Auteursarchief: Arie Sonneveld

Over Arie Sonneveld

In 1964 ben ik geboren in Berkel en Rodenrijs. In Wageningen studeerde ik tussen 1982 en 1989 Moleculaire Wetenschappen. Van 1994 tot 2000 werkte ik als leidinggevende bij academische boekhandels in Utrecht en Leiden en van 2000 tot 2008 als afdelingshoofd bij de Leidse universiteitsbibliotheek. Sindsdien werk ik als zelfstandig redacteur en vertaler. In 2014 was ik actief als Wikipedian-in-Residence voor zes speciale en wetenschappelijke bibliotheken. Van 2008 tot en met 2014 ben ik in mijn vrije tijd werkzaam geweest als Wikipedia-redacteur onder het van Kurt Tucholsky geleende pseudoniem Theobald Tiger. Ik lees graag gedichten, aforismen en essays.

Herfstziel – Georg Trakl

De dichter Georg Trakl (1887-1914) was een Oostenrijks dichter die overrompelende verzen schreef met een expressionistische vorm en toon. (Ik laat de hyperlink wijzen naar het Duitse Wikipedia-artikel, want het Nederlandse artikel is bar slecht en klinkt bovendien te vertaald.)

Voor een klein overzichtje van wat het ‘expressionisme’ betekende voor de lyrische dichtkunst, verwijs ik eveneens naar een Duits Wikipedia-artikel: Expressionismus (Literatur), onder het subkopje Lyrik.

Trakl groeide betrekkelijk gelukkig op in een groot gemengd luthers/katholiek gezin, maar bezat een zwaarmoedige aard. De beroemde filosoof van taal en logica Ludwig Wittgenstein heeft hem een tijdlang ondersteund met een financiële toelage. Hij was enigszins religieus in christelijke zin, zij het volstrekt onorthodox, maar zijn oog voor schuld en zonde was aanmerkelijk groter dan zijn besef van verlossing: hij is op 27-jarige leeftijd aan een overdosis cocaïne overleden.

In de titel van dit gedicht komen de begrippen ‘herfst’ en ‘ziel’ samen, twee begrippen die vaak voorkwamen in Trakls gedichten: het najaar resoneerde het best met zijn geestelijke toestand, en de ziel met zijn pijnigingen was een van zijn hoofdthema’s.

Het gedicht heeft vier strofen met regels die zeven (staand of mannelijk rijm) of acht (slepend of vrouwelijk rijm) lettergrepen kennen. Het metrum is trochaeïsch, dat wil zeggen dat het een afwisseling van beklemtoonde en onbeklemtoonde lettergrepen heeft en begint met een beklemtoonde lettergreep. (De meeste Nederlandse gedichten zijn jambisch en beginnen dus met een onbeklemtoonde lettergreep.)

Het rijm van elke strofe is abba – waarbij de a-rijmen staand zijn en de b-rijmen slepend. Ik heb soms een halfrijm toegepast waar in het origineel een volrijm werd gebruikt.

Dit gedicht is geschreven in augustus 1913, nadat hij een tijd vaak wel gelukkig, maar soms ook angstig had doorgebracht met vrienden als Karl Kraus, Adolf Loos und Bessie Bruce in Venetië.

In elke strofe staat een kleur centraal: bruin (herfstig), zwart (somber), blauw (afgezonderd), rood (pijnlijk).

[Een toelichting over de versies volgt later]

Vertaling:

Herfstziel
(2e versie)

Jachtgeroep, geblaf om bloed;
achter kruis en bruine heuvel
schittert zacht de waterspiegel,
schreeuwt de havik schel en luid.

Boven stoppelveld en pad
siddert reeds een inktzwart zwijgen;
pure hemel tussen twijgen;
slechts de beek vloeit stadig af.

Dra ontglipt ons vis en wild.
Blauwe ziel, dit duister dwalen,
maakte ons eenzaam, telkenmale.
Avond wisselt zin en beeld.

Eenvoud, goedheid – brood en wijn,
God in uw clemente handen
legt de mens het duister einde,
alle schuld en rode pijn.

Origineel:

Herbstseele
(2. Fassung)

Jägerruf und Blutgebell;
Hinter Kreuz und braunem Hügel
Blindet sacht der Weiherspiegel,
Schreit der Habicht hart und hell.

Über Stoppelfeld und Pfad
Banget schon ein schwarzes Schweigen;
Reiner Himmel in den Zweigen;
Nur der Bach rinnt still und stad.

Bald entgleitet Fisch und Wild.
Blaue Seele, dunkles Wandern
Schied uns bald von Lieben, Andern.
Abend wechselt Sinn und Bild.

Rechten Lebens Brot und Wein,
Gott in deine milden Hände
Legt der Mensch das dunkle Ende,
Alle Schuld und rote Pein.

Doodsfuga – Paul Celan

De dichter Paul Celan (1920-1970) was een duitstalige jood die in Tsjernivtsi – toenmalig Roemenië, tegenwoordig Oekraïne – werd geboren. Hij wordt beschouwd als een van de grootste lyrische dichters van het Duitse taalgebied. Zijn ouders werden door de nazi’s vermoord. Zelf maakte hij in Parijs in 1970 een einde aan zijn leven.

Het gedicht Todesfuge is een van de beroemdste gedichten uit zijn oeuvre. Het is overduidelijk een Holocaust-gedicht met een bezwerende toon, en het maakt gebruik van een obsessieve herhaling van zinsneden. Een fuga is een muziekvorm waarin ook bepaalde muzikale frasen op wisselende toonhoogten herhaald worden.

