Auteursarchief: Arie Sonneveld

Over Arie Sonneveld

In 1964 ben ik geboren in Berkel en Rodenrijs. In Wageningen studeerde ik tussen 1982 en 1989 Moleculaire Wetenschappen. Van 1994 tot 2000 werkte ik als leidinggevende bij academische boekhandels in Utrecht en Leiden en van 2000 tot 2008 als afdelingshoofd bij de Leidse universiteitsbibliotheek. Sindsdien werk ik als zelfstandig redacteur en vertaler. In 2014 was ik actief als Wikipedian-in-Residence voor zes speciale en wetenschappelijke bibliotheken. Van 2008 tot en met 2014 ben ik in mijn vrije tijd werkzaam geweest als Wikipedia-redacteur onder het van Kurt Tucholsky geleende pseudoniem Theobald Tiger. Ik lees graag gedichten, aforismen en essays.

Bij het passeren van de nieuwe Menenpoort – Siegfried Sassoon


Dit gedicht werd geschreven in 1927 door Siegfried Sassoon (1876-1967), een dag na de officiële opening van de poort, en werd gepubliceerd in 1928.

De Menenpoort is de Nederlandse naam voor Menin Gate. Het is een herdenkingsmonument in Ieper voor de anoniem gevallen soldaten van het Verenigd Koninkrijk en de Commonwealth die vochten in de Eerste Wereldoorlog en wier graf onbekend gebleven is.’

Sassoon schreef veel anti-oorlogslyriek. Het gedicht is een harde afwijzing van de Eerste Wereldoorlog en van de manier waarop WO-I herdacht wordt. Een goede vriend van Sassoon, Gordon Harbord, was gesneuveld bij Ieper. De dichter noemde zelf het gedicht zijn “final word on the 1914 War”. (Bron: Jean Moorcroft Wilson, Siegfried Sassoon. The Journey from the Trenches: a Biography (1918-1967), Gerald Duckworth/Routledge: 2003, p.186)

Menin Gate - Their Name Liveth for Evermore

Their Name Liveth For Evermore


De bittere zin over de leugen die in de poort gebeiteld staat, heeft in letterlijke zin betrekking op het feit dat de herdachte doden naamloos zijn, maar dat de poort zegt dat hun namen voor altijd zullen voortleven. Overdrachtelijk wordt uiteraard de leugen benoemd die is gelegen in het romantiseren van gruwelijke oorlogen.

Ieperboog is de Nederlandse naam voor de Yper Salient – het grote loopgravenstelsel bij Ieper, een uitstulping van de frontlinie in vijandelijk gebied, waarover het gedicht gaat en waar zich ook de Menenpoort bevindt.

Deze vertaling is gemaakt op verzoek van dr. Henk-Jan Prosman, die binnenkort een vertaling hoopt te publiceren van Peter Hitchens‘ boek The Rage Against God. Peter Hitchens, is een Engels schrijver en journalist. Hij is een Anglicaans christen met in politieke zin conservatieve opvattingen. Hij is de jongere broer van de militante atheïst Christopher Hitchens – één van The Four Horsemen – die in 2011 is overleden.

In Hitchens’ boek wordt het gedicht geciteerd op p.51.


Het gedicht is een sonnet in de Engelse traditie, met twee beklemtoonde slotregels (zoals ook bij Shakespeare). De versregels bestaan hoofdzakelijk uit jambische vijfvoeten, soms met trocheïsche opmaat, met uitzondering van de regels 10 en 11.

Ik heb de jambe gehandhaafd, maar het aantal versvoeten vaak wat uitgebreid. Het Nederlands is kwistiger met lettergrepen dan het Engels, en het doel van de vertaling is in dit geval ook dat deze kan dienen als bijdrage aan de vertaling van het boek. De betekenis moest daarom in mijn ogen voldoende getrouw worden overgebracht.

De tekst op de Menenpoort – Their Name Liveth For Evermore – is volgens The Penguin Book of First World War Poetry een citaat uit Jezus Sirach (Engels: Ecclesiasticus), hfdst. 44:15 (of 44:14). Rudyard Kipling heeft het uitgekozen.

Vertaling:

Bij het passeren van de nieuwe Menenpoort

Wie kent nog, als hij deze Poort passeert,
De aan de kogels roemloos prijsgegeven Doden?
Wie brengt er in hun smerig lot een keer, –
Dienstplichtigen, tot oneer en tot doem ontboden?

Grof opknapwerk houdt nu de Ieperboog bijeen.
Het loon voor al zijn grauwe strijders: praal en pronk;
Het loon: een stapel zelfvoldane-vredessteen
Voor een armee die in dit rampmoeras verzonk.

Hier was ‘s werelds wreedste wond. En innig tevreden
Meldt de Poort: ‘Hun naam zal thans voor altoos leven’.
Werd ooit een leugen over offers zo brutaal beleden
Als over deze namen die onduldbaar naamloos bleven?

Straks staan misschien de Doden op die sloofden in het slijk
En zetten deze misdaadtombe dan beslist te kijk.

Origineel

On Passing the New Menin Gate

Who will remember, passing through this Gate,
The unheroic Dead who fed the guns?
Who shall absolve the foulness of their fate, –
Those doomed, conscripted, unvictorious ones?

Crudely renewed, the Salient holds its own.
Paid are its dim defenders by this pomp;
Paid, with a pile of peace-complacent stone,
The armies who endured that sullen swamp.

Here was the world’s worst wound. And here with pride
‘Their name liveth for evermore’ the Gateway claims.
Was ever an immolation so belied
As these intolerably nameless names?

Well might the Dead who struggled in the slime
Rise and deride this sepulchre of crime.

Advertenties

De waarheid van de doden – Anne Sexton

Gisteravond, 31 januari 2018, was in Theater De Boerderij in Huizen de prijsuitreiking van de poëzie-vertaalwedstrijd die werd georganiseerd door de Stichting Kunst en Cultuur Huizen en de Bibliotheek Huizen-Laren-Blaricum. Ik won de derde prijs.

Het te vertalen gedicht was van de Amerikaanse dichter Anne Sexton (1928-1974) en heeft als titel: The Truth the Dead Know. Het gedicht was opgedragen ter nagedachtenis aan haar ouders die in 1959 kort na elkaar waren overleden. In het gedicht komt de maand ‘juni’ voor, wat de maand is waarin haar vader overleed, ruim drie maanden na de dood van haar moeder.

Certificaat Vertaalwedstrijd Huizen 2018

Certificaat derde prijs

Anne Sexton wordt gerekend tot de schrijvers van Confessional Poetry, samen met Robert Lowell, Sylvia Plath, John Berryman, Allen Ginsberg, and W. D. Snodgrass.

In deze opname leest Sexton zelf haar gedicht voor. Ze klinkt alsof ze een glaasje te veel op heeft, een indruk die kennelijk door anderen gedeeld wordt: Maartje van Weegen, die de avond presenteerde, bracht het ook ter sprake.

Prijsuitreiking Vertaalwedstrijd Huizen 2018

V.l.n.r.: Wim Dashorst (winnaar), Willibrord Ruigrok (tweede), Joan de Zwart-Bloch (burg. Blaricum), ondergetekende

Het was een onderhoudende avond waarin een poëzie- en muziekquiz werd gehouden (ik had maar drie van de tien vragen goed), een Huizense cultuurprijs werd uitgereikt, en waar de muziek werd verzorgd – heel mooi – door de zangeres Lizzy Ossevoort en de pianist Stefan Bos.

De prijzen voor de vertaalwedstrijd werden uitgereikt door Mevr. Joan de Zwart-Bloch, burgemeester van Blaricum.

De eerste prijs werd gewonnen door Wim Dashorst, de man die de prijs ook vorig jaar had gewonnen. De vertalingen van alle prijswinnaars en het juryrapport kunt u hier nalezen.

De passage in het juryrapport die op mijn vertaling betrekking heeft, luidt:

Deze inzender dankt zijn prijs aan de compacte stijl, goed lopende en ritmisch verantwoorde regels die op een natuurlijke manier rijmen (d.w.z. zonder rijmdwang).

Vertaling:

De waarheid van de doden

Voor mijn moeder (geboren mrt. 1902 – overleden mrt. 1959)
en mijn vader (geboren febr. 1900 – overleden juni 1959)

Klaar, zeg ik, en ‘k loop de kerk uit;
de stijve grafprocessie weiger ik te gaan,
de dodenkoets wordt toch wel uitgeluid.
Het is juni – Alle moed is mij vergaan.

We rijden naar de Kaap. Ik herschik
mezelf, terwijl de zon uitgutst op het strand,
de zee aanrolt als een ijzeren poort, en ik
jouw hand voel. Sterven doen ze in een ander land.

