Maandelijks archief: januari 2016

Het pad dat ik niet nam – Robert Frost

RobertFrost

Robert Frost op een postzegel van 10 dollarcent (Wikimedia Commons)

Mijn vertaling van het gedicht The Road Not Taken van Robert Frost heeft een eervolle vermelding gekregen bij de poëzievertaalwedstrijd die georganiseerd werd door De Bibliotheek Huizen-Laren-Blaricum, i.s.m. Stichting Kunst en Cultuur Huizen, het Kunst- en Cultuurcafé Huizen en met steun van Flevo Boekhandel Huizen.

Informatie over de wedstrijd vindt u hier. Er waren 33 vertalers die een vertaling hadden ingezonden. Er waren twee prijzen en een eervolle vermelding.

De jury bestond uit Henk Aertsen, oud-docent Engelse Taal- en Letterkunde van de Middeleeuwen en oud-docent Literair Vertalen aan de VU, Wil Hordijk, oud-docent Engels en Culturele en kunstzinnige vorming aan het Erfgooiers College Huizen en schrijver, en Roxane van Iperen, jurist en dichter/schrijver.

De bekendmaking van de uitslag, de vertalingen die de eerste en tweede prijs hebben ontvangen, en het juryrapport vindt u hier.

Hier is een opname van Robert Frost zelf die het gedicht voordraagt.

Het gedicht luidt:

The Road Not Taken

Two roads diverged in a yellow wood,
And sorry I could not travel both
And be one traveler, long I stood
And looked down one as far as I could
To where it bent in the undergrowth;

Then took the other, as just as fair,
And having perhaps the better claim,
Because it was grassy and wanted wear;
Though as for that the passing there
Had worn them really about the same,

And both that morning equally lay
In leaves no step had trodden black.
Oh, I kept the first for another day!
Yet knowing how way leads on to way,
I doubted if I should ever come back.

I shall be telling this with a sigh
Somewhere ages and ages hence:
Two roads diverged in a wood, and I –
I took the one less traveled by,
And that has made all the difference.

Voordat ik met mijn vertaling voor de dag kom, moet ik allereerst vertellen dat ik een curieuze vergissing heb begaan. Ik had het gedicht van Frost gekopieerd van de bibliotheekwebsite en in mijn tekstverwerkingsprogramma (Word) geplakt, met weglating van de meegekopieerde HTML-opmaak. Bij het plakken waren ook de witregels die de strofescheiding markeren, verdwenen. Deze witregels voegde ik uiteraard vervolgens handmatig weer toe, en ik sloeg aan het vertalen. Maar ik had bij het toevoegen van de witregels per abuis vijf strofen van vier regels gecreëerd, in plaats van de originele vier strofen van vijf regels. Omdat ik me, mede als gevolg van die fout, ook nog een paar vrijheden met betrekking tot het rijmschema had veroorloofd, voldeed mijn vertaling niet helemaal aan de (gerechtvaardigde) vormeisen van de jury. Pas tijdens de prijsuitreiking werd mij duidelijk dat ik iets verkeerd had gedaan. En pas enige tijd na die uitreiking begon de akelige toedracht mij te dagen.

Bij het vertalen had ik overigens wel een paar keer de gedachte in me voelen opkomen dat Frost een merkwaardige strofe-indeling had gekozen, maar met de rotsvaste zekerheid die de ware broddelaar kenmerkt, had ik het niet nodig geoordeeld mijn kopie nog eens met de bron te vergelijken.

Gelukkig vond de jury de vertaling verder wel erg geslaagd.

Het moeilijkste bij de vertaling van dit gedicht is het aanbrengen van een natuurlijk ritme, de toepassing van een alledaagse woordkeus, en het herscheppen van een in vrij strakke versvorm gegoten parlando.

Dan nu mijn vertaling (met de foute witregels):

Het pad dat ik niet nam

In een geel bos gingen twee paden uiteen.
Jammer dat ik ze niet allebei kon gaan,
En als ondeelbare wandelaar bleef ik staan
En keek een tijdlang waar er één,

Heel in de verte, in het lage groen verdween;
Nam toen het tweede, dat als je het goed bekeek,
Eigenlijk betere aanspraken had,
Omdat het grazig was en ongerept leek.

Maar wat begaanbaarheid betreft, al snel bleek
Dat ze elkaar niet veel ontliepen, dat
Beide deze morgen waren bedekt met blad
Waarop nog geen voetzool getreden had.