In het gedicht wordt zwarte melk gedronken, op alle tijden van de dag, en het is niet overdreven om te vermoeden dat het de bedoeling is dat je als lezer of toehoorder het gevoel krijgt dat er hier wordt gekokhalsd.

In het gedicht wordt een kampcommandant opgevoerd die kennelijk diepe gevoelens heeft voor een hoogblonde germaanse dame die luistert naar de naam Margarete, terwijl tezelfdertijd een joodse dame met de naam Sulamith wordt ontmenselijkt en vermoord.

dein-aschenes-haar-sulamith-anselm-kiefer-72578-copyright-kroller-muller-museum (1)

Anselm Kiefer, Dein aschenes Haar Sulamith, 1981 (copyright Kröller Müller  Museum)

De donkerte, de zwarte lucht die schemert naar Duitsland, is een beeld voor de rook die de schoorsteen van het moordcrematorium verlaat. De scène die wordt opgeroepen is een beeld van joodse gevangen die een graf graven terwijl andere gevangen daarbij geestdriftig dienen te musiceren terwijl de bruut zelf hen met zijn honden opjaagt en hoont.

Hier is een geluidsfragment waarin Paul Celan zijn gedicht zelf (heel mooi) voordraagt.

Er zijn geen leestekens, maar ik denk niet dat iemand daarover hoeft te struikelen. Het geeft een effect van grote wanhopige koortsachtigheid, met twee wegstervende slotzinnen.

Margarete is een verwijzing naar de blonde Gretchen in Goethes Faust. Sulamith is een joodse naam en zij komt voor in Hooglied 6:13 (SV): “Keer weder, keer weder, o Sulammith! Keer weder, keer weder, dat wij u mogen aanzien. Wat ziet gijlieden de Sulammith aan? Zij is als een rei van twee heiren.”

Het gedicht heeft Anselm Kiefer geïnspireerd tot verschillende kunstwerken, waarvan er één hierboven is afgebeeld.

Een collega-twitteraar die zich op dat forum Maarten Devant noemt, heeft me onlangs uitgedaagd om dit gedicht te vertalen. Dank – die uitdaging heb ik aangenomen.

Vertaling:

Doodsfuga

Zwarte melk van de vroegte wij drinken die ‘s-avonds
wij drinken die ’s-middags en ’s-morgens wij drinken die ‘s-nachts
wij drinken en drinken
wij delven een graf in de luchten daar lig je wat minder benauwd
In het huis woont een man die speelt met de slangen die schrijft
die schrijft als het duistert naar Duitsland
jouw goudblonde haar Margarete

Hij schrijft het en opent de deur en er fonkelen sterren
hij fluit dan zijn honden nabij
hij fluit dan zijn joden tevoorschijn laat delven een graf in de aarde
hij beveelt ons zweep je nu op tot de dans

Zwarte melk van de vroegte wij drinken die ‘s-nachts
wij drinken die ’s-middags en ’s-morgens wij drinken die ‘s-avonds
wij drinken en drinken
In het huis woont een man die speelt met de slangen die schrijft
die schrijft als het duistert naar Duitsland
jouw goudblonde haar Margarete
jouw asgrauwe haar Sulamith wij delven een graf in de luchten daar lig je wat minder benauwd

Hij roept steek dieper de grond in ja jullie en jullie anderen zing maar en speel
hij grijpt in zijn koppel naar ijzer en zwaait het zijn ogen zijn blauw
steek dieper die spaden ja jullie en jullie anderen zweep weer op tot de dans

Zwarte melk van de vroegte wij drinken die ‘s-nachts
wij drinken die ’s-middags en ’s-morgens wij drinken die ‘s-avonds
wij drinken en drinken
in het huis woont een man jouw goudblonde haar Margarete
jouw asgrauwe haar Sulamith hij speelt met de slangen

Hij roept speel de dood lekker lokkend de dood is een meester uit Duitsland
hij roept strijk donkerder nog die violen dan stijg je als rook in de lucht
dan heb je een graf in de wolken daar lig je wat minder benauwd

Zwarte melk van de vroegte wij drinken die ‘s-nachts
wij drinken die ’s-middags de dood is een meester uit Duitsland
wij drinken die ’s-avonds en ’s-morgens wij drinken en drinken
de dood is een meester uit Duitsland zijn oog schittert blauw
hij treft je met kogels van lood hij raakt je dan rauw
in het huis woont een man jouw goudblonde haar Margarete
hij stuurt dan zijn honden recht op ons af hij schenkt ons een graf in de lucht
hij speelt met de slangen en droomt met dwang de dood is een meester uit Duitsland

jouw goudblonde haar Margarete
jouw asgrauwe haar Sulamith

Origineel:

Todesfuge

Schwarze Milch der Frühe wir trinken sie abends
wir trinken sie mittags und morgens wir trinken sie nachts
wir trinken und trinken
wir schaufeln ein Grab in den Lüften da liegt man nicht eng
Ein Mann wohnt im Haus der spielt mit den Schlangen der schreibt
der schreibt wenn es dunkelt nach Deutschland
dein goldenes Haar Margarete

er schreibt es und tritt vor das Haus und es blitzen die Sterne
er pfeift seine Rüden herbei
er pfeift seine Juden hervor läßt schaufeln ein Grab in der Erde
er befiehlt uns spielt auf nun zum Tanz

