Auteursarchief: Arie Sonneveld

Over Arie Sonneveld

In 1964 ben ik geboren in Berkel en Rodenrijs. In Wageningen studeerde ik tussen 1982 en 1989 Moleculaire Wetenschappen. Van 1994 tot 2000 werkte ik als leidinggevende bij academische boekhandels in Utrecht en Leiden en van 2000 tot 2008 als afdelingshoofd bij de Leidse universiteitsbibliotheek. Sindsdien werk ik als zelfstandig redacteur en vertaler. In 2014 was ik actief als Wikipedian-in-Residence voor zes speciale en wetenschappelijke bibliotheken. Van 2008 tot en met 2014 ben ik in mijn vrije tijd werkzaam geweest als Wikipedia-redacteur onder het van Kurt Tucholsky geleende pseudoniem Theobald Tiger. Ik lees graag gedichten, aforismen en essays.

Sonnet 130 – Shakespeare

Shakespeare_(oval-cropped) (1)

William Shakespeare

Dit sonnet van William Shakespearesonnet 130, een van de 154 – is gericht aan de Zwarte Dame, The Dark Lady. Het is geen moeilijk en zelfs een heel toegankelijk gedicht, maar je moet wel even begrijpen dat Shakespeare hier de draak steekt met de petrarkistische conventies (de door Petrarca in het leven geroepen dichterlijke gewoonten) om de geliefde met fraaie beeldspraak te overladen: lippen zijn koraalrood, de geliefde beweegt zich voort als een godin, de haren zijn gouden draden en de ogen stralen zeker zo intens als de zon.

Al deze dingen zijn op Shakespeare’s geliefde niet van toepassing, en dan komt de pointe: nochtans houdt hij zielsveel van haar.

Het oorspronkelijke gedicht is geschreven in jambische vijfvoeten (het metrum van elke versregel is dus als volgt: pom-póm, pom-póm, pom-póm, pom-póm, pom-póm). Ik heb de meeste (12 van de 14) regels vertaald met een jambische zesvoet (één keertje extra pom-póm).

Het Shakespeare-sonnet wijkt af van het Italiaanse sonnet. De wending of volte komt niet na de achtste regel, maar na de twaalfde. De laatste twee regels geven de pointe.

Ik heb de eerste twaalf regels weergegeven in kwatrijnvorm omwille van de leesbaarheid – wat in de oorspronkelijke Shakespeare-uitgaven vaak niet gebeurde.

Vertaling:

Sonnet 130

De ogen van mijn lief zijn echt niet hemelsblauw;
Haar lippen steken bleekjes af bij rood koraal,
Als sneeuw dan wit is, is haar boezem zeker grauw?
Die zwarte draden maken haar nog net niet kaal.

Ik zag soms rozen, damascener-rood en -wit,
Maar zulke blossen tonen toch haar wangen niet.
Waar menig parfum een verfijnd bouquet bezit,
Blijkt dat haar adem naar iets anders riekt.

Ik luister graag naar haar, maar weet heel goed
Dat het nou niet bepaald muziek der sferen is.
Godinnen komen je soms zwierig tegemoet,
Terwijl mijn lief weer aan het klossen is.

Maar toch, hoezeer zij met die beelden wordt onteerd,
Ik heb haar lief – en er is niets dat mij nog deert.

Origineel:

Sonnet 130

My mistress’ eyes are nothing like the sun;
Coral is far more red than her lips’ red.
If snow be white, why then her breasts are dun;
If hairs be wires, black wires grow on her head.

I have seen roses damasked, red and white,
But no such roses see I in her cheeks;
And in some perfumes is there more delight
Than in the breath that from my mistress reeks.

I love to hear her speak, yet well I know
That music hath a far more pleasing sound.
I grant I never saw a goddess go:
My mistress when she walks treads on the ground.

And yet, by heaven, I think my love as rare
As any she belied with false compare.

Advertenties

Maanreis

Maanreis

Naar de maan
Ga ik misschien
Morgen,
Of overmorgen.

Kaartjes
Zijn goedkoop.
Er staan rijen
Voor het loket.