O, het eerste komt later aan de beurt!
Maar wetend hoe onomkeerbaar paden zijn,
Vroeg ik me af of ik het terug zou zien.
Ooit zal ik dit vertellen, enigszins verscheurd,

Hoe ik tijden, tijden geleden heb gedwaald;
Twee paden gingen in een bos uiteen, en ik – ik had
Gekozen voor het minst gebaande pad,
En dat heeft al wat volgde toen bepaald.

De avond waarop de prijzen werden uitgereikt (27 januari 2016), een speciale editie van het maandelijks kunstcafé Huizen, vond plaats in Theater De Boerderij in Huizen en was bijzonder onderhoudend. De organisatoren waren Thom Schuitemaker (Bibliotheek Huizen-Laren-Blaricum), die een beschouwing over Frosts gedicht had gemaakt en voorlas, Fransje Sydzes, actrice/voordrachtskunstenaar, Nol van Bennekom, oud-journalist, -redacteur en muzikant, en Frans R. Bianchi, voorzitter Stichting Kunst & Cultuur Huizen.

Maartje van Weegen presenteerde de avond, Fransje Sydzes en Ani Avramova traden samen op; Sydzes droeg gedichten voor (o.a. M. Vasalis, Remco Campert), Avramova omlijstte de voordracht met pianospel (Chopin), Joop Daalmeijer maakte met een smakelijk vertelde en voor mij niet geheel begrijpelijke anekdote de prijswinnaars bekend, en ten slotte zongen Joop Visser en Jessica van Noord een aantal soms dromerige, vaak sardonische en altijd vermakelijke liedjes.

Het was heel slecht weer die avond: het regende dat het goot, het woei zeer hard,  de onverlichte snelweg lag op de terugweg vol met regenplassen, de strepen op de weg waren bijna niet te zien, er werd gewaarschuwd voor slipgevaar. U begrijpt dat ik met gevaar voor eigen leven de eervolle vermelding in ontvangst heb genomen:

Eervolle vermelding vertaalwedstrijd Huizen

Volgens de dichter J.C. Bloem zijn de twee grote verlangens in een mensenleven het verlangen naar liefde en het verlangen naar eer. Ik geloof wel dat dat waar is.

De prijs was een geschilderd portret van Adele door de de tekenaar/schilder Olaf Schouw. Een ensemble-foto van de prijsuitreiking vindt u hier. Ik sta als derde van links, tussen Wil Hordijk en Joop Daalmeijer, met het geschilderde portret van Adele in mijn handen.

De voor dit gedicht relevante passage uit het juryrapport luidde:

De eervolle vermelding gaat naar de inzender die in haar of zijn vertaling de structuur van het gedicht heeft aangepast, in plaats van vier strofen van vijf regels koos deze inzender voor vijf strofen van vier regels. Dat is de reden waarom de jury besloot hem of haar geen prijs maar een eervolle vermelding toe te kennen: tegenover de andere inzenders zou een prijstoekenning niet te rechtvaardigen en niet eerlijk zijn. Zijn of haar vertaling is heel poëtisch en ritmisch, leest makkelijk, kortom leest als een echt gedicht.

Huizen - Road not taken

Foto van de prijsuitreiking (Ik sta met het portret van Adèle in mijn handen tussen Joop Daalmeijer en Wil Hordijk)


 

 

 

Sonnet 81 – Shakespeare

Sonnets-Titelblatt_1609In dit een-en-tachtigste sonnet van de beroemdste dichter uit het Engelse taalgebied, William Shakespeare (1564-1616), vindt een grappige omkering plaats: de dichter zal worden vergeten, maar de aanbedene zal altijd voortleven, dankzij het vers dat u bezig bent te lezen.

In werkelijkheid is het uiteraard andersom: we kennen wel Shakespeare – enigszins althans – maar naar de naam van de aanbedene wordt al eeuwenlang gegist.

Het is een Shakespeare-sonnet, en het wijkt dus af van het Italiaanse sonnet in de traditie van Petrarca. Een Shakespeare-sonnet heeft de wending of volte na de twaalfde regel, direct dus voorafgaand aan de afsluitende slotregels die de pointe bevatten.

Het gedicht verscheen in 1609 in een bundel van 154 sonnetten.

Dit gedicht behoeft eigenlijk geen toelichting.

Vertaling:

Sonnet 81

Of ík leef nog, en zal jouw grafschrift schrijven,
Of jíj blijft hier, als ik voorgoed verdwijn.
Maar dan: jouw heugenis zal altijd blijven,
Van mij zal geen restant meer over zijn.

Jouw naam wacht roemrijk ‘t eind der tijden af,
De mijne vindt beslist vergetelheid.
De aarde biedt mij slechts een simpel graf,
Terwijl jij in ons hart wordt bijgezet.