Lieveling, de wind jaagt ons op als stenen
door schuimkoppig water, en als ik je tegen
mij aan voel, is ons voelen één. Niemand is alleen, en
voor dit, voor zoiets, zou je een moord plegen.

En de doden dan? Ze varen ongeschoeid in hun kist,
als stenen; zelfs als de zee ophield met bewegen,
zouden zij versteender zijn. Ze weigeren beslist –
keel, oog en vingerkoot – alle heil en zegen.

Origineel:

The Truth the Dead Know

For my Mother, born March 1902, died March 1959
and my Father, born February 1900, died June 1959

Gone, I say and walk from church,
refusing the stiff procession to the grave,
letting the dead ride alone in the hearse.
It is June. I am tired of being brave.

We drive to the Cape. I cultivate
myself where the sun gutters from the sky,
where the sea swings in like an iron gate
and we touch. In another country people die.

My darling, the wind falls in like stones
from the whitehearted water and when we touch
we enter touch entirely. No one’s alone.
Men kill for this, or for as much.

And what of the dead? They lie without shoes
in their stone boats. They are more like stone
than the sea would be if it stopped. They refuse
to be blessed, throat, eye and knucklebone.

 

 

 

 

Résumé – Dorothy Parker

Onlangs attendeerde iemand mij op de overlegpagina van het Nederlandse Wikipedia-artikel Dorothy Parker (1893-1967). Het ging onder andere over de titel en het gedicht Résumé – dat overigens ook een eigen Wikipedia-pagina heeft.

De titel is niet erg ingewikkeld: Résumé betekent hier: samenvatting, slotsom (van een leven).

Het Wikipedia-artikel Dorothy Parker bevat (op het moment dat ik dit schrijf) de zin:

“Dit gedicht [Résumé] laat iets van haar complexe persoonlijkheid zien.”

Ik geloof daar weinig van. Het is een epigrammatisch gedichtje dat ongetwijfeld voortkomt uit de zelfmoordgedachten van Dorothy Parker, en dat is verdrietig genoeg, maar complex is het eigenlijk niet. Je hebt weinig levenservaring en vrijwel geen kennis nodig om het te kunnen begrijpen. Je kunt het als grap opvatten, maar ook als plaatijzeren ernst. Veel potentiële zelfmoordenaars maken voorafgaand aan de poging grappen over of toespelingen op de daad,  een daad die – als deze geslaagd is – iedereen naderhand onbegrijpelijk blijkt te vinden. Gelukkig is Parker niet door zelfmoord overleden, al heeft ze wel pogingen gedaan.

Het is overigens wel zo dat je wijsheid, inschattingsvermogen en levenservaring nodig hebt om de ernst van zo’n aankondiging te kunnen inschatten.

De slotzin van het gedichtje doet enigszins denken aan Gerard Reve die – toen hij op latere leeftijd werd geconfronteerd met zelfmoord-uitspraken uit het verleden – met een grafstem placht te antwoorden: “Het is nou toch de moeite niet meer.”

Vertaling:

Résumé

Een mes is ellende
Water een ramp
Zuur geeft zo’n bende
Een pil geeft je kramp.
Een pistool is onwettig
Een strop geeft nog mee
Gas ruikt onprettig
Misschien toch maar ‘nee’.

Origineel:

Résumé

Razors pain you
Rivers are damp
Acids stain you
And drugs cause cramp.
Guns aren’t lawful
Nooses give
Gas smells awful
You might as well live.

Hysterie – T.S. Eliot

T. S. Eliot (1888-1965) was een Amerikaans-Engelse dichter die in Nederland het meest bekend is geworden door het gedicht The Waste Land, met de bekende openingszinnen:

April is the cruellest month, breeding
Lilacs out of the dead land, mixing
Memory and desire, stirring
Dull roots with spring rain.
Winter kept us warm, covering
Earth in forgetful snow, feeding
A little life with dried tubers.

De dichter Martinus Nijhoff is in sommige opzichten – modernisme, ingehouden ironie, lange toppenverzen met memorable regels, band met het christendom – aan hem verwant.

In 1917 publiceerde Eliot de bundel Prufrock and Other Observations. Hierin was ook het hier vertaalde gedicht Hysteria opgenomen. Hysteria was het enige prozagedichtje in de bundel.

Het gedichtje vertoont de invloed van Jules Laforgue (1848-87), een pionier van het vrije vers, iemand ook die alledaagse taferelen, lichtelijk overdreven en met surrealistisch aandacht voor rare details, kon vertellen.

Het gaat om een hysterische lach, maar minstens ook om de infectueuze potentie van die lach. Je weet haast niet meer wie er nu eigenlijk hysterisch is, de hij of de zij.

Vertaling:

Hysterie

Toen ze lachte, merkte ik dat ik door haar lach werd meegesleept en er deel van ging uitmaken, totdat haar tanden hoogst toevallige sterren waren met het talent om een peloton te drillen. Korte zuchtjes, steeds geïnhaleerd na tijdelijk herstel, zogen mij mee, en ik verloor me uiteindelijk in de duistere spelonken van haar keel, die geblutst leek door de welving van onzichtbare spieren. Een bejaarde kelner was met trillende handen bezig een roze-en-wit-gestreept kleed te spreiden over een roestige, groene tafel van ijzer, zeggend: “Wellicht willen de dame en heer hun thee in de tuin gebruiken, wellicht willen de dame en heer hun thee in de tuin gebruiken …” Ik kwam tot de slotsom dat als er een eind gemaakt kon worden aan het deinen van haar borsten, er misschien nog een paar flarden van deze middag konden worden bewaard, en met het oog daarop concentreerde ik mijn aandacht met delicate nauwgezetheid.

Origineel:

Hysteria

As she laughed I was aware of becoming involved in her laughter and being part of it, until her teeth were only accidental stars with a talent for squad-drill. I was drawn in by short gasps, inhaled at each momentary recovery, lost finally in the dark caverns of her throat, bruised by the ripple of unseen muscles. An elderly waiter with trembling hands was hurriedly spreading a pink and white checked cloth over the rusty green iron table, saying: “If the lady and gentleman wish to take their tea in the garden, if the lady and gentleman wish to take their tea in the garden …” I decided that if the shaking of her breasts could be stopped, some of the fragments of the afternoon might be collected, and I concentrated my attention with careful subtlety to this end.

De onbekende burger – W.H. Auden

AudenVanVechten1939

W.H. Auden

Ik heb al vrij veel gedichten van Wystan Hugh Auden (1907-1973), een groot Engels dichter, vertaald, en hij behoeft op dit kleine blog eigenlijk geen introductie.

In dit gedicht wordt verteld over een zwijgende, onbekende, anonieme burger zoals die naar voren komt uit de dossiers die werden bijgehouden door de talloze bureaucratische instellingen die hem omringen.

De toon van het gedicht is enigszins prozaïsch, al kent het gedicht wel rijm.

De dossiers zijn uiterst positief, maar de indruk die wij van de anonieme burger krijgen is dat niet.

Over Audens bedoelingen zijn geen dossiers bekend, anders dan de gedichten, artikelen en brieven die hij heeft geschreven, maar de tegenstelling tussen een grauwe indruk van de persoon en fonkelende dossiers, zal zeker niet op toeval berusten.

Het gedicht drijft de spot met onze hang naar zekerheden, ons vastklampen aan bureaucratische goedkeuring en onze angst om af te wijken van wat gangbaar is.

Vertaling:

De onbekende burger

(Voor JS/07 M 378
Dit monument van marmer
werd opgericht door de staat)

Nooit werd officieel over hem een klacht ingediend,
Althans, het Statistisch Bureau heeft er niks van gehoord,
Verklaringen omtrent gedrag luiden eensgezind
Dat hij een heilige was in de moderne zin van een ouderwets woord,
Want wat hij ook deed, het Grote Geheel werd gediend.
Hij werkte tot z’n pensioen, behalve in de Oorlogsdagen,
In een fabriek waar hij nooit werd ontslagen,
Tot volle tevredenheid van werkgever Toffee Motors BV.
Toch was hij geen stakingsbreker of iemand met rare ideeën
Want zijn Vakbond was zeer over hem tevreden
(We verzekeren u dat zijn dossier een rotsvast vertrouwen wekte),
En onze sociaal-psychologische werkers ontdekten
Dat z’n maten hem mochten, en ook een biertje pakte hij graag mee.
De Pers bevestigt dat hij zijn krantenkiosk dagelijks frequenteerde,
En dat hij volkomen normaal op advertenties reageerde.
Ook blijkt dat hij – polissen op naam – volledig verzekerd was,
Zijn zorgdossier toont dat hij, eens in ’t ziekenhuis, weer keurig genas.
Consumenten- en huishoudinstanties zijn unaniem
Dat zijn afbetalingsregelingen verliepen naar wens,
Dat hij niks tekort kwam als Moderne Mens,
Een muziekinstallatie, een tv, auto, koelsysteem.
Elk opinieonderzoek vond het weer verheugend
Te constateren dat in dit jaargetij zijn opinies weer deugden.
Was het vrede, hij was voor vrede, was het oorlog, hij was een soldaat.
Hij was getrouwd en droeg vijf kinderen bij aan onze populatie,
Wat volgens Eugenetici het juiste aantal was voor zijn generatie.
Onze leerkrachten melden dat hij zich nooit bemoeide met hun educatie.
Was hij vrij? Was hij gelukkig? De vraag is absurd en gestoord:
Mocht er iets mis zijn geweest, dan hadden we het zeker gehoord.

