Maandelijks archief: juli 2016

Domheid

Twee citaten over de menselijke domheid. Het is vaak wat hovaardig – maar ook amusant natuurlijk – om zo’n citaat te gebruiken, dus je moet ermee oppassen.

Kurt Tucholsky (Dürfen darf man alles):

Die mensliche Dummheit ist international.

Albert Einstein (Zitate und Aussprüche):

Zwei Dinge sind unendlich, das Universum und die menschliche Dummheit, aber bei dem Universum bin ich mir noch nicht ganz sicher.

Advertenties

De ene en het al – Goethe

Johann Wolfgang von Goethe wordt beschouwd als de grootste dichter van het Duitse taalgebied. Hij heeft, naast epische en dramatische gedichten, tevens een groot aantal lyrische en filosofische gedichten geschreven. Het filosofisch-didactische Eins und Alles, ook hier en daar lyrisch van toon, roept in herinnering wat de dichter Geerten Gossaert ooit over gedichten opmerkte: poëzie is “door ontroering ritmisch geworden rede”.

Het gedicht is geënt op de gedachte van Heraklitus ‘Alles stroomt’, Panta rhei.

Zich meten met de wereldgeest is het leveren van scheppende arbeid.

In het gedicht Vermächtnis gebruikt Goethe soortgelijke gedachten, uiteraard met andere conclusies, want alles stroomt, nietwaar, en wat eenmaal is geschapen wacht dringend op herschepping.

Het is bijna niet voorstelbaar dat een Nederlander ooit een dergelijk gedicht zou hebben geschreven of zelfs maar had kunnen schrijven – uitgezonderd Willem Bilderdijk misschien (maar die kende geen maat in zijn vervoering), of Frederik van Eeden (maar die gaf er al gauw een schertsende draai aan).

Vertaling:

De ene en het al

De enkeling mag graag wegdeinen
In het grenzenloze, en verdwijnen:
Dan wijkt de sleur, de last, de pijn;
Want wilde hartstocht, hunkeringen,
Stringente eisen, zedelijke dingen –
’t Is zalig er vanaf te zijn.

Kom wereldziel, vervul ons met uw wezen!
Want met de wereldgeest zich kunnen meten,
Is wat het hoogste wakker roept en riep.
De beste geesten die zich daaraan wijden,
Weten het ware meesterschap te leiden
Naar dat wat alles schept en schiep.

Herscheppen wat reeds is geschapen,
Opdat het niet in starheid zal ontslapen,
Geeft eeuwige, vitale arbeidslust,
Want wat nooit was, zal nu ontspringen:
Een bonte aarde en pure hemelingen;
Niets of niemand krijgt ooit rust.

Alles moet zich roeren en zich reppen,
En sinds het vorm kreeg, zich herscheppen,
Stagnatie kan slechts schijnbaar zijn.
Het eeuwige verdeelt zich in ons allen:
Want alles zal tot Niets vervallen,
Als het zich vastklampt aan het Zijn.

Origineel:

Eins und alles

Im Grenzenlosen sich zu finden,
Wird gern der einzelne verschwinden,
Da löst sich aller Überdruß;
Statt heißem Wünschen, wildem Wollen,
Statt lästigem Fordern, strengem Sollen
Sich aufzugeben ist Genuß.

Weltseele, komm, uns zu durchdringen!
Dann mit dem Weltgeist selbst zu ringen,
Wird unsrer Kräfte Hochberuf.
Teilnehmend führen gute Geister,
Gelinde leitend höchste Meister
Zu dem, der alles schafft und schuf.

Und umzuschaffen das Geschaffne,
Damit sichs nicht zum Starren waffne,
Wirkt ewiges, lebendiges Tun.
Und was nicht war, nun will es werden
Zu reinen Sonnen, farbigen Erden;
In keinem Falle darf es ruhn.

Es soll sich regen, schaffend handeln,
Erst sich gestalten, dann verwandeln;
Nur scheinbar stehts Momente still.
Das Ewige regt sich fort in allen:
Denn alles muß in Nichts zerfallen,
Wenn es im Sein beharren will.