Mijn teder vers is straks jouw monument,
Dat ongeschapen ogen ooit nog zullen lezen,
En door de tong van straks niet wordt miskend,
Als ieder die nu ademt dood zal wezen.

Jij leeft nog voort, door wat mijn pen vermocht;
Waar adem is, troon jij op ieders ademtocht.

Zojuist (25-1-2016) tot mijn afgrijzen ontdekt dat mijn twaalfde regel identiek is aan de twaalfde regel in de (mooie) vertaling van Arie van der Krogt.

Sonnet 81

Or I shall live your epitaph to make,
Or you survive when I in earth am rotten.
From hence your memory death cannot take,
Although in me each part will be forgotten.

Your name from hence immortal life shall have,
Though I, once gone, to all the world must die.
The earth can yield me but a common grave
When you entombèd in men’s eyes shall lie.

Your monument shall be my gentle verse,
Which eyes not yet created shall o’er-read,
And tongues to be your being shall rehearse
When all the breathers of this world are dead.

You still shall live – such virtue hath my pen –
Where breath most breathes, even in the mouths of men.

Bijna veertig – Derek Walcott

427px-Derek_Walcott_Festival_de_Poesía_Granada

Derek Walcott (Wikimedia Commons)

[Aan deze vertaling wordt de komende dagen nog gewerkt.]

Dit is een vers waarin Walcott twijfelt aan zichzelf, een soort midlifecrisis. “It’s menopausal almost,” zei hij er later zelf van. Het is wel een vers dat karakteristiek is voor zijn werkwijze: een slechts door komma’s of puntkomma’s gepunctueerde, ononderbroken gedachtestroom, met een fraaie ontwikkeling erin en ook een soort pointe.

Eerst het Engels:

Nearing Forty

[for John Figueroa]

The irregular combination of fanciful invention may delight awhile by that novelty of which the common satiety of life sends us all in quest. But the pleasures of sudden wonder are soon exhausted and the mind can only repose on the stability of truth…
––SAMUEL JOHNSON

Insomniac since four, hearing this narrow,
rigidly metred, early-rising rain
recounting, as its coolness numbs the marrow,
that I am nearing forty, nearer the weak
vision thickening to a frosted pane,
nearer the day when I may judge my work
by the bleak modesty of middle age
as a false dawn, fireless and average,
which would be just, because your life bled for
the household truth, the style past metaphor
that finds its parallel however wretched
in simple, shining lines, in pages stretched
plain as a bleaching bedsheet under a guttering
rainspout; glad for the sputter
of occasional insight, you who foresaw
ambition as a searing meteor
will fumble a damp match and, smiling, settle
for the dry wheezing of a dented kettle,
for vision narrower than a louvre’s gap,
then, watching your leaves thin, recall how deep
prodigious cynicism plants its seed,
gauges our seasons by this year’s end rain
which, as greenhorns at school, we’d
call conventional for convectional;
or you will rise and set your lines to work
with sadder joy but steadier elation,
until the night when you can really sleep,
measuring how imagination
ebbs, conventional as any water clerk
who weighs the force of lightly falling rain,
which, as the new moon moves it, does its work
even when it seems to weep.

Dan de vertaling:

Bijna veertig

[Voor John Figueroa]

De grillige combinatie van vergezochte hersenspinsels kan ons een poos in verrukking brengen door de nieuwigheid waarnaar wij op zoek zijn als gevolg van onze oververzadiging met alledaagsheid. Maar het genoegen van de verbluftheid duurt niet lang en de geest kan slechts rust vinden in de bestendigheid van de waarheid…
––SAMUEL JOHNSON

Slapeloos sinds vieren, luisterend naar de dichte,
strikt-metrische, vroege-ochtendregen,
die aftelt, het merg verstijvend met zijn kilte,
dat ik bijna veertig ben, al dicht bij het slechte
zicht dat steeds diffuser wordt als matglas,
dichter bij de dag waarop ik mijn werk mag keuren
met de schrale kiesheid van een middelbare man,
als nooit ingeloste belofte, zonder pit en middelmatig,
wat wel kan kloppen, want je had je leven veil voor
de tegeltjeswijsheid, de stijl boven beeldspraak
die hoe dan ook een armzalige parallel vond
in simpele, oplichtende regels, op pagina’s
platgestreken als een gebleekt beddelaken onder een
neergutsende regenstraal; blij met het gespetter
van gelegenheidsvondstjes, was jij het die al bevroedde
dat ambitie als een verschroeide meteoor
zou prutsen met een natte lucifer, om, lachend, genoegen te nemen
met de piepende ademhaling van een gedeukte ketel,
met uitzicht smaller dan een louvre-luik,
om dan, jouw arme lommer ziende, te beseffen hoe diep
buitensporig cynisme zijn zaad plant,
het jaargetij toetsend aan deze eindejaarsregens,
die we, als groentjes op school, eerder
met conventie dan convectie zouden verbinden;
of je zult opstaan en zorgen dat je versregels hun werk doen
met droeviger vreugde maar gelijkmatiger vervoering,
totdat de nacht komt wanneer je echt niet slapen kan,
om vast te stellen hoe de verbeeldingskracht
wegebt, conventioneel als een doorsnee waterbeambte
die de kracht van de zachtjes neerdalende regen meet,
welke, door de nieuwe maan in gang gezet, haar werk doet
zelfs wanneer zij schijnt te huilen.