Origineel:

The Unknown Citizen

(To JS/07 M 378
This Marble Monument
Is Erected by the State)

He was found by the Bureau of Statistics to be
One against whom there was no official complaint,
And all the reports on his conduct agree
That, in the modern sense of an old-fashioned word, he was a saint,
For in everything he did he served the Greater Community.
Except for the War till the day he retired
He worked in a factory and never got fired,
But satisfied his employers, Fudge Motors Inc.
Yet he wasn’t a scab or odd in his views,
For his Union reports that he paid his dues,
(Our report on his Union shows it was sound)
And our Social Psychology workers found
That he was popular with his mates and liked a drink.
The Press are convinced that he bought a paper every day
And that his reactions to advertisements were normal in every way.
Policies taken out in his name prove that he was fully insured,
And his Health-card shows he was once in hospital but left it cured.
Both Producers Research and High-Grade Living declare
He was fully sensible to the advantages of the Instalment Plan
And had everything necessary to the Modern Man,
A phonograph, a radio, a car and a frigidaire.
Our researchers into Public Opinion are content
That he held the proper opinions for the time of year;
When there was peace, he was for peace: when there was war, he went.
He was married and added five children to the population,
Which our Eugenist says was the right number for a parent of his generation.
And our teachers report that he never interfered with their education.
Was he free? Was he happy? The question is absurd:
Had anything been wrong, we should certainly have heard.

De zon komt op – John Donne

John Donne (1572-1631) is de bekendste dichter van de groep dichters die door Samuel Johnson (1709-1784) de Metaphysical Poets is gedoopt.

Een informatieve Nederlandse website over John Donne, waarop ook veel vertalingen van zijn werk, vindt u hier.

De Metaphysical Poets gebruikten zogeheten Metaphysical Conceits in hun gedichten. Dat zijn uitgebreide vergelijkingen die weinig voor de hand lijken te liggen, die onwaarschijnlijk zijn, waarvan de elementen zeer ver uit elkaar liggen, maar die toch op een dichterlijke manier treffend zijn. In dit gedicht wordt de zon bespot en bars toegesproken, en worden de geliefden die zich in bed bevinden vergeleken met staten, vorsten, continenten, en is de slaapkamer het heelal.

Ten geleide voor de lezer:

  • Het gedicht The Sun Rising is een liefdesgedicht.
  • In de openingsstrofe spreekt de Ik-figuur de zon toe die kennelijk aan het opkomen is (en de geliefden verrast in bed). De toon is afwisselend spottend en bevelend. In het tweede deel van de strofe verheft de dichter zichzelf en zijn geliefde boven de spijbelaars, gezellen, hondendrijvers, luie varkens. Met een bijzondere vorm van het bekende cliché dat de liefde geen tijd kent, wordt deze strofe besloten.
  • In de tweede strofe wordt allereerst twijfel gezaaid aan de zaligheid en de kracht van de zonnestralen: de ik-figuur kan deze immers door zijn ogen te sluiten laten verdwijnen. Daarna wordt de geliefde voor het eerst ter sprake gebracht: de ‘haar’ in het gedicht, wier stralende ogen volgens de toenmalige conventie de stralen van de zon in de schaduw stellen. Alles wat er op aarde werkelijk toe doet voor de geliefden, blijkt zich in het liefdesbed te bevinden.
  • In de slotstrofe wordt er nog een schepje bovenop gedaan en blijkt de slaapkamer de gehele kosmos te wezen. De zon komt dus niets te kort als hij de twee geliefden maar heerlijk verwarmt.
  • De versregels zijn onregelmatig van lengte en kennen geen vast metrum. Het rijmschema van de strofen is ABBACDCDEE.

Vertaling:

De zon komt op

Nijvere ouwe dwaas, ongezeglijke zon,

Wat win je hiermee?

Ben je content met je gordijngezeefde, matineuze entree?

Dacht je dat jouw ommegang de liefdestijd bestieren kon?

Brutale pedante vlerk, ga ze een beetje plagen,

De spijbelaars, de zeurende gezellen,

Meld hondendrijvers dat de koning wil gaan jagen,

Zeg luie varkentjes hun taken niet nog langer uit te stellen,

Liefde, welke ook, kent geen klimaat, seizoen, respijt,

Geen uren, dagen, maanden, al die lorren van de tijd.

 

Jouw stralen, vol eerbied en kracht –

Zou ‘t echt zo zijn?

Ik kan ze in een oogwenk verduisteren en je verdwijnt,

Maar ik doe het niet, omdat ik naar haar aanblik smacht;

En als jouw ogen naast de hare durven stralen,

Zie toe, en vertel dan morgen eens aan mij,

Of beide Indiën, hun kruiden en metalen,

Zijn waar je ze achterliet, of hier liggen naast mij.

En als je naar die koningen vraagt – je zag ze zonet –

Dan krijg je ten antwoord: hier zijn ze, hier in dit bed.

 

Zij is alle staten, alle vorsten ben ik, zie

Daarbuiten is niets.

En vorsten doen ons slechts na; in dit licht bezien

Is alle hulde imitatie, alle weelde alchemie.

En Zon, sinds de wereld zo is geslonken,

Verdien je wel een beetje erbarmen.

Ouderdom vergt rust, en sinds jou als taak is geschonken

De wereld te warmen, dien je dus ons te verwarmen.

Schijn hier voor ons, en het heelal is waar je bent;

Dit bed is jouw centrum, dit vertrek jouw firmament.

 

Origineel:

The Sun Rising

Busy old fool, unruly sun,
Why dost thou thus,
Through windows, and through curtains call on us?
Must to thy motions lovers’ seasons run?
Saucy pedantic wretch, go chide
Late school boys and sour prentices,
Go tell court huntsmen that the king will ride,
Call country ants to harvest offices,
Love, all alike, no season knows nor clime,
Nor hours, days, months, which are the rags of time.

Thy beams, so reverend and strong
Why shouldst thou think?
I could eclipse and cloud them with a wink,
But that I would not lose her sight so long;
If her eyes have not blinded thine,
Look, and tomorrow late, tell me,
Whether both th’ Indias of spice and mine
Be where thou leftst them, or lie here with me.
Ask for those kings whom thou saw’st yesterday,
And thou shalt hear, All here in one bed lay.

She’s all states, and all princes, I,
Nothing else is.
Princes do but play us; compared to this,
All honor’s mimic, all wealth alchemy.
Thou, sun, art half as happy as we,
In that the world’s contracted thus.
Thine age asks ease, and since thy duties be
To warm the world, that’s done in warming us.
Shine here to us, and thou art everywhere;
This bed thy center is, these walls, thy sphere.

Een lieflijke avond – William Wordsworth

William Wordsworth (1770-1850) was een Engels romantisch dichter. Samen met Samuel Taylor Coleridge (1772-1834) publiceerde hij de Lyrical Ballads, waarmee de romantiek zijn intrede deed in de Engelse letteren.

In 1791 ontmoette Wordsworth in Frankrijk Annette Vallon, van wie hij in 1792 een dochter kreeg: Caroline. Zonder Caroline ooit gezien te hebben, keerde hij – mede als gevolg van de politieke turbulentie – terug naar Engeland. Na de Vrede van Amiens in 1802, ging hij terug naar Frankrijk. Daar ontmoette hij zijn toen 9-jarige dochter voor het eerst. De strandwandeling met haar is de aanleiding tot het gedicht It is a Beauteous Evening, Calm and Free.

Ik ken het gedicht al sinds mijn middelbareschooltijd (1976-1982) uit het hoofd. Het komt voor in het boek Enjoying Literature dat toen voor het onderwijs werd gebruikt.

Als ik op het strand ben, heb ik de haast onbedwingbare neiging om te roepen:

Listen! the mighty Being is awake,
And doth with his eternal motion make
A sound like thunder—everlastingly.

Dit gedicht is uiteraard een sonnet. De jambische vijfvoeten, soms met trochaeïsche opmaat, zijn in vertaling grotendeels vervangen door jambische zesvoeten.

