Maandelijks archief: februari 2016

De lach – R.S. Thomas

rs-thomas-cheerful-cropped

R.S. Thomas met een lachje (herkomst)

De lach is een kort, typerend gedichtje van R.S. Thomas, waaruit zowel levensaanvaarding spreekt als het besef dat onze wensen en verwachtingen niet zelden vergeefs en vaak zelfs een beetje bespottelijk zijn. Heel geschikt voor een wat ernstiger poesiealbum misschien wel. Jammer dat het niet rijmt natuurlijk, want een poesiealbum zonder rijm is een tandeloze tijger.

A sweet tooth is een zoetekauw.

Het gedichtje is opgenomen in Collected Poems: 1945-1990, zie hier.

Vertaling:

De lach

Mijn moeder bad dat ik zoet engelenhaar zou krijgen.
Mijn vader zei dat ik niet zonder flinke knuisten kon.
Het leven zelf, dat ergens doelloos rondhing,
Schonk me een lach, en gaf me geen van beide.

In een eerdere versie had ik gekozen voor ‘gulzig tongetje’ i.p.v. ‘zoet engelenhaar’.

Origineel:

The Smile

My mother prayed that I should have the sweet tooth.
My father said that I should have the big fist.
And life, lingering somewhere by,
Smiled on me, giving me neither.

 

Advertenties

Augustus 1968 – W.H. Auden

srpen 1968, rozhlas, Vinohradská třída, tank, hoří, vlajka, vlajkonoš

Tsjecho-Slowaken met hun vlag in 1968 (Wikimedia Commons)

Augustus 1968 is een kort, grappig en wrang gedicht dat Auden schreef bij de bloedige beëindiging van de Praagse Lente op 20 augustus 1968. In dat jaar probeerde Alexander Dubček Tsjecho-Slowakije een gematigder communistische koers te laten varen – tevergeefs, zoals bleek.

Een ogre is een mensenetende reus.

Vertaling:

Augustus 1968

De Kwaaie Reus kan reuzedingen,
Waaraan geen mens ooit zou beginnen,
Maar één ding blijft de Reus ontzegd:
Geen mens kan snappen wat hij zegt!
Hoog boven onderworpen velden,
Tussen gevelden en ontstelden,
Troont onze Reus, met borst vooruit,
Schoon wartaal van zijn lippen druipt.

Origineel:

August 1968

The Ogre does what ogres can,
Deeds quite impossible for Man,
But one prize is beyond his reach,
The Ogre cannot master Speech:
About a subjugated plain,
Among its desperate and slain,
The Ogre stalks with hands on hips,
While drivel gushes from his lips.

Ter ere van krijtsteen – W.H. Auden

Devils.chimney.at.leckhampton.arp

Devils Chimney (duivelsschoorsteen), een krijtsteenpilaar in Engeland (Wikimedia Commons)

Het wat langere gedicht In Praise of Limestone is een paysage moralisé; het gedicht is een hommage aan het vergankelijke landschap (kalksteen lost op in water) van het Zuid-Italiaanse Ischia waar Auden ’s zomers vaak verbleef. Maar tegelijkertijd symboliseert het onvergankelijkheid. Het gedicht is geschreven in breed uitwaaierende verzen die geen eindrijm kennen, maar wel binnenrijm, met name stafrijm.

Hier kunt u Auden beluisteren die het gedicht voordraagt.

Vertaling:

Ter ere van krijtsteen

Zou het landschap zich aandienen dat ons, onbestendigen,
Een blijvend heimwee bezorgt, dan is het in hoofdzaak
Omdat het oplost in water. Bezie de afgeronde hellingen
Met hun vluchtig aroma van tijm en, daaronder,
Een geheim systeem van grotten en gangen; hoor de bronnen
Die overal ontspringen met onderdrukt gelach,
Elk een meertje vullend voor de vis, elk slijpend aan
Zijn eigen kleine ravijn, welks kliffen bezigheid
Geven aan vlinder en hagedis; onderzoek deze streek
Van korte afstanden en welbepaalde plaatsen:
Wat zou meer als Moeder kunnen zijn, of mooier als achtergrond
Voor haar zoon, de mannetjes-flirt die lui in de zon
Tegen een rots ligt, nooit eraan twijfelend dat men hem,
Ondanks fouten, liefheeft, wiens daden slechts verlengstuk zijn
Van zijn talent om te charmeren? Van verweerd gesteente
Naar heuveltop-tempel, van opborrelend water naar
Markante fontein, van wilde naar bewerkte wijngaard,
Zijn vernuftige maar korte stappen, die de wens van een kind
Meer aandacht te krijgen dan zijn broers,
Door plezieren of klieren, gemakkelijk zet.

Aanschouw dan de bende rivalen als ze op en af klimmen,
Getweeën of gedrieën, van hun steile steenpartijen, soms
Gearmd, maar nooit, goddank, in de pas; of druk doende
’s Middags aan de schaduwzijde van een open plek met
Een vlot gesprek, elkaar te goed kennend om te denken
Dat er enig belangrijke geheim is, onmachtig
Een god te bevatten wiens luimige buien moreel zijn,
Die niet kan worden gesust met een slimme zin of een
Goed lied: want zij, gewend aan de respons van een keisteen,
Hebben nooit hun gelaat hoeven bedekken uit vrees
Voor de ontembare furie van een laaiende krater;
Vertrouwd met de lokale behoeften van valleien,
Waarin alles kan worden betast of bereikt per voet,
Hebben hun ogen nooit gekeken in oneindige ruimte
Door het vlechtwerk van een nomaden-kam; gelukkig geboren,
Hebben hun benen nooit de schimmels ontmoet
En de insecten van de jungle, de monsterlijke levensvormen
Waarmee wij, naar wij gaarne hopen, niets gemeen hebben.
Dus als een van hen ontspoort, blijft de werking van
Diens geest begrijpelijk: een pooier worden
Of doen in nep-juwelen, of een mooie tenor verpesten
Met het oog op frenetiek applaus, kan elk overkomen,
Behalve de besten en slechtsten onder ons…
Dat is, denk ik waarom
De besten en slechtsten hier nooit lang bleven, maar zochten naar
Matelozer gronden waar de schoonheid niet zo extern was,
Het licht minder publiek en de zin van het leven nog wat meer
Dan een kamp vol dwazen: ‘Kom!’ riepen granieten woestenijen,
‘Hoe ontwijkend is jouw humor, hoe vluchtig jouw
Liefste kus, hoe permanent is de dood!’ (Heiligen-in-spe
Slopen zuchtend weg.) ‘Kom!’ zoemden klei en steengruis,
‘Op onze vlakten is ruimte om legers te drillen; rivieren
Willen getemd worden, slaven u een praalgraf bouwen
In grote stijl: het mensdom is zacht als de aarde en beide
Dienen veranderd.’ (Een imaginaire Caesar stond op en vertrok,
Met deuren smijtend.) Maar de echte roekeloze werd gegrepen
Door een oudere, koudere stem, de oceanische fluistering:
‘Ik ben de eenzaamheid die niets vraagt en belooft;
En zo zal ik je bevrijden. Er is geen liefde;
Er zijn slechts de vormen van naijver, allemaal treurig.’

Dat was waar, mijn beste, al deze stemmen spraken waarheid,
En nu nog: dit land is niet zo knus als het lijkt,
Zijn vrede is niet de historisch rust van een plek
Waar iets geregeld is, eens voor altijd: een achterlijk
Gedelapideerd gebied, verbonden
Met de grote drukke wereld door een tunnel, van een ietwat
Sjofele charme, is dat alles wat het nu is? Niet helemaal:
Het heeft een wereldse taak die het, ondanks zichzelf,
Niet verwaarloost, want wat voor Grootmachten vanzelf spreekt
Wordt problematisch: het stoort ons besef van recht. De dichter,
Bewonderd om zijn eerlijke gewoonte de zon de zon
Te noemen, zijn geest Puzzel, raakt van zijn stuk
Door deze marmeren beelden die zo duidelijk twijfel zaaien
Aan zijn anti-mythologische mythe; en deze schoffies
Die de wetenschapper nazitten door de betegelde zuilengang
Met hun levendige verlokkingen, laken zijn aandacht
Voor de verstafgelegen aspecten der Natuur; ook mij wordt
Verweten wat en hoeveel je weet. Geen tijd verliezen, niet
Gevangen worden, niet achtergelaten, niet, alsjeblieft!
Lijken op de beesten die steeds hetzelfde doen, of op iets als water
Of steen waarvan het gedrag kan worden voorspeld, dit is
Ons Dagelijks Gebed, welks grootste vreugde muziek is,
Die overal kan worden gemaakt, onzichtbaar is
En geen geur heeft. Voor zover we moeten rekenen met
De dood als feit, hebben we ongetwijfeld gelijk: maar als
Zonden kunnen worden vergeven, als lichamen opstaan uit de
Dood, raken deze modificaties van stof tot
Onschuldige atleten en gesticulerende fonteinen,
Louter gemaakt om het plezier, nog aan iets anders:
Verlosten kan het niet schelen uit welke hoek men ze bekijkt,
Ze hebben niets te verbergen. Beste, ik weet niets van
Beide, maar als ik tracht me een volmaakte liefde voor te stellen
Of het komende leven: wat ik hoor is het gemurmel van
Ondergronds water, wat ik zie is een landschap van krijtsteen.