 

Tijdloos – R.S. Thomas

Aberdaron_church_-_geograph.org.uk_-_13372

Aberdaron Church, de kerk waar Thomas van 1967-1978 dominee was (Wikimedia Commons)

Enkele jaren geleden kwam ik voor het eerst de naam Ronald Stuart Thomas tegen toen ik een bespreking van Thomas’ biografie las. De openingszin van dat stuk luidt: “I am not notably frivolous, but whenever I read R. S. Thomas’s poetry, or his biography, I cannot help but reflect that, like the majority of mankind, I have spent most of my life chasing false gods.

De boekbespreking draagt als titel A Man Out of Time (City Journal, 6 nov 2006), en was geschreven door Theodore Dalrymple, een essayist die ik graag lees. Het gedicht No Time wordt erin geciteerd, evenals het gedicht A Marriage, dat ik al eerder vertaalde.

Thomas was, net als Guillaume van der Graft (pseud. van Willem Barnard), Nicolaas Beets en Piet Paaltjens, een dichter-dominee.

Dit gedicht ontroert mij zeer.

Vertaling:

Tijdloos

Ze liet me alleen. Van wie
was die stem, kouder
dan grafwind, die sprak
“Het is voorbij”? Ongrijpbaar,
onzichtbaar, komt ze nog
bij me, zoals ze vaak
deed, terwijl ik wat lees.
Er is een beving
van licht, als van een vogel die
de zonnebaan kruist, en ik kijk
op in herkenning
van een afwezige aanwezigheid.
Geen woord, geen geluid
als ze haar gang gaat,
maar een geur die blijft hangen,
geur van de tijd die zichzelf offert
in liefdesvuur.

Origineel:

No Time
Uit: No Truce with the Furies (1995)

She left me. What voice
colder than the wind
out of the grave said:
“It is over?” Impalpable,
invisible, she comes
to me still, as she would
do, and I at my reading.
There is a tremor
of light, as of a bird crossing
the sun’s path, and I look
up in recognition
of a presence in absence.
Not a word, not a sound,
as she goes her way,
but a scent lingering
which is that of time immolating
itself in love’s fire.

 

Vertrouwd met de nacht – Robert Frost

460px-Robert_Frost_NYWTS

Robert Frost (Wikimedia Commons)

Robert Frost (1874-1963) is een Amerikaanse dichter die een alledaagse spreektoon in vrij strakke versvormen weet te vangen. Frost gebruikte een vijfvoetige jambe, de strofen tellen drie regels, het rijmschema is terza rima.

Ik heb in mijn vertaling gekozen voor een jambische zesvoet (een versregel is zelfs een zevenvoet geworden).

Acquainted wit the Night

I have been one acquainted with the night.
I have walked out in rain—and back in rain.
I have outwalked the furthest city light.

I have looked down the saddest city lane.
I have passed by the watchman on his beat
And dropped my eyes, unwilling to explain.

I have stood still and stopped the sound of feet
When far away an interrupted cry
Came over houses from another street

But not to call me back or say good-bye;
And further still at an unearthly height
One luminary clock against the sky

Proclaimed the time was neither wrong nor right.
I have been one acquainted with the night.

Vertaling:

Vertrouwd met de nacht

Ik was zoiemand die vertrouwd was met de nacht.
Ik liep vaak door de regen – ging in de regen terug.
Ik ging vaak verder dan de verste huizen van de stad.

Ik liep door nare buurten met gebogen rug.
Ik kwam de stadswacht tegen die zijn rondgang maakte,
En sloeg mijn ogen neer, want voor een vraag beducht.

‘k Heb stil gestaan, zodat ik geen geluid meer maakte,
Toen in de verte een haperende gil weerklonk
Vanuit een straatje verderop dat aan de mijne raakte,

Maar niemand die mij riep of aandacht aan mij schonk.
En verder werd ik soms van boven overschouwd
Door een verlichte klok die als van gene zijde klonk

En uitriep dat de tijd niet goed was en niet fout.
Zoiemand was ik, danig met de nacht vertrouwd.