Vertaling:

Een lieflijke avond

Een lieflijke avond, onbevangen, teder…
De gewijde tijd is stil geworden als een Non
Die ademloos is in aanbidding, de brede zon
Daalt roerloos in zijn vredigheden neder;

En zorgzaam op de zee rust ’s hemels goedheid;
Maar hoor! het machtig Wezen is ontwaakt,
Waarmee het onophoudelijk geluiden maakt
Alsof de donder rolt – in eeuwige gestadigheid.

Lief kind! lief meisje! wandel- en gespreksgenoot,
Ook als de ernst maar nauwelijks tot jou doordringt,
Toch is jouw kern hooghemels en verheven:

Jij ligt het hele jaar in Abrahams schoot,
Jij mag in ’t heiligst heiligdom des Tempels leven,
Door God – en niemand ziet het – met Zijn zorg omringd.

Origineel:

It is a Beauteous Evening, Calm and Free

It is a beauteous evening, calm and free,
The holy time is quiet as a Nun
Breathless with adoration; the broad sun
Is sinking down in its tranquility;

The gentleness of heaven broods o’er the Sea;
Listen! the mighty Being is awake,
And doth with his eternal motion make
A sound like thunder—everlastingly.

Dear child! dear Girl! that walkest with me here,
If thou appear untouched by solemn thought,
Thy nature is not therefore less divine:

Thou liest in Abraham’s bosom all the year;
And worshipp’st at the Temple’s inner shrine,
God being with thee when we know it not.

De Tuin der Lusten – William Blake

William Blake (1757-1827) was een visonaire, romantische Engelse dichter en schilder. Hij was religieus, maar gekant tegen vormen van georganiseerde godsdienst, met name tegen de Anglicaanse kerk, de Church of England.

In het onderhavige gedicht wordt een Tuin der Lusten opgeroepen. De titel en het onderwerp verwijzen naar het Hooglied (hfdst. 6:2), een oud-testamentisch liefdeslied dat vol staat met erotische toespelingen. Indirect verwijzen ze ook naar de Hof van Eden, de paradijstuin, waarin voorafgaand aan de zondeval nog geen schaamte bestond.

In dit gedicht wordt de gestrengheid van de georganiseerde godsdienst tegenover de als zuiver beschouwde erotiek geplaatst.

Vertaling:

De Tuin der Lusten

Ik ging naar de Tuin der Lusten,
En zag wat er vroeger nooit was:
Een Kerkje, gebouwd in het midden,
Waar ik toen speelde als kind op het gras.

En de poort van de Kerk was gesloten,
En “Gij zult niet” kon je zien op de deur;
Dus ik ging naar de Tuin der Lusten,
Naar de bloemen, hun lieflijke geur.

En ik zag dat die vol was met graven,
En met zerken, waar een bloemperk moest zijn:
En Priesters die paden in zwarte gewaden betraden,
En mijn vreugde & verlangen met distels bedwongen.

Origineel:

The Garden of Love

I went to the Garden of Love,
And saw what I never had seen:
A Chapel was built in the midst,
Where I used to play on the green.

And the gates of this Chapel were shut,
And Thou shalt not. writ over the door;
So I turn’d to the Garden of Love,
That so many sweet flowers bore.

And I saw it was filled with graves,
And tomb-stones where flowers should be:
And Priests in black gowns, were walking their rounds,
And binding with briars, my joys & desires.

Ennui – Marianne Moore

Marianne_Moore_1935

Marianne Moore (fotografie: George Platt Lynes)

Marianne Moore (1887-1972) was een Amerikaanse dichter. Ze beschikte over een veelzijdige verstechniek. Ze werd bewonderd door Wystan Hugh Auden en was mentor en vriendin van Elizabeth Bishop.

Het gedicht Ennui – wat verveling betekent, een kernbegrip van het modernisme – heeft weinig toelichting nodig. De titel is ironisch, uiteraard, en het gedicht suggereert dat een onvermogen om te kiezen een belangrijke oorzaak van verveeldheid, levensmoeheid zou kunnen zijn.

Het gedicht heeft iets grappigs en iets ernstigs tegelijk. De vorm is niet bijzonder modern en doet denken aan Johann Wolfgang von Goethe, bijvoorbeeld aan diens beroemde Nachtliedje.

Vertaling:

Ennui

Hij had, zei hij vaak,
Een typische wens:
Niemand die weet
Of ik vis ben of mens;
Het aas van de haak
Zuig ik wel graag,
Deelde hij mee,
En kalm dan weer gaan
Als een schim
In de zee.

Origineel:

Ennui

He often expressed
A curious wish,
To be interchangeably
Man and fish;
To nibble the bait
Off the hook,
Said he,
And then slip away
Like a ghost
In the sea.

 

Spotrijm van een burger op leeftijd – W.H. Auden

AudenVanVechten1939

W.H. Auden

Wystan Hugh Auden (1907-1973), was een groot Engelstalig dichter. Hij schopte graag tegen de schenen van de mensen die hem het meest nabij waren.

Doggerel by a Senior Citizen, is een rijmend vers, een rijmsel eigenlijk, dat tongue in cheek een reactionaire – maar niet noodzakelijk onjuiste – boodschap brengt.

Hier is een video waar Auden het vers zelf voordraagt. De ondertiteling is de vertaling die Peter Verstegen, een gerenommeerd vertaler, van het vers gemaakt heeft.

Vertaling:

Spotrijm van een burger op leeftijd
(voor Robert Lederer)

1969 – de aarde is niet de planeet,
Die ik met trots de mijne heet;
’t Is niet de wereld die mij voedt,
En die voor chaos mij behoedt.

De zaligheden van de Hof van Eden,
Stammen reeds van lang geleden,
Toen badkamers nog zalen waren,
En wij God smeekten bij gevaren.

Het vliegtuig en de automobiel,
Heel nuttig, hoor, maar pueriel:
De machines waar ik van droom
Draaien op water of op stoom.

De Rede vergt dat ik bezing
De gloeilamp – wat een akelig ding!
Niet dat ik er ooit een koop –
Liever ‘n olielamp op de overloop.

De spoken van mijn voorgeslacht,
Bevocht ik, heb ze hooggeacht:
De protestantse werkmoraal
Was handig en vaak ideaal.

Schulden maken was onbezonnen,
Toen paren nog duetten zongen
En altijd zal ik zonder dralen,
Al wat ik koop contant betalen.

Het kerkenliedboek kwam tot stand
Omstreeks het Twaalfjarige Bestand:
Bijbehorende preken zijn wel aardig,
Liturgische omslag minderwaardig.

O zeker, seks was – als altijd
Aanlokkelijk door geheimzinnigheid;
Maar de kiosk was toch niet overladen
Met Manicheïsche pornobladen.

De taal was kunstig, afgemeten,
Je liet geen boeren, liet geen scheten:
Waar lig ik nog het meeste wakker van,
‘t Vrije vers, de dood van de roman?

Ook wil ‘k geen promovendi op visite,
Die symbolen delven, of de mythe,
En hoor ik tot de literaten
Die lof aan meerderen overlaten.

Is gedoogbeleid wel een succes?
Het is een ramp in elke les!
Grieks en Latijn – wij laafden ons
Aan deze zaken als een spons.

Men houdt zich graag oostindisch doof,
Voor onze generatiekloof,
Wiens schuld is dat, en welk verhaal?
Geen hond leert meer zijn Moedertaal!

Maar liefde is, meen ik, geen keus
Die ouderwets is, modieus!
En ‘k heb wel degelijk goede vrinden,
Die samen eten leuk gaan vinden.

Vergis ik mij? Da’s kul! Ik word niet goed
Dat ik met vuur verdedigen moet
Dat ik me ’t allerbeste thuis
Voel bij wat Echt is, bij wat Pluis.

Origineel:

Doggerel by a Senior Citizen
(for Robert Lederer)

Our earth in 1969
Is not the planet I call mine,
The world, I mean, that gives me strength
To hold off chaos at arm’s length.

My Eden landscapes and their climes
Are constructs from Edwardian times,
When bath-rooms took up lots of space,
And, before eating, one said Grace.

The automobile, the aeroplane,
Are useful gadgets, but profane:
The enginry of which I dream
Is moved by water or by steam.

Reason requires that I approve
The light-bulb which I cannot love:
To me more reverence-commanding
A fish-tail burner on the landing.

My family ghosts I fought and routed,
Their values, though, I never doubted:
I thought the Protestant Work-Ethic
Both practical and sympathetic.

When couples played or sang duets,
It was immoral to have debts:
I shall continue till I die
To pay in cash for what I buy.

The Book of Common Prayer we knew
Was that of 1662:
Though with-it sermons may be well,
Liturgical reforms are hell.

