Categorie archief: Beschouwing

Een voetnoot bij het begrip Cultuurmarxisme

Cultuurmarxisme

Omslag boek onder redactie van Paul Cliteur, Jasper Jansen en Perry Pierik

Het begrip ‘cultuurmarxisme’ – een spookachtig, anachronistisch verzinsel – wordt door louche-rechtse lieden (The Post Online, Sid Lukassen, Sietske Bergsma, Wierd Duk, PVV, FvD) gebruikt om een vermeende culturele tendens te beschrijven.

Paul Cliteur, Voorzitter Wetenschappelijk Bureau van FvD, jurist, militant-atheïstische schrijver, mede-redacteur van een boek met de titel Cultuurmarxisme, meent een argument voor de alomvattende greep die het begrip op de geesten heeft, te kunnen ontlenen aan het feit dat er geen PVV-hoogleraren zijn. Hierop is kritiek gegeven. Zie bijvoorbeeld dit Twitter-draadje van de theoloog en publicist Stefan Paas.

De kritiek is raak, en Cliteur heeft dergelijke kritiek zeer verdiend, maar deze gaat toch in mijn ogen voorbij aan het centrale punt. Dat punt is dat het bestaan van een verondersteld verschijnsel – ‘cultuurmarxisme’ – wordt aangetoond met de niet-respectabiliteit van de PVV.

Het aangevoerde feit, dat een positieve houding jegens de PVV niet als respectabel wordt beschouwd onder de elite van journalisten, televisiemakers, wetenschappers, beleidsmakers en schrijvers, is moeilijk te loochenen.  Dat is gewoon zo.

Alleen zelfstandige ondernemers en mensen hoog in de commerciële hiërarchie (die soms ook tot de elite worden gerekend) zijn soms wel duidelijk PVV-gezind (eigen waarneming), maar die komen sowieso niet voor hun politieke voorkeur uit in het openbaar.

De zwakte van Cliteurs betoog schuilt niet in het ter ondersteuning aangevoerde  feit – de niet-respectabiliteit van de PVV – maar in de gedachte dat dit feit het verschijnsel ‘cultuurmarxisme’ aantoont.

Daarvoor zie ik geen enkele aanleiding: het marxisme-leninisme is vrijwel over de gehele linie in diskrediet, de greep die het neomarxisme op de geesten heeft, is geen fractie van wat die in de jaren ’70 en ’80 was, en de afkeer van de PVV wordt beleden door heel diverse groepen.

De PVV rekruteert zijn islamofobe kiezers vooral onder de militante atheïsten, bekrompen protestanten, Telegraaflezers die het graag gezellig houden, gemelijke ex-katholieken, Teeuwen/Van Gogh-bewonderaars en GeenStijl-trollen.

Maar wie blijven er dan nog over? Dat zijn:
1.) Links: Groen Links, PvdA, SP;
2.) Christenen: CDA, CU en SGP;
3.) Migranten: DENK en anderen;
4.) Hoogopgeleide burgers die areligieus, onburgerlijk en vernieuwend willen zijn: VrijLinks, D’66.

Je kunt bezwaarlijk van dit gemêleerde gezelschap beweren dat ze er een gemeenschappelijke cultuurmarxistische filosofie op nahouden.

‘Cultuurmarxisme’ is een verschijnsel uit de jaren ’70 en ’80 van de 20e eeuw. Toen wemelde het van de fellow-travellers van sovjet-communisme en maoïsme, en was er daadwerkelijk een aanzienlijke neomarxistische invloed op het intellectuele leven.

Als je een argument zoekt voor ‘cultuurmarxisme’, dan zou ik het negeren in de Nederlandse pers van Simon Leys noemen: hij heeft meer gedaan dan wie ook om het marxisme in diskrediet te brengen, en zijn overlijden in 2014 is in de Nederlandse kranten en op de Nederlandse tv volstrekt genegeerd.

PS Na het bovenstaande geschreven te hebben werd ik via Twitter op een gedegen en interessant artikel over het onderwerp geattendeerd door de Leidse historicus Adriaan van Veldhuizen – waarvoor dank. Het betreft: Daniël Korving en Jaap Tielbeke, ‘Genealogie van het cultuurmarxisme. Een complottheorie voor paranoïde rechts’, De Groene, 6 september 2017.

 

 

Advertenties

De strijd tegen politieke correctheid

In de jaren die voorafgingen aan de millenniumwisseling – de late jaren ’90 – kwam er ruime aandacht voor het verschijnsel ‘politieke correctheid’. In 1997 verscheen Correct. Weldenkend Nederland sinds de jaren zestig, van de Nederlandse socioloog en schrijver Herman Vuijsje.

Ik heb in 2008, toen een geactualiseerde editie van Vuijsjes boek Correct verscheen, het Wikipedia-artikel over de auteur geschreven. Ik schreef in dat artikel toen:

Veel onderwerpen die hij al in de jaren zeventig en tachtig van de 20e eeuw aansneed, lijken pas in de 21e eeuw brandend actueel te zijn geworden. In Nieuwe vrijgestelden en Lof der dwang uitte hij kritiek op het doorslaan van de cultuuromslag die begon in de jaren zestig. In 1986 schreef hij over etnisch verschil als Hollands taboe.

Vuijsjes boek Correct vind ik nog altijd de beste introductie tot het onderwerp, al is er uiteraard nadien nog wel het een en ander gepasseerd dat de auteur bij het schrijven niet bevroeden kon. Vuijsje was niettemin zeker vooruitziend: het onderwerp is zeer in betekenis toegenomen, zij het dat de evenwichtigheid waarmee hij het onderwerp heeft behandeld na 1997 verloren is gegaan.

In 2009 voegde ik aan het Wikipedia-artikel Theodore Dalrymple een sectie Thema’s toe dat afsloot met:

De oorzaak van onze culturele armoede moet worden gezocht bij de intellectuelen: zij hebben sinds de Verlichting gaandeweg (en in de twintigste eeuw op grote schaal) de fundamenten van onze beschaving aangetast en zij kijken nu, op politiek-correcte wijze, weg van de problemen die dat heeft veroorzaakt.

Die sectie voldeed eigenlijk niet aan de Wikipedia-richtlijnen: ik had mijn eigen leeservaringen samengevat, en dat mag eigenlijk niet, maar ik denk wel dat die sectie een vrij aardige opsomming geeft van zijn opvattingen.

Dalrymple is een auteur die regelmatig een nummer maakt van de politieke correctheid, een verschijnsel dat – volgens hem – vergelijkbare en ook doelbewust nagestreefde effecten heeft als de onderdrukking van de uitingsvrijheid onder dictatoriale regimes:

“In my studies of communist societies, I came to the conclusion that the purpose of communist propaganda was not to persuade or convince, not to inform but to humiliate; and therefore, the less it corresponded to reality the better. When people are forced to remain silent when they are being told the most obvious lies, or even worse when they are forced to repeat lies themselves, they lose once and for all their sense of probity. To assent to obvious lies is …in some small way to become evil oneself. One’s standing to resist anything is thus eroded, and even destroyed. A variety of emasculated liars is easy to control. I think if you examine political correctness, it has the same effect and is intended to.”

Ik voel in toenemende mate ergernis bij dit soort citaten. Dit soort beweringen treffen mij nu als aanstellerig. Ze zijn ook niet onschuldig. Menig dwaallicht – Joost Niemöller – of misdadiger – Anders Breivik – voelt zich erdoor gesterkt. Toen ik dit citaat op Twitter voorbij zag komen in een beamende context, schreef ik dan ook:

To equate political correctness with the ruthless suppression of people’s views under the worst of tyrannies is not only self-dramatizing; it is self-deceptive, self-exculpatory and self-aggrandizing. We had better not assent – in some small way – to such an obvious lie.