Origineel:

In Praise Of Limestone

If it form the one landscape that we, the inconstant ones,
Are consistently homesick for, this is chiefly
Because it dissolves in water. Mark these rounded slopes
With their surface fragrance of thyme and, beneath,
A secret system of caves and conduits; hear the springs
That spurt out everywhere with a chuckle,
Each filling a private pool for its fish and carving
Its own little ravine whose cliffs entertain
The butterfly and the lizard; examine this region
Of short distances and definite places:
What could be more like Mother or a fitter background
For her son, the flirtatious male who lounges
Against a rock in the sunlight, never doubting
That for all his faults he is loved; whose works are but
Extensions of his power to charm? From weathered outcrop
To hill-top temple, from appearing waters to
Conspicuous fountains, from a wild to a formal vineyard,
Are ingenious but short steps that a child’s wish
To receive more attention than his brothers, whether
By pleasing or teasing, can easily take.

Watch, then, the band of rivals as they climb up and down
Their steep stone gennels in twos and threes, at times
Arm in arm, but never, thank God, in step; or engaged
On the shady side of a square at midday in
Voluble discourse, knowing each other too well to think
There are any important secrets, unable
To conceive a god whose temper-tantrums are moral
And not to be pacified by a clever line
Or a good lay: for accustomed to a stone that responds,
They have never had to veil their faces in awe
Of a crater whose blazing fury could not be fixed;
Adjusted to the local needs of valleys
Where everything can be touched or reached by walking,
Their eyes have never looked into infinite space
Through the lattice-work of a nomad’s comb; born lucky,
Their legs have never encountered the fungi
And insects of the jungle, the monstrous forms and lives
With which we have nothing, we like to hope, in common.
So, when one of them goes to the bad, the way his mind works
Remains incomprehensible: to become a pimp
Or deal in fake jewellery or ruin a fine tenor voice
For effects that bring down the house, could happen to all
But the best and the worst of us…
That is why, I suppose,
The best and worst never stayed here long but sought
Immoderate soils where the beauty was not so external,
The light less public and the meaning of life
Something more than a mad camp. `Come!’ cried the granite wastes,
`How evasive is your humour, how accidental
Your kindest kiss, how permanent is death.’ (Saints-to-be
Slipped away sighing.) `Come!’ purred the clays and gravels,
`On our plains there is room for armies to drill; rivers
Wait to be tamed and slaves to construct you a tomb
In the grand manner: soft as the earth is mankind and both
Need to be altered.’ (Intendant Caesars rose and
Left, slamming the door.) But the really reckless were fetched
By an older colder voice, the oceanic whisper:
`I am the solitude that asks and promises nothing;
That is how I shall set you free. There is no love;
There are only the various envies, all of them sad.’

They were right, my dear, all those voices were right
And still are; this land is not the sweet home that it looks,
Nor its peace the historical calm of a site
Where something was settled once and for all: A back ward
And dilapidated province, connected
To the big busy world by a tunnel, with a certain
Seedy appeal, is that all it is now? Not quite:
It has a worldy duty which in spite of itself
It does not neglect, but calls into question
All the Great Powers assume; it disturbs our rights. The poet,
Admired for his earnest habit of calling
The sun the sun, his mind Puzzle, is made uneasy
By these marble statues which so obviously doubt
His antimythological myth; and these gamins,
Pursuing the scientist down the tiled colonnade
With such lively offers, rebuke his concern for Nature’s
Remotest aspects: I, too, am reproached, for what
And how much you know. Not to lose time, not to get caught,
Not to be left behind, not, please! to resemble
The beasts who repeat themselves, or a thing like water
Or stone whose conduct can be predicted, these
Are our common prayer, whose greatest comfort is music
Which can be made anywhere, is invisible,
And does not smell. In so far as we have to look forward
To death as a fact, no doubt we are right: But if
Sins can be forgiven, if bodies rise from the dead,
These modifications of matter into
Innocent athletes and gesticulating fountains,
Made solely for pleasure, make a further point:
The blessed will not care what angle they are regarded from,
Having nothing to hide. Dear, I know nothing of
Either, but when I try to imagine a faultless love
Or the life to come, what I hear is the murmur
Of underground streams, what I see is a limestone landscape.

Eerder gepubliceerd in De Tweede Ronde.

Ster en dwaalster – Robert Gernhardt

Robert_gernhardt

Robert Gernhardt (Wikimedia Commons)

Voor de wedstrijd Nederland Vertaalt 2016, uitgeschreven door het Prins Bernhard Cultuurfonds, had ik een vertaling ingezonden van het gedicht Stern und Unstern van Robert Gernhardt (1937-2006). De  vertaling is niet genomineerd voor een prijs – wat mij betreft wel terecht.

Ik had ook zelf nog kritiek op mijn eigen inzending, en heb daarom de vertaling nog op een paar plaatsen aangepast.

De uitdaging was natuurlijk ook om de titel Stern und Unstern te vertalen. Ik heb daarvoor een andere oplossing gekozen dan de vijf genomineerde inzendingen.

Vertaling:

Ster en dwaalster

Een verre ster houdt in de nacht
Bij mijn dwaalster trouw de wacht.

Mijn dwaalster is zo hopeloos verdwaald
dat hij in alles alsmaar faalt.

Hij zou slechts dwaalster moeten zijn,
maar vindt het dwalen zelf ook fijn.

Hij knipoogt vet, wenkt oliedom;
Voordat ik komen wil, keer ik al om.

En onderwijl knalt hij vol vuur
Op de mij toebedachte muur.

Nooit dat hij mij in rampspoed stort,
Nog eer dat ik zijn noodlot word.

Ik hecht al aan mijn dwaalster zoetjesaan,
totdat ik plots de ster zie staan.

Die straalt zo fel en welgemoed,
dat angst mij allengs beven doet.

Ik vraag mij af: stel nou dat niet
mijn dwaalster maar de ster mij dwalen liet?

Vertaalopgave:

STERN UND UNSTERN

Robert Gernhardt
uit: Gesammelte Gedichte, 1954-2004, Fischer Verlag, 2006, pag. 226-227

Ein ferner Stern im Blau der Nacht
hält über meinem Unstern Wacht.

Mein Unstern ist so ungeschickt
und machtlos, dass ihm gar nichts glückt.

Er sollte mir zwar Unstern sein,
fällt aber dauernd selber rein.

Er blinkt so plump und winkt so dumm,
kaum lockt er mich, schon kehr´ ich um.

Er aber prallt voll Unverstand
auf die mir zugedachte Wand.

Statt dass er mich ins Unheil führt,
bin ich es, den sein Unglück rührt.

Fast hätt´ ich meinen Unstern gern,
wär´ da nicht jener ferne Stern.

Der strahlt so hell und unbeirrt,
dass mir zuweilen bange wird

und ich mich frage: Was, wenn der
und gar nicht er mein Unstern wär?

Waarom gedichten?

Boempaukeslag

Boem Paukeslag, Paul van Ostayen

Ik heb een vriend – een heel goede vertaler – die moeite heeft met gedichten. Hij kan haast niet begrijpen waarom dichters hun gedachten niet gewoon in begrijpelijk proza opschrijven. Hij snapt ook niet waarom dichters hun versregels soms zo onlogisch afbreken.