De ondergang van Rome – W.H. Auden

800px-Cyril_Connolly_(3556836247)

Herdenkingssteen Cyril Connolly (Wikimedia Commons)

Dit gedicht van W.H. Auden roept in korte beeldende strofen een beeld van verval en ondergang op. De rendieren in de slotstrofe werken bijna als een deus ex machina.

Hier kunt u Auden beluisteren die het gedicht voordraagt.

Vertaling:

DE ONDERGANG VAN ROME
(Voor Cyril Connolly)

De pier voelt golven schuimend bonken;
Regenval op braak terrein
Geselt een verlaten trein;
Schorem vult de bergspelonken.

Welig tiert de gala-kleding;
Elke fiscus jaagt met zin
Op fraudeurs die vluchten in
Riolen van provincie-steden.

Riten vol privé-magie
Wiegen zacht de tempelhoer;
Elke literaat ontvoert
Vriendjes in zijn fantasie.

Cato prijst cerebrotoon
De Aloude Disciplines,
Maar gespierde mariniers
Muiten weer om drank en loon.

Caesars bijslaap heeft plezier,
Als een laagbetaalde klerk
Schrijft: IK HOUD NIET VAN MIJN WERK
Op een rôze formulier.

Zonder welvaart en compassie,
Broeden roodgepote sijsjes
Teder op hun spikkeleitjes,
Uitziend op een koortsig stadje.

Maar wat, ondanks alles, telt:
Kudden rendierherten trekken
Voort in goudbemoste verten,
Rustig en verbazend snel.

Origineel:

THE FALL OF ROME
(For Cyril Connolly)

Collected Poems
P. 332-333
1947

The piers are pummelled by the waves;
In a lonely field the rain
Lashes an abandoned train;
Outlaws fill the mountain caves.

Fantastic grow the evening gowns;
Agents of the Fisc pursue
Absconding tax-defaulters through
The sewers of provincial towns.

Private rites of magic send
The temple prostitutes to sleep;
All the literati keep
An imaginary friend.

Cerebrotonic Cato may
Extol the Ancient Disciplines,
But the muscle-bound Marines
Mutiny for food and pay.

Caesar’s double-bed is warm
As an unimportant clerk
Writes I DO NOT LIKE MY WORK
On a pink official form.

Unendowed with wealth or pity,
Little birds with scarlet legs,
Sitting on their speckled eggs,
Eye each flu-infected city.

Altogether elsewhere, vast
Herds of reindeer move across
Miles and miles of golden moss,
Silently and very fast.

 

1 september 1939 – W.H. Auden

Polen, Parade vor Adolf Hitler

Polen, parade voor Adolf Hitler (1939), overgenomen van Wikimedia Commons

De vertaling van dit gedicht draag ik op aan Robbert Jan Bron (1966), ter gelegenheid van zijn vijftigste verjaardag. Robbert Jan heeft veel met Wystan Hugh Auden gemeen: diepgaande culturele belangstelling, taalgevoeligheid, retorisch talent (die soms met hem aan de loop gaat), politieke interesse, diagnostische vermogens, een vrijzinnige maar ernstige verhouding tot het christendom, het vermogen om de spijker op de kop te slaan, en een zelfbeeld: “…if I hadn’t been a poet, I might have become an Anglican bishop – politically liberal, I hope; theologically and liturgically conservative, I know.” 

Het gedicht September 1, 1939 werd door Auden geschreven bij het uitbreken van de Tweede Wereldoorlog. De titel is de datum waarop Hitlers Duitsland Polen binnen viel. Auden bevond zich toen, net als de ik-figuur in het gedicht, in New York. Het gedicht werd al snel erg populair. Ook na de aanslagen op de Twin Towers in 2001 werd het gedicht veel geciteerd. De symboliek van wolkenkrabbers, waarvoor kennelijk ook de zelfmoordterroristen gevoelig waren, is een van de motieven in dit gedicht.

Maar de weerklank die het vindt, betekent nog niet dat het een “politiek gedicht” is, zoals vaak is betoogd. Ik zou niet weten wat dat is, een ‘politiek gedicht’.