De strijd tegen politieke correctheid is het centrale thema van populistisch rechts, de enigszins louche, volkse beweging waarin nationalistische, antisemitische en xenofobe sentimenten hun uitweg vinden.

Om deze reden schreef ik de volgende Twitter-reeks:

  1. De boze reacties op ‘politieke correctheid’ zijn zeer overdreven. Het verschijnsel bestaat (uiteraard), maar de consequenties van de (vermeende) taboebreuk zijn de moeite van het noemen nauwelijks waard. En als je daar toch bang voor bent, dan hou je toch gewoon je mond dicht?

2. Deze boosheid jegens PC doet enigszins denken aan het romantische cliché dat een schrijver het heel zwaar heeft om waarheden die het publiek onwelgevallig zijn te openbaren. Daar heeft die schrijver veel moed voor nodig en een gevoel dat zijn schrijverij noodzakelijk is.

3. Ik weet niet wie dat cliché heeft verspreid: Chamfort? Nietzsche? Flaubert? – ook dit cliché is belachelijk in de context van een liberale, constitutionele democratie. Dat er een gevoel van noodzaak moet zijn, las ik voor het eerst bij Jan Greshoff (Zwanen pesten).

4. Dat bijna elke schrijver onzeker is, zoekt naar de voor hem geschikte vorm, zoekt naar de juiste toon, zoekt naar zijn onderwerp, spreekt uiteraard vanzelf. Maar des schrijvers onzekerheid impliceert niet volautomatisch des omstanders vijandigheid.

5. De schrijver C.S. Lewis stak in zijn boek The Personal Heresy de draak met de ‘moed’ die van schrijvers gevraagd zou worden:

CS Lewis - moed - courage

6. Theodore Dalrymple maakt altijd een nummer van de strijd die hij te voeren heeft tegen Politieke Correctheid. Hij begon al betrekkelijk vroeg, toen er nog werkelijk van strijd sprake was, maar ook zijn boeken liggen inmiddels bij Nederlandse ministers op hun nachtkastje.

7. De boosheid jegens ‘politieke correctheid’ komt niet zelden voort uit het terechte gevoel dat wat jij zegt ook inderdaad niet door de beugel kan. Dit gold al voor Jan Hendrik van den Berg, die ronduit racistisch was, maar het geldt ook voor de Telegraaf-journalist Duk.

8. Als ik Petrus was, zou ik bij de hemelpoort aan de uit de schemering opdoemende schrijvers en tweeps en journalisten vragen: “Waarom stelde je je zo aan?”

Drie titels van literaire lezingen

Wie een lezing houdt, geeft meestal aan die lezing ook een titel mee. Die titel kan – als de auteur zijn of haar titel goed heeft gekozen – veelzeggend zijn.

In dit korte blogtekstje vergelijk ik drie titels:

  1. Het woord bij de daad, van Harry Mulisch
  2. Mondelinge mededelingen, van Willem Frederik Hermans
  3. Nu ik hier iets zeggen mag, van Ida Gerhardt

De titels die Mulisch, Hermans en Gerhardt gekozen hebben, zijn treffend – ze laten meteen al iets zien over de houding die deze auteurs aannemen ten aanzien van het leven.

Mulisch is voluit megalomaan, Hermans natuurwetenschappelijker dan hij is, Gerhardt wat al te christelijk.

De titel van Mulisch is een bewuste omkering van De daad bij het woord [voegen], een bekende Nederlandse uitdrukking. Mulisch was enthousiast over de studentenrevolutie van de jaren ’60 en en de revolutie van Fidel Castro. Het Woord bij de Daad is een pamflet dat daadwerkelijk de Cubaanse revolutie met woorden steunt. Mulisch liep daarbij geen risico en kon daarbij moeiteloos zijn pose van literaire glamourboy handhaven. Pogingen om hem ter verantwoording te roepen – het was uiteraard verkeerd en onverantwoordelijk wat hij te berde bracht – liepen stuk op zijn solipsistische stilzwijgen of zijn stugge herhaling van oude standpunten.

De filosofische houding van Willem Frederik Hermans was gebaseerd op de natuurwetenschappelijke zienswijze. Hoezeer hij ook een romanticus was, en hoezeer ook geteisterd door wrokkigheid en ressentiment, hij wilde een dienaar van de waarheid zijn, hij wilde datgene zeggen wat zijn lezers niet onder ogen wilden zien, maar wat in zijn ogen onontkoombaar was. De titel van zijn gebundelde lezingen getuigt daarvan: Mondelinge mededelingen – meer valt er niet over te zeggen, en meer zegt het ook niet. Maar het is – denk ik – wel degelijk zo dat er meer over valt te zeggen. De slotzin van het door door Hermans vertaalde en door Wittgenstein geschreven Tractatus Logico-Philosophicus: “Van dat, waarover niet kan worden gesproken, moet men zwijgen”, is een streng klinkende constatering die, als deze als richtlijn wordt toegepast, hoogst onwenselijke resultaten afwerpt. Hermans wilde geen andere dan natuurwetenschappelijke pretenties voeren, al streefde hij volgens mij wel degelijk iets anders na, wat hij op andere momenten in interviews ook toegaf.

Ida Gerhardt was een dichteres die op latere leeftijd paranoïde werd, en haar leven lang geteisterd werd door gevoelens van miskenning. In de praktijk viel deze miskenning wel mee – ze heeft aanzienlijke literaire erkenning gehad – maar in haar gevoelsleven was deze erkenning slechts gebrekkig verankerd. Maar ze was ook een christelijke dichteres die samen met haar partner, Marie H. van der Zeyde, de bijbelse psalmen heeft vertaald. Ootmoed, een ander uitnemender achten dan jezelf, waren hoge deugden. Deze christelijke houding klinkt door in de nederige titel van haar voordrachten, Nu ik hier iets zeggen mag. Het wankele evenwicht tussen het besef van talent en roeping enerzijds en de boze houding jegens de (onontkoombare) literaire praktijk van kritiek en miskenning anderzijds, uitte zich in een wat al te nederige titel.

De titel van dit blogtekstje heeft – denk ik – de meeste verwantschap met de titel van Willem Frederik Hermans.

Wat betekent (ir)rationeel?

Een paar vragen over het gebruik van ‘rationeel’ en ‘irrationeel’.

 

  1. Ik begrijp vaak niet wat mensen bedoelen die iets ‘rationeel’ of ‘irrationeel’ vinden. Is de atheïstische levensbeschouwing rationeel? Kan een verlangen irrationeel zijn? En gedrag? Kan zo’n oordeel gelden voor levenskeuzes, vertrouwen, liefde, rebellie?
  2. Ik doel hier op het betrekkelijk gewone, dagelijkse spraakgebruik, inclusief het spraakgebruik dat gehanteerd wordt in recensies, columns en beschouwingen in serieuze culturele tijdschriften en landelijke dagbladen.
  3. Kan iemand die zijn mond stijf dicht houdt, die nooit iets zegt, die volhardt in stilzwijgen, ooit irrationeel zijn? Is strijdigheid tussen wat je doet en wat je zegt een criterium om iemand ‘irrationeel’ te noemen?
  4. Ik moet het huishouden doen, maar ik ga badmintonnen met de buurvrouw. Ben ik nu irrationeel? Ik wil eigenlijk graag badmintonnen met de buurvrouw, maar ik doe het huishouden, want mijn plichtbesef is sterker. Ben ik nu rationeel?
  5. Een vriend is overleden. Ik ben geen lid van een kerk. Ik steek een kaarsje op. Ben ik nu irrationeel? Ik ben wel lid van een kerk. Ik steek een kaarsje op. Ben ik nu dan irrationeel? Ik ben atheïst. Ik spot met de kaarsenpraktijk. Ben ik rationeel?
  6. Hebben ‘rationeel’ en ‘irrationeel’ te maken met de geldigheid van een oordeel? Of met de logica van de redenering? Of slaan die begrippen alleen op de neiging om al of niet te beredeneren wat je wilt of kunt, wat je niet mag, of wat je zou moeten?
  7. Of hebben de begrippen ‘rationeel en ‘irrationeel’ alleen geldigheid in het domein waar wordt vastgesteld wat waar is, juist is, correct? Zijn er ook dingen die zich aan zulk een vaststelling onttrekken, waarbij die begrippen niet geldig zijn?
  8. Als schilder exploreer ik het irrationele – wat doet iemand eigenlijk die dat zegt? Is het zoeken naar harmonie, schoonheid, evenwicht irrationeel? Kan het nastreven van disharmonie rationeel zijn? Kan het schilderen zelf (ir)rationeel zijn?
  9. Is een droom (ir)rationeel? En een sprookje? Of geldt dat oordeel alleen voor bewuste, gearticuleerde en aan anderen meegedeelde beschouwingen?
  10. Wordt het liefdesspel tussen man en vrouw irrationeel als er geen kinderen (meer) uit voort kunnen komen? Is dansen irrationeel? Grapjes maken? Plagen? Zelfmoordgedachten hebben?
  11. Is het optimaliseren van een productieproces rationeel? Of is het nadenken daarover (al of niet) rationeel? Zijn de opbrengsten van de productie van belang om te besluiten of de uitkomst van de optimalisering rationeel is?