Er moet wel
Wat gebeuren
Aan die enorme
Kale kraters,
Aan dat gebrek
Aan water.

Er hangen geen rozen
Zwaar aan de muren.
Er tsjilpen misschien
Geen mussen.

Niemand spreekt af
Onder het beeld.

Er klinkt geen muziek.
Er is geen kliniek.

Maar er is,
God zij geloofd
En gedankt,
En geprezen,
Geen spoor
Van ressentiment.

Ik weet niet
Of dat genoeg is
Om naar de maan
Te gaan.

(Eigen werk)

The Big Baboon

Donald Trump Stairs

Descending from the stairs

Spotversje over Onze Grote Transatlantische Broeder:

The Big Baboon

As he descends
– Recording blurred –
From silver stairs,
No laugh was heard.

The Airforce One
Inhaled, relieved,
The scattered words
No one believed.

On his Grand Slam
He’s holding forth,
Without intent
To kiss the earth.

As pompous
As his wife is lean,
He takes a selfie
With the Queen.

He’s with the Universe
At odds.
He’s at the banquets
With the gods.

We always knew
He’s coming soon,
In tailored suit:
The Big Baboon.

Christ told us
Not to call our fellows fools.
It is not always easy
To obey His rules.

(Eigen werk)

De afwezigheid – R.S. Thomas

r.-s.-thomas-4da1a5eab4f6b_360x225

Ronald Stuart Thomas

Dit gedicht van de Welshe dominee-dichter Ronald Stuart Thomas is wel geheimzinnig, maar niet heel moeilijk.

Het gaat over het bidden tot een God wiens aanwezigheid bijna net zo reëel is als zijn maar al te reële afwezigheid.

Ik ben opgegroeid in een gereformeerd-vrijgemaakt milieu, een GPV-milieu, waarin dit gedicht zonder twijfel met onbegrip en afwijzing ontvangen zou zijn, althans in mijn vormende jaren (jaren ’80). In SGP-kringen – een milieu van bevindelijke christenen – heb ik soms wel begrip gevonden voor de in dit gedicht uitgedrukte gevoelens van godsvrucht die dwars ingaan tegen gevoelens van godverlatenheid in.

Je kunt het gedicht bijna als lakmoesproef gebruiken om refo’s van grefo’s te onderscheiden.

Vertaling:

De afwezigheid

Het is deze immense afwezigheid,
bijna een aanwezigheid, die me ertoe
noopt iets te zeggen zonder hoop
op antwoord. Een kamer die ik binnenga

waaruit zojuist iemand verdwenen
is, een vestibule in afwachting
van iemand die mogelijk nog komt.
Ik zoek in mijn taal naar nieuwe

anachronismen, maar hij blijft weg
als vroeger. Genen, moleculen
hebben net zo min kracht hem op te roepen
als de wierook der Hebreeën

bij het altaar. Mijn vergelijkingen deugen niet,
net als mijn woorden. Welk middel heb ik,
behalve de volstrekte leegheid van mijn wezen,
een vacuüm waarvoor hij misschien niet terugdeinst?

Origineel:

The Absence

It is this great absence
that is like a presence, that compels
me to address it without hope
of a reply. It is a room I enter

from which someone has just
gone, the vestibule for the arrival
of one who has not yet come.
I modernise the anachronism

of my language, but he is no more here
than before. Genes and molecules
have no more power to call
him up than the incense of the Hebrews

at their altars. My equations fail
as my words do. What resources have I
other than the emptiness without him of my whole
being, a vacuum he may not abhor?

Naar het einde – R.S. Thomas

rs_thomas_01

Ronald Stuart Thomas

De Welshe dichter Ronald Stuart Thomas (1913 – 2000) was een anglicaanse dominee die meest Engelse gedichten schreef. Kingsley Amis zei ooit dat Thomas’ poëzie de meeste moderne gedichten degradeert tot triviale gekkigheid.

Hij heeft met zijn religieuze houding, met zijn neiging om zich met de profetenmantel te behangen, en toch ook wel met de klap waarmee zijn versregels soms aankomen, wel enige overeenkomst met Ida Gerhardt.