Poëzie heeft een grotere intensiteit dan proza. Wie de intensiteit van een goed gedicht in proza wil vangen, wekt al snel de indruk dat het niet goed met hem gaat, dat hij krankzinnig is, of in ieder geval ernstig in de war. Liefde, wanhoop, natuurbeleving, haat, lofprijzing, mededogen, waarheidsliefde, religiositeit, zelfverwijt – al die dingen klinken, als je de intensiteit daarvan wilt overbrengen, heel theatraal of pathetisch in didactisch of betogend proza. Maar ze kunnen heel overtuigend zijn in goede poëzie. Poëzie is ook beknopter dan proza. Humor heeft niet zelden een dichterlijke vorm.

De afkeer die sommige mensen van poëzie hebben, wordt begrijpelijkerwijs gevoed door slechte verzen. En daar zijn er heel veel van.

Het ergert mij bijvoorbeeld bijzonder dat in Nederland de mode die door de Vijftigers is geïntroduceerd om alle leestekens weg te laten en verzen te produceren waaraan kop noch staart, noch ook enige andere syntactische bekommernis te ontdekken valt, zoveel navolging vindt. ‘Vond’ moet ik misschien zeggen. Behalve incidenteel bij Lucebert heeft, volgens mij, deze malle mode betrekkelijk weinig opgeleverd – het lijkt een beetje op atonale muziek; heel interessant, maar niet fijn om naar te luisteren! Maar dit is een zijspoor.

Als de wens om iets met grote intensiteit te schrijven er wel is, maar het dichterlijke vermogen daartoe ontbreekt,  krijg je Candlelight-verzen.

Er is ongelooflijk veel slechte poëzie, zoals er ook ongelooflijk veel slechte muziek en onleesbaar proza is.

Laat alles wat je niks vindt ongelezen, maar verzet je niet tegen wat mooi of ontroerend of amusant of anderszins overrompelend is.

Maar waarom breken dichters hun regels vaak zo raar af?

Afbrekingen van versregels zijn heel goed te vergelijken met maatstrepen in de muziek. Als ze je hinderen, geen probleem, plak alles achter elkaar, en geniet het resultaat alsof die strepen er niet stonden. De melodielijn loopt vaak over de maatstrepen heen, en er is geen enkele reden om je door die stomme strepen van de wijs te laten brengen. In sommige klassieke versvormen wordt het metrum strak gehandhaafd en worden de maatstrepen soms nog benadrukt door een eindrijm; bij modernere poëzie is het vaak wat vrijer, maar in wezen is er weinig veranderd. De bijbelse psalmen zijn trouwens met betrekking tot metrum en rijm ook (relatief) vrij, en ze ontlenen hun effect vaak aan andere muzikale middelen, zoals een suggestieve en uitgestelde climaxopbouw,  refrein, contrast en gevarieerde herhaling.

De dichter Hendrik de Vries (1896-1989) heeft een heleboel Spaanse volksgedichtjes vertaald. Hij publiceerde ze als ‘copla’s’. Eén daarvan luidt als volgt (ik citeer uit het hoofd):

Ik liep op het kerkhof rond;
Daar nam ik een kloek besluit:
Ik sloeg met mijn stok op de grond,
“Wie dapper is, komt er maar uit!”

Ik zou niet weten hoe je dat beknopt in proza zeggen kan, zonder subiet de indruk te wekken dat je hulp nodig hebt. Maar een onbegrijpelijk besef of thema is het zeker niet. En de lach die het vers opwekt staat evenmin los van de poëtische vorm. Ernst en plezier zijn beide tegelijkertijd en in gelijke mate aanwezig. En de Tijd, het verstrijken ervan, de onomkeerbaarheid ervan, is het grondthema van alle kunst.

En al dit gepraat kan het vers met geen mogelijkheid vervangen.1


  1. Als je deze slotzin van maatstrepen zou willen voorzien – ik heb daarmee geen poëtische bedoelingen gehad, al is het natuurlijk wel een soort punchline of pointe – dan zou je dat bijvoorbeeld als volgt kunnen doen: En al dit gepraat / kan het vers / met geen mogelijkheid / vervangen. 

Liefde is niet alles – Edna St. Vincent Millay

Edna_St._Vincent_Millay

Edna St. Vincent Millay (Wikimedia Commons)

Voor de wedstrijd Nederland Vertaalt 2016, uitgeschreven door het Prins Bernhard Cultuurfonds, had ik de volgende vertaling ingezonden.

Vertaling:

Liefde is niet alles

Wat is liefde? Geen vlees, geen vertroosting,
Geen sluimer, geen beschutting tegen regen,
Geen drijfhout voor de zwakke drenkeling,
Steeds op en neer, steeds op en neer bewegend.
Liefde heeft nimmer adem toegediend,
Zuivert geen bloed, spalkt geen gebroken been.
Maar menigeen raakt met de dood bevriend,
Als liefde ontbreekt, zo dadelijk of nu meteen.
Misschien dat ik, als alles mij mislukt,
Geprangd door pijn, door ziekte uitgeblust,
Of zonder uitzicht door gebrek terneergedrukt,
Aandrang voel jouw liefde weg te doen voor rust,
Of de gedachte aan vannacht voor brood.
Misschien. Waarschijnlijk hield ik mij dan groot.

Het gedicht is niet genomineerd voor een prijs. Hier kunt u de genomineerde gedichten lezen.

Vertaalopgave:

LOVE IS NOT ALL

Edna St. Vincent Millay (1892 – 1950)
Uit: The New Anthology of American Poetry: Modernisms, 1900 – 1950 (Ed. Steven Gould Axelrod, Camille Roman, Thomas J. Travisano, Rutgers University Press 2005)

Love is not all: it is not meat nor drink
Nor slumber nor a roof against the rain;
Nor yet a floating spar to men that sink
And rise and sink and rise and sink again;
Love can not fill the thickened lung with breath,
Nor clean the blood, nor set the fractured bone;
Yet many a man is making friends with death
Even as I speak, for lack of love alone.
It well may be that in a difficult hour,
Pinned down by pain and moaning for release,
Or nagged by want past resolution’s power,
I might be driven to sell your love for peace,
Or trade the memory of this night for food.
It well may be. I do not think I would.

Misgelopen Nobelprijs – R.S. Thomas

R.S. Thomas werd in 1995 genomineerd voor de Nobelprijs voor literatuur 1996, een prijs die toen is gewonnen door Wisława Szymborska, een (overleden) Poolse dichteres die ook bijzonder mooie verzen maakte.

Hij vond het maar niks om genomineerd te worden,1 maar zei uiteindelijk:

“I don’t know anything about the mechanics of the business, but one can only be grateful if anybody thinks you’re worth putting up” […] “It’s sort of local boy made good and I imagine that all over the world there are minorities putting up their champions.”

 


  1. Zie Marianne Macdonald, ‘R S Thomas nominated for Nobel prize‘, Independent, 9 juli 1995. 

Een graf dat ik niet bezocht – R.S. Thomas

R S Thomas[4]

R.S. Thomas (herkomst)

De dichter R.S. Thomas hield erg van de Deense filosoof Søren Kierkegaard, de existentialistische filosooof, theoloog en cultuurcriticus. Dit gedicht gaat niet over Kierkegaards graf, al neemt het in de verbeelding dat graf als vertrekpunt, maar over diens geestelijke nalatenschap.

Het oorspronkelijke gedicht is afkomstig uit de bundel: Not That He Brought Flowers (1968), en werd opgenomen in Collected Poems 1945-1990, p. 183.

 

Er zijn opvallende overeenkomsten tussen Kierkegaard en Thomas. Beiden hadden een afstandelijke relatie tot hun vader en tot hun God; beiden voelden zich vreemdelingen in hun tijd en in hun land; beiden waren filosofisch en theologisch geïnteresseerd; beiden waren religieus en geloofden dat kunst en religie bij elkaar hoorden, en ten slotte: beiden waren er met heel hun wezen op gericht om hun gedachten en levensbesef tot uitdrukking te brengen in een overrompelende taal.1

De verwijzing naar het Lucas-evangelie heeft betrekking op de openingsverzen van Lucas 24.2

Vertaling:

Een graf dat ik niet bezocht

Er zijn plaatsen waar ik nooit ben geweest;
Met opzet niet, zoals Sørens graf
In Kopenhagen. Toen ik de straten zag,
Met hun eentonige nabootsing van
Alle straten, ging ik liever naar Dragør,
Het opgeknapte dorpje met zijn bloemen
En oude dakpannen, dat lag afgetekend
Langs de Oostzee, dat obsolete water.