  12. Ik optimaliseer een productieproces. Is daarbij de verwaarlozing van het milieu-aspect (of enig ander aspect) irrationeel? Kan de verwaarlozing van dat aspect op zeker moment misschien irrationeel worden? Na het rapport van de Club van Rome?
  13. Ik rook. Ik erken dat dat ongezond is. Ben ik nu irrationeel? Waarom dan, want ik streef niet naar een gezond leven. Ik rook niet. Ik ben een fanatieke antirook-activist.  Kan onmatigheid in het activisme mijn gedrag irrationeel maken?
  14. Kun je als mens zelfdestructief zijn, handelen dwars tegen je eigen belang in? Zou je het als zelfdestructief gepercipieerde gedrag ook rationeel kunnen noemen? Wie stelt dat belang eigenlijk vast?
  15. Mag ik alleen beweringen die op een rigoureuze natuurwetenschappelijke manier experimenteel getoetst kunnen worden, en ook langs die weg bevestigd zijn, rationeel noemen?
  16. Moet een zin waarvan gezegd wordt dat deze een (ir)rationele boodschap overbrengt een equivalent van een wiskundige operator bevatten, een woordje als dus of daarom, een bewering als ‘is gelijk aan’?
  17. Worden er eisen gesteld aan de begripsomschrijving van de elementen van een bewering? Komt een bewering over menselijk (on)geluk of over intelligentie of over ‘geschiktheid voor een baan’ überhaupt in aanmerking voor de kwalificatie ‘(ir)rationeel’?

Zelf gebruik ik die begrippen meestal alleen om een oordeel te geven over de vraag of de gekozen middelen geschikt zijn om een vooraf gesteld doel te bereiken. Voor andere zaken voldoen in mijn ogen andere begrippen beter.

Ik was dit artikeltje begonnen als een Twitter-draadje. Maar daarvoor lijkt het resultaat me ongeschikt.

 

Vertaalmachine

Vertaalmachines vertalen niet;
vertaalmachines converteren
(dacht ik tot op heden).

 

Wat is Google Translate, de bekendste vertaalmachine, toch een zegen voor de mensheid. Geniet ervan!

Dat wil in dit geval zeggen: juicht en jubelt als de leeuwerik, en houd uw geloof in de “letterlijke vertaling” levend – hoewel omhoog op turf of baars of slechte lage podium“!

Wat volgt is een ready made, een verlaat surrealistisch procédé, een vorm van écriture automatique:

 

 

De Caged Skylark

Als een durf-gale Skylark scanted in een saaie kooi,
Man’s montage geest in zijn been, huis, bedoel huis, woont –
Die vogel voorbij het herinneren van zijn vrije Fells;
Dit in somberheid, leeftijd dag-werkende-out van het leven.

Hoewel omhoog op turf of baars of slechte lage podium
Zowel zingen Soms is de liefste, zoetste spreuken,
Maar beide hangen dodelijk soms in hun cellen
Of wringen hun barrières in uitbarstingen van angst of woede.

Niet dat de zoete-gevogelte, zang-gevogelte, heeft geen rust –
Waarom, hoor hem, hem horen brabbelen & drop naar zijn nest,
Maar zijn eigen nest, wild nest, geen gevangenis.

Man’s geest zal vlees-gebonden, toen in het beste gevonden worden,
Maar uncumberèd: weide-down is niet bedroefd
Voor een regenboog footing, noch dat hij voor zijn botten gestegen.

Het hieronder afgedrukte vers van Gerard Manley Hopkins is de inspiratiebron van bovenstaande fascinerende woordstapelingen:

The Caged Skylark

As a dare-gale skylark scanted in a dull cage,
Man’s mounting spirit in his bone-house, mean house, dwells —
That bird beyond the remembering his free fells;
This in drudgery, day-labouring-out life’s age.

Though aloft on turf or perch or poor low stage
Both sing sometímes the sweetest, sweetest spells,
Yet both droop deadly sómetimes in their cells
Or wring their barriers in bursts of fear or rage.

Not that the sweet-fowl, song-fowl, needs no rest —
Why, hear him, hear him babble & drop down to his nest,
But his own nest, wild nest, no prison.

Man’s spirit will be flesh-bound, when found at best,
But uncumberèd: meadow-down is not distressed
For a rainbow footing it nor he for his bónes rísen.

Ik heb altijd beweerd dat vertaalmachines niet vertalen maar converteren. Volgens een bepaald algoritme worden woorden en zinnen van een brontaal geconverteerd naar woorden en zinnen van een doeltaal. Daar zitten uiteraard allemaal problemen aan vast die nog niet bevredigend zijn opgelost. Maar soms kan een machinevertaling helpen om een website in een vreemde taal althans enigszins te begrijpen.

Machinevertalingen zijn echter nooit behulpzaam bij het maken van echte vertalingen, vertalingen die de semantische eigenschappen en relevante klankaspecten van de oorspronkelijke tekst getrouw weergeven. Het kost meer tijd om een corrupte vertaling op te kalefateren dan om helemaal overnieuw te beginnen. Het is veel beter, en ook veel eenvoudiger, om from scratch een goede vertaling te maken, ongehinderd door voorafgaand gebroddel.

Maar, zo blijkt nu, converteren kunnen vertaalmachines eigenlijk ook niet goed.

Een Caged Skylark is altijd en overal, linksom of rechtsom, letterlijk of figuurlijk, bovendien volmaakt in overeenstemming met de primaire woordbetekenissen, dus zonder ook maar een ogenblik acht te slaan op de context, een gekooide veldleeuwerik.

Een dergelijke omzetting moet zelfs een machine, zou je haast denken, voor elkaar kunnen krijgen. En Google is – als ik het geronk over deze onderneming mag geloven – bepaald niet de geringste onder de softwareontwikkelaars.

Is ‘Het geloof der kameraden’ een satire?

In 2008 werd ik Wikipedia-redacteur. Dat betekende vrijwilligerswerk. De aanleiding was ergernis over de negatieve strekking  van het artikel over de historicus A.Th. van Deursen.