Schwarze Milch der Frühe wir trinken dich nachts
wir trinken dich morgens und mittags wir trinken dich abends
wir trinken und trinken
Ein Mann wohnt im Haus der spielt mit den Schlangen der schreibt
der schreibt wenn es dunkelt nach Deutschland
dein goldenes Haar Margarete
Dein aschenes Haar Sulamith

wir schaufeln ein Grab in den Lüften da liegt man nicht eng

Er ruft stecht tiefer ins Erdreich ihr einen ihr andern singet und spielt
er greift nach dem Eisen im Gurt er schwingts seine Augen sind blau
stecht tiefer die Spaten ihr einen ihr anderen spielt weiter zum Tanz auf

Schwarze Milch der Frühe wir trinken dich nachts
wir trinken dich mittags und morgens wir trinken dich abends
wir trinken und trinken
ein Mann wohnt im Haus dein goldenes Haar Margarete
dein aschenes Haar Sulamith er spielt mit den Schlangen

Er ruft spielt süßer den Tod der Tod ist ein Meister aus Deutschland
er ruft streicht dunkler die Geigen dann steigt ihr als Rauch in die Luft
dann habt ihr ein Grab in den Wolken da liegt man nicht eng

Schwarze Milch der Frühe wir trinken dich nachts
wir trinken dich mittags der Tod ist ein Meister aus Deutschland
wir trinken dich abends und morgens wir trinken und trinken
der Tod ist ein Meister aus Deutschland sein Auge ist blau
er trifft dich mit bleierner Kugel er trifft dich genau
ein Mann wohnt im Haus dein goldenes Haar Margarete
er hetzt seine Rüden auf uns er schenkt uns ein Grab in der Luft
er spielt mit den Schlangen und träumet der Tod ist ein Meister aus Deutschland

dein goldenes Haar Margarete
dein aschenes Haar Sulamith

A Leap in the Dark

A Leap in the Dark

Voor RvK

Misschien ben je een huismus of een heks,
Een hinde die in herfstigheden kan verdwijnen,
Een Netflix-kijkster die van plan is te gaan lijnen,
Frigide soms, beschimmeld, dol op seks.

Straks kus je nog Tyrannosaurus Rex –
Er volgt een Nacht der Girondijnen,
De angst, Me Too, en helse pijnen.
Je wou een maatje, en je wordt zijn ex.

Je wou iets anders, en je wou iets geks.
Je hing als kat te krijsen in gordijnen,
Er bleef iets dromerigs uit groene ogen schijnen,
Geluk is raar en moeilijk en complex.

Daar staat hij dan, de man met duizend zielen,
Hij velt een Goliath, zijn geest omspant de eeuw,
Een Simson die kan vechten met een leeuw,
Die sneller is dan duurbetaalde imbecielen.

Hij is een man die seculier kan knielen,
Snel als een zwaluw, wendbaar als een meeuw,
Met mooier nest dan mus of spreeuw,
Bij wie de rest afsteekt als dode zielen.

Vergeet onmiddellijk die andere fossielen,
De Himalaya ligt bevroren in de sneeuw,
Beklim de top en slaak een luide schreeuw:
Hij weet de dooie dood nog te bezielen.

(Eigen werk. Dit gedicht is op verzoek gemaakt.)

Sterveling

Sterveling

Als ik boos ben, hak ik uw kop eraf,
als ik blij ben, kus ik uw wangen.

Ik prijs Banksy als ik de blits maak,
als ik hip ben, draag ik een baard.

Als ik geil ben, denk ik heel goed na –
geen zorgen – over pudeur,
over de Aufforderung zum Tanz.

Nadenken staat in een kwade reuk,
maar als ik de geest krijg,
schrijf ik u verzen.

Als ik God ben, verlos ik u onmiddellijk –
gratis en voor niks – stem op mij!

Als duivel houd ik mij in:
met gekken is het heelal reeds gevuld.

Soms lach ik sardonisch;
als zondaar veins ik berouw.

Als sterveling zoek ik u misschien,
en knip ik – dat staat vast –
mijn nagels.

Zullen ze doorgroeien
als ik dood ben,
tot in de eeuwen der eeuwen?

(Eigen werk)

Herfst – Rainer Maria Rilke

Rainer_Maria_Rilke_Author-869x1024 (1)

Rainer Maria Rilke

Rainer Maria Rilke (1875-1926) is een van de grootste lyrische dichters van het Duitse taalgebied. Het gedicht Herbst oogt eenvoudig en is een beroemd gedicht in zijn oeuvre.

Een kleine excursie vooraf: ooit heb ik het verzameld proza van Martinus Nijhoff (1894-1953) gelezen, uiteraard nadat ik een bewonderaar van zijn gedichten was geworden. Nijhoff besprak veel boeken, en op zeker moment werd hij geacht Uren met Dirk Coster van E. du Perron (1899-1940) te bespreken (Du Perron was iemand met wie hij ook letterlijk op de vuist zou gaan). Dirk Coster was een man van gezag in zijn tijd, over wie Henriëtte de Beaufort (1890-1982) in haar levensbericht voor de Maatschappij der Nederlandse Letterkunde schreef:

Nooit is hij afgeweken van zijn beginsel, dat ook de literaire schoonheid verworteld is met religieuze moraal, die hij soms liefde, een andermaal goedheid noemt. Wordt de schoonheid van deze groeibodem afgesplitst, dan kan zij geen levenskracht blijven en is gedoemd uiteen te vallen.

Dat kon natuurlijk niet verder afstaan van de beginselen van Forum, het tijdschrift waarin Ter Braak en Du Perron schreven. En Du Perron ondernam dan ook een poging om Coster te verpletteren, een poging die grotendeels geslaagd moet worden genoemd. Niemand weet meer wie Dirk Coster is.