Dat ze hadden gedaan wat ze konden
Om hem te verankeren met de zwaarte
Die een natie aan respect verleent,
Daarvan ben ik overtuigd. Ik stelde me voor
Hoe groot zijn grafsteen was, het zware marmer
Dat zijn beenderen plette; maar zou hij er
Echt geweest zijn om de bedevaart
Van dit zwoegende lichaam te ontvangen,
Een paar maanden terug,
Als ik wel was gegaan?
Wat brengt mensen ertoe een grote geest
Te verwerpen, en later te denken dat deze
Terugkeert, verenigd met de lijkwade
Die ze ervoor hebben klaargelegd?
Het is het Lucas-evangelie dat ons
Waarschuwt om niet tussen de doden
Te scharrelen als er levenden zijn – dus dein ik
Met hem mee in zijn boeken,
Hand aan hand, zoals een kind
Met zijn vader, soms stilstaand om te staren,
Zoals hij ooit deed, naar het geestelijk vaderland.

[Toevoegingen en correcties 16 februari]

Oorspronkelijk gedicht:

A Grave Unvisited

There are places where I have not been;
Deliberately not, like Soren’s grave
In Copenhagen. Seeing the streets
With their tedious reproduction
Of all streets, I preferred Dragort,
The cobbled village with its flowers
And pantiles by the clear edge
Of the Baltic, that extinct sea.

What they could do to anchor him
With the heaviness of a nation’s
Respectability they have done,
I am sure. I imagine the size
Of his tombstone, the solid marble
Cracking his bones; but would he have been
There to receive this toiling body’s
Pilgrimage a few months back,
Had I made it?
What is it drives a people
To the rejection of a great
Spirit, and after to think it returns
Reconciled to the shroud
Prepared for it? It is Luke’s gospel
Warns us of the danger
Of scavenging among the dead
For the living – so I go
Up and down with him in his books,
Hand and hand like a child
With its father, pausing to stare
As he did once at the mind’s country.


  1.  Zie ook William Virgil Davis, R.S. Thomas. Poetry and Theology, Waco, Texas: Baylor University Press 2007, hfdst. R.S. Thomas and Søren Kierkegaard, p.123-142. 
  2. Deze verzen luiden in de Nieuwe Bijbelvertaling (NBV): “Maar op de eerste dag van de week gingen ze bij het ochtendgloren naar het graf met de geurige olie die ze bereid hadden. Bij het graf aangekomen, zagen ze echter dat de steen voor het graf was weggerold, en toen ze naar binnen gingen vonden ze het lichaam van de Heer Jezus niet. Hierdoor raakten ze helemaal van streek. Plotseling stonden er twee mannen in stralende gewaden bij hen. Ze werden door schrik bevangen en sloegen de handen voor hun ogen. De mannen zeiden tot hen: “Waarom zoekt u de levende onder de doden?” 

Een Welsh testament – R.S. Thomas

rs_thomas_01

R.S. Thomas (herkomst)

R.S. Thomas was een dichter die veel hield van Wales, iemand die ook vaak werd beschouwd als een Welsh nationalist.

Het onderhavige gedicht heet A Welsh Testament, en het werpt weliswaar enig licht op deze kwestie, maar het is niettemin een echt gedicht, zelfs een sterk en ontroerend gedicht, met een frappante pointe.

Hier kunt u horen hoe het gedicht klinkt als het wordt voorgelezen door de dichter zelf. Bedenk: klank is voor elk gedicht zeer belangrijk!

Hier kunt u het gedicht nalezen (even twee keer op ‘volgende’ klikken, want de link opent in de inhoudsopgave).

Het gedicht levert een vertaalprobleem op dat ik nog niet bevredigend heb opgelost. Het geluid van de wind wordt weergegeven met honing, honing, een woord dat zowel het betreffende geluid van de wind als de betekenis ‘slijpend’ weergeeft. Mijn voorlopige oplossing is om het ‘slijpen’ in de voorafgaande regel te gebruiken, en om het woord ‘honing’ – toevallig ook een Nederlands woord – om de klank te handhaven. Goed is het niet, want ‘honing’ richt in het Nederlands de geest op betekenissen die niet ter zake doen, maar voorlopig weet ik niks beters.

Het doet een beetje denken aan Karel van het Reve die de verleiding bijna niet kon weerstaan om een gedicht van Chodasevitsj dat in het Russisch begint met Ja, ja, ja, … (wat betekent: Ik, ik, ik…) naar het Nederlands te vertalen met Ja, ja, ja…

Glyn Dwr was een Welsh leider, de laatste inheemse Prince of Wales, iemand die vocht voor Welshe onafhankelijkheid, een soort vader des (niet bestaanden) vaderlands.

Vertaling:

Een Welsh testament

Inderdaad, ik was Welsh. Maakt het uit?
Ik sprak een taal die mij werd doorgegeven
Op de plaats waar ik nu eenmaal was,
Een plaats opeengehoopt tussen grijze muren
Van mist voor minstens de helft van het jaar.
Mijn woord voor hemel was niet de jouwe.
Het woord voor hel had een scherp randje,
Geslepen door de hand van de wind:
Honing, honing, dag en nacht,
Met een schril geluid. Glyn Dwr wist niks
Van een harnas tegen regenprojectielen;
Wat hebben we aan hem te danken?

Zelfs God had een Welshe naam:
We spraken tot hem in de taal der vaderen;
Hij zou zich vooral bekommerd hebben
Om het Welshe volk. De geschiedenis liet zien
Dat hij te groot was om hem aan de muur
Van een stenen kerkje te spijkeren, maar toch
Propten we hem tussen de kaften van een zwart boek.

Desondanks keek men naar ons.
Mijn hoge jukbeenderen, mijn schedellengte
Trok hen aan, als naar een zeldzaam portret
Van een dode meester. Ik zag hen staren
Uit hun lange auto’s, als mijn buste langs kwam
Tussen ooien en hamels. Ik zag hen staan
Bij de doornhagen, als ik de verre kudden
Bijeen dreef met een schelle fluittoon.
En altijd waren daar hun ogen; ik voelde
De sterke druk: Je bent Welsh, zeiden ze;
Spreek ons zo aan; houd jouw land vrij
Van benzinegeur, van het luide gebrul
Van hete tractoren. Vrede
Willen we, en rust.

Is een museum
Vrede, vroeg ik. Ben ik de hoeder
Van de relieken van het hart, iemand die de stof
In zijn eigen ogen blaast? Ik ben een man;
Ik heb nooit de taaie rol gewild die het leven
Me toebedeelde, een acteur die speelde
Voor een publiek van vroeger op een toneel
Van aarde en steen; het absurde etiket
Van afkomst, van ras, dat scheef
Over mijn schouders hangt. Ik was gekerkerd
Totdat jij kwam; jouw stem was een sleutel
Die draaide in het reusachtige slot
Van de uitzichtloosheid. Ging de deur open
Om mij eruit of jou erin te laten?

[Een paar verbeteringen aangebracht op 12 februari 2016]

Oorspronkelijk gedicht:

A Welsh Testament

All right, I was Welsh. Does it matter?
I spoke a tongue that was passed on
To me in the place I happened to be,
A place huddled between grey walls
Of cloud for at least half the year.
My word for heaven was not yours.
The word for hell had a sharp edge
Put on it by the hand of the wind
Honing, honing with a shrill sound
Day and night. Nothing that Glyn Dwr
Knew was armour against the rain’s
Missiles. What was descent from him?

Even God had a Welsh name:
We spoke to him in the old language;
He was to have a peculiar care
For the Welsh people. History showed us
He was too big to be nailed to the wall
Of a stone chapel, yet still we crammed him
Between the boards of a black book.

Yet men sought us despite this.
My high cheek-bones, my length of skull
Drew them as to a rare portrait
By a dead master. I saw them stare
From their long cars, as I passed knee-deep
In ewes and wethers. I saw them stand
By the thorn hedges, watching me string
The far flocks on a shrill whistle.
And always there was their eyes; strong
Pressure on me: You are Welsh, they said;
Speak to us so; keep your fields free
Of the smell of petrol, the loud roar
Of hot tractors; we must have peace
And quietness.