Een belangrijke informant van de eenzijdige kijk op Van Deursen op Wikipedia was Wim Berkelaar, een historicus die onder andere publiceert over het Nederlandse protestantisme. Deze had Van Deursen in een bijdrage aan de Academische Boekengids  (nr. 58, sept. 2006, p. 9-12) “een fundamentalist” genoemd. Nu is het niet eerlijk Berkelaar te verwijten wat anderen met zijn beweringen doen. Hoewel Van Deursen een zeer beschaafde persoon was, die zich – voor zover mij bekend – nimmer heeft misdragen, noch in werkelijkheid, noch in woord of geschrift, had Berkelaar natuurlijk wel gelijk dat Van Deursen in alle opzichten een steile protestant was. Maar de conclusie die het Wikipedia-artikel trok in de paragraaf Polemist voor eigen parochie (paragraaftitel was ontleend aan het stuk van Berkelaar) voordat ik mijn bewerkingen deed, namelijk dat Van Deursen een nauwelijks serieus te nemen historicus was, een conclusie die wel degelijk kon worden gebaseerd op het stuk van Berkelaar, kon ik toch niet accepteren.

Op 27 september 2015 kwam ik Berkelaar opnieuw tegen. Dit keer schreef hij een stuk over de kort daarvoor overleden schrijver Ger Verrips. En opnieuw ergerde ik mij, nu omdat hij over Het geloof der kameraden van de atheïst Karel van het Reve (diens afrekening met de marxistisch-leninistische wereldbeschouwing) zei, dat het “een roemruchte satire” was. Dat Van het Reve op een paar plaatsen in zijn boek laat merken dat hij een bepaalde redenering niet serieus kan nemen, betekent natuurlijk nog niet dat het essay een “satire” genoemd kan worden.

Wim Berkelaar is soms wel een beetje gemakzuchtig.

Een goede necrologie over Van Deursen is hier te vinden. De auteur is Jan Dirk Snel, de titel is ‘Arie Theodorus van Deursen (1931-2011)’, en het verscheen in het Historisch Nieuwsblad van 21 november 2011.

 

 

PS Mijn bijdragen aan het Van Deursen-artikel op Wikipedia (enkele terechte correcties in deze bijdragen zijn door andere redacteuren aangebracht; raadpleeg voor details de geschiedenis-pagina) waren weliswaar goed gefundeerd, maar voldeden eigenlijk niet aan de Wikipedia-richtlijnen. Origineel onderzoek was en is namelijk niet toegestaan. Wat in een Wikipedia-artikel terecht komt, dient eerst in gezaghebbende en raadpleegbare publicaties te zijn verschenen, en ook een nieuwe synthese op basis van allerhande bronnen, bijvoorbeeld journalistieke, is eigenlijk niet comme il faut. Aan dat laatste had ik me bezondigd.

Bij de dood van Prince Rogers Nelson

Op 21 april 2016 overleed Prince Rogers Nelson (1958-2016), de artiest die bekend stond als Prince, die enige tijd The artist formerly known as Prince (1993-1999) werd genoemd, en ten slotte weer Prince mocht heten.1 De doodsoorzaak was naar alle waarschijnlijkheid de overdosis van een pijnstiller.2

Het verdient aanbeveling om over de doden niet dan op correcte wijze te spreken: ‘De mortuis nil nisi bene‘, luidt het Latijnse gezegde, wat niet hetzelfde is als ‘de mortuis nil nisi bonum‘, over de doden niets dan goeds.

Het is niet gemakkelijk om over zijn muzikale prestaties ook maar een voorzichtig woordje van kritiek te vinden. Bijna iedereen is diep onder de indruk van wat Prince tot stand gebracht heeft. Zijn composities zijn geniaal, zijn orkestraties formidabel, zijn optredens waren fenomenaal, en zijn persoonlijkheid was onweerstaanbaar en – jawel – sexy. De muziek na zijn verscheiden zal nooit meer dezelfde zijn als de muziek voor zijn entree.

Over het masturbatieliedje Darling Nikki schreef The Guardian likkebaardend:3

If Darling Nikki doesn’t make you want to have hot, dirty sex – the kind you remember years afterwards with a frisson going down your back – then I don’t know what would. This was the song that caused Tipper Gore to form the Parents Music Resource Center to police the music industry in 1985, putting “Parental Advisory” stickers all over album covers.

Dat de waardering op een dergelijke kwijlende manier tot uitdrukking wordt gebracht, lijkt niet zonder betekenis: de muziek van Prince bedoelt bandeloze seks aan te prijzen en de opvoeding te ondermijnen, en slaagt daar – tot kennelijke tevredenheid van The Guardian – ook daadwerkelijk in. Egalité is het hoogste ideaal, want nooit zijn wij meer aan elkaar gelijk dan in in het moment van seksuele vervoering.

Op TMF, een website gewijd aan nieuws over celebrities, werd na zijn dood het sentimentele getwitter van collega-celebrities gereproduceerd,4 tweets die vervolgens duizendvoudig werden herhaald en gerecycled en uitgekauwd, als waren het uitspraken van betekenis.

In dit koor voegden zich uiteraard ook  politici zoals de Nederlandse Minister van Onderwijs Jet Bussemaker: “Hij was super-, supersexy”.5

Ik begrijp natuurlijk de ontsteltenis – en in een enkel geval: het verdriet – van collega-artiesten en nabestaanden. Ik hoop dat de artiest die gemeenlijk bekend stond onder de naam Prince zal rusten in vrede.

Maar de overledene lijkt me toch niet een cultuurdrager van de eerste orde geweest te zijn. Hij was misschien niet onmuzikaal, maar hij heeft – helaas – toch eigenlijk geen mooie muziek gemaakt. Prince was ijdel, narcistisch en megalomaan. Dat verhindert het maken van mooie muziek mogelijk nog niet helemaal, maar hij ontwikkelde zich eerder tot een performer, een zakenman en een stijlicoon – ‘kinderen allemaal naar binnen komen; sluit ramen en deuren!’ – dan tot een toonkunstenaar van betekenis. Hij verheerlijkte een permanente adolescentie – wat bij het klimmen der jaren uiteraard steeds moeilijker werd vol te houden. Is dat mogelijk de oorzaak van zijn voortijdige dood?

In 1999 was er een uitgebreid interview met The Artist bij Larry King. Prince gedroeg zich ijdel, self-conscious en onpersoonlijk: hij waakte ervoor – zichtbaar zenuwachtig en handenwringend – iets te zeggen dat zijn imperium aan het wankelen kon brengen.

When Doves Cry wordt wel als een hoogtepunt van de componist, uitvoerend musicus en zanger Prince beschouwd. Ik heb het liedje zojuist nog eens driemaal in zijn geheel beluisterd, maar het is, net als Purple Rain – toch zijn allergrootste hit – van een monotone, meedogenloze, paralyserende leegheid die de luisteraar neerdrukt in een staat van eindeloze, doffe verveling.

Als u mijn oordeel over zijn muzikale kwaliteiten niet vertrouwt, luister maar eens rustig naar het liedje Cream – ook al overladen met seksuele symboliek, net als bijna alles wat hij maakte – en u zult horen dat zijn muziek de artistieke geluidskwaliteit heeft van een stofzuiger.

Of het liedje I Wanna Be Your Lover, een stomvervelende Michael Jackson-imitatie, en dat terwijl het nagebootste en door plastische chirurgie misvormde voorbeeld – The King of Pop – zelf ook al van een intense treurigheid was.

prince-en-concert-1985

Prince treedt op (1985)(herkomst foto)

Misschien denkt u nu dat toch ten minste de teksten van Prince flonkeren boven een woud van deprimerende clichés, en dat het juweeltjes van poëzie zijn, die – je weet het maar nooit – de drammerige, hitsige dreun van zijn muziek kunnen goedmaken:

Dirty Mind

There’s something about u, baby
It happens all the time
Whenever I’m around u, baby
I get a dirty mind
It doesn’t matter where we are
It doesn’t matter who’s around
It doesn’t matter
I just wanna lay ya down
In my daddy’s car
It’s you I really wanna drive
But you never go too far
I may not be your kind of man
I may not be your style
But honey all I wanna do
Is just love you for a little while

(…)

3fmkuikengroot

3FM-kuiken met zonnebril

Helaas, ook deze tekst getuigt, zoals u ongetwijfeld ziet, van een gebrekkige formuleerkunst en bovendien van een erbarmelijke leeghoofdigheid die zijn weerga alleen in de popmuziek kent. Seks is natuurlijk iets moois, maar ik denk niet dat de muziek van Prince ons zal helpen om dat te ontdekken.

