Een Welsh testament – R.S. Thomas

rs_thomas_01

R.S. Thomas (herkomst)

R.S. Thomas was een dichter die veel hield van Wales, iemand die ook vaak werd beschouwd als een Welsh nationalist.

Het onderhavige gedicht heet A Welsh Testament, en het werpt weliswaar enig licht op deze kwestie, maar het is niettemin een echt gedicht, zelfs een sterk en ontroerend gedicht, met een frappante pointe.

Hier kunt u horen hoe het gedicht klinkt als het wordt voorgelezen door de dichter zelf. Bedenk: klank is voor elk gedicht zeer belangrijk!

Hier kunt u het gedicht nalezen (even twee keer op ‘volgende’ klikken, want de link opent in de inhoudsopgave).

Het gedicht levert een vertaalprobleem op dat ik nog niet bevredigend heb opgelost. Het geluid van de wind wordt weergegeven met honing, honing, een woord dat zowel het betreffende geluid van de wind als de betekenis ‘slijpend’ weergeeft. Mijn voorlopige oplossing is om het ‘slijpen’ in de voorafgaande regel te gebruiken, en om het woord ‘honing’ – toevallig ook een Nederlands woord – om de klank te handhaven. Goed is het niet, want ‘honing’ richt in het Nederlands de geest op betekenissen die niet ter zake doen, maar voorlopig weet ik niks beters.

Het doet een beetje denken aan Karel van het Reve die de verleiding bijna niet kon weerstaan om een gedicht van Chodasevitsj dat in het Russisch begint met Ja, ja, ja, … (wat betekent: Ik, ik, ik…) naar het Nederlands te vertalen met Ja, ja, ja…

Glyn Dwr was een Welsh leider, de laatste inheemse Prince of Wales, iemand die vocht voor Welshe onafhankelijkheid, een soort vader des (niet bestaanden) vaderlands.

Vertaling:

Een Welsh testament

Inderdaad, ik was Welsh. Maakt het uit?
Ik sprak een taal die mij werd doorgegeven
Op de plaats waar ik nu eenmaal was,
Een plaats opeengehoopt tussen grijze muren
Van mist voor minstens de helft van het jaar.
Mijn woord voor hemel was niet de jouwe.
Het woord voor hel had een scherp randje,
Geslepen door de hand van de wind:
Honing, honing, dag en nacht,
Met een schril geluid. Glyn Dwr wist niks
Van een harnas tegen regenprojectielen;
Wat hebben we aan hem te danken?

Zelfs God had een Welshe naam:
We spraken tot hem in de taal der vaderen;
Hij zou zich vooral bekommerd hebben
Om het Welshe volk. De geschiedenis liet zien
Dat hij te groot was om hem aan de muur
Van een stenen kerkje te spijkeren, maar toch
Propten we hem tussen de kaften van een zwart boek.

Desondanks keek men naar ons.
Mijn hoge jukbeenderen, mijn schedellengte
Trok hen aan, als naar een zeldzaam portret
Van een dode meester. Ik zag hen staren
Uit hun lange auto’s, als mijn buste langs kwam
Tussen ooien en hamels. Ik zag hen staan
Bij de doornhagen, als ik de verre kudden
Bijeen dreef met een schelle fluittoon.
En altijd waren daar hun ogen; ik voelde
De sterke druk: Je bent Welsh, zeiden ze;
Spreek ons zo aan; houd jouw land vrij
Van benzinegeur, van het luide gebrul
Van hete tractoren. Vrede
Willen we, en rust.

Is een museum
Vrede, vroeg ik. Ben ik de hoeder
Van de relieken van het hart, iemand die de stof
In zijn eigen ogen blaast? Ik ben een man;
Ik heb nooit de taaie rol gewild die het leven
Me toebedeelde, een acteur die speelde
Voor een publiek van vroeger op een toneel
Van aarde en steen; het absurde etiket
Van afkomst, van ras, dat scheef
Over mijn schouders hangt. Ik was gekerkerd
Totdat jij kwam; jouw stem was een sleutel
Die draaide in het reusachtige slot
Van de uitzichtloosheid. Ging de deur open
Om mij eruit of jou erin te laten?

[Een paar verbeteringen aangebracht op 12 februari 2016]

Oorspronkelijk gedicht:

A Welsh Testament

All right, I was Welsh. Does it matter?
I spoke a tongue that was passed on
To me in the place I happened to be,
A place huddled between grey walls
Of cloud for at least half the year.
My word for heaven was not yours.
The word for hell had a sharp edge
Put on it by the hand of the wind
Honing, honing with a shrill sound
Day and night. Nothing that Glyn Dwr
Knew was armour against the rain’s
Missiles. What was descent from him?

Even God had a Welsh name:
We spoke to him in the old language;
He was to have a peculiar care
For the Welsh people. History showed us
He was too big to be nailed to the wall
Of a stone chapel, yet still we crammed him
Between the boards of a black book.

Yet men sought us despite this.
My high cheek-bones, my length of skull
Drew them as to a rare portrait
By a dead master. I saw them stare
From their long cars, as I passed knee-deep
In ewes and wethers. I saw them stand
By the thorn hedges, watching me string
The far flocks on a shrill whistle.
And always there was their eyes; strong
Pressure on me: You are Welsh, they said;
Speak to us so; keep your fields free
Of the smell of petrol, the loud roar
Of hot tractors; we must have peace
And quietness.

Is a museum
Peace? I asked. Am I the keeper
Of the heart’s relics, blowing the dust
In my own eyes? I am a man;
I never wanted the drab role
Life assigned me, an actor playing
To the past’s audience upon a stage
Of earth and stone; the absurd label
Of birth, of race hanging askew
About my shoulders. I was in prison
Until you came; your voice was a key
Turning in the enormous lock
Of hopelessness. Did the door open
To let me out or yourselves in?

 

 

Advertenties

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s