Sex was of course —it always is—
The most enticing of mysteries,
But news-stands did not then supply
Manichean pornography.

Then Speech was mannerly, an Art,
Like learning not to belch or fart:
I cannot settle which is worse,
The Anti-Novel or Free Verse.

Nor are those Ph.D’s my kith,
Who dig the symbol and the myth:
I count myself a man of letters
Who writes, or hopes to, for his betters.

Dare any call Permissiveness
An educational success?
Saner those class-rooms which I sat in,
Compelled to study Greek and Latin.

Though I suspect the term is crap,
There is a Generation Gap,
Who is to blame? Those, old or young,
Who will not learn their Mother-Tongue.

But Love, at least, is not a state
Either en vogue or out-of-date,
And I’ve true friends, I will allow,
To talk and eat with here and now.

Me alienated? Bosh! It’s just
As a sworn citizen who must
Skirmish with it that I feel
Most at home with what is Real.

Ken je het land, waar de citroenen groeien – Goethe

Het gedicht ‘Kennst du das Land, wo die Zitronen blühn‘ is een heel beroemd gedicht van Johann Wolfgang von Goethe (1749-1832), die vaak beschouwd wordt als de grootste Duitse dichter die ooit heeft geleefd en geschreven.

Het werd gepubliceerd als het openingsgedicht in het eerste hoofdstuk van Boek 3 van Wilhelm Meisters Lehrjahre. Het personage in de roman die als auteur van het gedicht wordt opgevoerd, is Mignon. Het openingsvers roept Italië op.

Het gedicht is heel vaak op muziek gezet, onder anderen door Robert Schumann, Franz Schubert en Hugo Wolf.

Er zijn ook parodieën op gemaakt, bijvoorbeeld: ‘Kennst du das Land wo die Kanonen blühn?‘ van Erich Kästner.

Ik heb de enorme hoeveelheid literatuur over dit gedicht niet uitgebreid bestudeerd. In mijn ogen is dit een gedicht dat over de dood gaat. Het beschrijft drie levensfasen: de jeugd, de middelbare leeftijd en de oude dag.

Het is wel ontnuchterend, maar we gaan op weg, en het blijft lyrisch.

Vertaling:

Ken je het land, waar de citroenen groeien

Ken je het land, waar de citroenen groeien,
In ‘t donker loof de gouden sinaasappels gloeien,
Een milde wind vanuit de blauwe hemel daalt,
De myrte rust, een lauwertak naar boven taalt?
Zeg, ken je het?
Daarheen! daarheen
Wil ik met jou graag gaan, mijn lief, meteen.

Ken je het huis? Zijn dak rust op een zuilenrij.
De eetzaal blinkt, de suite ligt er stralend bij,
En marmerbeelden overal – ze zien mij aan
Wat heeft men jou, och arme kind, gedaan?
Zeg, ken je het?
Daarheen! daarheen
Wil ik met jou graag gaan, mijn hoedster, nu meteen.

Ken je de berg, zijn nauwe, dichtbewolkte gang?
Het muildier zoekt zijn weg, voor mist noch nevel bang;
In de spelonk, daar woont het oude drakenbroed;
Het stoot de rots, daaroverheen de vloed!
Zeg, ken je het?
Daarheen! daarheen
Voert onze weg! O Vader, zo meteen!

Origineel:

Kennst du das Land, wo die Zitronen blühn

Kennst du das Land, wo die Zitronen blühn,
Im dunkeln Laub die Gold-Orangen glühn,
Ein sanfter Wind vom blauen Himmel weht,
Die Myrte still und hoch der Lorbeer steht?
Kennst du es wohl?
Dahin! dahin
Möcht ich mit dir, o mein Geliebter, ziehn.

Kennst du das Haus? Auf Säulen ruht sein Dach.
Es glänzt der Saal, es schimmert das Gemach,
Und Marmorbilder stehn und sehn mich an:
Was hat man dir, du armes Kind, getan?
Kennst du es wohl?
Dahin! dahin
Möcht ich mit dir, o mein Beschützer, ziehn.

Kennst du den Berg und seinen Wolkensteg?
Das Maultier sucht im Nebel seinen Weg;
In Höhlen wohnt der Drachen alte Brut;
Es stürzt der Fels und über ihn die Flut!
Kennst du ihn wohl?
Dahin! dahin
Geht unser Weg! O Vater, laß uns ziehn!

Grijze haren

Dit versje dateert van een paar weken geleden. Het was een kleinigheid, een niemendalletje misschien, maar ik merk dat ik het bij herlezing wel aardig vind.

Grijze haren

Voor Machiel Wetselaar, ter gelegenheid van zijn 50e verjaardag.

Alle bladeren vergelen
Bij het klimmen van de jaren;
Onze blik gaat somber staren,
Zelfs het spel gaat ons vervelen.

Maar hoe groot ook de gevaren,
Ook de dood – een hoogst reële –,
Je blijft je liefste teder strelen,
Al draagt je kop ook grijze haren.

Nachtelijke rit over de Rijnbrug bij Keulen – Ernst Stadler


Ernst Stadler (1883-1914) was een Duits taalgeleerde en expressionistisch dichter die in het eerste jaar van de Eerste Wereldoorlog in het Belgische Zandvoorde, vlakbij Yper, op 31-jarige leeftijd door een granaat werd gedood.

Ik heb tussen 2008 en 2014 gewerkt als Wikipedia-vrijwilliger. Een van mijn toenmalige Wikipedia-collega’s – hij is net als ik inmiddels niet meer actief – was een man die zich S.Kroeze noemde.

S.Kroeze had besef van kwaliteit, zijn bewerkingen waren vrijwel zonder uitzondering onberispelijk, als hij een artikel bewerkte was zijn greep op de stof steeds boven alle lof verheven. Hij had zich bovendien steevast goed voorbereid en kende de relevante literatuur grondig. Hij schreef heel goed en beheerste een aantal moderne talen uitstekend.

Niet verwonderlijk dus dat hij met veel tegenstand te maken kreeg. De mensen verdragen het slecht als ze verbeterd worden, en als hun daarop volgende domme verontwaardiging scherp en afdoend wordt beantwoord.

Hij was in de sociale omgang geen groot talent. Hij maakte nodeloos snel ruzie, was soms ergdenkend en vernederde ook wel eens opponenten die het niet kwaad met hem meenden.

S.Kroeze had gevoel voor symbool, beeldtaal, poëzie. Op zijn gebruikerspagina staat (nog steeds) een foto die ook hiernaast is afgebeeld: een door hongerige wolven omringde Amerikaanse bizon (in Yellowstone Park). Deze foto verbeeldt heel goed in welke krankzinnige wereld hij zich bevond, en ik denk dat hij zich inderdaad in een krankzinnige wereld bevond, overigens net als wij allemaal.

Op de gebruikerspagina van S.Kroeze staat het gedicht van Ernst Stadler, ‘Fahrt über die Kölner Rheinbrücke bei Nacht’ dat ik daar voor het eerst heb leren kennen.

De spoorbrug over de Rijn bij Keulen is ongetwijfeld de Hohenzollernbrücke die tussen 1907 en 1911 werd gebouwd.

Het gedicht beschrijft een extatisch beleefde treinrit die als bestaansmetafoor wordt opgevat met hulp van de beelden die de treinreiziger in het donker ziet, met een voorgevoel van naderend noodlot.

Vertaling:

Nachtelijke rit over de Rijnbrug bij Keulen

De sneltrein gaat tastend
en stotend door het donker voort.

Een leidstar ontbreekt. De wereld is slechts een mijngang,
nauw, nachtomhuld, railsbespoord,

waarin de productie van blauwe gloed
soms onverhoedse horizonnen schept: vuurkring

om lichtbollen, daken, schoorsteenpijpen,
rokend, vlietend .. korte betovering..

En daarna alles zwart.
Als worden wij in nachtelijk ingewand naar ploegendienst geleid.

Slechts lichtjes die opduiken .. onbestemd, troosteloos verlaten ..
steeds meer .. ze komen bijeen .. en versmelten altijd.

Geraamtes van grauwe gevels liggen naakt,
bleek in het flauwe licht, dood –

er gaat iets gebeuren .. o, ik voel de druk
in het hoofd. Iets zwaars zingt in ‘t bloed.

Dan opeens davert de grond als een zee:
We vliegen door de lucht, koninklijk opgeheven,

weggerukt uit de nacht, hoog boven de rivier.
O lus van miljoenen lichtjes, zwijgende wake,

wier stoet van flonkeringen
traag over het water heen wegglijdt.
Eindeloos raster, ons als nachtgroet gegeven!

Met fakkels die wuiven! Een zaligheid!
Saluut van schepen op het blauwe water! Sterreschitteringen!

Krioelend, met klare ogen weggekeken!
Tot waar de stad
met de laatste huizen haar gast laat gaan.