Prince leek in sommige opzichten op de kort voor hem (eveneens door eigen toedoen) overleden collega-artiest Amy Winehouse: de verschillen waren groot, maar beiden waren zelfdestructief, ambitieus en (in muzikale zin) middelmatig, een giftige combinatie.

Net als dictators en bokskampioenen worden popmuzikanten overladen met buitensporige (en hoogst twijfelachtige) vormen van eerbetoon: His Purple Majesty, His Royal Badness, The Artist en His Purple Highness waren de bijnamen van deze Jehova-getuige, en alleen al het leveren van voorzichtige kritiek maakt voor zijn bewonderaars duidelijk dat de criticus te kwader trouw is.

Het zij zo. De muziek van Prince lijkt mij eerst en vooral de triomf van zelfpromotionele agressie, overschenen – nu en dan – met vlaagjes van valse sentimentaliteit.6

[Enkele toevoegingen: 8-22 juni 2016]


  1. De naamsverandering wordt toegeschreven aan een zakelijk geschil met zijn platenmaatschappij Warner Brothers. De tijdelijke naamsverandering, die natuurlijk geen echte naamsverandering was, genereerde uiteraard ook winstgevende publiciteit.
  2. Website NOS Nieuws, ‘Prince overleden aan overdosis, zegt bron bij onderzoek‘, 2 juni 2016.
  3. Website The Guardian, 11 october 2011, Old music: Prince – Darling Nikki.
  4. Website TMF, Prince’S Death – Celeb Reactions, 21 april 2016 
  5. Website NOS Nieuws, Bussemaker had fascinatie voor Prince: hij was super-, supersexy, 21 april 2016.. 
  6. Deze bijdrage werd in rudimentaire vorm gepost op mijn Facebook-pagina op 22 februari 2016

Op zoek naar twijfel

Micha Wertheim

Micha Wertheim, fotograaf: Merlijn Doomernik

Micha Wertheim – een cabaretier en columnist die ik over het algemeen waardeer – schrijft als slotalinea van een column in Vrij Nederland:1

“Als satiricus is mijn wereldbeeld er een van tegenstrijdigheden. Daarom voel ik mij ook beter thuis bij Charlie Hebdo en Jan Böhmermann, wanneer zij op zoek zijn naar twijfel in plaats van zekerheden. Dat al die anderen ook gebruik willen maken van de vrijheid van meningsuiting is ze van harte gegund, maar vergeef het me als ik niet bij iedere mening de vlag van het vrije woord hijs.”

Ik geloof er bitter weinig van dat Charlie Hebdo, Jan Böhmermann (of Micha Wertheim) “op zoek zijn naar twijfel”. Dat lijkt me een moderne mythe. Deze mythe is – denk ik – in het leven geroepen om een moderne opvatting te schragen, namelijk dat een levenshouding zonder waarde-oordelen de hoogste morele deugd vertegenwoordigt. Ik beschouw een dergelijke levenshouding als een dwaling.

Veel cabaretiers – en zeker ook veel cartoons van Charlie Hebdo – tonen een innige tevredenheid met de eigen morele positie: iets zeggen waaruit blijkt dat jij lekker gelijk hebt, wordt door de meeste mensen als de hoogste vorm van humor beschouwd. Men denke hierbij aan Andries KnevelRichard Dawkins2of – inderdaad – Jan Böhmermann.3 Micha Wertheim zelf is overigens heel goed in staat om cabaret te maken waarin de humor voortkomt uit de onmogelijkheid of moeilijkheid om ergens zeker van te zijn.

Twijfel kan volgens mij heel goed het resultaat zijn van de zoektocht naar waarheid (en daarmee de kern uitmaken van de column, de cartoon of de sketch), maar niet het doel.

Ik geloof wel dat mensen vaak twijfelen, en ook dat je in je binnenste vaak twijfel voelt over de meningen die jou het meest dierbaar zijn, en dat je daarom – reeds twijfelende – op zoek bent naar schrijvers, kunstenaars, cabaretiers die jouw opvattingen onderuit kunnen halen, naar meningen dus die jouw reeds bestaande twijfel bevestigen.

Maar ik geloof eigenlijk niet dat mensen “op zoek zijn naar twijfel“.

[Een paar correcties op 20 juli 2016: Wertheim zelf is heel goed in staat om humoristisch te zijn door zijn twijfels te gebruiken voor cabareteske doeleinden. In de slotzin heb ik een bijzin over ‘zelfdestructie’ verwijderd: zelfdestructieve mensen zijn meestal desperaat op zoek naar zekerheid, niet naar twijfel.)


  1. Micha Wertheim, ‘Ik hijs niet bij elke mening de vlag van het vrije woord‘, Vrij Nederland, 18 april 2016 
  2. John Gray, ‘The Closed Mind of Richard Dawkins. His atheism is its own kind of narrow religion‘, New Republic, 3 oktober 2014: “It is hard to resist the thought that the public recognition that in Britain is conferred by a knighthood is Dawkins’s secret dream. A life peerage would be even better. What could be more fitting for this tireless evangelist than to become the country’s officially appointed atheist, seated alongside the bishops in the House of Lords? He may lack their redeeming tolerance and display none of their sense of humor, but there cannot be any reasonable doubt that he belongs in the same profession.” 
  3. Böhmermann mag delen smaadgedicht niet meer voordragen‘ (inclusief videofragment waarop de satiricus Jan Böhmermann het vers voordraagt dat de Turkse president Recep Tayyip Erdoğan in het verkeerde keelgat schoot), Website NOS Nieuws, 17 mei 2016.

De achilleshiel van de democratie

De komende zege der democratie0001

Titelblad De komende zege der democratie (scan eigen exemplaar)

Vlak voor de Tweede Wereldoorlog hield de beroemde Duitse schrijver Thomas Mann een aantal redevoeringen in de Verenigde Staten van Amerika, die uitgegeven zijn onder de titel: Vom zukünftigen Sieg der Demokratie (1938). Dit boekje is in een Nederlandse (geautoriseerde) vertaling uitgebracht door de Arbeiderspers in 1939.  De vertaler was prof. dr. Leo Polak (1880-1941), een Nederlands hoogleraar in de wijsbegeerte en het recht die een vroeg slachtoffer was van de Holocaust.

Op p. 22 schrijft Mann:

De democratie, ze mag dan van de mens denken wat ze wil, meent het in elk geval goed met de mensen. Zij wil hun peil verhogen, ze leren denken en ze bevrijden, aan de cultuur wil zij het karakter van een voorrecht ontnemen, die brengen tot het volk – in één woord: haar doel is opvoeding. Opvoeding is een optimistisch menslievend begrip – de achting voor de mens is er onafscheidelijk aan verbonden.

En op p. 29 lezen we:

De echte democratie, zoals wij die begrijpen, is nooit mogelijk zonder een aristocratische inslag – het woord “aristocratisch” niet genomen in de zin van geboorte of welke privileges ook, maar in geestelijke zin. In een democratie die het hogere leven des geestes niet eert en er niet door bepaald wordt, heeft de demagogie vrij spel, en het peil van het nationale leven wordt tot dat der onwetenden en der onbeschaafden verlaagd, in plaats dat het beginsel der opvoeding heerst en men zijn best doet om de onderste lagen tot cultuur op te heffen en aan het niveau der beteren de erkende heerschappij te verschaffen.