Nijhoff kon destijds dat vernietigende boek van Du Perron over Coster niet bespreken; hij vond Du Perrons boek te polemisch, te vernietigend, te negatief. En dat schreef hij toen ook, een heel kort stukje, in plaats van de gevraagde bespreking.

Er zijn duidelijke overeenkomsten tussen Nijhoff en Rilke: beiden zijn het ‘witte magiërs’ – de term is van de dichter Hendrik de Vries (1896-1989) – dat wil zeggen sensitieve dichters die probeerden alles wat ze voelden en beseften, en ook alle dromen, gruwelen, verwachtingen, angsten, hoge gedachtevluchten, een plaats te geven in hun poëzie. Felle pennetwisten, meningenstrijd, polemiek konden ze daar eigenlijk niet bij gebruiken.

Het onderhavige gedicht lijkt op het eerste gezicht een relatief eenvoudig gedicht over de herfst, een vers dat het lot van vallende blaadjes thematiseert, algemeen maakt, zodat het ook over onszelf, onze dood, onze existentiële angsten, onze mislukkingen gaat. En dat is het ook.

Maar er is nog wel iets meer over te zeggen: verreweg de beste tekst die ik over dit gedicht ken, is van de hand van Coen Wessel, een PKN-predikant uit Hoofddorp. Hij heeft heel aannemelijk gemaakt dat de beeldtaal van de beeldhouwer Auguste Rodin belangrijk is om dit gedicht goed te begrijpen. Wessels verbazing (ook de mijne) betrof de introductie van de ‘handen’ – wat niet zo voor de hand ligt als het over vallende blaadjes gaat. Wessel maakt aannemelijk dat Rilkes metafoor ontleend is aan de beeldtaal van Rodin. Het artikel van Wessel vindt u hier. (Een link naar de uitgebreidere Duitse tekst die verschenen is in een liber amicorum van Andreas Pangritz vindt u onderaan het artikel.)

Wessel heeft in dit artikel ook zelf een vertaling van eigen hand opgenomen die ik mooi vind. Diens slotregels vind ik metrisch niet helemaal goed lopen, en hij mist het rijm fält/hält. Het halfrijm gaarden/gebaren had ik onafhankelijk van hem gevonden, maar hij was er eerder mee.

Een vertaling van de gelauwerde vertaler Peter Verstegen vindt u hier. Deze vertaling ligt, vrees ik, ver beneden het peil dat Verstegen met andere vertalingen wist te bereiken.

Vertaling:

Herfst

De bladeren vallen – als uit oneindigheid,
Als dorden er verre hemelse gaarden;
Ze vallen met afwerende gebaren.

En ’s-nachts, dan valt de zware aarde,
Weg van de sterren, in de eenzaamheid.

Wij allen vallen. Het geldt ook deze hand.
En zie naar de andere: het is in allen.

Toch is er Iemand die dit algemene vallen
Oneindig teder met zijn hand omvaamt.

Origineel:

Herbst

Die Blätter fallen, fallen wie von weit,
als welkten in den Himmeln ferne Gärten;
sie fallen mit verneinender Gebärde.

Und in den Nächten fällt die schwere Erde
aus allen Sternen in die Einsamkeit.

Wir alle fallen. Diese Hand da fällt.
Und sieh dir andre an: es ist in allen.

Und doch ist Einer welcher dieses Fallen
unendlich sanft in seinen Händen hält.

Sonnet 130 – Shakespeare

Shakespeare_(oval-cropped) (1)

William Shakespeare

Dit sonnet van William Shakespearesonnet 130, een van de 154 – is gericht aan de Zwarte Dame, The Dark Lady. Het is geen moeilijk en zelfs een heel toegankelijk gedicht, maar je moet wel even begrijpen dat Shakespeare hier de draak steekt met de petrarkistische conventies (de door Petrarca in het leven geroepen dichterlijke gewoonten) om de geliefde met fraaie beeldspraak te overladen: lippen zijn koraalrood, de geliefde beweegt zich voort als een godin, de haren zijn gouden draden en de ogen stralen zeker zo intens als de zon.

Al deze dingen zijn op Shakespeare’s geliefde niet van toepassing, en dan komt de pointe: nochtans houdt hij zielsveel van haar.

Het oorspronkelijke gedicht is geschreven in jambische vijfvoeten (het metrum van elke versregel is dus als volgt: pom-póm, pom-póm, pom-póm, pom-póm, pom-póm). Ik heb de meeste (12 van de 14) regels vertaald met een jambische zesvoet (één keertje extra pom-póm).

Het Shakespeare-sonnet wijkt af van het Italiaanse sonnet. De wending of volte komt niet na de achtste regel, maar na de twaalfde. De laatste twee regels geven de pointe.

Ik heb de eerste twaalf regels weergegeven in kwatrijnvorm omwille van de leesbaarheid – wat in de oorspronkelijke Shakespeare-uitgaven vaak niet gebeurde.

Vertaling:

Sonnet 130

De ogen van mijn lief zijn echt niet hemelsblauw;
Haar lippen steken bleekjes af bij rood koraal,
Als sneeuw dan wit is, is haar boezem zeker grauw?
Die zwarte draden maken haar nog net niet kaal.

Ik zag soms rozen, damascener-rood en -wit,
Maar zulke blossen tonen toch haar wangen niet.
Waar menig parfum een verfijnd bouquet bezit,
Blijkt dat haar adem naar iets anders riekt.

Ik luister graag naar haar, maar weet heel goed
Dat het nou niet bepaald muziek der sferen is.
Godinnen komen je soms zwierig tegemoet,
Terwijl mijn lief weer aan het klossen is.

Maar toch, hoezeer zij met die beelden wordt onteerd,
Ik heb haar lief – en er is niets dat mij nog deert.