De beroemdste zinnen – “We must love one another or die” – waren voor Auden in een later stadium van zijn dichterschap aanleiding om het gedicht als onwaarachtig te verwerpen. We moeten immers sowieso sterven. In het algemeen vond Auden dat de retoriek met hem aan de haal was gegaan, in plaats van andersom, reden waarom hij herdrukken ervan tegen hield. Veel critici vinden dit moeilijk te verteren, maar helemaal onbegrijpelijk is het niet: de slotzinnen van diverse strofen klinken bijzonder sonoor, maar ze ronken toch ook wel een beetje. Ook is voor mijn gevoel de in het gedicht geconstrueerde tegenstelling tussen een alomvattende liefde, die goed is, en een exclusieve liefde, die verkeerd is, wel heel erg idealistisch als de eraan gehechte waardeoordelen zonder meer worden toegepast op de gehele mensheid. Het is een paulinisch idealisme waarop ook het katholieke priestercelibaat is gebaseerd. De apostel Paulus zegt in 1 Kor. 7:7 : “Ik zou wel willen, dat alle mensen waren, zoals ikzelf [dat wil zeggen: ongehuwd, AS].” Enfin, ik heb erg mijn best gedaan om ook de welluidende retoriek netjes te vertalen.

Joseph Brodsky wijdde een 53 pagina’s tellende beschouwing aan dit gedicht, dat gepubliceerd werd in zijn essaybundel Less than One (1985), vertaald als Tussen iemand en niemand (vertaling: Frans Kellendonk en Kees Verheul, 1987).

Het gedicht voldoet aan een door de jonge Auden geciteerde definitie van poëzie: “Memorable Speech”. Ik ken het gedicht al sinds mijn studietijd – dertig jaar geleden – uit mijn hoofd.

Het oorspronkelijke gedicht, negen strofen van elf regels, vindt u hier.

Mijn vertaling luidt:

1 september 1939

Ik zit in één van de bars
Van Fifty-second Street,
Onzeker en ook bang,
Nu de vernuftige hoop vervliegt
Van een laag en vals decennium:
Golven van woede en angst
Gaan rond over de  verlichte
En verduisterde streken der aarde,
En houden ons in hun ban;
Het onzegbare bouquet van de dood
Schendt de septembernacht.

Trefzekere geleerdheid kan
Het hele misdrijf opdelven,
Dat een cultuur al sinds Luther
In waanzin heeft gestort,
Nagaan wat er voorviel in Linz,
Welk kolossaal imago
Een geesteszieke god schiep:
U en ik, wij weten –
Elk kind leert dat al vlug –
Wie kwaad moet ondergaan,
Betaalt met kwaad terug.

Verbannen Thucidides wist
Wat een toespraak zeggen kon
Over Democratie,
En wat dictators doen,
Hun oudemannengezever,
Gericht tot een apathisch graf,
Ontleedde het in zijn boek:
De verdreven Verlichting,
De verslavende pijn,
Wanbeleid en verdriet:
Het overstelpt ons nu opnieuw.

In deze neutrale lucht,
Waar wolkenkrabbers blind
De kracht van het Collectief
In volle omvang proclameren,
Schenkt elke taal om strijd
Zijn scheut met loze praat:
Maar wie houdt het lang vol
In een euforische droom;
Uit de spiegel staren ze ons aan:
Het imperialistische gelaat,
En de internationale doem.

Koppen aan de bar
Hangen aan hun doorsneedag:
Licht mag niet uitgaan,
Muziek moet blijven spelen;
Alle mores spannen samen
Om dit fort te laten lijken
Op het meubilair van thuis.
We zouden eens zien waar we zijn,
Verdwaald in een behekst woud,
Kinderen, bang in het donker,
Nooit gelukkig geweest, of goed.

De holste militante wartaal
Die prominenten uitslaan,
Verbleekt bij onze aandriften:
Wat de gestoorde Nijinsky
Schreef over Djagilev,
Geldt voor ieder mensenhart,
Want de weeffout in het wezen
Van elke man en vrouw
Doet knielen voor een valse god:
Geen liefde die het al omvat,
Maar liefde alleen voor jou.

Uit het conservatieve donker
Trekken de drommen forenzen
Het ethische domein binnen,
Hun ochtendgelofte prevelend:
“Trouw zal ik zijn aan mijn vrouw,
Mijn best ga ik doen op mijn werk.”
Hulpeloze bestuurders staan op
En vervolgen obligaat hun spel:
Wie kan hen nu bevrijden,
Wie bereikt nog de doven,
Wie spreekt voor sprakelozen?

Ik heb alleen een stem
Om de leugenstrik te ontwarren,
De romantische leugen in de geest
Van de zinnelijke Gewone Man,
En de leugen van het Gezag
Wiens gebouwen de hemel kerven:
Iets als de Staat bestaat niet,
En niemand leeft alleen;
Honger laat geen keus
Aan burger of agent;
We moeten liefhebben, of sterven.