Thomas_Mann_1929 (1)

Thomas Mann (1929) – (Wikimedia Commons)

Mann schreef in een heel moeilijke tijd waarin demagogie, jodenhaat, genocide en minachting voor geest, intellect en kunst op weg waren naar een gruwelijk dieptepunt. Ik begrijp zijn poging om een hoopvolle boodschap te brengen. Ik begrijp ook waarom hij dat in Amerika deed, het land dat toen immers de enige hoop was van de Westerse cultuur, en bovendien het radicaalste en beste democratische voorbeeld.

Maar het valt op dat Mann ‘democratie’ hier behandelt in een zeer rooskleurige betekenis. Het is een betekenis die ik er weliswaar heel graag aan zou geven – bevorderaar van geest en cultuur, opvoeder, volksverheffer – maar die ik toch maar heel moeilijk kan onderschrijven. Mann spreekt als een idealist. Ik kan dit idealisme niet delen, hoe graag ik ook zou willen, want ik ben het uiteraard wel van harte eens met het ideaal.

Er zijn serieuze mensen geweest die bedenkingen hadden bij de democratie: Alexis de Tocqueville, Edmund Burke, Jérôme Heldring, onder veel anderen. Deze bedenkingen hoor je bijna nooit, want de democratie is voor de meeste mensen vrijwel onaantastbaar. De alternatieven zijn bovendien weinig aanlokkelijk. Maar toch is er een in mijn ogen onopgelost probleem: hoe kan worden voorkomen dat het volk op democratische wijze maatregelen afdwingt die vreselijk zijn, die fundamentele waarden aantasten, en dat het electoraat een beleid instelt dat onmenselijk is, dat dood en ellende van kwetsbaren tot gevolg heeft. Ik zou het antwoord wel eens willen weten.

Een parlementaire democratie biedt al wat meer waarborgen tegen overhaaste of verblinde faliekante beslissingen dan een directe democratie, omdat een parlement de ergste golven van domme woede en ingebeelde verontwaardiging nog kan tegenhouden, maar ook die dijk stelt me niet erg gerust. Er is geen enkele garantie dat de beschaving van volksvertegenwoordigers op een behoorlijk peil staat.

Theodoredalrymple

Theodore Dalrymple (Wikimedia Commons)

De Engelse arts-psychiater Theodore Dalrymple (pseud. van Anthony M. Daniels) heeft herhaaldelijk de aandacht gevestigd op wat hij de heersende “downward cultural aspiration” heeft genoemd. Ik citeer een paar zinnen uit zijn essay ‘All Men Are Created Snobs‘, gepubliceerd in het tijdschrift New England Review (mei, 2015):

Nowadays, however, it is persons in or from a higher social class who emulate those in a lower social class. They adopt the manner of speaking, dressing and cultural tastes of those below them. Intellectuals affect vulgar expressions and anyone with an avowed uninterest either in sport or in popular music is suspected at once of enmity towards the people, of the kind that at one time earned a ride in the charrette to the guillotine.

What does this change in the direction of cultural influence and aspiration signify? I think it signifies the complete ideological victory of egalitarianism, from which few dare derogate.

Democratie leek in 1938 een reddingsboei, maar ze wordt tegenwoordig soms eerder voorgesteld als een decadent luxeverschijnsel, vooral geschikt voor tijden waarin anderhalf procent vermindering van welvaartsgroei ten opzichte van het voorgaande jaar al “een recessie” wordt genoemd. Er wordt anno 2016 luide geroepen om ‘leiderschap’ aan de ene kant, en om diverse vormen van directe democratie anderzijds.

Hoe gewetensvrijheid, bescherming van minderheden, de vrijheden van godsdienst, vergadering, kritiek en meningsuiting, en een tijdige correctie van maatregelen die uiteindelijk niemand wil, op een andere manier dan op democratische wijze kunnen worden verwezenlijkt, weet ik niet, al denk ik wel dat ieder op zijn plaats en binnen zijn mogelijkheden hier een taak heeft, want ik vind die dingen stuk voor stuk van groot belang.

Maar de kwetsbaarheid van democratieën voor een afglijden in een poel van bruin of zwart of rood fascisme, vind ik zorgelijk. Grapjes hierover maken, helpt me niet.

Ik pleit nadrukkelijk niet voor een omverwerping van de democratie. Ik weet niks beters. Maar als platheid en lompheid, onverschilligheid en vulgariteit, meedogenloosheid en onwetendheid de toon gaan bepalen, en als het sportfestijn en de bevrediging van eigen genoegens het hoogste levensdoel vertegenwoordigen, als niemand meer weet waartoe we op aarde zijn, is er niet alleen geen enkele reden om aan een directe democratie te denken, ook de vertegenwoordigende, constitutionele democratie wordt bedreigd. Wat zou leiderschap in een democratische context dan nog kunnen betekenen? Aan volksverheffing en cultuurbevordering hoeven we dan zeker niet te denken, en de koers van het schip van staat kan dan niet anders dan zwalkend zijn.

“Wat wil het volk?” vroeg Gerard Reve in zijn gedicht Getuigenis, en hij antwoordde: “Niet veel goeds, dat is zeker.” Het is mij bekend dat Reve soms racistisch was en op een ergerlijke manier sprak over koffiebonen die met de jumbo het land uit gezet moesten worden – en dat pleit zeer zeker niet voor hem (ik heb bovendien een hekel aan de disculperende ironie van Reve en zijn bewonderaars) – maar dat Reve in het gedicht Getuigenis de achilleshiel van de democratie vastpakte, staat voor mij vast.

[Enkele aanpassingen 13 september 2016]

[Toevoeging 22 december 2016:

  • Een goed artikel van Jan Dirk Snel onder de titel Vrijheid en Democratie vindt u hier (Weblog Jan Dirk Snel, 8-4-2016).
  • Een goed artikel van Sjoerd van Hoorn over de oplossing van het probleem dat ik hierboven beschreef, onder de titel Over ‘Wat te doen met anti-democratische partijen?’ van George van den Bergh, vindt u hier (The Post Online, 23-12-2015).

Einde toevoeging]

 

Waarom gedichten?

Boempaukeslag

Boem Paukeslag, Paul van Ostayen

Ik heb een vriend – een heel goede vertaler – die moeite heeft met gedichten. Hij kan haast niet begrijpen waarom dichters hun gedachten niet gewoon in begrijpelijk proza opschrijven. Hij snapt ook niet waarom dichters hun versregels soms zo onlogisch afbreken.

Poëzie heeft een grotere intensiteit dan proza. Wie de intensiteit van een goed gedicht in proza wil vangen, wekt al snel de indruk dat het niet goed met hem gaat, dat hij krankzinnig is, of in ieder geval ernstig in de war. Liefde, wanhoop, natuurbeleving, haat, lofprijzing, mededogen, waarheidsliefde, religiositeit, zelfverwijt – al die dingen klinken, als je de intensiteit daarvan wilt overbrengen, heel theatraal of pathetisch in didactisch of betogend proza. Maar ze kunnen heel overtuigend zijn in goede poëzie. Poëzie is ook beknopter dan proza. Humor heeft niet zelden een dichterlijke vorm.

De afkeer die sommige mensen van poëzie hebben, wordt begrijpelijkerwijs gevoed door slechte verzen. En daar zijn er heel veel van.

Het ergert mij bijvoorbeeld bijzonder dat in Nederland de mode die door de Vijftigers is geïntroduceerd om alle leestekens weg te laten en verzen te produceren waaraan kop noch staart, noch ook enige andere syntactische bekommernis te ontdekken valt, zoveel navolging vindt. ‘Vond’ moet ik misschien zeggen. Behalve incidenteel bij Lucebert heeft, volgens mij, deze malle mode betrekkelijk weinig opgeleverd – het lijkt een beetje op atonale muziek; heel interessant, maar niet fijn om naar te luisteren! Maar dit is een zijspoor.

Als de wens om iets met grote intensiteit te schrijven er wel is, maar het dichterlijke vermogen daartoe ontbreekt,  krijg je Candlelight-verzen.