Is a museum
Peace? I asked. Am I the keeper
Of the heart’s relics, blowing the dust
In my own eyes? I am a man;
I never wanted the drab role
Life assigned me, an actor playing
To the past’s audience upon a stage
Of earth and stone; the absurd label
Of birth, of race hanging askew
About my shoulders. I was in prison
Until you came; your voice was a key
Turning in the enormous lock
Of hopelessness. Did the door open
To let me out or yourselves in?

 

 

De dans – R.S. Thomas

r.-s.-thomas-4da1a5eab4f6b_360x225

R.S. Thomas (herkomst)

Het korte gedicht De dans van R.S. Thomas behoeft weinig toelichting. Het roept op een geresigneerde manier het verlangen op naar de verloren jeugd van een oude man. Het is een treffend gedicht, vind ik, al is het verre van triviaal. Het is vooral een intens en lyrisch gedicht, zonder de sentimentaliteit waardoor voor mijn gevoel vrij veel populaire liedjes en gedichten worden ontsierd.

Het rijm jaren/haren was tijdens het vertalen onopzettelijk ontstaan. Ik heb het gehandhaafd; het stoort zeker niet, en geeft misschien zelfs iets van de spanning terug die onvermijdelijk wegebt in elke poëzievertaling.

Het oorspronkelijke gedicht is te vinden in Collected poems, 1945-1990. Zie hier.

Een interessant interview met de dichter is hier te vinden.

Vertaling:

De dans

Ze is jong. Heb ik het recht
Haar naam maar te noemen? Kind,
Het is geen liefde die ik bied
Aan jouw soepele leden, jouw ogen;
Slechts de dorre hulde
Van een oude man die door de tijd
Wordt gekruisigd. Neem in de dans
Voor even mijn hand,
Negeer zijn steelse druk,
De schrale hunkering van de jaren,
En leid me onder het jonge loof
Van de onschuld. Laat mij mijn jeugd
Opnieuw ruiken in jouw haren.

Oorspronkelijk gedicht:

The Dance

She is young. Have I the right
Even to name her? Child,
It is not love I offer
Your quick limbs, your eyes;
Only the barren homage
Of an old man whom time
Crucifies. Take my hand
A moment in the dance,
Ignoring its sly pressure,
The dry rut of age,
And lead me under the boughs
Of innocence. Let me smell
My youth again in your hair.

 

In memoriam W.B. Yeats – W.H. Auden

Yeats_Boughton

W.B. Yeats (CC-BY-SA)

Auden was nog maar kort in Amerika toen William Butler Yeats (1939)  overleed. Hij schreef een In Memoriam-gedicht dat later nog wat werd uitgebreid, en nog weer later werd besnoeid, en dat uiteindelijk heel beroemd is geworden, vooral door de regel: For poetry makes nothing happen, waarmee, zoals vaak beweerd wordt, een generatie afscheid nam van zijn intellectuele pretenties en politieke illusies.1

De strofen 2 t/m 4 van deel III werden door Auden later geschrapt, vooral omdat hij af wilde van de niet al te eerbiedige strofe waarin Kipling en Claudel worden genoemd. Ze zijn hier wel vertaald – de Kipling/Claudel-strofe eveneens wat oneerbiedig, zij het misschien ook een beetje vrij. Deze strofen zijn op deze website tussen vierkante haken geplaatst, zowel in de vertaling als in het origineel.

Deel III heeft verder eerder een eerbiedige dan een oneerbiedige klank. De dichter wordt voortdurend aangespoord om te loven en te danken en te prijzen. Onwillekeurig moet je denken aan de woorden die Christopher Isherwood in 1937 over hun samenwerking sprak:

“when we collaborate, I have to keep a sharp eye on him – or down flop the characters on their knees . . .: another constant danger is that of choral interruptions by angel-voices. If Auden had his way, he would turn every play into a cross between grand opera and high mass.”

Het gedicht is al eerder vertaald in het Nederlands. Hier is bijvoorbeeld de link naar de vertaling van Arie van der Krogt.

Hier kunt u Auden beluisteren die het gedicht voordraagt.

 

Vertaling:

In Memoriam William Butler Yeats

I

Hij verdween in het holst van de winter:
Beekjes waren bevroren, luchthavens bijna verlaten,
Sneeuw misvormde de standbeelden;
Het kwik daalde in de mond van de stervende dag.
Al onze instrumenten zijn het eens:
De dag van zijn dood was donker en koud.

Ver van zijn ziekbed
Draafden de wolven gestadig door eeuwig groene bossen,
Het kreekje bleef er onberoerd door hippe boulevards;
Volgens klaagzangers
Liet de dood van de dichter diens gedichten met rust.

Maar voor hem was het zijn laatste middag als zichzelf,
Een middag met zusters en fluisterpraat;
De gewesten van zijn lichaam lagen dwars,
De pleinen van zijn geest waren leeg,
Stilte daalde neer in de buitenwijken,
Zijn gevoelsstroom stokte; hij werd zijn bewonderaars.

Nu ligt hij verstrooid over zo’n honderd steden,
Is hij geheel overgeleverd aan onbekende sympathieën,
Om zijn geluk te vinden in een andersoortig landschap,
En gestraft te worden volgens een uitheemse gewetenscode.
De woorden van de doden
Worden omgevormd in de ingewanden der levenden.

Maar tussen de ernst en het tumult van morgen,
Als handelaars op de beursvloer weer zullen brullen als beesten,
En armen de moeiten verduren waaraan ze al vrijwel gewend zijn,
En ieder in de cocon van het ik haast weer zeker is van zijn vrijheid,
Zullen een paar duizend terugzien op deze dag,
Zoals je terugziet op een dag waarop je iets lichtelijk ongewoons deed.
Al onze instrumenten zijn het eens:
De dag van zijn dood was donker en koud.

II

Je was dwaas als wij; slechts je talent schoot ervan over:
De congregatie van rijke vrouwen, fysieke aftakeling,
Jouzelf. Het gekke Ierland pijnigde jou tot poëzie.
Ierland heeft nu zijn gekte en zijn weer nog steeds,
Want poëzie laat niks gebeuren: zij schiet over
In het dal van haar oorsprong, waar uitvoerenden
Onkreukbaar hun gang gaan, stroomt dan zuidwaards,
Langs hoven der eenzaamheid en de industrie van verdriet,
Onaffe stadjes waarin we geloven en sterven; zij schiet over,
zij gebeurt gewoon, een mond.

III

Aarde, opent nu met ere,
Opdat Yeats kan wederkeren.
Laat het Ierse vat verzinken,
De verzen zijn al uitgeschonken.

[De Tijd, die altijd lachen moet
Om kwetsbaarheid of heldenmoed,
Onverschillig staat binnen het uur
Jegens menig mooi figuur,]

[Vereert de taal, en Hij vergeeft
Iedereen door wie zij leeft,
Vergeeft bedrog en wankelmoed,
Legt eerbewijzen aan hun voet.]

[Daarom schonk de Tijd terecht
Aan Kipling ooit genâ voor recht,
Schonk ook aan Claudel genâ,
Genâ voor brille en blabla.]

Europese honden slaan
Alle in de angstdroom aan;
Geïsoleerde natie-staten
Doen niks anders meer als haten.

Ons intellectueel echec
Schendt elk gelaat en elk gesprek,
En de ogen tonen sporen
Van het meelij, vastgevroren.

Ga nu, dichter, ga op jacht
Naar de bodem van de nacht,
Laat je stem ons blijvend wijzen
Op de noodzaak om te prijzen.

Verzen kweken, verzen snoeien,
Laat in vloek een wijngaard groeien,
Zing van falen, doem en dood
In vervoering van uw nood.

Geef de heilfontein een start,
In woestijnen van het hart;
Aan zijn dagen vastgeklonken,
Leer de vrije mens te danken.

Oorspronkelijk gedicht:

AudenVanVechten1939

W.H. Auden (CC-BY-SA)

In Memory of W.B. Yeats

I

He disappeared in the dead of winter:
The brooks were frozen, the airports almost deserted,
The snow disfigured the public statues;
The mercury sank in the mouth of the dying day.
What instruments we have agree
The day of his death was a dark cold day.

Far from his illness
The wolves ran on through the evergreen forests,
The peasant river was untempted by the fashionable quays;
By mourning tongues
The death of the poet was kept from his poems.

But for him it was his last afternoon as himself,
An afternoon of nurses and rumours;
The provinces of his body revolted,
The squares of his mind were empty,
Silence invaded the suburbs,
The current of his feeling failed; he became his admirers.

