Maandelijks archief: juni 2018

Rozen, nazomer – Mary Oliver

Mary Oliver

Mary Oliver (2001) tijdens een poëzievoordracht

Ze is een nog levende Amerikaanse dichter, Mary Oliver (1935-), en ze werd geboren in een landelijk gelegen plaats, vlakbij Cleveland in Ohio. Daar ontwikkelde ze een grote voorliefde voor de natuur.

Ze begon betrekkelijk vroeg met dichten. Ze schrijft verzen met een fraai ritme, waarin vaak rijm ontbreekt, maar waarin een dichterlijke stroom en tegenstroom nooit ontbreken, en die ons gevoelig maken en verrijken – zoals elk goed gedicht – voor de gruwelen en de schoonheden en de geheimenissen van het bestaan – “We are nourished by the mystery” (The Fish).

Ze was bevriend met de zus van  Edna St. Vincent Millay, en heeft met haar de nagelaten papieren van de dichteres geordend.

Hier kunt u Mary Oliver beluisteren terwijl ze het gedicht Roses, Late Summer voordraagt. Ze heeft een aangename en heel duidelijke voordracht.

Hier kunt u uitgebreider met haar voordracht en haar persoon kennis maken.

Vertaling:

Rozen, nazomer

Wat gebeurt er
met de bladeren als
ze rood kleuren of goud, als ze
afvallen? Wat gebeurt er

met de zangvogels
als ze niet langer kunnen
zingen? Wat gebeurt er
met hun snelle vleugeltjes?

Denk je dat er een
persoonlijke hemel is
voor ieder van ons?
Denk je dat er iemand,

gene zijde van die duisternis,
ons zal roepen, daarmee ons zal bedoelen?
Achter de bomen
blijven de vossen hun welpen leren

hoe je leeft in de duinpan;
het lijkt wel of ze nooit verdwijnen, ze zijn er altijd
in het bloeiende licht
dat elke ochtend weer oprijst

in de donkere lucht.
En nog weer een duinenrij verder,
vlak langs de zee,
beginnen de laatste rozen hun productie van lieflijkheid,

en schenken ze deze terug aan de wereld.
Als ik een ander leven zou krijgen,
zou ik het willen geven aan een onbekend
tomeloos geluk.

Het zou een vos kunnen zijn, of een boom
vol met wuivende takken.
Ik zou het niet erg vinden een roos te zijn
in een veld vol met rozen.

Angst is nooit tot hen doorgedrongen; ambitie evenmin.
Verstand valt buiten hun besef.
Ook vragen ze nooit hoe lang ze rozen moeten zijn, en wat dan?
Of welke idiote vraag dan ook.

Origineel:

Roses, Late Summer

What happens
to the leaves after
they turn red and golden and fall
away? What happens

to the singing birds
when they can’t sing
any longer? What happens
to their quick wings?

Do you think there is any
personal heaven
for any of us?
Do you think anyone,

the other side of that darkness,
will call to us, meaning us?
Beyond the trees
the foxes keep teaching their children

to live in the valley.
so they never seem to vanish, they are always there
in the blossom of the light
that stands up every morning

in the dark sky.
And over one more set of hills,
along the sea,
the last roses have opened their factories of sweetness

and are giving it back to the world.
If I had another life
I would want to spend it all on some
unstinting happiness.

I would be a fox, or a tree
full of waving branches.
I wouldn’t mind being a rose
in a field full of roses.

Fear has not yet occurred to them, nor ambition.
Reason they have not yet thought of.
Neither do they ask how long they must be roses, and then what.
Or any other foolish question.

Advertenties

Aanvaarding – Robert Frost

De Amerikaanse dichter Robert Frost (1874-1963) behoeft eigenlijk geen introductie. Hij is veelvuldig gelauwerd, hij slaagt erin een snaar te raken bij iedere versgevoelige die hem leest, hij hanteert een eenvoudig idioom, hij is erg goed in spreektaal, hij is niet eenvoudig te plaatsen in levensbeschouwelijke of godsdienstige coördinatensystemen, maar hij heeft een duidelijke, zij het weinig orthodoxe, religieuze inslag. Zijn moeder was een aanhanger van de Lutheraanse mysticus Emanuel Swedenborg; zijn vader was een sceptische en atheïstische journalist. Hij had manisch-depressieve trekken. Over zijn levenshouding, zie: Jay Parini, Listening for God in Unusual Places: The unorthodox faith of Robert Frost, America The Jesuit Review, March 4, 2013 issue (February 20, 2013).

Het gedicht Acceptance is een Shakespeareaans sonnet: veertien regels, drie kwatrijnen en een distichon. Maar er is niet een volte of wending na de eerste twee kwatrijnen zoals gebruikelijk bij het sonnet. Wie meer wil lezen over dit vers, kan terecht bij dit boek (wel een beetje breedsprakig gewauwel over meerlagigheid, helaas): H.A. Maxson, On the Sonnets of Robert Frost: A Critical Examination of the 37 Poems, Jefferson, North Carolina: McFarland 1997.

In dit vers komen twee vogels voor: het vrouwtje zit als het donker wordt op haar nest, het mannetje is bij het invallen van de duisternis ver weg. Feministische interpretaties van dit gegeven lijken me beside the point. Het aantal versvoeten is in vertaling soms wat uitgebreid. Het rijm in vertaling is op een paar plaatsen halfrijm, waar in het origineel een volrijm wordt gehanteerd.