Er is ongelooflijk veel slechte poëzie, zoals er ook ongelooflijk veel slechte muziek en onleesbaar proza is.

Laat alles wat je niks vindt ongelezen, maar verzet je niet tegen wat mooi of ontroerend of amusant of anderszins overrompelend is.

Maar waarom breken dichters hun regels vaak zo raar af?

Afbrekingen van versregels zijn heel goed te vergelijken met maatstrepen in de muziek. Als ze je hinderen, geen probleem, plak alles achter elkaar, en geniet het resultaat alsof die strepen er niet stonden. De melodielijn loopt vaak over de maatstrepen heen, en er is geen enkele reden om je door die stomme strepen van de wijs te laten brengen. In sommige klassieke versvormen wordt het metrum strak gehandhaafd en worden de maatstrepen soms nog benadrukt door een eindrijm; bij modernere poëzie is het vaak wat vrijer, maar in wezen is er weinig veranderd. De bijbelse psalmen zijn trouwens met betrekking tot metrum en rijm ook (relatief) vrij, en ze ontlenen hun effect vaak aan andere muzikale middelen, zoals een suggestieve en uitgestelde climaxopbouw,  refrein, contrast en gevarieerde herhaling.

De dichter Hendrik de Vries (1896-1989) heeft een heleboel Spaanse volksgedichtjes vertaald. Hij publiceerde ze als ‘copla’s’. Eén daarvan luidt als volgt (ik citeer uit het hoofd):

Ik liep op het kerkhof rond;
Daar nam ik een kloek besluit:
Ik sloeg met mijn stok op de grond,
“Wie dapper is, komt er maar uit!”

Ik zou niet weten hoe je dat beknopt in proza zeggen kan, zonder subiet de indruk te wekken dat je hulp nodig hebt. Maar een onbegrijpelijk besef of thema is het zeker niet. En de lach die het vers opwekt staat evenmin los van de poëtische vorm. Ernst en plezier zijn beide tegelijkertijd en in gelijke mate aanwezig. En de Tijd, het verstrijken ervan, de onomkeerbaarheid ervan, is het grondthema van alle kunst.

En al dit gepraat kan het vers met geen mogelijkheid vervangen.1


  1. Als je deze slotzin van maatstrepen zou willen voorzien – ik heb daarmee geen poëtische bedoelingen gehad, al is het natuurlijk wel een soort punchline of pointe – dan zou je dat bijvoorbeeld als volgt kunnen doen: En al dit gepraat / kan het vers / met geen mogelijkheid / vervangen. 

Simon Leys – introductie (1)

Pierre Ryckmans I

Pierre Ryckmans I (door: Mathew Lynn)

Op 11 augustus 2014 overleed de grote Belgische schrijver en sinoloog Pierre Ryckmans, alias Simon Leys, geboren in 1935, op 78-jarige leeftijd in Sydney.

Hij schreef het mooiste, scherpste en waarachtigste proza dat er na de Tweede Wereldoorlog geschreven is. Hij heeft meer gedaan dan wie ook om een eind te maken aan de westerse gevoeligheid (die ongeveer duurde van 1960-1985) voor de totalitaire, communistische verleiding.

Theodore Dalrymple, pseud. van Anthony M. Daniels, schreef op 13 augustus 2014 als openingszin van een kort In Memoriam:

If fame were the reward of merit alone, Pierre Ryckmans, who wrote under the name of Simon Leys and has just died in Canberra aged 78, would have been one of the most famous men in the world.[1]

Zijn bekendste werk, essays die een démasqué van het Chinese communisme behelzen, schreef hij onder het pseudoniem Simon Leys: Les habits neufs du président Mao (De nieuwe kleren van Voorzitter Mao), in 1971, en Ombres Chinoises (Chinese schimmen), in 1974.

Hij gaf met zijn boek Chinese schimmen een krachtige impuls aan wat bekend staat als ‘Het China-debat’, een debat over de waarde van de maoïstische revolutie voor China en de wereld, waaraan in Nederland onder anderen W.F. Wertheim, Rudy Kousbroek, Renate Rubinstein, Anja Meulenbelt en Martin van Amerongen meededen. Hij schreef zijn enige roman La mort de Napoléon (De dood van Napoleon) in 1986. Hij publiceerde de door hem vertaalde Analects of Confucius (Uitspraken van Confucius) in 1997. Zijn mooiste en veelzijdigste essaybundel is misschien wel zijn laatste: The Hall of Uselessness, uit 2011. Hij was een bewonderaar van G.K. Chesterton, Emile Cioran, C.S. Lewis en George Orwell. Hij ontving belangrijke prijzen in het Franse en Engelse taalgebied.

Pierre Ryckmans II

Pierre Ryckmans II (door: Mathew Lynn)

U heeft misschien nog nooit van hem gehoord. Geen Nederlandse krant heeft ter gelegenheid van zijn overlijden uitgebreid aandacht aan zijn leven en werk besteed. Ons Erfdeel, het belangrijkste Vlaams-Nederlandse culturele tijdschrift, heeft wel een mooi levensbericht gepubliceerd. Frans was zijn moedertaal. Hij schreef ook rechtstreeks in het Engels.

Hij was een geleerde, een essayist, een humoristisch schrijver, een romanschrijver, een kalligraaf, een vertaler, een literair criticus, een illustrator, een cartoonist. Hij was katholiek, maar geen kwezel. Hij had een Taiwanese vrouw en was vader van vier kinderen. Hij woonde en werkte van 1970 tot zijn dood in Australië.

Hij was oomzegger en naamgenoot van Pierre Ryckmans (1891-1959) die “de beste gouverneur-generaal [was] die Belgisch Congo ooit heeft gekend”, zoals David Van Reybrouck schreef in het boek Congo.[2]

Ik zal de komende dagen in afleveringen een beschouwing publiceren over zijn leven en werk.


Voetnoten
1. Anders dan Dalrymple zegt, stierf Ryckmans niet in Canberra, maar in Sydney. Zie ook de bewerkingssamenvatting van deze bewerking aan het Engelse Wikipedia-artikel.
2. Google Books geeft bij dit boek geen paginanummers. Zoeken op “Ryckmans”. Zie ook hier.

Over religie

368px-RümkeHC

H.C. Rümke (Wikimedia Commons)

Net als bijvoorbeeld Gerard Reve en R.S. Thomas beschouw ik kunst en religie als tweelingen.

Ik geloof niet in bekrompenheid.

Ik denk dat poëzie vaak een vorm van bidden is, en ik denk ook dat de joods-christelijke bijbel op veel plaatsen probeert de waarheid te benaderen op een dichterlijke manier.

Ik ben niet langer vrijgemaakt-gereformeerd, de kerk waarin ik ben opgegroeid en opgevoed, maar ben wel overwegend dankbaar voor de lessen die ik daar heb geleerd.

Ik beschouw mezelf als een christen, twijfelend, spottend, ironisch, soms me overgevend, soms me verzettend, maar me steeds verbonden wetend met de voornaamste christelijke tradities.

Op de overlegpagina van het Wikipedia-artikel Weet. (een artikel over een orthodox-christelijk, populair-wetenschappelijk blaadje) heb ik in het verleden onder het geleende pseudoniem Theobald Tiger het volgende geschreven, dat hier eigenlijk beter op zijn plaats is dan daar:

 

[…] ik heb ondervonden dat mijn achtergrond geen ruimte bood aan de vragen die ik stelde en er evenmin een antwoord op had. En ook bij mij was de losmaking een pijnlijk proces, vooral omdat ik er slecht tegen kon dat ik mijn ouders verdriet deed. Maar een echte bevrijding was het toch niet, omdat ik er gaandeweg achter kwam dat niemand antwoord op mijn vragen had, al was er uiteraard machtig veel te ontdekken – nog steeds.