Origineel:

Sonnet 130

My mistress’ eyes are nothing like the sun;
Coral is far more red than her lips’ red.
If snow be white, why then her breasts are dun;
If hairs be wires, black wires grow on her head.

I have seen roses damasked, red and white,
But no such roses see I in her cheeks;
And in some perfumes is there more delight
Than in the breath that from my mistress reeks.

I love to hear her speak, yet well I know
That music hath a far more pleasing sound.
I grant I never saw a goddess go:
My mistress when she walks treads on the ground.

And yet, by heaven, I think my love as rare
As any she belied with false compare.

Maanreis

Maanreis

Naar de maan
Ga ik misschien
Morgen,
Of overmorgen.

Kaartjes
Zijn goedkoop.
Er staan rijen
Voor het loket.

Er moet wel
Wat gebeuren
Aan die enorme
Kale kraters,
Aan dat gebrek
Aan water.

Er hangen geen rozen
Zwaar aan de muren.
Er tsjilpen misschien
Geen mussen.

Niemand spreekt af
Onder het beeld.

Er klinkt geen muziek.
Er is geen kliniek.

Maar er is,
God zij geloofd
En gedankt,
En geprezen,
Geen spoor
Van ressentiment.

Ik weet niet
Of dat genoeg is
Om naar de maan
Te gaan.

(Eigen werk)

The Big Baboon

Donald Trump Stairs

Descending from the stairs

Spotversje over Onze Grote Transatlantische Broeder:

The Big Baboon

As he descends
– Recording blurred –
From silver stairs,
No laugh was heard.

The Airforce One
Inhaled, relieved,
The scattered words
No one believed.

On his Grand Slam
He’s holding forth,
Without intent
To kiss the earth.

As pompous
As his wife is lean,
He takes a selfie
With the Queen.

He’s with the Universe
At odds.
He’s at the banquets
With the gods.

We always knew
He’s coming soon,
In tailored suit:
The Big Baboon.

Christ told us
Not to call our fellows fools.
It is not always easy
To obey His rules.

(Eigen werk)

De afwezigheid – R.S. Thomas

r.-s.-thomas-4da1a5eab4f6b_360x225

Ronald Stuart Thomas

Ronald Stuart Thomas (1913-2000) was een Welshe dichter die ook zijn leven lang in Wales woonde en werkte als een Anglicaans priester. Hij was een groot natuurliefhebber, had een vrij vergaande afkeer van moderne zaken die hij vond afleiden waar het in het leven echt om ging, en hij schreef in het Engels.

Een aardige bespreking door Theodore Dalrymple van zijn biografie – Byron Rogers, The Man Who Went into the West: The Life of R. S. Thomas, Aurum Press – vindt u hier.

Hij was een merkwaardige, eenzelvige figuur die prachtige gedichten schreef, getrouwd was met de schilder Mildred (Elsi) Eldridge (aan wie hij een paar zeer fraaie gedichten heeft gewijd – zie elders op dit blog). Kingsly Amis – zeker geen geestverwant – schreef dat zijn poëzie “reduces most other modern verse to footling whimsy” (=triviale gekkigheid). Hij is in Nederland niet zeer bekend.

Dit gedicht is wel geheimzinnig, maar niet heel moeilijk.

Het gaat over het bidden tot een God wiens aanwezigheid bijna net zo reëel is als zijn maar al te reële afwezigheid.

Ik ben opgegroeid in een gereformeerd-vrijgemaakt milieu, een GPV-milieu, waarin dit gedicht zonder twijfel met onbegrip en afwijzing ontvangen zou zijn, althans in mijn vormende jaren (jaren ’70-’80).

In SGP-kringen – een milieu van bevindelijke christenen – heb ik soms wel begrip gevonden voor de in dit gedicht uitgedrukte gevoelens van godsvrucht die gewoon kunnen samengaan met gevoelens van godverlatenheid.

Je kunt het gedicht misschien als lakmoesproef gebruiken om refo’s van grefo’s (orthodox-gereformeerden van bevindelijk-gereformeerden) te onderscheiden.

De slotregel verwijst naar de Horror Vacui – angst voor de leegte – een begrip uit de oudheid dat natuurkundige en filosofische betekenissen draagt.

Vertaling:

De afwezigheid

Het is deze immense afwezigheid,
bijna een aanwezigheid, die me ertoe
noopt iets te zeggen zonder hoop
op antwoord. Een kamer die ik binnenga

waaruit net iemand is verdwenen,
een vestibule in afwachting
van iemand die nog niet is gekomen.
Ik probeer mijn anachronistische taal

te moderniseren, maar evengoed
blijft hij weg. Genen, moleculen
hebben net zo min kracht hem op te roepen
als de wierook der Hebreeën

aan het altaar. Mijn vergelijkingen deugen niet,
net als mijn woorden. Welk middel heb ik,
behalve de goddeloze leegheid van mijn wezen,
een vacuüm waarvoor hij misschien niet terugdeinst?

Origineel:

The Absence

It is this great absence
that is like a presence, that compels
me to address it without hope
of a reply. It is a room I enter

from which someone has just
gone, the vestibule for the arrival
of one who has not yet come.
I modernise the anachronism

of my language, but he is no more here
than before. Genes and molecules
have no more power to call
him up than the incense of the Hebrews

at their altars. My equations fail
as my words do. What resources have I
other than the emptiness without him of my whole
being, a vacuum he may not abhor?

