Op tournee – W.H. Auden

Pelagius

(herkomst: Wikimedia Commons)

De dichter W.H. Auden had een meesterlijke techniek die moeilijk is na te bootsen in vertaling. Maar een geslaagde nabootsing blijft het vertaaldoel, natuurlijk. Dit gedicht beschrijft ironisch wat er gebeurt als iemand beroemd wordt en podium-op podium-af wordt gesleurd.

De openingszin bevat de uitdrukking “pelagian travellers”. Pelagius was een Britse monnik uit de oudheid die – als de overlevering juist is – geloofde in de vrije wil; hij achtte het mogelijk dat we het goede zouden doen. Hij verwierp predestinatie en erfzonde, en stond daarmee tegenover de kerkvader Aurelius Augustinus. Pelagius wordt in de meeste vormen van christendom als een ketter beschouwd. Auden gebruikt het adjectief ‘pelagian’ hier ironisch, zoals hij ook op veel andere plaatsen in dit gedicht ironisch is.

De uitzendorganisatie van Auden’s literaire schnabbels was Columbia Giesen Management.

Ik heb eerder naar dit gedicht verwezen n.a.v. de reactie op mijn vertaling van September 1, 1939.

J.R.R. Tolkien en Charles Williams behoorden tot een vriendenkring waartoe ook C.S. Lewis behoorde, een kring die bekend stond als The Inklings.

Hier kunt u Auden beluisteren die dit gedicht voordraagt, inclusief de incidentele hilariteit van het publiek.

Vertaling:

Op tournee

Tussen pelagiaanse reizigers,
Lichtzinnige verdoolden, en blasé,
Op weg naar Massachusetts, Michigan,
Miami of L.A.,

Zit ik terneer, object van luchtverkeer,
En voorbeschikt voor de paskwil
Van Columbia-Giesen-Management’s
Onpeilbaar diepe wil,

Op grond van wiens verkiezing ik
Het heil verkondig van de Muze
Aan fundamentalist en non,
Aan heiden en aan druze,

En word ik zeven dagen in de week,
Nog voor het nieuws is doorgejoeld
Van naaikrans naar een kletscafé,
Uitgestraald of ingezoemd.

Hoe warm mijn welkom ook mag zijn,
Ik schakel zo vaak, en zo ras
Ik kan helaas niet zeggen waar
Ik nou toch gister was,

Tenzij er een bijzonderheid
Gebeurt die ‘t onvergetelijk maakt,
Een snoetje dat de ziel behekst,
Een eend die dommig kwaakt,

Of een zalig treffen, vol plezier,
Los van het Giesen-plan,
Met een verslaafde aan Tolkien
Of een Charles Williams-fan.

Ik beklim het podium onbevreesd,
– Verdienste is een vuile vaalt –
En waag het niet om straks te zeggen
Dat ik te veel krijg uitbetaald.

De Geest is zonder veel scrupules
Bereid dezelfde praatjes te herhalen;
Het Vlees begint al naar de knusse flat
In ons New York te talen.

Hij vindt, als grauwe 65-plusser,
Een uitstel van de maaltijd reeds een hel,
En is te gemelijk geworden voor
Een eersteklas hotel.

De bijbel is een lijvig boek,
Dat dorst naar kennis altijd lest,
Maar dit kan ik echt niet beweren
Van Hilton’s Be My Guest.

Noch ook kan ik muziek verdragen
Die uit studentenauto’s stampt,
Muzak bij het ontbijt, of – lieve God –
Een kroegmeid die op orgel ramt.

Dan, allerergst, de bange vraag,
Steeds als mijn vliegtuig dalen gaat
En je niet langer roken mag:
Waar of de borrel staat?

“Is dit een milieu waar je in het geniep,”
Hoe grahamgreenachtig! Hoe megazwak!
“Een heilzame slok naar binnen klokt
Vanuit je binnenzak?”

Het wordt weer dag, en daar zie ik
Opnieuw onder mij verdwijnen
De daken van mijn vorige publiek,
Voor wie ik nooit meer zal verschijnen.

God zij met hen, hen allemaal,
Al vergat ik elk gezicht gelijk;
God zij met deze USA, zo groot,
Zo hartelijk, en rijk.

Origineel:

On the Circuit

Among pelagian travelers,
Lost on their lewd conceited way
To Massachusetts, Michigan,
Miami or L.A.,

An airborne instrument I sit,
Predestined nightly to fulfill
Columbia-Giesen-Management’s
Unfathomable will,

By whose election justified,
I bring my gospel of the Muse
To fundamentalists, to nuns,
to Gentiles and to Jews,

And daily, seven days a week,
Before a local sense has jelled,
From talking-site to talking-site
Am jet-or-prop-propelled.

Though warm my welcome everywhere,
I shift so frequently, so fast,
I cannot now say where I was
The evening before last,

Unless some singular event
Should intervene to save the place,
A truly asinine remark,
A soul-bewitching face,

Or blessed encounter, full of joy,
Unscheduled on the Giesen Plan,
With, here, an addict of Tolkien,
There, a Charles Williams fan.

Since Merit but a dunghill is,
I mount the rostrum unafraid:
Indeed, ‘twere damnable to ask
If I am overpaid.

Spirit is willing to repeat
Without a qualm the same old talk,
But Flesh is homesick for our snug
Apartment in New York.

A sulky fifty-six, he finds
A change of mealtime utter hell,
Grown far too crotchety to like
A luxury hotel.

The Bible is a goodly book
I always can peruse with zest,
But really cannot say the same
For Hilton’s Be My Guest.

Nor bear with equanimity
The radio in students’ cars,
Muzak at breakfast, or–dear God!–
Girl-organists in bars.

Then, worst of all, the anxious thought,
Each time my plane begins to sink
And the No Smoking sign comes on:
“What will there be to drink?”

“Is this a milieu where I must”
How grahamgreeneish! How infra dig!
“Snatch from the bottle in my bag
An analeptic swig?”

Another morning comes: I see,
Dwindling below me on the plane,
The roofs of one more audience
I shall not see again.

God bless the lot of them, although
I don’t remember which was which:
God bless the U.S.A., so large,
So friendly, and so rich.

Advertenties

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s