Dit gedicht is niet heel moeilijk: wijze mensen worden niet gehoord in het tumult van de tijd, en de meeste mensen luisteren naar raadgevers die adviseren om je rust aanstonds te verkopen, met – uiteraard – tumult als gevolg.

De titel is dubbelzinnig: deze betekent ‘periode’, ‘tijdperk’, maar natuurlijk ook ‘punt’, ‘afsluiting’. Ik heb deze daarom vertaald met ‘Naar het einde’.

Het origineel is hier raadpleegbaar (R.S. Thomas, Collected Poems: 1945-1990).

Naar het einde

’t Was een tijd waarin wijze mensen
Niet zwegen, maar werden gesmoord
In rumoer en geraas. Ze doken onder
In boeken die niemand las.

Het publiek leende gaarne het oor
Aan twee raadgevers. De een riep
Uitentreuren: ‘Koop’; de ander, nog
Overtuigender: ‘Verkoop hier uw rust’.

Origineel:

Period

It was a time when wise men
Were not silent, but stifled
By vast noise. They took refuge
In books that were not read.

Two counsellors had the ear
Of the public. One cried ‘Buy’
Day and Night, and the other,
More plausibly, ‘Sell your repose’.

 

Vredesplan

Vredesplan

Hij was een stille, slanke man,
Met kleine ogen en een klein gebrek.
De mensen vonden hem maar gek;
De tijd vroeg om een vredesplan.

Niemand wist er het fijne van.
Hij zat te staren op een hek.
Hij sprak soms tot een blauw verstek.
Ik hoop dat u hem volgen kan.

De meeuwen doken om hem heen.
Ze vreesden voor hun pril gebroed.
Ze krijsten, maar de man zei: “Neen,

Niet altijd komen dingen goed.”
De wereld werd weer stukken steen,
En ergens sijpelde nog bloed.

(Eigen werk; een komma en twee aanhalingstekens geplaatst na een goed commentaar van Johan Snel op Twitter.)

 Ik ga Angelina, ga jij met me mee?

Ik ga Angelina, ga jij met me mee?

‘Ik ga Angelina, ga jij met me mee? –
De kusten zijn woest en de luchten subliem.’
Ik stond op een rots en ik keek naar de zee.

Ze zei eerst geen ‘ja’, maar ze zei ook geen ‘nee’.
Ze speelde haar spel – het spel was een mime.
‘Ik ga Angelina, ga jij met me mee?’

Ze ontvouwde zichzelf als een pracht-orchidee.
Ze kuste mij vurig, langdurig, intiem.
Ik stond op een rots en ik keek naar de zee.

We sliepen die nacht zonder breedbeeld-tv.
Wie schikt zich niet gaarne in Amors regime?
‘Ik ga Angelina, ga jij met me mee?’

Ze lag onbeweeglijk en leek heel tevree.
Er schuilt in de liefde een giftige kiem.
Ik stond op een rots en ik keek naar de zee.

Gods goedheid, Gods almacht, de theodicee,
Bracht niemand ter sprake – ik bleef anoniem.
‘Ik ga Angelina, ga jij met me mee?’
Ik stond op een rots en ik keek naar de zee.

(Eigen werk)

Alles went

Alles went

De blijde wetenschap dat alles went
Geeft rust aan wie haar grondig kennen;
Je hoeft niet dood te vallen op een cent.

Misschien wil je wel worden wie je bent:
Het mooiste is om anderen te jennen;
Je weet dat ook de vroomste leugen went.

Had deze dame goesting in een vent?
Ze liet zich af en toe intiem verwennen;
Je hoeft niet dood te vallen op een cent.

Ik denk dat u het zuigende ‘appeal’ wel kent
Van tafelpoten en van jonge dennen,
Al klopt het wel dat ook hun aanblik went.

Dat geldt niet voor een lubberende krent,
Welks vadsigheden wij wat graag ontkennen:
Een liposuctie kost een lieve cent.

Roep niet te snel om straf of een agent;
Wie omziet, ziet de dood al rennen:
Hein weet heel goed dat doodgaan went,
Ook voor degeen die doodvalt op een cent.