Wat ik moet doen – R.S. Thomas

Het gedicht This to do van R.S. Thomas (1913-2000), een dichter-dominee uit Wales, beschrijft een taak die de ik-figuur nog moet uitvoeren in levendige beelden. Thomas ontleende deze beelden mogelijk aan zijn eigen ervaring.

De taak is geestelijk en angstaanjagend; de ervaring was lichamelijk en opwindend: de enge opdracht wordt beschreven als een spannend avontuur.

Die opdracht is het vinden van de toegangsdeur tot jezelf, en de enge zoektocht wordt voorgesteld als een duik onder water die in een uiterst beperkte tijd moet worden uitgevoerd. (Thomas hield erg van de Deense filosoof Søren Kierkegaard die het bestaan beschreef als eng en subliem, als het oversteken van een afgrond die thousands of fathoms diep is.)

De dichter verbindt lucht en adem metaforisch met geld en munten.

In het begin wordt meer lucht opgenomen dan de ik-figuur heeft, meer geld opgenomen dan op de rekening staat. Aan het eind van het gedicht en tijdens de duik wordt met de opstijgende luchtbellen die als munten worden voorgesteld, de moed ‘gekocht’ die nodig is om de toegangsdeur te vinden.

Hier kunt u luisteren naar de dichter zelf die het vers voordraagt op een fraaie, gedragen toon, een toon die ongetwijfeld door vrolijke, moderne, redelijke mensen als uiterst gedateerd zal worden beschouwd, want het verleden is immers waardeloos, de toekomst vol seksuele en andere genietingen lonkt, en God is dood.

Vertaling:

Wat ik moet doen

Vaststaat dat ik dit doen moet
Op enig moment: meer lucht opnemen
Dan mijn saldo toelaat, breken door het
Wateroppervlak, afdalen in de groene
Duisternis, op zoek naar de deur
Tot mijzelf, in doofheid en blindheid
En gedruis van angstig bloed
Bij de trommelvliezen. Geen richting-
Aanwijzers, alleen skeletten van dode
Zeeaal; geen licht, behalve het flauwe schijnsel
Van fosfor, waarin traag de lijken
Schommelen. Ik moet afdalen met het
Armzalig tegoed van mijn lijf, moed verzamelen,
Die ik betaal met de munten van mijn adem.

Origineel:

This To Do

I have this that I must do
One day: overdraw on my balance
Of air, and breaking the surface
Of water go down into the green
Darkness to search for the door
To myself in dumbness and blindness
And uproar of scared blood
At the eardrums. There are no signposts
There but bones of the dead
Conger, no light but the pale
Phosphorous, where the slow corpses
Swag. I must go down with the poor
Purse of my body and buy courage,
Paying for it with the coins of my breath.

 

De gebarsten klok – Baudelaire

De Franse dichter Charles Baudelaire (1821-1867) is het bekendst geworden door zijn bundel Les Fleurs du Mal, de bloemen van het kwaad. Hierin is ook De gebarsten klok, een sonnet, opgenomen.

In de eerste strofe wordt het carillon beschreven die nachtelijke verhalen meevoert en doet opstijgen in de mistflarden. In de tweede strofe wordt over een welluidende, gezonde klok verteld die klinkt als een oude soldaat die vrome conclusies trekt uit zijn gerijpte levenservaring. Deze soldatenmetafoor is de aanzet voor het vervolg, na de wending.

Na de twee openingskwatrijnen, het octet, bevindt zich een wending, de gebruikelijke cesuur, voorafgaand aan de twee slotstrofen, de terzinen, die samen het sextet vormen.

Dan wordt in de derde strofe een gebarsten klok opgevoerd, de geblutste ziel van de ik-figuur. Deze is niet in staat om welluidend te klinken en vrome conclusies te trekken, maar heeft een gebroken en wegstervende stem, die – volgens de slotstrofe – slechts aan rochelende, bloederige, soldateske gruwelen doet denken.

De paradox is natuurlijk dat dit allemaal wordt opgeroepen met eloquente, sonore versregels.

