Bij welke lier – W.H. Auden

Harvard logo

Wapen van de Harvard-universiteit

In 1946 – vlak na de oorlog dus – was W.H. Auden de Phi Beta Kappa-dichter aan de Harvard-universiteit. Hij droeg er het gedicht Under Which Lyre voor, met als ondertitel A Reactionary Tract For The Times. Een korte bespreking van de ontstaansgeschiedenis is te vinden in Adam Kirsch, A Poet’s Warning, Harvard Magazine, nov-dec 2007.

Het is een spits en geestig gedicht waarin Apollinische pompeusheid, humorloosheid en cynisch najagen van eigenbelang wordt gecontrasteerd met gebrek aan discipline, vroegrijpheid en bohemien-gedrag, zoals belichaamd door Hermes. Het gedicht eindigt met een grappige Hermetische dekaloog (Tien geboden). Kiest u zelf bij welke lier de muziek u het beste bevalt.

UNDER WHICH LYRE
A Reactionary Tract for the Times
(Phi Beta Kappa Poem, Harvard, 1946, Collected Poems, pag. 335-339)

Ares at last has quit the field,
The bloodstains on the bushes yield
To seeping showers,
And in their convalescent state
The fractured towns associate
With summer flowers.

Encamped upon the college plain
Raw veterans already train
As freshman forces;
Instructors with sarcastic tongue
Shepherd the battle-weary young
Through basic courses.

Among bewildering appliances
For mastering the arts and sciences
They stroll or run,
And nerves that steeled themselves to slaughter
Are shot to pieces by the shorter
Poems of Donne.

Professors back from secret missions
Resume their proper eruditions,
Though some regret it;
They liked their dictophones a lot,
They met some big wheels, and do not
Let you forget it.

But Zeus’ inscrutable decree
Permits the will-to-disagree
To be pandemic,
Ordains that vaudeville shall preach
And every commencement speech
Be a polemic.

Let Ares doze, that other war
Is instantly declared once more
‘Twixt those who follow
Precocious Hermes all the way
And those who without qualms obey
Pompous Apollo.

What high immortals do in mirth
Is life and death in Middle-Earth;
Their a-historic
Antipathy forever gripes
All ages and somatic types,
The sophomoric

Who face the future’s darkest hints
With giggles or with prairie squints
As stout as Cortez,
And those who like myself turn pale
As we approach with ragged sail
The fattening forties.

Brutal like all Olympic games,
Though fought with smiles and Christian names
And less dramatic,
This dialectic strife between
The civil gods is just as mean,
And more fanatic.

The sons of Hermes love to play,
And only do their best when they
Are told they oughtn’t;
Apollo’s children never shrink
From boring jobs but have to think
Their work important.

Related by antithesis
A compromise between us is
Impossible;
Respect perhaps but friendship never:
Falstaff the fool confronts forever
The prig Prince Hal.

If he would leave the self alone,
Apollo’s welcome to the throne,
Fasces and falcons;
He loves to rule, has always done it;
The earth would soon, did Hermes run it,
Be like the Balkans.

But jealous of our god of dreams,
His common sense in secret schemes
To rule the heart;
Unable to invent the lyre,
Creates with simulated fire
Official art.

And when he occupies a college,
Truth is replaced by Useful Knowledge;
He pays particular
Attention to Commercial Thought,
Public Relations, Hygiene, Sport,
In his curricula.

Athletic, extravert and crude,
For him to work in solitude
Is the offence,
The goal a populous Nirvana:
His shield bears this device: Mens Sana
Qui mal y pense.

Today his arms we must confess
From Right to Left have met success,
His banners wave
From Yale to Princeton, and the news
From Broadway to the Book Reviews
Is very grave.

His radio homers all day long
In over-Whitmanated song
That does not scan,
With adjectives laid end to end,
Extol the doughnut and commend
The Comman Man.

His, too, each homely lyric thing
On sport or spousal love or spring
Or dogs or dusters,
Invented by some courthouse bard
For recitation by the yard
In filibusters.

To him ascend the prize orations
And sets of fugal variations
On some folk ballad,
While dietitians sacrifice
A glass of prune-juice or a nice
Marsh-mallow salad.

Charged with his compound of sensational
Sex plus some undenominational
Religious matter,
Enormous novels by co-eds
Rain down on our defenceless heads
Till our teeth chatter.