(Eigen werk)

Sonnet 78 – Shakespeare

Shakespeare_(oval-cropped) (1)De Engelse dichter, toneelschrijver en acteur William Shakespeare (1564-1616) wordt algemeen beschouwd als een van de grootste dichters die ooit heeft geleefd. Naast toneelwerk in verzen heeft hij ook 154 sonnetten geschreven die al vaker in het Nederlands vertaald zijn. Veel van die vertalingen zijn ook wel online te vinden.

In Sonnet 78 blijkt dat Shakespeare te maken heeft met geleerde concurrenten. Het betreft hier waarschijnlijk “een groep elizabethanen, bekend als de […] University Wits, (…)”, volgens Peter Verstegen, die een tweetalige editie van de sonnetten heeft gemaakt en ook een commentaar heeft geschreven bij elk sonnet (William Shakespeare, Sonnetten, Amsterdam: G.A. van Oorschot, 1993, p.268).

In veel gevallen worden de eerste twaalf regels als één blok geschreven. Ik heb ze als kwatrijnen genoteerd omwille van de leesbaarheid.

Vertaling:

Sonnet 78

Heel dikwijls riep ik jou als muze aan,
Wat al mijn verzen zeer te stade kwam;
Door vreemde pennen werd het nagedaan,
Zodat men nog wat van hun poëzie vernam.

Jouw ogen leerden zwijgers kwinkeleren,
Verhieven logge domheid in de lucht,
Geleerde wieken kregen heuse veren,
Waar gratie was, nam die nog hoger vlucht.

Verhef je maar op wat ik nederschrijf,
Jij bent de oorsprong, en jij bent het vuur.
Kunst die zich warmt aan jou, beklijft,
Bij broeders geeft het hooguit wat structuur.

Kern van mijn kunst ben jij, en zelfs bereid
Jij nog geleerdheid uit mijn dommigheid.

Origineel:

Sonnet 78

So oft have I invoked thee for my muse,
And found such fair assistance in my verse
As every alien pen hath got my use,
And under thee their poesy disperse.

Thine eyes, that taught the dumb on high to sing
And heavy ignorance aloft to fly,
Have added feathers to the learned’s wing
And given grace a double majesty.

Yet be most proud of that which I compile,
Whose influence is thine, and born of thee.
In others’ works thou dost but mend the style,
And arts with thy sweet graces gracèd be;

But thou art all my art, and dost advance
As high as learning my rude ignorance.

Zwarte trocheeën

Zwarte trocheeën

Niemand durf ik iets te vragen,
Angst is alles wat ik voel.
Leed is steevast onvoldragen,
Bid een mincha in de sjoel.

Ongenadig is het leven,
Tragisch is ons aards bestaan,
Gratis is al wat wij geven,
Graven zien ons grijnzend aan.

Ritmisch leven, ritmisch denken,
Wissel kalmte af met vuur.
Laat het Schip van Staat maar zwenken,
Blijf de baas van eigen stuur.

Graaf een kuil en jammer bitter,
Aan de dood ontkomt niet een.
Schrijf geen vuig bericht op Twitter.
Vloek geen vromen, werp geen steen.

Houd maar vast aan je conundrum,
Aan je wanhoop en je lust.
Liefde lonkt als een postscriptum,
Slechts voor wie zijn noodlot kust.

(Eigen werk)

Terugdenken aan schoonheid – George S. Fraser

Gisteravond, 30 januari 2019, was in Theater De Boerderij in Huizen de prijsuitreiking van de poëzie-vertaalwedstrijd die werd georganiseerd door de Stichting Kunst en Cultuur Huizen en de Bibliotheek Huizen-Laren-Blaricum. Ik won de derde prijs met mijn vertaling van On a Memory of Beauty van George S. Fraser. Door omstandigheden kon ik helaas niet aanwezig zijn.

De Schotse dichter George Sutherland Fraser (1915-1980) is niet heel erg bekend, en als u zijn naam wel eens tegenkomt, dan misschien vaker als criticus en man of letters dan als dichter, wat hij ook was.

oorkondepoc3abzievertaalwedstrijdHet gedicht is gepubliceerd in The Traveller has Regrets and Other Poems (1948).