Now he is scattered among a hundred cities
And wholly given over to unfamiliar affections,
To find his happiness in another kind of wood
And be punished under a foreign code of conscience.
The words of a dead man
Are modified in the guts of the living.

But in the importance and noise of to-morrow
When the brokers are roaring like beasts on the floor of the Bourse,
And the poor have the sufferings to which they are fairly accustomed,
And each in the cell of himself is almost convinced of his freedom,
A few thousand will think of this day
As one thinks of a day when one did something slightly unusual.
What instruments we have agree
The day of his death was a dark cold day.

II

You were silly like us; your gift survived it all:
The parish of rich women, physical decay,
Yourself. Mad Ireland hurt you into poetry.
Now Ireland has her madness and her weather still,
For poetry makes nothing happen: it survives
In the valley of its making where executives
Would never want to tamper, flows on south
From ranches of isolation and the busy griefs,
Raw towns that we believe and die in; it survives,
A way of happening, a mouth.

III

Earth, receive an honoured guest:
William Yeats is laid to rest.
Let the Irish vessel lie
Emptied of its poetry.

[Time that is intolerant
Of the brave and the innocent,
And indifferent in a week
To a beautiful physique,]

[Worships language and forgives
Everyone by whom it lives;
Pardons cowardice, conceit,
Lays its honours at their feet.]

[Time that with this strange excuse
Pardoned Kipling and his views,
And will pardon Paul Claudel,
Pardons him for writing well.]

In the nightmare of the dark
All the dogs of Europe bark,
And the living nations wait,
Each sequestered in its hate;

Intellectual disgrace
Stares from every human face,
And the seas of pity lie
Locked and frozen in each eye.

Follow, poet, follow right
To the bottom of the night,
With your unconstraining voice
Still persuade us to rejoice.

With the farming of a verse
Make a vineyard of the curse,
Sing of human unsuccess
In a rapture of distress.

In the deserts of the heart
Let the healing fountains start,
In the prison of his days
Teach the free man how to praise.


  1.  Terzijde: als deze bewering juist is, als dit afscheid inderdaad zou hebben plaatsgevonden, als de intellectuelen hun pretenties en illusies daadwerkelijk zouden hebben afgezworen, zou dat een gebeurtenis van belang zijn, met als paradoxaal gevolg dat een versregel die stelt dat verzen geen gebeurtenissen scheppen, een gebeurtenis van belang heeft geschapen. Maar misschien is het verwerpen van een eerder gekoesterde dwaling niet een gebeurtenis in de hier bedoelde zin des woords. En of de intellectuelen hun pretenties en illusies daadwerkelijk massaal hebben afgezworen, kan op goede gronden worden betwijfeld. 

The World Is What It Is

BendInTheRiverEind jaren tachtig had ik een tijdelijk baantje. Ik werd, samen met een paar andere Wageningse studenten, uitgezonden om een vuilstortplaats aan te leggen in de directe nabijheid van het Noordzeekanaal. Het was een enorm weiland van, misschien, een kilometer bij een halve kilometer. Als we ‘s-morgens aankwamen stoven de fazanten links en rechts voor ons busje weg. We logeerden in een goedkoop hotel in Wijk aan Zee, verdienden ongeveer tien gulden per uur en kregen dagelijks vijfentwintig gulden om van te eten en goedkope whisky’s te drinken (Ballantine’s), onder het genot waarvan wij the people, the world and the universe bespraken.

We moesten in de breedte van het, met een aarden wal omsloten en van rechte geulen voorziene weiland lange stroken zwart kunststof uitrollen en vervolgens aan elkaar lassen. Dat lassen deden we met een speciaal laswagentje, en wel op zo’n manier dat er een luchtbaan in de las terecht kwam. In die luchtbaan moest de opgevoerde druk enige tijd in stand kunnen blijven, ten teken dat er geen lekkages in de las zaten. Zo’n las duurde wel een uur. Het was de bedoeling dat het gehele weiland zodoende werd bedekt met een ondoordringbare laag kunststof.

Een van mijn collega-uitzendkrachten die al ruim in de dertig was, een niet-westerse socioloog wiens carrière maar niet van de grond kwam, opende op zeker moment zijn mond, terwijl we samen ieder een laswagentje traag voortduwden, midden in de nietigmakende weidsheid van het gaandeweg geplastificeerde Noord-Hollandse landschap, met op de achtergrond een reusachtig cruiseschip dat magistraal door de weilanden schoof, en hij citeerde vloeiend de compromisloze openingswoorden van de roman A Bend in the River:

The world is what it is; men who are nothing, who allow themselves to become nothing, have no place in it.

De romanschrijver is V.S. Naipaul. Naipaul’s biograaf, Patrick French, heeft er de titel van zijn biografie aan ontleend.

Simon Leys – introductie (1)

Pierre Ryckmans I

Pierre Ryckmans I (door: Mathew Lynn)

Op 11 augustus 2014 overleed de grote Belgische schrijver en sinoloog Pierre Ryckmans, alias Simon Leys, geboren in 1935, op 78-jarige leeftijd in Sydney.

Hij schreef het mooiste, scherpste en waarachtigste proza dat er na de Tweede Wereldoorlog geschreven is. Hij heeft meer gedaan dan wie ook om een eind te maken aan de westerse gevoeligheid (die ongeveer duurde van 1960-1985) voor de totalitaire, communistische verleiding.

Theodore Dalrymple, pseud. van Anthony M. Daniels, schreef op 13 augustus 2014 als openingszin van een kort In Memoriam:

If fame were the reward of merit alone, Pierre Ryckmans, who wrote under the name of Simon Leys and has just died in Canberra aged 78, would have been one of the most famous men in the world.[1]

Zijn bekendste werk, essays die een démasqué van het Chinese communisme behelzen, schreef hij onder het pseudoniem Simon Leys: Les habits neufs du président Mao (De nieuwe kleren van Voorzitter Mao), in 1971, en Ombres Chinoises (Chinese schimmen), in 1974.

Hij gaf met zijn boek Chinese schimmen een krachtige impuls aan wat bekend staat als ‘Het China-debat’, een debat over de waarde van de maoïstische revolutie voor China en de wereld, waaraan in Nederland onder anderen W.F. Wertheim, Rudy Kousbroek, Renate Rubinstein, Anja Meulenbelt en Martin van Amerongen meededen. Hij schreef zijn enige roman La mort de Napoléon (De dood van Napoleon) in 1986. Hij publiceerde de door hem vertaalde Analects of Confucius (Uitspraken van Confucius) in 1997. Zijn mooiste en veelzijdigste essaybundel is misschien wel zijn laatste: The Hall of Uselessness, uit 2011. Hij was een bewonderaar van G.K. Chesterton, Emile Cioran, C.S. Lewis en George Orwell. Hij ontving belangrijke prijzen in het Franse en Engelse taalgebied.

Pierre Ryckmans II

Pierre Ryckmans II (door: Mathew Lynn)

U heeft misschien nog nooit van hem gehoord. Geen Nederlandse krant heeft ter gelegenheid van zijn overlijden uitgebreid aandacht aan zijn leven en werk besteed. Ons Erfdeel, het belangrijkste Vlaams-Nederlandse culturele tijdschrift, heeft wel een mooi levensbericht gepubliceerd. Frans was zijn moedertaal. Hij schreef ook rechtstreeks in het Engels.

Hij was een geleerde, een essayist, een humoristisch schrijver, een romanschrijver, een kalligraaf, een vertaler, een literair criticus, een illustrator, een cartoonist. Hij was katholiek, maar geen kwezel. Hij had een Taiwanese vrouw en was vader van vier kinderen. Hij woonde en werkte van 1970 tot zijn dood in Australië.

Hij was oomzegger en naamgenoot van Pierre Ryckmans (1891-1959) die “de beste gouverneur-generaal [was] die Belgisch Congo ooit heeft gekend”, zoals David Van Reybrouck schreef in het boek Congo.[2]

Ik zal de komende dagen in afleveringen een beschouwing publiceren over zijn leven en werk.


Voetnoten
1. Anders dan Dalrymple zegt, stierf Ryckmans niet in Canberra, maar in Sydney. Zie ook de bewerkingssamenvatting van deze bewerking aan het Engelse Wikipedia-artikel.
2. Google Books geeft bij dit boek geen paginanummers. Zoeken op “Ryckmans”. Zie ook hier.