En dan de lange eenzaamheden. Kale oevers.
Stilte. Nacht. Bezinning. Inkeer. Avondmaal.
En gloed en drang

naar laatste dingen, zegeningen, vreugde der ontvangenis.
Naar wellust. Naar gebed. Naar zee.
Naar ondergang.

Origineel:

Fahrt über die Kölner Rheinbrücke bei Nacht

Der Schnellzug tastet sich
und stößt die Dunkelheit entlang.

Kein Stern will vor. Die ganze Welt ist nur ein enger,
nachtumschienter Minengang,

darein zuweilen Förderstellen
blauen Lichtes jähe Horizonte reißen: Feuerkreis

von Kugellampen, Dächern, Schloten,
dampfend, strömend .. nur sekundenweis ..

und wieder alles schwarz.
Als führen wir ins Eingeweid der Nacht zur Schicht.

Nur taumeln Lichter her .. verirrt, trostlos vereinsamt ..
mehr .. und sammeln sich .. und werden dicht.

Gerippe grauer Häuserfronten liegen bloß,
im Zwielicht bleichend, tot –

etwas muß kommen .. o, ich fühl es schwer
im Hirn. Eine Beklemmung singt im Blut.
Dann dröhnt der Boden plötzlich wie ein Meer:

Wir fliegen, aufgehoben,
königlich durch nachtentrissne Luft, hoch übern Strom.
O Biegung der Millionen Lichter, stumme Wacht,

von deren blitzender Parade
schwer die Wasser abwärts rollen.
Endloses Spalier, zum Gruß gestellt bei Nacht!

Wie Fackeln stürmend! Freudiges!
Salut von Schiffen über blauer See! Bestirntes Fest!

Wimmelnd, mit hellen Augen hingedrängt!
Bis wo die Stadt
mit letzten Häusern ihren Gast entläßt.

Und dann die langen Einsamkeiten. Nackte Ufer.
Stille. Nacht. Besinnung. Einkehr. Kommunion.
Und Glut und Drang

zum Letzten, Segnenden. Zum Zeugungsfest.
Zur Wollust. Zum Gebet. Zum Meer.
Zum Untergang.

 

De therapie – R.S. Thomas

Ronald Stuart Thomas (1913-2000) was een Engels dichter die afkomstig was uit Wales en daar ook woonde en werkte als een Anglicaans priester. Hij was getrouwd met de schilder Mildred (Elsi) Eldridge. Hij is in Nederland niet zeer bekend.

De stijlvorm van het gedicht The Cure – vrije verzen met goed gekozen enjambementen (de zin loopt over de versregels heen) – wordt vaak gebruikt door R.S. Thomas.

Het onderhavige gedicht, afkomstig uit de bundel Poetry for Supper (1958), p.41, is een gedicht waarin wordt getwijfeld.

Er wordt in de eerste plaats gewezen op de navelstaarderij waartoe de dichter geroepen is sinds hij zich een buitenstaander voelt en er buiten hemzelf nauwelijks nog zielzorg wordt bedreven. R.S. Thomas lijkt zich hoogst ongemakkelijk te voelen bij het idee dat de dichter zichzelf zou moeten genezen. (Een schrijver is zijn eigen therapeut, zei W.F. Hermans.)

Maar er wordt vervolgens getwijfeld aan de mogelijkheden die de dichter heeft om de cultuur te redden, om zich met de profetenmantel te behangen, om politiek heil te brengen, niet omdat “Poetry makes nothing happen“, zoals W.H. Auden zei, maar omdat de cultuur er misschien zelden beter van wordt.

 

Dan nu de vertaling:

De therapie

Wat te doen? Verzendokters komen
Nauwelijks nog voor, de meeste dichters
Zijn hun eigen patiënt, genoopt eerst
Zichzelf te behandelen, met de eeuwige klacht
Dat ze anders zijn. Bedenk, eer jouw
Ruwe hand het subtiele gestel
Zal beroeren van een zieke cultuur,
Welke streken van dat kranke lichaam
Kunnen echt niet zonder dichterstherapie.

Origineel:

The Cure

But what to do? Doctors in verse
Being scarce now, most poets
Are their own patients, compelled to treat
Themselves first, their complaint being
Peculiar always. Consider, you,
Whose rough hands manipulate
The fine bones of a sick culture,
What areas of that infirm body
Depend solely on a poet’s cure.

 

Kleine uitsmijter

Karel van het Reve schreef ooit een limerick waarin dezelfde twijfel wordt uitgesproken (in dit geval uiteraard op een spottende manier):

Gij wilt bij de mensen in tel zijn
En strijden voor ’t algemeen welzijn,
Ik wens u het beste,
Maar zult gij ten leste
Wel meer dan een luidende schel zijn?

 

 

 

Ecce Puer – James Joyce

Voor de wedstrijd Nederland Vertaalt, een samenwerking van Verstegen & Stigter en NRC, gesubsidieerd door het Prins Bernhard Cultuurfonds, had ik een vertaling ingezonden van Ecce Puer, een gedicht van de Ierse schrijver James Joyce (1882-1941). Het oorspronkelijke gedicht is opgenomen in Collected Poems (1936).

Mijn vertaling is niet genomineerd voor de prijzen.

De genomineerde vertalingen zijn hier te vinden.

De titel betekent: Zie het kind, naar analogie van het bekende woord Ecce Homo, zie de mens, dat de Romeinse landvoogd Pontius Pilatus sprak toen hij de gegeselde Jezus met doornenkroon en spotmantel toonde aan een verzamelde Joodse menigte.

Het gedicht beschrijft de ontroering van een vader die zijn slapende kind ziet, die de wonderlijke oorsprong van het nieuwe leven ondergaat, die de wording van een nieuw mens beleeft, maar die tevens beseft dat de komst van het kind zijn vertrek aankondigt.

Het gedicht eindigt met een verwijzing naar het kruiswoord My God, my God, why hast thou forsaken me? – Mijn God, mijn God, waarom hebt Gij Mij verlaten? – met dit verschil dat hier de vader verlaten wordt, waarbij de vader tevens gemaand wordt degene die het gevoel van verlatenheid oproept – zijn zoon – te vergeven. Een gedeeltelijke en geraffineerde omkering dus.

Het gedicht werd door Joyce geschreven in 1932 ter gelegenheid van de geboorte van een kleinkind en kort na het overlijden van zijn vader.

James Joyce wordt beschouwd als een van de belangrijkste schrijvers van het Modernisme. Zijn bekendste boek is de roman Ulysses.

Mijn vertaling:

ECCE PUER

Een kind wordt geboren
Uit duistere zee.
Mijn hart wordt verscheurd
Door vreugde en wee.

Zacht in zijn wiegje
Sluimert het leven.
Moge liefde en genâ
Hem uitzicht geven!

Een pril bestaan
Wordt geademd op glas;
De wereld verschijnt
Die eerder niet was.

Daar slaapt nu een kind,
Een grijsaard ten hoon.
O vader, verlaten,
Vergeef je zoon!

Origineel:

ECCE PUER

Of the dark past
A child is born.
With joy and grief
My heart is torn.

Calm in his cradle
The living lies.
May love and mercy
Unclose his eyes!

Young life is breathed
On the glass;
The world that was not
Comes to pass.

A child is sleeping:
An old man gone.
O, father forsaken,
Forgive your son!

Onherhaalbaar – Peter Rühmkorf

Voor de wedstrijd Nederland Vertaalt, een samenwerking van Verstegen & Stigter en NRC, gesubsidieerd door het Prins Bernhard Cultuurfonds, heb ik een vertaling ingezonden van Auf was nur einmal ist, een gedicht van Peter Rühmkorf. Het origineel is afkomstig uit: Haltbar bis Ende 1999 (Hamburg 1979).

Mijn vertaling is niet genomineerd voor de prijzen.

De genomineerde vertalingen zijn hier te vinden.

Mijn vertaling:

Onherhaalbaar

Voor Heinrich Maria Ledig-Rowohlt

Soms wik je: is dat dan het leven?
Soms weeg je: is dit nu het wezen?
Bij ’t ontwaken slaan de luiken dicht – voorbij.
Geestdrift geweken, vluchtig belezen,
kijk, dat ben jij.

En je denkt misschien: ik ga ten onder,
peilloos diep en gruwelijk – :
Eentje uit de grote hagelhoop,
kleurloos, nauwelijks bijzonder,
kijk, dat ben ik.

Maar dan, plotsklaps, tijdens loos geslenter,
scheurt de schil, komt de getemde pracht pas vrij,
vliegen vonken tussen hoed en schoen:
Deze pertinente wending van de route,
deze uithaal naar het abnormale,
in dit onherhaalbaar, onherroepelijk moment:
kijk, dat ben jij.