Het juryrapport kunt u hier nalezen.

De voor mijn vertaling relevante passages uit het juryrapport luiden:

 

“Een enkeling koos voor een wat vrijere vertaling [van de titel] en daar is niets op tegen, zoals Terugdenken aan schoonheid. Mooi gevonden. Ik moest toen ik dat las, denken aan de beginregel van het gedicht van Hendrik Marsman: Denkend aan Holland zie ik brede rivieren traag door oneindig laagland gaan.”

“Deze inzender dankt zijn prijs aan de compacte stijl, goed lopende en ritmisch verantwoorde regels die op een natuurlijke manier rijmen (d.w.z. zonder rijmdwang). Een regel als haar welving in het woelen der zee is een fraaie vondst. Daar stond wel weer tegenover dat de inzender een paar keer qua stijl en woordgebruik de plank misslaat en is daarom op de derde plaats gekomen.”

(Het is mij niet geheel duidelijk waar ik “qua stijl en woordgebruik” de plank heb misgeslagen, maar het is altijd goed om ter zake oplettend te blijven.)

Een interpretatie van het gedicht door jurylid Petra Kos, vindt u hier.

Vertaling:

Terugdenken aan schoonheid

Hoe komt het dat het hart verflauwt
Bij zee en rots, gekweld door leed
Dat het een lief gezicht maar niet onthoudt –
‘t Decor bewaart, de vrouw vergeet?

Maar is het ondeelbaar of zijn het er twee,
Was het een meisje of een sculptuur?
Schuimt haar welving in het woelen der zee,
Herstelt de lente opnieuw haar figuur?

Zo vluchtig als schoonheid ons bescheen,
Zo snel wordt ook van golf of wolk het beeld,
Hun vluchtig aspect, dat verdween,
In de geheugenzeef verspeeld.

En wat ik diep van binnen vind?
Rare, wilde dingen,
Zwoegend als zwanen in de sneeuw, half-blind –
Hoor de stervende zwaan zingen.

Origineel:

On a Memory of Beauty

How can the heart for sea and stone
Be cumbered, and forget a face
That moved it once to fret and moan—
Forget the woman, see the place?

But was it one or was it two,
Was it a statue or a girl?
Might every spring her form renew,
And the white sea-froth be her curl?

Beauty but for a moment shone,
The likeness of a cloud or wave
Whose momentary aspect, gone,
The sieve of memory cannot save.

Right at the back of my head I know
Incredible wild things
Struggle like swans half-blind with snow—
And the dying swan sings.

 

 

 

De Profundis

De Profundis

Waar kan ik hier,
Als ik mag vragen,
Ik ben hier nieuw,
Mijn ongerief kwijt,
De herrie,
Het loos alarm,
Dat driftige getok,
Losgaande regen
Op een golfplaten dak?

De stank die zich hier
Aan je opdringt,
Is een muffe sjaal,
Zo’n tiranniek breisel
Dat om en om moest
Van je moeder
Als het best meeviel.

Waar kan ik hier
Mijn tranen storten?

En waarom
Heb ik geen poes,
Metafoor met pootjes
En lieve oortjes,
Die ligt te spinnen
Tussen de geraniums?

Kan ik hier ook
Mijn trouwe demonen
Fatsoenlijk uitlaten
(Ik zoek nog naar de bak
Voor hun poep)?

Wie wil er eigenlijk
Met mij naar bed?

Wie luistert naar mij
Als ik bid?

(Eigen werk)

Alle lust wil eeuwigheid – Friedrich Nietzsche

nietzsche1882

Friedrich Nietzsche, 1882 (Photographie von Gustav Adolf Schultze)

Friedrich Nietzsche (1844-1900) is een belangrijke 19e-eeuwse Duitse schrijver en taalgeleerde die na zijn dood beroemd is geworden als filosoof. Een filosoof in eigenlijke zin is hij (volgens mij) nauwelijks – er is geen filosofisch systeem dat zijn naam draagt – maar zijn boeken hebben veel invloed gehad op het wijsgerige denken, een invloed die voortduurt tot in onze tijd.