Vertaling:

Aanvaarding

Als de fletse zon zijn stralen op de wolken spuwt,
En wegzinkt om te branden in ‘t ravijn beneden,
Weerklinkt in de natuur geen stem die luide schreeuwt
Bij wat er plaatsvond. Slechts vogels kennen de reden:

Het wordt weer donker, hoog in de lucht daarbuiten.
Met prevelend kopje zacht tegen haar borstje aan,
Besluit een vogel het omfloerste oog te sluiten,
Een ander, overvallen, ver bij zijn nest vandaan,

Vliegt laag en vlug over de bomen, schiet net op tijd,
De moede zwerver, in zijn vertrouwde kruin,
En denkt of kwettert hooguit zachtjes: “O Zaligheid!
Schenk duisternis aan al wat ik beschouw als ‘mijn’,

Laat deze nacht zo donker zijn, dat ik niet meen
Te zien wat op mij afkomt. Laat al wat zijn zal, zijn.”

Origineel:

Acceptance

When the spent sun throws up its rays on cloud
And goes down burning into the gulf below,
No voice in nature is heard to cry aloud
At what has happened. Birds, at least must know

It is the change to darkness in the sky.
Murmuring something quiet in her breast,
One bird begins to close a faded eye;
Or overtaken too far from his nest,

Hurrying low above the grove, some waif
Swoops just in time to his remembered tree.
At most he thinks or twitters softly, “Safe!
Now let the night be dark for all of me.

Let the night be too dark for me to see
Into the future. Let what will be, be.”

Een voetnoot bij het begrip Cultuurmarxisme

Cultuurmarxisme

Omslag boek onder redactie van Paul Cliteur, Jasper Jansen en Perry Pierik

Het begrip ‘cultuurmarxisme’ – een spookachtig, anachronistisch verzinsel – wordt door louche-rechtse lieden (The Post Online, Sid Lukassen, Sietske Bergsma, Wierd Duk, PVV, FvD) gebruikt om een vermeende culturele tendens te beschrijven.

Paul Cliteur, Voorzitter Wetenschappelijk Bureau van FvD, jurist, militant-atheïstische schrijver, mede-redacteur van een boek met de titel Cultuurmarxisme, meent een argument voor de alomvattende greep die het begrip op de geesten heeft, te kunnen ontlenen aan het feit dat er geen PVV-hoogleraren zijn. Hierop is kritiek gegeven. Zie bijvoorbeeld dit Twitter-draadje van de theoloog en publicist Stefan Paas.

De kritiek is raak, en Cliteur heeft dergelijke kritiek zeer verdiend, maar deze gaat toch in mijn ogen voorbij aan het centrale punt. Dat punt is dat het bestaan van een verondersteld verschijnsel – ‘cultuurmarxisme’ – wordt aangetoond met de niet-respectabiliteit van de PVV.

Het aangevoerde feit, dat een positieve houding jegens de PVV niet als respectabel wordt beschouwd onder de elite van journalisten, televisiemakers, wetenschappers, beleidsmakers en schrijvers, is moeilijk te loochenen.  Dat is gewoon zo.

Alleen zelfstandige ondernemers en mensen hoog in de commerciële hiërarchie (die soms ook tot de elite worden gerekend) zijn soms wel duidelijk PVV-gezind (eigen waarneming), maar die komen sowieso niet voor hun politieke voorkeur uit in het openbaar.

De zwakte van Cliteurs betoog schuilt niet in het ter ondersteuning aangevoerde  feit – de niet-respectabiliteit van de PVV – maar in de gedachte dat dit feit het verschijnsel ‘cultuurmarxisme’ aantoont.

Daarvoor zie ik geen enkele aanleiding: het marxisme-leninisme is vrijwel over de gehele linie in diskrediet, de greep die het neomarxisme op de geesten heeft, is geen fractie van wat die in de jaren ’70 en ’80 was, en de afkeer van de PVV wordt beleden door heel diverse groepen.

De PVV rekruteert zijn islamofobe kiezers vooral onder de militante atheïsten, bekrompen protestanten, Telegraaflezers die het graag gezellig houden, gemelijke ex-katholieken, Teeuwen/Van Gogh-bewonderaars en GeenStijl-trollen.

Maar wie blijven er dan nog over? Dat zijn:
1.) Links: Groen Links, PvdA, SP;
2.) Christenen: CDA, CU en SGP;
3.) Migranten: DENK en anderen;
4.) Hoogopgeleide burgers die areligieus, onburgerlijk en vernieuwend willen zijn: VrijLinks, D’66.

Je kunt bezwaarlijk van dit gemêleerde gezelschap beweren dat ze er een gemeenschappelijke cultuurmarxistische filosofie op nahouden.

‘Cultuurmarxisme’ is een verschijnsel uit de jaren ’70 en ’80 van de 20e eeuw. Toen wemelde het van de fellow-travellers van sovjet-communisme en maoïsme, en was er daadwerkelijk een aanzienlijke neomarxistische invloed op het intellectuele leven.

Als je een argument zoekt voor ‘cultuurmarxisme’, dan zou ik het negeren in de Nederlandse pers van Simon Leys noemen: hij heeft meer gedaan dan wie ook om het marxisme in diskrediet te brengen, en zijn overlijden in 2014 is in de Nederlandse kranten en op de Nederlandse tv volstrekt genegeerd.

PS Na het bovenstaande geschreven te hebben werd ik via Twitter op een gedegen en interessant artikel over het onderwerp geattendeerd door de Leidse historicus Adriaan van Veldhuizen – waarvoor dank. Het betreft: Daniël Korving en Jaap Tielbeke, ‘Genealogie van het cultuurmarxisme. Een complottheorie voor paranoïde rechts’, De Groene, 6 september 2017.