Ter ere van krijtsteen – W.H. Auden

Devils.chimney.at.leckhampton.arp

Devils Chimney (duivelsschoorsteen), een krijtsteenpilaar in Engeland (Wikimedia Commons)

Het wat langere gedicht In Praise of Limestone is een paysage moralisé; het gedicht is een hommage aan het vergankelijke landschap (kalksteen lost op in water) van het Zuid-Italiaanse Ischia waar Auden ’s zomers vaak verbleef. Maar tegelijkertijd symboliseert het onvergankelijkheid. Het gedicht is geschreven in breed uitwaaierende verzen die geen eindrijm kennen, maar wel binnenrijm, met name stafrijm.

Hier kunt u Auden beluisteren die het gedicht voordraagt.

Vertaling:

Ter ere van krijtsteen

Zou het landschap zich aandienen dat ons, onbestendigen,
Een blijvend heimwee bezorgt, dan is het in hoofdzaak
Omdat het oplost in water. Bezie de afgeronde hellingen
Met hun vluchtig aroma van tijm en, daaronder,
Een geheim systeem van grotten en gangen; hoor de bronnen
Die overal ontspringen met onderdrukt gelach,
Elk een meertje vullend voor de vis, elk slijpend aan
Zijn eigen kleine ravijn, welks kliffen bezigheid
Geven aan vlinder en hagedis; onderzoek deze streek
Van korte afstanden en welbepaalde plaatsen:
Wat zou meer als Moeder kunnen zijn, of mooier als achtergrond
Voor haar zoon, de mannetjes-flirt die lui in de zon
Tegen een rots ligt, nooit eraan twijfelend dat men hem,
Ondanks fouten, liefheeft, wiens daden slechts verlengstuk zijn
Van zijn talent om te charmeren? Van verweerd gesteente
Naar heuveltop-tempel, van opborrelend water naar
Markante fontein, van wilde naar bewerkte wijngaard,
Zijn vernuftige maar korte stappen, die de wens van een kind
Meer aandacht te krijgen dan zijn broers,
Door plezieren of klieren, gemakkelijk zet.

Aanschouw dan de bende rivalen als ze op en af klimmen,
Getweeën of gedrieën, van hun steile steenpartijen, soms
Gearmd, maar nooit, goddank, in de pas; of druk doende
’s Middags aan de schaduwzijde van een open plek met
Een vlot gesprek, elkaar te goed kennend om te denken
Dat er enig belangrijke geheim is, onmachtig
Een god te bevatten wiens luimige buien moreel zijn,
Die niet kan worden gesust met een slimme zin of een
Goed lied: want zij, gewend aan de respons van een keisteen,
Hebben nooit hun gelaat hoeven bedekken uit vrees
Voor de ontembare furie van een laaiende krater;
Vertrouwd met de lokale behoeften van valleien,
Waarin alles kan worden betast of bereikt per voet,
Hebben hun ogen nooit gekeken in oneindige ruimte
Door het vlechtwerk van een nomaden-kam; gelukkig geboren,
Hebben hun benen nooit de schimmels ontmoet
En de insecten van de jungle, de monsterlijke levensvormen
Waarmee wij, naar wij gaarne hopen, niets gemeen hebben.
Dus als een van hen ontspoort, blijft de werking van
Diens geest begrijpelijk: een pooier worden
Of doen in nep-juwelen, of een mooie tenor verpesten
Met het oog op frenetiek applaus, kan elk overkomen,
Behalve de besten en slechtsten onder ons…
Dat is, denk ik waarom
De besten en slechtsten hier nooit lang bleven, maar zochten naar
Matelozer gronden waar de schoonheid niet zo extern was,
Het licht minder publiek en de zin van het leven nog wat meer
Dan een kamp vol dwazen: ‘Kom!’ riepen granieten woestenijen,
‘Hoe ontwijkend is jouw humor, hoe vluchtig jouw
Liefste kus, hoe permanent is de dood!’ (Heiligen-in-spe
Slopen zuchtend weg.) ‘Kom!’ zoemden klei en steengruis,
‘Op onze vlakten is ruimte om legers te drillen; rivieren
Willen getemd worden, slaven u een praalgraf bouwen
In grote stijl: het mensdom is zacht als de aarde en beide
Dienen veranderd.’ (Een imaginaire Caesar stond op en vertrok,
Met deuren smijtend.) Maar de echte roekeloze werd gegrepen
Door een oudere, koudere stem, de oceanische fluistering:
‘Ik ben de eenzaamheid die niets vraagt en belooft;
En zo zal ik je bevrijden. Er is geen liefde;
Er zijn slechts de vormen van naijver, allemaal treurig.’