Hij was een van de eersten die probeerden onder woorden te brengen wat het betekent als het christendom – Nietzsche was zelf een domineeszoon – voorgoed zou verdwijnen. Enerzijds juichte hij dat toe; anderzijds leed hij daaronder – de resulterende mentale spanning kon hij uiteindelijk niet aan, en hij bracht zijn laatste jaren als een geesteszieke door.

Diepzinnigheid – al schold hij daarop – was zijn geestesmerk, in een tijd dat de diepzinnigheid verschoof van de religie naar de ideologie.

Nietzsche was een heel goed, maar wel zeer geëxalteerd, poëtisch schrijver. Een van zijn meest dichterlijke boeken is Also sprach Zarathustra. Hierin komt het titelloze gedicht voor dat hier is vertaald. Ik heb dit gedicht een titel gegeven om reden dat het op die manier gemakkelijker is om te onthouden en terug te vinden, maar het is goed te beseffen dat het oorspronkelijke gedicht geen titel droeg.

De Oostenrijkse componist Gustav Mahler heeft het gedicht gebruikt in zijn Derde Symfonie, het vierde deel: 4. Sehr langsam. Misterioso. Een opname (Birmingham Symphony Orchestra) kunt u hier beluisteren.

Het gedicht voldoet niet aan een vast poëtisch stramien, maar is wel ritmisch en bovendien overladen met rijm, wat maakt dat de lezer of luisteraar de intensiteit ervan sterk ervaart. Na de twee openingsregels is de rest van het gedicht datgene wat Middernacht ons te vertellen heeft.

Vertaling:

Alle lust wil eeuwigheid

O Mens! Sla acht
Op ‘t woord van middernacht!
“Ik sliep, ik sliep –
Ontwaakt uit wat de droom mij bracht –
De wereld is zo diep,
Nog dieper dan de dag bedacht.
Diep is haar pijn –
O lust – die dieper is dan treurigheid.
Pijn zegt: Verdwijn!
Maar alle lust wil eeuwigheid,
Wil diepe, diepe eeuwigheid.”

Origineel:

O Mensch! Gib acht!
Was spricht die tiefe Mitternacht?
“Ich schlief, ich schlief –
Aus tiefen Traum bin ich erwacht –
Die Welt ist tief,
Und tiefer als der Tag gedacht.
Tief ist ihr Weh –
Lust – tiefer noch als Herzeleid.
Weh spricht: Vergeh!
Doch alle Lust will Ewigkeit,
will tiefe tiefe Ewigkeit!”

De laatste envelop

De laatste envelop

Langzaam maak ik de enveloppen open:
Een bon, een bankafschrift, een sterfgeval.
Bewolkte debetposten, al met al;
Wie durft er nog op wonderen te hopen?

De argumenten om je op te knopen
Groeien per postbezorging in getal.
De weg naar het geluk is lang en smal.
Je moet die eenzaam in het donker lopen.

De laatste envelop die ik tot slot
En met een lichte huiver openmaak –
Hoewel het ding eruit ziet als een vod –

Bewerkt dat ik mijn tobberijen staak.
Ik merk dat iemand met mijn wanhoop spot,
En ik in zalige verwarring raak.

(Eigen werk: een gelegenheidsgedicht als dankbetuiging.)

Een kaartje naar de Melkweg

Een kaartje naar de Melkweg

Zacht schoof ik de gordijnen open.
De straten glommen in het zwakke licht.
Een autodeur sloeg woedend dicht.
Ik zag de schimmen door de regen lopen.

Er viel geen touw meer vast te knopen
aan wat, uit noodzaak, sleur of plicht,
door mij was opgeschreven of verricht.
Ik wou een kaartje naar de Melkweg kopen.

Wie laks is en niet goed is voorbereid,
lijdt in de hoogte kans op helse pijnen
en valt ten prooi aan hemelgruis en strijd.

Voilà, een visum, krachtvoer, medicijnen.
Ik wist wat ik moest doen, ik nam de tijd.
De grootste opgaaf is om te verdwijnen.