Weerloos in de zwarte nacht
Ligt onze wereld uitgeteld;
Toch pinken overal
Ironische lichtpuntjes
Die doven als de Oprechten
Van gedachten wisselen.
Misschien mag ik, die net als zij
Gevormd is uit Eros en stof,
Die net zo belaagd wordt
Door ontkenning en wanhoop,
Een beamende vlam tonen.

Origineel:

September 1, 1939

I sit in one of the dives
On Fifty-second Street
Uncertain and afraid
As the clever hopes expire
Of a low dishonest decade:
Waves of anger and fear
Circulate over the bright
And darkened lands of the earth,
Obsessing our private lives;
The unmentionable odour of death
Offends the September night.

Accurate scholarship can
Unearth the whole offence
From Luther until now
That has driven a culture mad,
Find what occurred at Linz,
What huge imago made
A psychopathic god:
I and the public know
What all schoolchildren learn,
Those to whom evil is done
Do evil in return.

Exiled Thucydides knew
All that a speech can say
About Democracy,
And what dictators do,
The elderly rubbish they talk
To an apathetic grave;
Analysed all in his book,
The enlightenment driven away,
The habit-forming pain,
Mismanagement and grief:
We must suffer them all again.

Into this neutral air
Where blind skyscrapers use
Their full height to proclaim
The strength of Collective Man,
Each language pours its vain
Competitive excuse:
But who can live for long
In an euphoric dream;
Out of the mirror they stare,
Imperialism’s face
And the international wrong.

Faces along the bar
Cling to their average day:
The lights must never go out,
The music must always play,
All the conventions conspire
To make this fort assume
The furniture of home;
Lest we should see where we are,
Lost in a haunted wood,
Children afraid of the night
Who have never been happy or good.

The windiest militant trash
Important Persons shout
Is not so crude as our wish:
What mad Nijinsky wrote
About Diaghilev
Is true of the normal heart;
For the error bred in the bone
Of each woman and each man
Craves what it cannot have,
Not universal love
But to be loved alone.

From the conservative dark
Into the ethical life
The dense commuters come,
Repeating their morning vow;
“I will be true to the wife,
I’ll concentrate more on my work,”
And helpless governors wake
To resume their compulsory game:
Who can release them now,
Who can reach the deaf,
Who can speak for the dumb?

All I have is a voice
To undo the folded lie,
The romantic lie in the brain
Of the sensual man-in-the-street
And the lie of Authority
Whose buildings grope the sky:
There is no such thing as the State
And no one exists alone;
Hunger allows no choice
To the citizen or the police;
We must love one another or die.

Defenceless under the night
Our world in stupor lies;
Yet, dotted everywhere,
Ironic points of light
Flash out wherever the Just
Exchange their messages:
May I, composed like them
Of Eros and of dust,
Beleaguered by the same
Negation and despair,
Show an affirming flame.

Begrafenisblues – W.H. Auden

Het gedicht Funeral Blues is misschien wel het beroemdste gedicht van W.H. Auden. Het dankt zijn bekendheid bij het grote publiek aan de centrale plaats die het had in de film Four Weddings and a Funeral.

Het werd voor het eerst gepubliceerd in 1936 in een vorm die sterk afweek van de vorm waaronder het bekend is geworden. Het maakte aanvankelijk deel uit van The Ascent of F6 (De beklimming van de F6), een toneelstuk in verzen van Auden en Christopher Isherwood. Het gedicht in de ons meest bekende vorm is voor het eerst gepubliceerd in Denys Kilham Roberts & Geoffrey Grigson (red.), The Year’s Poetry, 1938 (Londen: John Lane at the Bodley Head, 1938), en later opgenomen in Audens bundel Another Time (1940). Benjamin Britten heeft het vers op muziek gezet, als één van de Cabaret Songs; het is hier te beluisteren.

Funeral Blues is opgetrokken uit hyperbolen en is hier en daar grotesk, kenmerken die het gedicht effectief benut om groot verdriet op te roepen. Misschien is elke geslaagde evocatie van sterke emotie wel een beetje cabaretesk.

Het is al vaak vertaald, onder anderen door Willem Wilmink.

Funeral Blues wordt zo vaak geciteerd dat je er soms een beetje misselijk van wordt, net als van Mozarts Eine kleine Nachtmusik. Maar ik ben geen snob. Mijn vertaling luidt:

Begrafenisblues

Weg met die klokken, werp de telefoon kapot,
Breng de hond tot zwijgen met zijn smakelijk bot,
Houd de piano stil, begeleid met doffe trom
De entree van de rouwenden, zeg tot de kist slechts: Kom!

Huur vliegtuigjes die zeurend boven ons hoofd
De annonce aan de hemel schrijven: Hij is dood,
Geef stadsduiven een kraag van crêpepapier ,
Geef zwarte handschoenen aan de dienders in ‘t verkeer.