Dat was waar, mijn beste, al deze stemmen spraken waarheid,
En nu nog: dit land is niet zo knus als het lijkt,
Zijn vrede is niet de historisch rust van een plek
Waar iets geregeld is, eens voor altijd: een achterlijk
Gedelapideerd gebied, verbonden
Met de grote drukke wereld door een tunnel, van een ietwat
Sjofele charme, is dat alles wat het nu is? Niet helemaal:
Het heeft een wereldse taak die het, ondanks zichzelf,
Niet verwaarloost, want wat voor Grootmachten vanzelf spreekt
Wordt problematisch: het stoort ons besef van recht. De dichter,
Bewonderd om zijn eerlijke gewoonte de zon de zon
Te noemen, zijn geest Puzzel, raakt van zijn stuk
Door deze marmeren beelden die zo duidelijk twijfel zaaien
Aan zijn anti-mythologische mythe; en deze schoffies
Die de wetenschapper nazitten door de betegelde zuilengang
Met hun levendige verlokkingen, laken zijn aandacht
Voor de verstafgelegen aspecten der Natuur; ook mij wordt
Verweten wat en hoeveel je weet. Geen tijd verliezen, niet
Gevangen worden, niet achtergelaten, niet, alsjeblieft!
Lijken op de beesten die steeds hetzelfde doen, of op iets als water
Of steen waarvan het gedrag kan worden voorspeld, dit is
Ons Dagelijks Gebed, welks grootste vreugde muziek is,
Die overal kan worden gemaakt, onzichtbaar is
En geen geur heeft. Voor zover we moeten rekenen met
De dood als feit, hebben we ongetwijfeld gelijk: maar als
Zonden kunnen worden vergeven, als lichamen opstaan uit de
Dood, raken deze modificaties van stof tot
Onschuldige atleten en gesticulerende fonteinen,
Louter gemaakt om het plezier, nog aan iets anders:
Verlosten kan het niet schelen uit welke hoek men ze bekijkt,
Ze hebben niets te verbergen. Beste, ik weet niets van
Beide, maar als ik tracht me een volmaakte liefde voor te stellen
Of het komende leven: wat ik hoor is het gemurmel van
Ondergronds water, wat ik zie is een landschap van krijtsteen.

Origineel:

In Praise Of Limestone

If it form the one landscape that we, the inconstant ones,
Are consistently homesick for, this is chiefly
Because it dissolves in water. Mark these rounded slopes
With their surface fragrance of thyme and, beneath,
A secret system of caves and conduits; hear the springs
That spurt out everywhere with a chuckle,
Each filling a private pool for its fish and carving
Its own little ravine whose cliffs entertain
The butterfly and the lizard; examine this region
Of short distances and definite places:
What could be more like Mother or a fitter background
For her son, the flirtatious male who lounges
Against a rock in the sunlight, never doubting
That for all his faults he is loved; whose works are but
Extensions of his power to charm? From weathered outcrop
To hill-top temple, from appearing waters to
Conspicuous fountains, from a wild to a formal vineyard,
Are ingenious but short steps that a child’s wish
To receive more attention than his brothers, whether
By pleasing or teasing, can easily take.

Watch, then, the band of rivals as they climb up and down
Their steep stone gennels in twos and threes, at times
Arm in arm, but never, thank God, in step; or engaged
On the shady side of a square at midday in
Voluble discourse, knowing each other too well to think
There are any important secrets, unable
To conceive a god whose temper-tantrums are moral
And not to be pacified by a clever line
Or a good lay: for accustomed to a stone that responds,
They have never had to veil their faces in awe
Of a crater whose blazing fury could not be fixed;
Adjusted to the local needs of valleys
Where everything can be touched or reached by walking,
Their eyes have never looked into infinite space
Through the lattice-work of a nomad’s comb; born lucky,
Their legs have never encountered the fungi
And insects of the jungle, the monstrous forms and lives
With which we have nothing, we like to hope, in common.
So, when one of them goes to the bad, the way his mind works
Remains incomprehensible: to become a pimp
Or deal in fake jewellery or ruin a fine tenor voice
For effects that bring down the house, could happen to all
But the best and the worst of us…
That is why, I suppose,
The best and worst never stayed here long but sought
Immoderate soils where the beauty was not so external,
The light less public and the meaning of life
Something more than a mad camp. `Come!’ cried the granite wastes,
`How evasive is your humour, how accidental
Your kindest kiss, how permanent is death.’ (Saints-to-be
Slipped away sighing.) `Come!’ purred the clays and gravels,
`On our plains there is room for armies to drill; rivers
Wait to be tamed and slaves to construct you a tomb
In the grand manner: soft as the earth is mankind and both
Need to be altered.’ (Intendant Caesars rose and
Left, slamming the door.) But the really reckless were fetched
By an older colder voice, the oceanic whisper:
`I am the solitude that asks and promises nothing;
That is how I shall set you free. There is no love;
There are only the various envies, all of them sad.’

They were right, my dear, all those voices were right
And still are; this land is not the sweet home that it looks,
Nor its peace the historical calm of a site
Where something was settled once and for all: A back ward
And dilapidated province, connected
To the big busy world by a tunnel, with a certain
Seedy appeal, is that all it is now? Not quite:
It has a worldy duty which in spite of itself
It does not neglect, but calls into question
All the Great Powers assume; it disturbs our rights. The poet,
Admired for his earnest habit of calling
The sun the sun, his mind Puzzle, is made uneasy
By these marble statues which so obviously doubt
His antimythological myth; and these gamins,
Pursuing the scientist down the tiled colonnade
With such lively offers, rebuke his concern for Nature’s
Remotest aspects: I, too, am reproached, for what
And how much you know. Not to lose time, not to get caught,
Not to be left behind, not, please! to resemble
The beasts who repeat themselves, or a thing like water
Or stone whose conduct can be predicted, these
Are our common prayer, whose greatest comfort is music
Which can be made anywhere, is invisible,
And does not smell. In so far as we have to look forward
To death as a fact, no doubt we are right: But if
Sins can be forgiven, if bodies rise from the dead,
These modifications of matter into
Innocent athletes and gesticulating fountains,
Made solely for pleasure, make a further point:
The blessed will not care what angle they are regarded from,
Having nothing to hide. Dear, I know nothing of
Either, but when I try to imagine a faultless love
Or the life to come, what I hear is the murmur
Of underground streams, what I see is a limestone landscape.

Eerder gepubliceerd in De Tweede Ronde.

Advertenties

Een gedachte over “Ter ere van krijtsteen – W.H. Auden

  1. Pingback: Musée des Beaux Arts – W.H. Auden | The Hidden Law

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s