(Eigen werk)

De heks

De heks

De heks zat blakend voor de microfoon.
Haar rode sjaaltje hing een beetje scheef.
Ze sprak op een verleidelijke toon.

Ze weet niet, overwoog ik, waar ik woon.
Het was alsof het parfum overdreef.
De heks zat blakend voor de microfoon.

Haar broche leek sprekend op een anemoon,
Waaraan mijn blik steeds haken bleef.
Ze sprak op een verleidelijke toon.

Haar borsten dansten lichtelijk asynchroon.
‘k Begon te vrezen dat ik iets misdreef.
De heks zat blakend voor de microfoon.

Mijn ouders hielden innig van hun zoon.
Het is geen wonder dat ik verzen schreef.
Ze sprak op een verleidelijke toon.

Voorzichtig kom ik uit mijn comfort zone,
En als ik mij ten slotte aan haar geef,
Zie ik haar blakend voor de microfoon.
Ze sprak op een verleidelijke toon.

(Eigen werk)

Over de uitleg van grap en gedicht

Over de uitleg van grap en gedicht

De uitleg van een grap is nooit grappig. Uitleg is voor mijn gevoel meestal ook strijdig met de geest van de grap. De grap blust het vuur van de twist, toont dat het sop de kool niet waard is, ontgrendelt onze gefixeerde blik, stookt een vreugdevuur van onze domheid; de grap relativeert, zegt men dan.

Ons twistmotief wordt door de grap bespot, en ook de gerichtheid van ons streven blijkt verdacht – de grappenmaker vergist zich zelden. De grap gelooft niet in de mogelijkheid dat twistzoekers, zwaarwichtige praters, radicale geesten, dwaallichten op dit moment voor rede of kritiek vatbaar zijn.

De grap gelooft ook niet dat de soep zo heet wordt gegeten als ze wordt opgediend. Deze eigenschap van de grap wekt soms abusievelijk de indruk dat de grappenmaker ‘positief’ in het leven staat, dat hij sombere uitkomsten, gruwelijke gevolgen, akelige verminkingen, massamoord, allerhande ellende onwaarschijnlijk acht.

Niets is minder waar. De meeste grappenmakers zijn – net als de meeste dichters – innig vertrouwd met wanhoop.

De rede is voor ons allemaal meestal heel ver weg, het is onduidelijk of de rede van binnen of van buiten komt, kritiek wordt als ondraaglijk beleefd of als een anomalie beschouwd, en het is zelfs niet helemaal zeker of de mens überhaupt een redelijk wezen is. Denkt u echt dat de mens over zelfkritiek beschikt? Ik doe manhaftig mijn best het te geloven.

Overigens vind ik het wel zeer aanbevelenswaardig om naar redelijkheid te streven, hoe moeilijk het misschien ook is.

Uitleg van de grap is niet een voortzetting, maar wel een terugkeer naar het belachelijk gemaakte streven, de radicaliteit, de twist, het gedram, de geketende blik.

Gedichten en grappen hebben deze belangrijke overeenkomst: ze hebben allebei een transcendent doel en uitleg is dodelijk.

De middelen zijn geheel verschillend, maar gedicht en grap proberen ons te bevrijden van onze gefixeerde blik, onze verbetenheid, ons vanzelfsprekendheidsgevoel, het gevoel dat we terecht boos zijn, het gevoel dat onze goede bedoelingen boven elke kritiek verheven zijn, het gevoel dat we heus alles al wel eens eerder hebben gezien.

Ongecorrigeerde zelfvoldaanheid jaagt ons in galop voort naar onze ondergang. En wie wil dat nou?

Ik doe altijd erg mijn best op m’n poëzievertalingen, en al geef ik soms wel wat summiere toelichting – meestal over zaken die aanvankelijk voor mijzelf een struikelblok vormden – met interpretatie blijf ik toch heel terughoudend.

Overigens staat elk gedicht gewoon op papier. Het ontstaat volgens mij niet alleen in het hoofd van de lezer. Als dat laatste alleen-zaligmakend zou zijn, was het onmogelijk om vertalingen kwalitatief met elkaar te vergelijken.