Naar het einde – R.S. Thomas

rs_thomas_01

Ronald Stuart Thomas

De Welshe dichter Ronald Stuart Thomas (1913 – 2000) was een anglicaanse dominee die meest Engelse gedichten schreef. Kingsley Amis zei ooit dat Thomas’ poëzie de meeste moderne gedichten degradeert tot triviale gekkigheid.

Hij heeft met zijn religieuze houding, met zijn neiging om zich met de profetenmantel te behangen, en toch ook wel met de klap waarmee zijn versregels soms aankomen, wel enige overeenkomst met Ida Gerhardt.

Dit gedicht is niet heel moeilijk: wijze mensen worden niet gehoord in het tumult van de tijd, en de meeste mensen luisteren naar raadgevers die adviseren om je rust aanstonds te verkopen, met – uiteraard – tumult als gevolg.

De titel is dubbelzinnig: deze betekent ‘periode’, ‘tijdperk’, maar natuurlijk ook ‘punt’, ‘afsluiting’. Ik heb deze daarom vertaald met ‘Naar het einde’.

Het origineel is hier raadpleegbaar (R.S. Thomas, Collected Poems: 1945-1990).

Naar het einde

’t Was een tijd waarin wijze mensen
Niet zwegen, maar werden gesmoord
In rumoer en geraas. Ze doken onder
In boeken die niemand las.

Het publiek leende gaarne het oor
Aan twee raadgevers. De een riep
Uitentreuren: ‘Koop’; de ander, nog
Overtuigender: ‘Verkoop hier uw rust’.

Origineel:

Period

It was a time when wise men
Were not silent, but stifled
By vast noise. They took refuge
In books that were not read.

Two counsellors had the ear
Of the public. One cried ‘Buy’
Day and Night, and the other,
More plausibly, ‘Sell your repose’.

 

Vredesplan

Vredesplan

Hij was een stille, slanke man,
Met kleine ogen en een klein gebrek.
De mensen vonden hem maar gek;
De tijd vroeg om een vredesplan.

Niemand wist er het fijne van.
Hij zat te staren op een hek.
Hij sprak soms tot een blauw verstek.
Ik hoop dat u hem volgen kan.

De meeuwen doken om hem heen.
Ze vreesden voor hun pril gebroed.
Ze krijsten, maar de man zei: “Neen,

Niet altijd komen dingen goed.”
De wereld werd weer stukken steen,
En ergens sijpelde nog bloed.

(Eigen werk; een komma en twee aanhalingstekens geplaatst na een goed commentaar van Johan Snel op Twitter.)

 Ik ga Angelina, ga jij met me mee?

Ik ga Angelina, ga jij met me mee?

‘Ik ga Angelina, ga jij met me mee? –
De kusten zijn woest en de luchten subliem.’
Ik stond op een rots en ik keek naar de zee.

Ze zei eerst geen ‘ja’, maar ze zei ook geen ‘nee’.
Ze speelde haar spel – het spel was een mime.
‘Ik ga Angelina, ga jij met me mee?’

Ze ontvouwde zichzelf als een pracht-orchidee.
Ze kuste mij vurig, langdurig, intiem.
Ik stond op een rots en ik keek naar de zee.

We sliepen die nacht zonder breedbeeld-tv.
Wie schikt zich niet gaarne in Amors regime?
‘Ik ga Angelina, ga jij met me mee?’

Ze lag onbeweeglijk en leek heel tevree.
Er schuilt in de liefde een giftige kiem.
Ik stond op een rots en ik keek naar de zee.

Gods goedheid, Gods almacht, de theodicee,
Bracht niemand ter sprake – ik bleef anoniem.
‘Ik ga Angelina, ga jij met me mee?’
Ik stond op een rots en ik keek naar de zee.

(Eigen werk)

Alles went

Alles went

De blijde wetenschap dat alles went
Geeft rust aan wie haar grondig kennen;
Je hoeft niet dood te vallen op een cent.

Misschien wil je wel worden wie je bent:
Het mooiste is om anderen te jennen;
Je weet dat ook de vroomste leugen went.

Had deze dame goesting in een vent?
Ze liet zich af en toe intiem verwennen;
Je hoeft niet dood te vallen op een cent.

Ik denk dat u het zuigende ‘appeal’ wel kent
Van tafelpoten en van jonge dennen,
Al klopt het wel dat ook hun aanblik went.

Dat geldt niet voor een lubberende krent,
Welks vadsigheden wij wat graag ontkennen:
Een liposuctie kost een lieve cent.

Roep niet te snel om straf of een agent;
Wie omziet, ziet de dood al rennen:
Hein weet heel goed dat doodgaan went,
Ook voor degeen die doodvalt op een cent.

(Eigen werk)

Sonnet 78 – Shakespeare

Shakespeare_(oval-cropped) (1)De Engelse dichter, toneelschrijver en acteur William Shakespeare (1564-1616) wordt algemeen beschouwd als een van de grootste dichters die ooit heeft geleefd. Naast toneelwerk in verzen heeft hij ook 154 sonnetten geschreven die al vaker in het Nederlands vertaald zijn. Veel van die vertalingen zijn ook wel online te vinden.

In Sonnet 78 blijkt dat Shakespeare te maken heeft met geleerde concurrenten. Het betreft hier waarschijnlijk “een groep elizabethanen, bekend als de […] University Wits, (…)”, volgens Peter Verstegen, die een tweetalige editie van de sonnetten heeft gemaakt en ook een commentaar heeft geschreven bij elk sonnet (William Shakespeare, Sonnetten, Amsterdam: G.A. van Oorschot, 1993, p.268).

In veel gevallen worden de eerste twaalf regels als één blok geschreven. Ik heb ze als kwatrijnen genoteerd omwille van de leesbaarheid.