Ook heb ik niet zozeer angst voor een leven zonder religie – al kan het leven zelf donders beangstigend zijn. Ik geloof namelijk […, niet] dat je in een God dient te geloven als voorwaarde om moreel te kunnen handelen, schoonheid te kunnen ondergaan of ontroerd te kunnen worden. Maar […, ik] geloof toch ook niet dat je de religie kunt uitbannen zonder dat er iets wezenlijks verloren gaat.

Religie is geen zingeving, geen normenstelsel en geen bindmiddel voor gemeenschappen. Het is dat allemaal ook natuurlijk, maar dat is slechts een (niet onbelangrijk) neveneffect van wat ik als haar kern beschouw: zij is volgens mij het besef dat je als sterfelijk mens een bescheiden plaats inneemt in een wereld die – om met Dante te spreken – gedragen wordt door de liefde die het al beweegt, dat je dus – zelf eindig – deel hebt aan iets onvergankelijks.

Voor een georganiseerde religie is het bovendien nodig dat dit besef wordt gedeeld. Het wegvallen van dat gedeelde besef acht ik op den duur schadelijk voor kunst (opgevat in ruime zin zodat het ook het scheppen van harmonie in de eigen leefomgeving insluit), wetenschap en moraal.

Dit betekent uiteraard niet dat niet-religieuze mensen niet serieus met die onderwerpen bezig kunnen zijn, of dat ze geen waardevolle bijdragen kunnen doen – ik bedoel daarmee dat het religieuze besef onmisbaar is om dwalingen te onderkennen en om de moed op te brengen om – desnoods – alleen te staan in de verdediging van de kernwaarden van onze beschaving.

Dat het religieuze levensbesef ook bij veel vertegenwoordigers van de georganiseerde religie ontbreekt, behoeft verder geen betoog. Dat ook het wetenschappelijke streven voortkomt uit l’amor che move il sole e l’altre stelle is zeker waar en er is dan ook niets in mij dat zich tegen de beoefening en de resultaten van strenge wetenschap verzet (ik maak nadrukkelijk een uitzondering voor de sociale wetenschappen die ik – gunstige uitzonderingen daargelaten – als broedplaatsen van cultuurbederf beschouw).

Sigmund_Freud_LIFE

Sigmund Freud (Wikimedia Commons)

Veel ontwikkelde mensen beschouwen godsdienstigheid – in navolging van Freud – als een ontwikkelingsstoornis, als een inadequaat, regressief antwoord op levensangst. Dat is soms zeker het geval. Maar dat is volgens mij toch niet het enige dat erover gezegd kan worden. De godsdienst heeft mensen zeker niet alleen maar geremd, maar ze ook soms de kracht gegeven om de waarheid hoog te houden, en om kunst en wetenschap voort te brengen op het hoogste niveau. “Nergens heeft ooit het onechte een dergelijke ontroerende wijdende en bevrijdende kracht gehad“, schreef H.C. Rümke in zijn essay Karakter en aanleg in verband met het ongeloof (1939).

Ter voorkoming van misverstanden: aan religieuze kwezelachtigheid heb ik een even grote hekel als aan atheïstische bigotterie. Ik ben een groot bewonderaar van de onlangs overleden Belgische schrijver en sinoloog Pierre Ryckmans (pseud.: Simon Leys), zelf katholiek, en een groot en welsprekend verdediger van de beschaving, te midden van de krankzinnigheden die werden uitgekraamd door de fellow-travellers (die veelal het verlaten van het christendom als een bevrijding hadden ondergaan) van het religievijandige maoïsme in de jaren zestig, zeventig en tachtig van de vorige eeuw.

En daaraan voorafgaand schreef ik:

Militante atheïsten zijn […] vaak heel fel, en ik heb een grondige hekel aan de zendingsdrift, humorloosheid en onverdraagzaamheid van militante atheïsten […]. Ik beschouw de militante atheïsten die zo dapper met hun sabeltjes zwaaien in de stoet die aangevoerd wordt/werd door Harris, wijlen Hitchens en Dawkins als de kwezels van onze tijd.

Maar er speelt wel degelijk nog iets. Ik heb een orthodox-protestantse achtergrond. Ik heb van deze geloofsrichting zekere afstand genomen, zonder de gehele christelijke erfenis overboord te hebben gezet. Ik beschouw de gretigheid waarmee de westerse beschaving zich ontdoet van haar metafysische erfenis als een ernstige vergissing. Ik geloof niet dat een levenshouding die zich uitsluitend wenst te baseren op rationaliteit en wetenschap de beschaving die ik waardevol vind – het goede en het ware en het schone – in stand kan houden.

Ik denk – als ik mij voor de gelegenheid even wat verheven mag uitdrukken – dat een mythopoëtische houding een belangrijke manier is om toegang te krijgen tot de waarheid. Ik denk dat Freud, Marx en Darwin alledrie een rol gespeeld hebben – althans in bepaalde interpretaties van hun werk – in de afbraak van de houding die ik voorsta (van deze drie is Darwins erfenis overigens de meest waardevolle). En dat komt omdat de evolutietheorie niet alleen een vruchtbare wetenschappelijke hypothese is gebleken, maar van de aanvang af ook is geweest wat ik hierboven een pseudoreligieuze Ersatz heb genoemd.

Daartegen verzetten de christenen zich ook, en – of je het nu met ze eens bent of niet – daarin hebben ze volgens mij volkomen gelijk. Dat ze daarbij allerlei creationistische en andere dwaalwegen bewandelen, is heel jammer, maar dat is, vermoed ik, het directe gevolg van de letterlijkheidscultus en de symboolblindheid die je veel bij hen aantreft en die je trouwens ook vaak bij rationalisten ziet. Ik ben er niet zo zeker van dat de ernst waarmee wij elkaar proberen te begrijpen en waarmee we ons jegens elkaar verstaanbaar proberen te maken, een gevolg is van de ‘evolutie’, […].

Ik [… vind wel] dat de natuurwetenschappen heel belangrijk zijn, en feitelijk als enige aanspraak kunnen maken op de titel ‘wetenschap’. […] Ik beschouw persoonlijk alle niet-natuurwetenschappen als pseudowetenschap. Maar ik denk wel dat er nog heel andere domeinen zijn dan die van ratio en wetenschap, domeinen die ook onze volle aandacht en liefde verdienen.

En even verderop:

Religies zijn weliswaar meestal gebaseerd op een openbaring, maar religies zijn toch niet bedoeld om zekerheid te bieden. Zekerheid bestaat niet, vroeger niet en nu niet, en zekerheid zal ook nooit bestaan. Militante atheïsten als Sam Harris, Richard Dawkins, wijlen Christopher Hitchens, wijlen Rudy Kousbroek en de nog levende Max Pam weten niets van het christendom; ze vervloeken, kleineren en ridiculiseren het christendom, maar ze citeren nooit de beste vertegenwoordigers ervan.

Wetenschap bevordert inderdaad de twijfel, en godsdienst probeert de aandacht te richten op wat eeuwig is. Dat zijn twee buitengewoon goede strevingen, die elkaar – volgens mij – geenszins uitsluiten.

(…)

De afgelopen eeuw van wetenschap en techniek heeft inderdaad wonderen voortgebracht. Maar de religie heeft dat ook, zij het geheel andere wonderen, zoals de muziek van Bach. De kerk is verantwoordelijk voor een groot aantal gruwelen – en zij heeft daar nooit passende verontschuldigingen voor aangeboden – maar ook het atheïsme heeft het bedrijven van gruwelen niet geschuwd.

Voor goed geformuleerde en interessante tegenspraak verwijs ik naar de Wikipedia-overlegpagina waarop deze citaten voorkomen.

Aan de in 2014 overleden Simon Leys/Pierre Ryckmans zal ik binnenkort op deze plaats aandacht besteden.