Dichters hebben wel degelijk iets te zeggen, en ik vind het de moeite waard om te achterhalen wat dat is. Het is daarom dat ik vertaal.

Als u deze tekst een beetje belachelijk vindt, kan ik u geen ongelijk geven.

De mooiste kleuren – Karl Ernst Knodt

 

Karl Ernst Knodt (1856-1917) was een Duitse dichter die niet erg bekend is geworden – of althans gebleven. Hij was een domineeszoon uit een Luthers theologengeslacht, en werd ook zelf dominee. Hij is predikant geweest in Gernsheim en Ober-Klingen, stond bekend als de “Waldpfarrer”, onderhield een uitgebreide briefwisseling met Hermann Hesse, en was een steun en toeverlaat voor andere dichters en mensen met dichterlijke aspiraties.

Het gedicht dat ik vertaald heb is niet moeilijk te begrijpen: het verbindt de kleurenpracht vlak voor het vallen van de schemering met het besef dat je niet lang meer te leven hebt.

Het zijn twee kwatrijnen, waarvan alleen de tweede en de vierde regel rijmen.

Vertaling:

De mooiste kleuren

De mooiste kleuren zijn de laatste:
zo zalig vredig, zuiver en sereen.
We zien in dit gerijpte weefsel
De gunsten van het jaar bijeen.

En zo zien onze rijpe zielen
de diepte in die kleurenpracht,
het raadsel van de laatste gloed,
bij ‘t naderen van de laatste nacht.

Origineel:

Die schönsten Farben

Die schönsten Farben sind die späten:
ganz friedensselig, reif und rein.
Gewoben sind in ihre Ruhe
die Jahressegnungen hinein.

So schaut die reife Menschenseele
die Helle höchster Farbenpracht
und das Geheimnis letzten Leuchtens
just an der Pforte letzter Nacht.

Als je aan kunst doet

Als je aan kunst doet

Als je aan kunst doet, moet je beelden maken:
Di Lampedusa schiep een zeemeermin uit schelpen;
‘k Plavei met pindakaas, en stut met bonenstaken.

De lampenkap leek wel gemaakt van gouden knaken,
En warmt niet alle liefde zich aan vossenwelpen?
Als je aan kunst doet, moet je beelden maken.

Sint Joris bond de strijd aan met de draken,
Het culturele raamwerk is van elpen,
Ik verf met pindakaas, en klim in bonenstaken.

De wetenschap kan slechts wat codes kraken,
Wie weet nog hoe de publicatievloed te stelpen?
Als je aan kunst doet, moet je beelden maken.

Geneeskracht schuilt, zegt men, in gele pastinaken,
Een halfrijm helpt een vers soms aan te sterken,
‘k Vervloek de pindakaas, en walg van bonenstaken.

Uit welke droom zal niemand ooit ontwaken?
De porno helpt de mens zichzelf te helpen.
Als je aan kunst doet, moet je beelden maken,
Al eet je pindakaas, en plaats je bonenstaken.

(eigen werk)

De angst voor de dood

Experiment met klank en metrum.

De angst voor de dood

De angst voor de dood is het grootst in de Doeroelizanen,
En zij krakelieren hun nakroost zo gauw ze voor ’t eerst zijn gekrield.
Verlateringskloet heeft zich snel in hun klompige armen ontzield,
En niemand heeft ooit nog de Karmitoet durven vermanen.

De Karmitoet is, met zijn keilige stroken en platsige wenden,
Door Doerilizanen en Elpen en Pinok met vreugde aanvaard,
Al had onze Pinok bitoeren, en heeft hij dramentig in tarsoe verklaard
Dat hij zijn krawatsen, zijn heil en zijn konterziek spoedig zal zenden.

Zo komt het dat Karmitoet Pinok de droesem amechtig doet klieven,
En Elp zich versnaterd ten koste van Pinok en Doerilizaan.
Het helpt niet bepaald dat dezulken zich troekus en krenk laten gaan,
Maar ach, de graven beslinken zodra het behaagt aan de krong der gelieven.

(Eigen werk)