Vertaling:

Sonnet 78

Heel dikwijls riep ik jou als muze aan,
Wat al mijn verzen zeer te stade kwam;
Door vreemde pennen werd het nagedaan,
Zodat men nog wat van hun poëzie vernam.

Jouw ogen leerden zwijgers kwinkeleren,
Verhieven logge domheid in de lucht,
Geleerde wieken kregen heuse veren,
Waar gratie was, nam die nog hoger vlucht.

Verhef je maar op wat ik nederschrijf,
Jij bent de oorsprong, en jij bent het vuur.
Kunst die zich warmt aan jou, beklijft,
Bij broeders geeft het hooguit wat structuur.

Kern van mijn kunst ben jij, en zelfs bereid
Jij nog geleerdheid uit mijn dommigheid.

Origineel:

Sonnet 78

So oft have I invoked thee for my muse,
And found such fair assistance in my verse
As every alien pen hath got my use,
And under thee their poesy disperse.

Thine eyes, that taught the dumb on high to sing
And heavy ignorance aloft to fly,
Have added feathers to the learned’s wing
And given grace a double majesty.

Yet be most proud of that which I compile,
Whose influence is thine, and born of thee.
In others’ works thou dost but mend the style,
And arts with thy sweet graces gracèd be;

But thou art all my art, and dost advance
As high as learning my rude ignorance.

Zwarte trocheeën

Zwarte trocheeën

Niemand durf ik iets te vragen,
Angst is alles wat ik voel.
Leed is steevast onvoldragen,
Bid een mincha in de sjoel.

Ongenadig is het leven,
Tragisch is ons aards bestaan,
Gratis is al wat wij geven,
Graven zien ons grijnzend aan.

Ritmisch leven, ritmisch denken,
Wissel kalmte af met vuur.
Laat het Schip van Staat maar zwenken,
Blijf de baas van eigen stuur.

Graaf een kuil en jammer bitter,
Aan de dood ontkomt niet een.
Schrijf geen vuig bericht op Twitter.
Vloek geen vromen, werp geen steen.

Houd maar vast aan je conundrum,
Aan je wanhoop en je lust.
Liefde lonkt als een postscriptum,
Slechts voor wie zijn noodlot kust.

(Eigen werk)

Terugdenken aan schoonheid – George S. Fraser

Gisteravond, 30 januari 2019, was in Theater De Boerderij in Huizen de prijsuitreiking van de poëzie-vertaalwedstrijd die werd georganiseerd door de Stichting Kunst en Cultuur Huizen en de Bibliotheek Huizen-Laren-Blaricum. Ik won de derde prijs met mijn vertaling van On a Memory of Beauty van George S. Fraser. Door omstandigheden kon ik helaas niet aanwezig zijn.

De Schotse dichter George Sutherland Fraser (1915-1980) is niet heel erg bekend, en als u zijn naam wel eens tegenkomt, dan misschien vaker als criticus en man of letters dan als dichter, wat hij ook was.

oorkondepoc3abzievertaalwedstrijdHet gedicht is gepubliceerd in The Traveller has Regrets and Other Poems (1948).

Het juryrapport kunt u hier nalezen.

De voor mijn vertaling relevante passages uit het juryrapport luiden:

 

“Een enkeling koos voor een wat vrijere vertaling [van de titel] en daar is niets op tegen, zoals Terugdenken aan schoonheid. Mooi gevonden. Ik moest toen ik dat las, denken aan de beginregel van het gedicht van Hendrik Marsman: Denkend aan Holland zie ik brede rivieren traag door oneindig laagland gaan.”

“Deze inzender dankt zijn prijs aan de compacte stijl, goed lopende en ritmisch verantwoorde regels die op een natuurlijke manier rijmen (d.w.z. zonder rijmdwang). Een regel als haar welving in het woelen der zee is een fraaie vondst. Daar stond wel weer tegenover dat de inzender een paar keer qua stijl en woordgebruik de plank misslaat en is daarom op de derde plaats gekomen.”

(Het is mij niet geheel duidelijk waar ik “qua stijl en woordgebruik” de plank heb misgeslagen, maar het is altijd goed om ter zake oplettend te blijven.)

Een interpretatie van het gedicht door jurylid Petra Kos, vindt u hier.

Vertaling:

Terugdenken aan schoonheid

Hoe komt het dat het hart verflauwt
Bij zee en rots, gekweld door leed
Dat het een lief gezicht maar niet onthoudt –
‘t Decor bewaart, de vrouw vergeet?

Maar is het ondeelbaar of zijn het er twee,
Was het een meisje of een sculptuur?
Schuimt haar welving in het woelen der zee,
Herstelt de lente opnieuw haar figuur?

Zo vluchtig als schoonheid ons bescheen,
Zo snel wordt ook van golf of wolk het beeld,
Hun vluchtig aspect, dat verdween,
In de geheugenzeef verspeeld.

En wat ik diep van binnen vind?
Rare, wilde dingen,
Zwoegend als zwanen in de sneeuw, half-blind –
Hoor de stervende zwaan zingen.

Origineel:

On a Memory of Beauty

How can the heart for sea and stone
Be cumbered, and forget a face
That moved it once to fret and moan—
Forget the woman, see the place?

But was it one or was it two,
Was it a statue or a girl?
Might every spring her form renew,
And the white sea-froth be her curl?

Beauty but for a moment shone,
The likeness of a cloud or wave
Whose momentary aspect, gone,
The sieve of memory cannot save.

Right at the back of my head I know
Incredible wild things
Struggle like swans half-blind with snow—
And the dying swan sings.