Origineel:

AUF WAS NUR EINMAL IST

Für Heinrich Maria Ledig-Rowohlt

Manchmal fragt man sich: ist das das Leben?
Manchmal weiß man nicht: ist dies das Wesen?
Wenn du aufwachst, ist die Klappe zu.
Nichts eratmet, alles angelesen,
siehe, das bist du.

Und du denkst vielleicht: ich gehe unter,
bodenlos und fürchterlich –:
Einer aus dem großen Graupelhaufen,
nur um einen kleinen Flicken bunter,
siehe, das bin ich.

Aber dann, aufeinmalso, beim Schlendern,
lockert sich die Dichtung, bricht die Schale,
fliegen Funken zwischen Hut und Schuh:
Dieser ganz bestimmte Schlenker aus der Richtung,
dieser Stich ins Unnormale,
was nur einmal ist und auch nicht umzuändern:
siehe, das bist du.

 

Op de helft – Friedrich Hölderlin

[Deze vertaling bevat nog vertaalfouten.]

Friedrich Hölderlin (1770-1843) is een belangrijke Duitse dichter. Zijn verzen zijn klassiek van vorm, soms romantisch van inhoud, bijna altijd lyrisch van toon. Hij slaagt er vaak in je mee te slepen, je te vervoeren.

Zijn vader en stiefvader overleden toen hij nog vrij jong was. Zijn moeder had een toekomst als predikant voor hem in gedachten, maar hij koos betrekkelijk vastberaden voor zijn ware roeping: dichter. Hij bezat een aan de klassieke Griekse cultuur ontleende tragische levensopvatting. Zijn werk getuigt tevens van een religieus, maar niet-christelijk, levensbesef. Friedrich Nietzsche was een bewonderaar.

Hölderlin was filosofisch ingesteld. Hij heeft, naast gedichten, een wijsgerig werk geschreven (Urteil und Seyn), een filosofische roman (Hyperion oder Der Eremit in Griechenland), een treurspel (Empedokles); hij vertaalde ook Sophocles.

Het onderhavige gedicht, Hälfte des Lebens, is geschreven kort voor een zenuwinzinking.

Het gedicht is een van de beroemdste Hölderlin-gedichten. Het kent twee strofen, beide van zeven versregels. De eerste strofe roept een stralend levensbegin op, de tweede een treurig levenseinde. De enjambementen lopen over het gehele gedicht heen en verschaffen dichterlijke samenhang. De versregels zijn kort; er is geen eindrijm. Hölderlin volgde hierin klassieke voorbeelden na.

De eerste levenshelft wordt opgeroepen met beeldspraak: rijpe vruchten, fraaie bloesems, een weelderige oever, dichterlijke zwanen, warme liefde. De beelden zijn zowel natuurlijk als sacraal en religieus. Het adjectief ‘heilignuchter’ brengt beide aspecten samen.

De tweede strofe, en daarmee de tweede levenshelft, begint met een weeklacht: het roept gemis op, een ruïneuze cultuur, vlaggen die nog wapperen terwijl de geest reeds geweken is.

[De openingszin staat in de aanvoegende wijs?]

[Werk in uitvoering]

Vertaling:

Op de helft

Dat het land met gele peren,
En bezaaid met wilde rozen,
Moge huiven boven het meer,
Gij aanbiddelijke zwanen,
Dronken van kussen,
Ge doopt het hoofd
In heilignuchter water.

Wee mij, waar vind ik, als
Het winter is, de bloemen, waar
De zonneschijn,
De schaduwen der aarde?
De muren staan hier
Sprakeloos en koud; in de wind
Wapperen hol de vlaggen.

Origineel:

Hälfte des Lebens

Mit gelben Birnen hänget
Und voll mit wilden Rosen
Das Land in den See,
Ihr holden Schwäne,
Und trunken von Küssen
Tunkt ihr das Haupt
Ins heilignüchterne Wasser.

Weh mir, wo nehm´ ich, wenn
Es Winter ist, die Blumen, und wo
Den Sonnenschein,
Und Schatten der Erde ?
Die Mauern stehn
Sprachlos und kalt, im Winde
Klirren die Fahnen.

Gun me een jongemannendood – Roger McGough

1102_untitled_001

Fotograaf: Will Wilkinson

Roger McGough (1937, Litherland, Lancashire, Engeland) is een nu bijna tachtigjarige Engelse dichter, televisiemaker en kinderboekenschrijver. Hij hoort bij de Liverpool poets, heeft samengewerkt met The Beatles, gaf mede vorm aan de beatcultuur van de jaren zestig. Hij presenteert het programma Poetry Please, op BBC Radio 4.

Het maken van een vertaling van McGoughs gedicht Let Me Die A Youngman’s Death was de opdracht van een vertaalwedstrijd die werd georganiseerd door Stichting Kunst en Cultuur Huizen in samenwerking met de plaatselijke bibliotheek. De prijsuitreiking vond plaats op 25 januari 2017 met Maartje van Weegen als presentatrice en een onderhoudend programma dat werd afgesloten met mooie muziek, uitgevoerd door het Staffa Trio. Het winnende gedicht kunt u hier nalezen.

(Ik had ook vorig jaar meegedaan. Zie mijn blogbericht Het pad dat ik niet nam – Robert Frost.)

Onderstaande vertaling was mijn inzending. Deze is niet in de prijzen gevallen. Wel had de jury in mijn vertaling een domme spelfout ontdekt (ik … wordt), waarvoor dank, een fout die ik uiteraard verbeterd heb. Ik heb nog twee andere wijzigingen ten opzichte van mijn inzending aangebracht: (i) titel en de openingsregel heb ik gewijzigd in Gun me een jongemannendood. Mijn inzending had Gun me een ferme-jongensdood om reden dat het Engelse youngman een ongebruikelijke, enigszins archaïsche schrijfwijze is van young man, en het gedicht ook een homo-erotische suggestie bevat: angst voor gerommel met de zoon van de maîtresse. Bij nader inzien klinkt ‘ferme-jongensdood’ me wat al te oubollig in de oren: ferme jongens, stoere knapen; (ii) ik heb het woord ‘onophoudelijke’ vervangen door ‘immer’ omwille van de beknoptheid.

Het thema van de Poëzieweek (26-01-2017 tot 3-02-2017) is ‘humor’. McGoughs gedicht was gekozen omdat het humoristisch zou zijn. De veronderstelde humor schuilt o.a. in de woordgrappen: ‘a constant good tumour’ – stralende tumor i.p.v. stralend humeur; gangsters die je bij de kapper ‘a short back and insides’ geven – ‘a short back and sides’ is een kapsel met achterhoofd en boven de oren kaalgeschoren, en ‘insides’ is je inwendige. De humor schuilt tevens in de beschrijving van het verlangen om een spectaculaire en avontuurlijke dood te sterven, terwijl het gedicht er ondertussen gewoon van uit gaat dat de hoofdpersoon ten minste 104 jaar oud wordt. Gruwelijke ongelukken en moordscènes worden voorgesteld als een aantrekkelijk levenseinde. Een vredige dood – iets wat de meeste mensen hopen te bereiken – wordt beschreven als iets wat je beter niet kunt hebben. Alles wordt in betrekkelijk gewone woorden verteld, al is de toon hier en daar bijna lyrisch, wat grappig contrasteert met de inhoudelijke bravoure.

Ik vind het gedicht desondanks niet bijzonder humoristisch. Het getuigt naar mijn smaak meer van een Jan Cremer-achtige jongemannenbranie dan van humor, al heeft McGough wel wat meer zelfrelativering dan Ik-Jan.

De vorm van het gedicht is vrij, regellengte varieert, interpunctie ontbreekt. Het gedicht kent hier en daar alliteratie en gebruikt alleen eindrijm aan het begin en het eind bij de obstinate herhaling van het woord dood (rime riche). De slotstrofe is een echo van de openingsstrofe. Het gedicht heeft vaart, mede door het ontbreken van leestekens.

The Cavern is een nachtclub in Liverpool die in de jaren zestig beroemd werd als de ‘poptempel’ waarin The Beatles debuteerden.

mersey-sound

Originele omslag van The Mersey Sound

Het gedicht werd gepubliceerd in de bundel The Mersey Sound (medeauteurs: Adrian Henri en Brian Patten), Harmondsworth: Penguin 1967.

In 2012 publiceerde McGough een parodie op het onderhavige gedicht onder de titel Not For Me A Youngman’s Death.