Hij was mijn Noord, mijn Zuid, mijn Oost en West,
Mijn werkweek, weekend en mijn warme nest,
Mijn dag, mijn nacht, mijn kletspraat en betekenis;
Ik dacht dat liefde eeuwig was – ik had het mis.

Geen behoefte aan sterren meer, doof ze één voor één;
Vaag de maan gauw weg, zeg tot de zon: versteen!
Giet de oceaan maar leeg, stamp het oerwoud fijn.
Want niets kan nu voorgoed nog mooi of zinrijk zijn.

Een eerdere slotzin, die vervangen is door de huidige, luidde:

Want niets komt ooit nog goed en alles doet mij pijn.

Het oorspronkelijke gedicht luidt:

Funeral Blues

Stop all the clocks, cut off the telephone,
Prevent the dog from barking with a juicy bone,
Silence the pianos and with muffled drum
Bring out the coffin, let the mourners come.

Let aeroplanes circle moaning overhead
Scribbling on the sky the message He Is Dead,
Put crêpe bows round the white necks of the public doves,
Let the traffic policemen wear black cotton gloves.

He was my North, my South, my East and West,
My working week and my Sunday rest,
My noon, my midnight, my talk, my song;
I thought that love would last for ever: I was wrong.

The stars are not wanted now: put out every one;
Pack up the moon and dismantle the sun;
Pour away the ocean and sweep up the wood.
For nothing now can ever come to any good.

Grafschrift voor een tiran – W.H. Auden

AudenVanVechten1939

W.H. Auden

Hier is een geluidsopname van W.H. Auden die dit gedicht voordraagt.

Vertaling:

Grafschrift voor een tiran

Een soort van volmaaktheid, was wat hij najoeg,
En de verzen die hij verzon waren eenvoudig genoeg;
Hij kende onze dwaasheid als de zak van zijn broek,
En was hogelijk geïnteresseerd in vloten en soldaten;
Als hij lachte, brulden achtenswaardige senatoren van de lach,
En als hij huilde, stierven de kleine kinderen in de straten.

Origineel:

Epitaph on a Tyrant

Perfection, of a kind, was what he was after,
And the poetry he invented was easy to understand;
He knew human folly like the back of his hand,
And was greatly interested in armies and fleets;
When he laughed, respectable senators burst with laughter,
And when he cried the little children died in the streets.

De slotzin van dit gedicht is een omkering van een vrij bekende zin die de Amerikaanse historicus John Lothrop Motley schreef in zijn boek The Rise of the Dutch Republic (1856): “As long as he lived, he was the guiding-star of a whole brave nation, and when he died the little children cried in the streets.” Deze zin heeft betrekking op Willem van Oranje. Zie: Elizabeth Knowles, What They Didn’t Say: A Book of Misquotations (2006, onder: When he died the little children cried in the streets).

De omkering van Motley’s enigszins kwezelachtige, hagiografische zin, heeft een heel sterk effect: opeens besef je waar al die nog redelijk gewoon klinkende constateringen over de tiran toe kunnen leiden.

Sonnet 29 – Shakespeare

 

Shakespeare_(oval-cropped) (1)

Shakespeare (Wikimedia Commons)

Vertaling:

Nu ik, door lot en medemens veracht,
Mijn uitgestotenheid beween in eenzaamheid,
Een dove hemel hinder met mijn loze klacht,
Mijn lot vervloek, bedroefd door zelfverwijt

Verlang te zijn als wie nog toekomst heeft,
Als één die door zijn vrienden wordt geprezen
Om zijn talent en het gemak waarmee hij leeft,
Met wat hij ’t meest bemint het allerminst tevreden,

Toch stijgt, als ik soms denk aan uw beminde lach,
Mijn door gekweld getob bezwaard gemoed,
Als de leeuwerik omhoog, die bij het krieken van de dag
uit norse sluimering, jubelend de hemel groet.

Uw liefde zingt in zulke zoete jubeltonen
Dat ik mijn staat niet ruilen wil met die van godenzonen.

Origineel:

When, in disgrace with Fortune and men’s eyes,
I all alone beweep my outcast state,
And trouble deaf heaven with my bootless cries,
And look upon myself and curse my fate,

Wishing me like to one more rich in hope,
Featured like him, like him with friends possessed,
Desiring this man’s art and that man’s scope,
With what I most enjoy contented least:

Yet in these thoughts myself almost despising,
Haply I think on thee, and then my state,
Like to the lark at break of day arising
From sullen earth, sings hymns at heaven’s gate;

For thy sweet love remembered such wealth brings
That then I scorn to change my state with kings’.