 

 

 

De Profundis

De Profundis

Waar kan ik hier,
Als ik mag vragen,
Ik ben hier nieuw,
Mijn ongerief kwijt,
De herrie,
Het loos alarm,
Dat driftige getok,
Losgaande regen
Op een golfplaten dak?

De stank die zich hier
Aan je opdringt,
Is een muffe sjaal,
Zo’n tiranniek breisel
Dat om en om moest
Van je moeder
Als het best meeviel.

Waar kan ik hier
Mijn tranen storten?

En waarom
Heb ik geen poes,
Metafoor met pootjes
En lieve oortjes,
Die ligt te spinnen
Tussen de geraniums?

Kan ik hier ook
Mijn trouwe demonen
Fatsoenlijk uitlaten
(Ik zoek nog naar de bak
Voor hun poep)?

Wie wil er eigenlijk
Met mij naar bed?

Wie luistert naar mij
Als ik bid?

(Eigen werk)

Alle lust wil eeuwigheid – Friedrich Nietzsche

nietzsche1882

Friedrich Nietzsche, 1882 (Photographie von Gustav Adolf Schultze)

Friedrich Nietzsche (1844-1900) is een belangrijke 19e-eeuwse Duitse schrijver en taalgeleerde die na zijn dood beroemd is geworden als filosoof. Een filosoof in eigenlijke zin is hij (volgens mij) nauwelijks – er is geen filosofisch systeem dat zijn naam draagt – maar zijn boeken hebben veel invloed gehad op het wijsgerige denken, een invloed die voortduurt tot in onze tijd.

Hij was een van de eersten die probeerden onder woorden te brengen wat het betekent als het christendom – Nietzsche was zelf een domineeszoon – voorgoed zou verdwijnen. Enerzijds juichte hij dat toe; anderzijds leed hij daaronder – de resulterende mentale spanning kon hij uiteindelijk niet aan, en hij bracht zijn laatste jaren als een geesteszieke door.

Diepzinnigheid – al schold hij daarop – was zijn geestesmerk, in een tijd dat de diepzinnigheid verschoof van de religie naar de ideologie.

Nietzsche was een heel goed, maar wel zeer geëxalteerd, poëtisch schrijver. Een van zijn meest dichterlijke boeken is Also sprach Zarathustra. Hierin komt het titelloze gedicht voor dat hier is vertaald. Ik heb dit gedicht een titel gegeven om reden dat het op die manier gemakkelijker is om te onthouden en terug te vinden, maar het is goed te beseffen dat het oorspronkelijke gedicht geen titel droeg.

De Oostenrijkse componist Gustav Mahler heeft het gedicht gebruikt in zijn Derde Symfonie, het vierde deel: 4. Sehr langsam. Misterioso. Een opname (Birmingham Symphony Orchestra) kunt u hier beluisteren.

Het gedicht voldoet niet aan een vast poëtisch stramien, maar is wel ritmisch en bovendien overladen met rijm, wat maakt dat de lezer of luisteraar de intensiteit ervan sterk ervaart. Na de twee openingsregels is de rest van het gedicht datgene wat Middernacht ons te vertellen heeft.

Vertaling:

Alle lust wil eeuwigheid

O Mens! Sla acht
Op ‘t woord van middernacht!
“Ik sliep, ik sliep –
Ontwaakt uit wat de droom mij bracht –
De wereld is zo diep,
Nog dieper dan de dag bedacht.
Diep is haar pijn –
O lust – die dieper is dan treurigheid.
Pijn zegt: Verdwijn!
Maar alle lust wil eeuwigheid,
Wil diepe, diepe eeuwigheid.”

Origineel:

O Mensch! Gib acht!
Was spricht die tiefe Mitternacht?
“Ich schlief, ich schlief –
Aus tiefen Traum bin ich erwacht –
Die Welt ist tief,
Und tiefer als der Tag gedacht.
Tief ist ihr Weh –
Lust – tiefer noch als Herzeleid.
Weh spricht: Vergeh!
Doch alle Lust will Ewigkeit,
will tiefe tiefe Ewigkeit!”

De laatste envelop

De laatste envelop

Langzaam maak ik de enveloppen open:
Een bon, een bankafschrift, een sterfgeval.
Bewolkte debetposten, al met al;
Wie durft er nog op wonderen te hopen?

De argumenten om je op te knopen
Groeien per postbezorging in getal.
De weg naar het geluk is lang en smal.
Je moet die eenzaam in het donker lopen.

De laatste envelop die ik tot slot
En met een lichte huiver openmaak –
Hoewel het ding eruit ziet als een vod –

Bewerkt dat ik mijn tobberijen staak.
Ik merk dat iemand met mijn wanhoop spot,
En ik in zalige verwarring raak.

(Eigen werk: een gelegenheidsgedicht als dankbetuiging.)

Een kaartje naar de Melkweg

Een kaartje naar de Melkweg

Zacht schoof ik de gordijnen open.
De straten glommen in het zwakke licht.
Een autodeur sloeg woedend dicht.
Ik zag de schimmen door de regen lopen.

Er viel geen touw meer vast te knopen
aan wat, uit noodzaak, sleur of plicht,
door mij was opgeschreven of verricht.
Ik wou een kaartje naar de Melkweg kopen.

Wie laks is en niet goed is voorbereid,
lijdt in de hoogte kans op helse pijnen
en valt ten prooi aan hemelgruis en strijd.

Voilà, een visum, krachtvoer, medicijnen.
Ik wist wat ik moest doen, ik nam de tijd.
De grootste opgaaf is om te verdwijnen.

(Eigen werk)