Over religie

368px-RümkeHC

H.C. Rümke (Wikimedia Commons)

Net als bijvoorbeeld Gerard Reve en R.S. Thomas beschouw ik kunst en religie als tweelingen.

Ik geloof niet in bekrompenheid.

Ik denk dat poëzie vaak een vorm van bidden is, en ik denk ook dat de joods-christelijke bijbel op veel plaatsen probeert de waarheid te benaderen op een dichterlijke manier.

Ik ben niet langer vrijgemaakt-gereformeerd, de kerk waarin ik ben opgegroeid en opgevoed, maar ben wel overwegend dankbaar voor de lessen die ik daar heb geleerd.

Ik beschouw mezelf als een christen, twijfelend, spottend, ironisch, soms me overgevend, soms me verzettend, maar me steeds verbonden wetend met de voornaamste christelijke tradities.

Op de overlegpagina van het Wikipedia-artikel Weet. (een artikel over een orthodox-christelijk, populair-wetenschappelijk blaadje) heb ik in het verleden onder het geleende pseudoniem Theobald Tiger het volgende geschreven, dat hier eigenlijk beter op zijn plaats is dan daar:

 

[…] ik heb ondervonden dat mijn achtergrond geen ruimte bood aan de vragen die ik stelde en er evenmin een antwoord op had. En ook bij mij was de losmaking een pijnlijk proces, vooral omdat ik er slecht tegen kon dat ik mijn ouders verdriet deed. Maar een echte bevrijding was het toch niet, omdat ik er gaandeweg achter kwam dat niemand antwoord op mijn vragen had, al was er uiteraard machtig veel te ontdekken – nog steeds.

Ook heb ik niet zozeer angst voor een leven zonder religie – al kan het leven zelf donders beangstigend zijn. Ik geloof namelijk […, niet] dat je in een God dient te geloven als voorwaarde om moreel te kunnen handelen, schoonheid te kunnen ondergaan of ontroerd te kunnen worden. Maar […, ik] geloof toch ook niet dat je de religie kunt uitbannen zonder dat er iets wezenlijks verloren gaat.

Religie is geen zingeving, geen normenstelsel en geen bindmiddel voor gemeenschappen. Het is dat allemaal ook natuurlijk, maar dat is slechts een (niet onbelangrijk) neveneffect van wat ik als haar kern beschouw: zij is volgens mij het besef dat je als sterfelijk mens een bescheiden plaats inneemt in een wereld die – om met Dante te spreken – gedragen wordt door de liefde die het al beweegt, dat je dus – zelf eindig – deel hebt aan iets onvergankelijks.

Voor een georganiseerde religie is het bovendien nodig dat dit besef wordt gedeeld. Het wegvallen van dat gedeelde besef acht ik op den duur schadelijk voor kunst (opgevat in ruime zin zodat het ook het scheppen van harmonie in de eigen leefomgeving insluit), wetenschap en moraal.

Dit betekent uiteraard niet dat niet-religieuze mensen niet serieus met die onderwerpen bezig kunnen zijn, of dat ze geen waardevolle bijdragen kunnen doen – ik bedoel daarmee dat het religieuze besef onmisbaar is om dwalingen te onderkennen en om de moed op te brengen om – desnoods – alleen te staan in de verdediging van de kernwaarden van onze beschaving.

Dat het religieuze levensbesef ook bij veel vertegenwoordigers van de georganiseerde religie ontbreekt, behoeft verder geen betoog. Dat ook het wetenschappelijke streven voortkomt uit l’amor che move il sole e l’altre stelle is zeker waar en er is dan ook niets in mij dat zich tegen de beoefening en de resultaten van strenge wetenschap verzet (ik maak nadrukkelijk een uitzondering voor de sociale wetenschappen die ik – gunstige uitzonderingen daargelaten – als broedplaatsen van cultuurbederf beschouw).

Sigmund_Freud_LIFE

Sigmund Freud (Wikimedia Commons)

Veel ontwikkelde mensen beschouwen godsdienstigheid – in navolging van Freud – als een ontwikkelingsstoornis, als een inadequaat, regressief antwoord op levensangst. Dat is soms zeker het geval. Maar dat is volgens mij toch niet het enige dat erover gezegd kan worden. De godsdienst heeft mensen zeker niet alleen maar geremd, maar ze ook soms de kracht gegeven om de waarheid hoog te houden, en om kunst en wetenschap voort te brengen op het hoogste niveau. “Nergens heeft ooit het onechte een dergelijke ontroerende wijdende en bevrijdende kracht gehad“, schreef H.C. Rümke in zijn essay Karakter en aanleg in verband met het ongeloof (1939).

Ter voorkoming van misverstanden: aan religieuze kwezelachtigheid heb ik een even grote hekel als aan atheïstische bigotterie. Ik ben een groot bewonderaar van de onlangs overleden Belgische schrijver en sinoloog Pierre Ryckmans (pseud.: Simon Leys), zelf katholiek, en een groot en welsprekend verdediger van de beschaving, te midden van de krankzinnigheden die werden uitgekraamd door de fellow-travellers (die veelal het verlaten van het christendom als een bevrijding hadden ondergaan) van het religievijandige maoïsme in de jaren zestig, zeventig en tachtig van de vorige eeuw.

En daaraan voorafgaand schreef ik:

Militante atheïsten zijn […] vaak heel fel, en ik heb een grondige hekel aan de zendingsdrift, humorloosheid en onverdraagzaamheid van militante atheïsten […]. Ik beschouw de militante atheïsten die zo dapper met hun sabeltjes zwaaien in de stoet die aangevoerd wordt/werd door Harris, wijlen Hitchens en Dawkins als de kwezels van onze tijd.

Maar er speelt wel degelijk nog iets. Ik heb een orthodox-protestantse achtergrond. Ik heb van deze geloofsrichting zekere afstand genomen, zonder de gehele christelijke erfenis overboord te hebben gezet. Ik beschouw de gretigheid waarmee de westerse beschaving zich ontdoet van haar metafysische erfenis als een ernstige vergissing. Ik geloof niet dat een levenshouding die zich uitsluitend wenst te baseren op rationaliteit en wetenschap de beschaving die ik waardevol vind – het goede en het ware en het schone – in stand kan houden.

Ik denk – als ik mij voor de gelegenheid even wat verheven mag uitdrukken – dat een mythopoëtische houding een belangrijke manier is om toegang te krijgen tot de waarheid. Ik denk dat Freud, Marx en Darwin alledrie een rol gespeeld hebben – althans in bepaalde interpretaties van hun werk – in de afbraak van de houding die ik voorsta (van deze drie is Darwins erfenis overigens de meest waardevolle). En dat komt omdat de evolutietheorie niet alleen een vruchtbare wetenschappelijke hypothese is gebleken, maar van de aanvang af ook is geweest wat ik hierboven een pseudoreligieuze Ersatz heb genoemd.

Daartegen verzetten de christenen zich ook, en – of je het nu met ze eens bent of niet – daarin hebben ze volgens mij volkomen gelijk. Dat ze daarbij allerlei creationistische en andere dwaalwegen bewandelen, is heel jammer, maar dat is, vermoed ik, het directe gevolg van de letterlijkheidscultus en de symboolblindheid die je veel bij hen aantreft en die je trouwens ook vaak bij rationalisten ziet. Ik ben er niet zo zeker van dat de ernst waarmee wij elkaar proberen te begrijpen en waarmee we ons jegens elkaar verstaanbaar proberen te maken, een gevolg is van de ‘evolutie’, […].

Ik [… vind wel] dat de natuurwetenschappen heel belangrijk zijn, en feitelijk als enige aanspraak kunnen maken op de titel ‘wetenschap’. […] Ik beschouw persoonlijk alle niet-natuurwetenschappen als pseudowetenschap. Maar ik denk wel dat er nog heel andere domeinen zijn dan die van ratio en wetenschap, domeinen die ook onze volle aandacht en liefde verdienen.

En even verderop:

Religies zijn weliswaar meestal gebaseerd op een openbaring, maar religies zijn toch niet bedoeld om zekerheid te bieden. Zekerheid bestaat niet, vroeger niet en nu niet, en zekerheid zal ook nooit bestaan. Militante atheïsten als Sam Harris, Richard Dawkins, wijlen Christopher Hitchens, wijlen Rudy Kousbroek en de nog levende Max Pam weten niets van het christendom; ze vervloeken, kleineren en ridiculiseren het christendom, maar ze citeren nooit de beste vertegenwoordigers ervan.

