseren: Elizabethanpartsongs. Het wordt volgeschreven in voortreffelijk Engels door iemand, kennelijk een Nederlander, die ik niet ken, die op zijn blog niets over zichzelf bekend maakt, iemand die duidelijk een hekel heeft aan de literatuurwetenschap (waarover Karel van het Reve in 1979 de Huizinga-lezing Het raadsel der onleesbaarheid hield), iemand ook die leesbaar en interessant schrijft over de onderwerpen die hem bezig houden, iemand ten slotte die (als ik mag afgaan op WordPress-meldingen “posted on x-x-2016 by klaasalberts”) zichzelf Klaas Alberts noemt. Misschien heet hij zelfs wel zo.

Ik citeer een brieffragment dat door Alberts wordt aangehaald. Het is van Emily Dickinson, een dichteres die ook verder uitgebreid ter sprake komt op genoemd blog. Het fragment trof mij als raak:

If I read a book and it makes my whole body so cold no fire can ever warm me, I know that is poetry. If I feel physically as if the top of my head were taken off, I know that is poetry. These are the only ways I know it. Is there any other way?

Het werd geschreven omstreeks 1870 in een brief aan een zekere Higginson. Zie het door James Reeves geredigeerde en van een inleiding voorziene, Selected Poems of Emily Dickinson, Heinemann Educational Publishers 1959, p.104.

 

Het bevatten van de werkelijkheid

In een lezing voor de Chesterton Society, gaf de Belgische schrijver en sinoloog Simon Leys (pseudoniem van Pierre Ryckmans) een definitie van poëzie die niet alleen veel misverstanden kan wegnemen, maar tevens helder maakt waar het in de dichtkunst om gaat.

“But what is poetry? It is not merely a literary form made of rhythmic and rhyming lines – though Chesterton also wrote (and wrote memorably) a lot of these. Poetry is something much more essential. Poetry is grasping reality, making an inventory of the visible world, giving names to all creatures, naming what is. Thus, for Chesterton, one of the greatest poems ever written was, in Robinson Crusoe, simply the list of things that Robinson salvaged from the wreck of his ship: two guns, one axe, three cutlasses, one saw, three Dutch cheeses, five pieces of dried goat flesh… Poetry is our vital link with the outside world – the lifeline on which our very survival depends – and therefore also, in some circumstances, it can also become the ultimate safeguard of our mental sanity.”

Chesterton is uiteraard G.K. Chesterton of voluit:  Gilbert Keith Chesterton.

De lezing van Leys is opgenomen in diens laatste essaybundel The Hall of Uselessness: Collected Essays, New York, NY: New York Review Books 2013.

Domheid

Twee citaten over de menselijke domheid. Het is vaak wat hovaardig – maar ook amusant natuurlijk – om zo’n citaat te gebruiken, dus je moet ermee oppassen.

Kurt Tucholsky (Dürfen darf man alles):

Die mensliche Dummheit ist international.

Albert Einstein (Zitate und Aussprüche):

Zwei Dinge sind unendlich, das Universum und die menschliche Dummheit, aber bei dem Universum bin ich mir noch nicht ganz sicher.

Misgelopen Nobelprijs – R.S. Thomas

R.S. Thomas werd in 1995 genomineerd voor de Nobelprijs voor literatuur 1996, een prijs die toen is gewonnen door Wisława Szymborska, een (overleden) Poolse dichteres die ook bijzonder mooie verzen maakte.

Hij vond het maar niks om genomineerd te worden,1 maar zei uiteindelijk:

“I don’t know anything about the mechanics of the business, but one can only be grateful if anybody thinks you’re worth putting up” […] “It’s sort of local boy made good and I imagine that all over the world there are minorities putting up their champions.”

 


  1. Zie Marianne Macdonald, ‘R S Thomas nominated for Nobel prize‘, Independent, 9 juli 1995. 

The World Is What It Is

BendInTheRiverEind jaren tachtig had ik een tijdelijk baantje. Ik werd, samen met een paar andere Wageningse studenten, uitgezonden om een vuilstortplaats aan te leggen in de directe nabijheid van het Noordzeekanaal. Het was een enorm weiland van, misschien, een kilometer bij een halve kilometer. Als we ‘s-morgens aankwamen stoven de fazanten links en rechts voor ons busje weg. We logeerden in een goedkoop hotel in Wijk aan Zee, verdienden ongeveer tien gulden per uur en kregen dagelijks vijfentwintig gulden om van te eten en goedkope whisky’s te drinken (Ballantine’s), onder het genot waarvan wij the people, the world and the universe bespraken.

We moesten in de breedte van het, met een aarden wal omsloten en van rechte geulen voorziene weiland lange stroken zwart kunststof uitrollen en vervolgens aan elkaar lassen. Dat lassen deden we met een speciaal laswagentje, en wel op zo’n manier dat er een luchtbaan in de las terecht kwam. In die luchtbaan moest de opgevoerde druk enige tijd in stand kunnen blijven, ten teken dat er geen lekkages in de las zaten. Zo’n las duurde wel een uur. Het was de bedoeling dat het gehele weiland zodoende werd bedekt met een ondoordringbare laag kunststof.

Een van mijn collega-uitzendkrachten die al ruim in de dertig was, een niet-westerse socioloog wiens carrière maar niet van de grond kwam, opende op zeker moment zijn mond, terwijl we samen ieder een laswagentje traag voortduwden, midden in de nietigmakende weidsheid van het gaandeweg geplastificeerde Noord-Hollandse landschap, met op de achtergrond een reusachtig cruiseschip dat magistraal door de weilanden schoof, en hij citeerde vloeiend de compromisloze openingswoorden van de roman A Bend in the River:

The world is what it is; men who are nothing, who allow themselves to become nothing, have no place in it.

De romanschrijver is V.S. Naipaul. Naipaul’s biograaf, Patrick French, heeft er de titel van zijn biografie aan ontleend.