Vertaling:

Gun me een jongemannendood

Gun me een jongemannendood
geen nette en tussen witte
lakens liggende wijwater-dood
geen beroemde-laatste-woorden
vredig naar adem happende dood

Ik hoop op m’n 73e
en met een immer stralende tumor
’s morgens vroeg te worden neergemaaid
door een felrode sportwagen
op weg naar huis
na een hele nacht doorzakken

Of dat ik op m’n 91e
met haren van zilver
in een kappersstoel zal zitten
en door binnenstormende boze gangsters
met bombastische repeteergeweren
aan flarden word geknipt en geschoren

Of dat ik op m’n 104e
en zojuist uit The Cavern gezet
door m’n maîtresse word
betrapt met haar dochter in bed
en dat ze bezorgd om haar zoon
mij in kleine stukjes hakt
en alle stukjes weggooit op eentje na

Gun me een jongemannendood
geen zondeloze stilletjes
in kaarsvet wiegende en kwijnende dood
geen dichte gordijnen door engelen gedragen
‘mooie manier om dood te gaan’-dood

Origineel:

Let Me Die A Youngman’s Death

Let me die a youngman’s death
not a clean and inbetween
the sheets holywater death
not a famous-last-words
peaceful out of breath death

When I’m 73
and in constant good tumour
may I be mown down at dawn
by a bright red sports car
on my way home
from an allnight party

Or when I’m 91
with silver hair
and sitting in a barber’s chair
may rival gangsters
with hamfisted tommyguns burst in
and give me a short back and insides

Or when I’m 104
and banned from the Cavern
may my mistress
catching me in bed with her daughter
and fearing for her son
cut me up into little pieces
and throw away every piece but one

Let me die a youngman’s death
not a free from sin tiptoe in
candle wax and waning death
not a curtains drawn by angels borne
‘what a nice way to go’ death

Wie het meeste liefheeft – W.H. Auden

De Engelse dichter Wystan Hugh Auden is in mijn ogen een van de grootste dichters van de twintigste eeuw.

Het gedicht The More Loving One is een beroemd gedicht dat Auden schreef in 1957, en dat werd gepubliceerd in de bundel Homage to Clio. Het is een kenmerkend gedicht omdat het tegelijkertijd ontroert en spot met zichzelf.

Het onderwerp is universeel – iedereen kent het: ‘onbeantwoorde liefde’, en het gedicht werkt een centrale metafoor uit van begin tot eind: sterren die je wel kunt liefhebben, maar die jou nooit zullen liefhebben.

De zelfspot wordt uitgedrukt doordat een sterretje meer of minder kennelijk onverschillig is voor de vurige sterrenminnaar.

Het laatste kwatrijn gaat in op het verdwijnen van het voorwerp van de liefde. Er wordt niet alleen berust, de lof van de afwezige sterren – het sublieme – wordt zelfs bezongen, maar gemakkelijk zal het niet gaan.

Auden had een relatie met Chester Kallman, dichter, librettist en vertaler, een relatie die niet in alle opzichten bevredigend en gelijkwaardig was. Dit gedicht wordt ten slotte ook wel eens geïnterpreteerd in religieuze zin: er zit niks anders op voor de sterfelijke mens dan te houden van een verre God van wiens liefde we niet altijd even veel merken.

Het gedicht bestaat uit vier kwatrijnen met een strak rijmschema: aabb.

[Werk in uitvoering]

Vertaling:

Wie het meeste liefheeft

Als ik kijk naar de sterren, weet ik zeer goed
Dat mijn bestaan er voor hen niet toe doet.
Maar onverschilligheid is ‘t minste kwaad;
We moeten vrezen wie ons naar het leven staat.

Stel dat een ster voor ons stond te laaien,
Zonder dat we ooit terug konden zwaaien?
Als je op wederliefde niet kunt bouwen,
Maak mijn liefde groter dan de jouwe.

Al blijf ik luid mijn lofzang kwelen
Op sterren die ’t geen reet kan schelen,
Ik kan niet zeggen, nu ‘k ze zie,
Dat er één mist, zo een twee drie.

Als al die sterren sterven of verzwinden,
Zal ik de duisternis subliem gaan vinden,
En naar een lege hemel leren turen,
Maar dat zal wel een tijdje duren.

Origineel:

The More Loving One

Looking up at the stars, I know quite well
That, for all they care, I can go to hell,
But on earth indifference is the least
We have to dread from man or beast.

How should we like it were stars to burn
With a passion for us we could not return?
If equal affection cannot be,
Let the more loving one be me.

Admirer as I think I am
Of stars that do not give a damn,
I cannot, now I see them, say
I missed one terribly all day.

Were all stars to disappear or die,
I should learn to look at an empty sky
And feel its total dark sublime,
Though this might take me a little time.

 

 

Musée des Beaux Arts – W.H. Auden

De Engelse dichter Wystan Hugh Auden (1907-1973) was in 1938 in Brussel. Hij bezocht er het Koninklijk Museum voor Schone Kunsten en bekeek er onder andere het schilderij De val van Icarus, waarschijnlijk een kopie van een schilderij van Pieter Brueghel de Oude (1525/1530-1569).

Dit schilderij is de aanleiding voor het gedicht. Het roept op hoe de erin voorkomende figuren – naar een woord van Vincent van Gogh waaraan Auden veel waarde hechtte – “in de ontreddering de kalmte bewaren”.

Het schilderij is gedateerd omstreeks 1600 toen Pieter Brueghel al dertig jaar dood was, maar dat was in Audens tijd nog niet bekend. Als het inderdaad een kopie is, is het de eerste en enige keer dat Brueghel een mythisch motief heeft gebruikt voor een schilderij.

Volgens de mythe zat Icarus samen met zijn vader Daedalus vast op Kreta. Om weg te kunnen komen, maakte Daedalus vleugels voor hen beiden. Hij gaf Icarus instructies: niet te dicht bij de zee, want met natte vleugels kun je niet vliegen, en niet te dicht bij de zon, want anders zal de was met behulp waarvan de vleugels samengesteld en bevestigd zijn, smelten. Icarus luisterde niet, kwam te dicht bij de zon, stortte in het water en verdronk.

Het gedicht is heel vrij van vorm, zonder noemenswaardig rijm en met een wisselende regellengte. Het gebruikt een gewone, heel onverstoorbare toon die tegelijkertijd gevoelig maakt voor de soms vreselijke dingen die verteld worden, en tevens de mogelijkheid opent om door te gaan met leven, ook al gebeuren er dingen die het evenwicht ernstig bedreigen. Dit is een belangrijk thema bij Auden: een vergelijkbare toon, een vergelijkbare onverstoorbare en gevoelige ernst proef je ook in veel andere gedichten, bijvoorbeeld in de gedichten In Praise of Limestone, Homage to Clio en de slotregels van The Fall of Rome.

Vertaling:

Musée des Beaux Arts

In het lijden vergisten ze zich nooit,
De Oude Meesters; hoe goed beseften ze zijn plaats
In een mensenleven, hoe het gebeurt
Terwijl iemand anders eet of een raam open doet of zomaar even langsloopt;
Hoe er, naast het eerbiedige, opgewonden wachten
Van ouderen op de wonderbare geboorte, nog iets bij moet,
Kinderen, voor wie het niet zo nodig hoeft, terwijl ze schaatsen
Op een vijver aan de rand van het bos.
Nooit vergaten ze
Dat ook het vreselijke martelaarschap zijn loop moet hebben
In een hoekje, ergens op een rommelige plek
Waar honden doorgaan met hun hondedingen, en het paard van de beul
Zijn onschuldige achterste schuurt aan een boom.

In Breughels Icarus bijvoorbeeld: hoe alles zich toch vrij kalm
Afwendt van het onheil: want misschien heeft de ploeger
De plons wel gehoord, de vergeefse gil,
Maar voor hem ging er niets mis wat er werkelijk toe deed; de zon scheen
Zoals het hoorde op de witte benen die verdwenen in het groene
Water, en het dure verfijnde schip dat toeschouwer was geweest
Van iets verbazingwekkends, een jongen die uit de lucht viel,
Moest gewoon ergens naar toe en voer rustig door.

Origineel:

Musée des Beaux Arts

About suffering they were never wrong,
The old Masters: how well they understood
Its human position: how it takes place
While someone else is eating or opening a window or just walking dully along;
How, when the aged are reverently, passionately waiting
For the miraculous birth, there always must be
Children who did not specially want it to happen, skating
On a pond at the edge of the wood:
They never forgot
That even the dreadful martyrdom must run its course
Anyhow in a corner, some untidy spot
Where the dogs go on with their doggy life and the torturer’s horse
Scratches its innocent behind on a tree.

In Breughel’s Icarus, for instance: how everything turns away
Quite leisurely from the disaster; the ploughman may
Have heard the splash, the forsaken cry,
But for him it was not an important failure; the sun shone
As it had to on the white legs disappearing into the green
Water, and the expensive delicate ship that must have seen
Something amazing, a boy falling out of the sky,
Had somewhere to get to and sailed calmly on.