Wetenschap bevordert inderdaad de twijfel, en godsdienst probeert de aandacht te richten op wat eeuwig is. Dat zijn twee buitengewoon goede strevingen, die elkaar – volgens mij – geenszins uitsluiten.

(…)

De afgelopen eeuw van wetenschap en techniek heeft inderdaad wonderen voortgebracht. Maar de religie heeft dat ook, zij het geheel andere wonderen, zoals de muziek van Bach. De kerk is verantwoordelijk voor een groot aantal gruwelen – en zij heeft daar nooit passende verontschuldigingen voor aangeboden – maar ook het atheïsme heeft het bedrijven van gruwelen niet geschuwd.

Voor goed geformuleerde en interessante tegenspraak verwijs ik naar de Wikipedia-overlegpagina waarop deze citaten voorkomen.

Aan de in 2014 overleden Simon Leys/Pierre Ryckmans zal ik binnenkort op deze plaats aandacht besteden.

Zefier keert terug – Petrarca (2)

Een tweede poging:

Zefier keert terug en voert het geurend kruid,
De bloemen, de warmte – zijn nazaten – mee,
Prokne die kwettert, Filomeel die huilt,
Een nieuwe lente maakt in vermiljoen entree.

De hemel licht op, en de akker juicht,
Jupiter ziet naar zijn dochter, tevree;
En niet langer houdt de liefde zich schuil,
Alles verzoent zich: de elementen, het vee.

Maar, ach, voor mij keren slechts de benarde
zuchten weer, die zij ontlokte aan de kwartieren
van het hart, welks sleutels de hemel bewaarde:

En de vogelzang, de bloemen die welig tieren,
De lieve vrouwen en hun goede daden,
Zijn rimboe voor mij, vol woeste en snode dieren.

Zefier keert terug – Petrarca (1)

Testa_di_Francesco_Petrarca_di_profilo (1)

Petrarca en profil (Wikimedia Commons)

De oudste en zuiverste sonnetvorm is het Italiaanse sonnet, dat ook wel Petrarca-sonnet wordt genoemd. Het Italiaanse sonnet bestaat uit veertien regels, twee kwatrijnen (strofen van vier regels), en twee terzinen  (strofen van drie regels). De twee kwatrijnen heten samen het octet; de twee terzinen heten samen het sextet. Tussen het octet en het sextet bevindt zich een wending (ook wel volta of chute genoemd), wat betekent dat de dichter het na de achtste regel opeens over een ander boeg gooit: hij/zij wisselt van perspectief, brengt een tegenstelling aan, trekt conclusies uit de voorafgaande sfeerimpressie, of doet na die achtste regel anderszins iets verrassends.

Het rijmschema is streng. In de meest strikte vorm komen er maar vier rijmklanken voor in een Italiaans sonnet: twee in het octet (abba abba) en twee in het sextet (cdc dcd). Het rijmschema in het onderhavige sonnet is hierop een even strenge variant: abab abab cdc dcd.

Petrarca en Laura te Avignon - Josef_Manes_Laura

Petrarca en Laura te Avignon (Wikimedia Commons)

Het metrum is vaak een jambische vijfvoet: tien of elf lettergrepen met een afwisseling van onbeklemtoonde en beklemtoonde lettergrepen, beginnend met een onbeklemtoonde lettergreep. Er zijn tien lettergrepen als de regel eindigt op een staand of mannelijk rijm (stoep/poep) en elf lettergrepen als de regel eindigt op een vrouwelijk of slepend rijm (billen/gillen). Op de plek waar je een beklemtoonde lettergreep verwacht (heffing) mag ook een onbeklemtoonde staan. (Andersom – een beklemtoonde lettergreep waar je een onbeklemtoonde verwacht – mag ook wel, maar alleen als daarmee een bepaald effect wordt beoogd.) Een voorbeeld van een gewone jambische vijfvoet is:

Ik gíng naar Bómmel om de brúg te zien.

(om en zien staan op de plaats van een beklemtoonde lettergreep of heffing, maar je leest ze zonder nadruk.)

De sonnetten van Shakespeare zijn heel anders; ze voldoen niet aan bovengenoemde vormkenmerken. Het zijn eigenlijk drie kwatrijnen die worden afgesloten met twee rijmende regels. De drie kwatrijnen kennen soms wel een wending na het tweede kwatrijn, maar vaak ook niet; er wordt dan toegewerkt naar een soort climax. De rijmende slotregels zorgen voor een pointe. Er zijn bij Shakespeare meestal twee rijmklanken per kwatrijn, en elk kwatrijn heeft een eigen paar rijmklanken.

Een beroemd gedicht van Francesco Petrarca dat ook verschillende keren op muziek is gezet, onder anderen door Claudio Monteverdi, is Zefiro Torna:

Zefiro torna, e ‘l bel tempo rimena,
e i fiori e l’erbe, sua dolce famiglia,
et garrir Progne et pianger Filomena,
le primavera candida e vermiglia.

Ridono i prati, e ‘l ciel si rasserena;
Giove s’allegra di mirar sua figlia;
l’aria e l’acqua e la terra è d’amor piena;
ogni animal d’amar si riconsiglia.

Ma per me, lasso, tornano i più gravi
sospiri, che del cor profondo tragge
quella ch’al ciel se ne portò le chiavi;

e cantar augelletti, e fiorir piagge,
e’n belle donne oneste atti soavi
sono un deserto, e fere aspre e selvaggie.

Een paar opmerkingen vooraf:

  1. Zefiro = Zephyros, is in de Griekse mythologie de personificatie van de westenwind. Hij wordt in het Nederlands ook wel Zefier genoemd.
  2. Progne en Filomena (Prokne/Procne en Philomela) zijn dochters van de Atheense koning Pandion I: Prokne verandert in een zwaluw, en Philomela (in het Nederlands ook Filomeel) verandert in een nachtegaal.
  3. De wending is dat in de beide kwatrijnen eerst de westenwind wordt opgevoerd die het voorjaar brengt met alle aangenaamheid en zoetheid die daar bij hoort, maar dat deze lieflijkheid in de beide terzinen met het grote leed van de dichter wordt gecontrasteerd, die – helaas – zijn geliefde (Laura, i.c. Petrarca’s muze) moet missen, omdat zij er niet meer is (zij heeft immers de sleutels van zijn hart aan de hemel toevertrouwd).

In mijn vertaling heb ik niet een jambische vijfvoet, maar een jambische zesvoet toegepast, die bovendien – je zult dat bij het voorlezen wel merken – een ritmische tweedeling kent: er is een soort breuk in het midden. Een dergelijk metrum wordt een alexandrijn genoemd. Alexandrijnen vind je bijvoorbeeld ook in de sonnetten van P.C. Hooft. Ten opzichte van een strikte jambische zesvoet, heeft de alexandrijn wel eens een extra onbeklemtoonde lettergreep in het midden, bij de breuk.

De alexandrijn in mijn vertaling is vrij onregelmatig. Ook openen verschillende regels die wel jambisch (eerst onbeklemtoond en dan beklemtoond) eindigen, met een trochee (eerst beklemtoond en dan onbeklemtoond). Het geheel is wel ritmisch voor te lezen.

Hij, Zefier, is terug, en voert het zachte weer,
De bloemen, kruiden – zoete bloedverwanten – mede,
Prokne die kwettert, Filomeel die klaaglijk kwinkeleert,
De ongerepte lente, vermiljoen en teder.

De velden juichen, en de hemel lumineert:
Jupiter staart naar zijn dochter, innig tevreden;
Aarde, water en lucht, ze zijn in liefde geëerd;
De schepping verzoent zich, in toegenegen vrede.

Maar, ach, voor mij slechts de weerkerende benauwde
zuchten, die zij ontlokte aan de zwartste kwartieren
van het hart, welks sleutels zij de hemel toevertrouwde:

En de vogelzang, de bloemen die welig tieren,
De deugdzame daden der allerliefste vrouwen,
Zijn mij slechts wildernis, vol woeste en gekwelde dieren.

 

Ik heb het voornemen om hetzelfde gedicht nog eens te vertalen, maar dan met een strikt toegepaste jambische vijfvoet als metrum.

Mijn gebrekkige beheersing van het Italiaans heb ik mede aangevuld met wat de vertaling van Antony S. Kline mij over de betekenissen leerde.