Deze vertaling is experimenteel in die zin dat het metrum vanaf de tweede strofe enigszins afwijkt van het origineel. Het doel daarvan is om de vaart, de voortstuwing, de intensiteit van het origineel in het Nederlands zo getrouw mogelijk na te bootsen.

Spleen is Engels voor milt, en betekent hier depressieve gemoedstoestand. Het woord is in de negentiende eeuw beroemd geworden door de gedichten van Baudelaire. Ennui betekent verveling. Spleen en Ennui worden beide gebruikt om een postreligieus, modern levensbesef uit te drukken.

[Kleine aanpassingen 8 juni 2016]

Vertaling:

De gebarsten klok

’t Is bitterzoet om in de lange winternacht,
Te luisteren, bij het vuur dat walmt en vonkt,
Naar de verhalen die zich in de flarden zacht,
Verheffen op de zingzang van het carillon.

Gelukkig de klok die zijn welluidende lied,
Ondanks zijn leeftijd alert en gezond,
Met een religieus timbre over ons giet,
Als een oude soldaat in de deur van zijn tent.

Maar ik, gebarsten ziel, prooi van spleen en ennui,
Die de kou wil verdrijven met een grafmelodie,
Merk dat mijn stem het nauwelijks nog doet,

Als was ik gewond en ten dode gewijd,
Onder bergen van knoken, en in plassen van bloed,
Bewegingloos stervend, na manhaftige strijd.

Origineel:

La Cloche fêlée

II est amer et doux, pendant les nuits d’hiver,
D’écouter, près du feu qui palpite et qui fume,
Les souvenirs lointains lentement s’élever
Au bruit des carillons qui chantent dans la brume.

Bienheureuse la cloche au gosier vigoureux
Qui, malgré sa vieillesse, alerte et bien portante,
Jette fidèlement son cri religieux,
Ainsi qu’un vieux soldat qui veille sous la tente!

Moi, mon âme est fêlée, et lorsqu’en ses ennuis
Elle veut de ses chants peupler l’air froid des nuits,
II arrive souvent que sa voix affaiblie

Semble le râle épais d’un blessé qu’on oublie
Au bord d’un lac de sang, sous un grand tas de morts
Et qui meurt, sans bouger, dans d’immenses efforts.

 

Puinhopen – R.S. Thomas

Ruins

Bouwval in Wales

Puinhopen zijn altijd actueel, Brexit of geen Brexit.

Het gedicht Ruins van R.S. Thomas gaat over de kwetsbaarheid van de wereld waarop we vast vertrouwen en de zelfmisleiding die voor de instandhouding van die wereld nodig is.

In de eerste strofe wordt een excursie beschreven die is gesitueerd in een ruïne of puinhoop. Het opdwarrelende stof dat een slavenkleur heeft, wordt beschreven als iets essentieels, als de zuurstof die een voorwaarde is om te kunnen leven: eigenlijk moeten we natuurlijk zondebokken afwijzen, maar we kunnen toch niet zonder, althans niet zonder afschrikwekkend voorbeeld.

In de slotstrofe wordt het mogelijke koningsbot voorgesteld als een verloren hoofddoekje. Dit is een betekenisvolle omkering van de situatie waarin de koning iemand is voor wie je sterven wilt: er resteert alleen nog iets waarvan het belang onzeker en onduidelijk is.

Vertaling:

Puinhopen

En dit was een beschaving
Die niks tot stand bracht – zijn teen rakelde minachtend
Het slavenstof op. Zuurstof voor onze cultuur –
Wij inhaleerden het dankbaar.

In het puin vond iemand
Een gekromd bot. Waarschijnlijk van een koning,
Zei hij. Wij, onvolmaakte hovelingen,
Staarden ernaar: gevallen hoofddoek van de tijd.

Origineel:

Ruins

And this was a civilization
That came to nothing—he spurned with his toe
The slave-coloured dust. We breathed it in
Thankfully, oxygen to our culture.

Somebody found a curved bone
In the ruins. A kings probably,
He said. Imperfect courtiers
We eyed it, the dropped kerchief of time.