In fake Hermetic uniforms
Behind our battle lines, in swarms
That keep alighting,
His existentialists declare
That they are in complete despair,
Yet go on writing.

No matter; He shall be defied;
White Aphrodite is on our side:
What though his threat
To organize us grow more critical?
Zeus willing, we, the unpolitical,
Shall beat him yet.

Lone scholars, sniping from the walls
Of learned periodicals,
Our facts defend,
Our intellectual marines,
Landing in little magazines
Capture a trend.

By night our student Underground
At cocktail parties whisper round
From ear to ear;
Fat figures in the public eye
Collapse next morning, ambushed by
Some witty sneer.

In our morale must lie our strength:
So that we may behold at length
Routed Apollo’s
Batallions melt away like fog,
Keep well the Hermetic Decalogue,
Which runs as follows:──

Thou shalt not do as the dean pleases,
Thou shalt not write thy doctor’s thesis
On education,
Thou shalt not worship projects nor
Shalt thou or thine bow down before
Administration.

Thou shalt not answer questionnaires
Or quizzes upon World-Affairs,
Nor with compliance
Take any test. Thou shalt not sit
With statisticians nor commit
A social science.

Thou shalt not be on friendly terms
With guys in advertising firms,
Nor speak with such
As read the Bible for its prose,
Nor, above all, make love to those
Who wash too much.

Thou shalt not live within thy means
Nor on plain water or raw greens.
If thou must choose
Between the chances, choose the odd:
Read The New Yorker, trust in God;
And take short views.

Hierbij mijn vertaalpoging:

BIJ WELKE LIER
Een reactionaire tijdrede
(Phi Beta Kappa-gedicht, Harvard, 1946)

Ares staakt eindelijk de strijd;
Van struiken druipt nog lange tijd
Vergoten bloed,
En de in puin geschoten steden
Herrijzen weer en baden vredig
In zomergloed.

Op ieder campusplein verschenen
Ruige veteranen die weer trainen
Als corps-novieten;
Instructeurs met wrange spot
Geven groentjes toegang tot
De vakgebieden.

Ze bestormen de kronkeltrappen
Van kunsten en van wetenschappen,
Of hangen er rond,
En zenuwen, gestaald tot moorden,
Worden kapotgeschoten door de
Verzen van Donne.

Beroofd van oorlogsprivileges
Geeft de professor weer college,
Maar soms met spijt;
Zijn dictafoon beviel hem goed,
Hij heeft beroemdheden ontmoet
En wil dat kwijt.

Maar onnavolgbaar als zovaak
Zendt Zeus de wil-tot-tegenspraak
Als pandemie;
Hij dwingt de vaudeville tot preken
En wie een feestwoord uit moet spreken
Tot polemiek.

Laat Ares soezen, deze slag
Gaat altijd door, want elke dag
Geeft ons te zien
De danser naar Apollo’s pijpen
En hem die Hermes, de vroegrijpe,
Probleemloos dient.

Onsterfelijken zaaiden gaarne
Verderf en dood op Midden-aarde;
Hun nooit verjaard
Besef van haat krijgt elk geslacht,
Elk mensentype in zijn macht:
De tweedejaars

Die lacht om al wat somber is
Of doet alsof hij Cortez is
(De prairie-heerser),
En zij die, net als ik, verbleken,
Als ze een keel opzetten tegen
De jaren veertig.

Door een Olympisch Vuur verhit,
Hoewel men samen lacht en bidt,
Maar on-klassieker,
Voltrekken burgergoden even
Gemeen hun dialectisch streven,
Maar fanatieker.

De Hermes-zonen spelen graag,
Doen slechts hun best als men hen vraagt
Kalmaan te doen;
Apollo’s nakroost zwoegt met vlijt
En is tot slavendienst bereid
Om het fatsoen.

Een vredesmissie is in deze
Verbondenheid door antithese
Gedoemd tot flop;
Respect misschien maar vriendschap nooit:
Falstaff de dwaas strijdt meer dan ooit
Met Hal de snob.

Liet hij zijn Ik nu maar alleen,
Apollo kreeg de troon meteen,
Fasces en valken;
Hij zit daar graag, is het gewend;
’t Zou hier met Hermes als regent
Zijn als de Balkan.

Jaloers op onze god der dromen
Tracht hij met list omhoog te komen
In onze gunst;
Onthand met lier en partituur,
Schept hij met imitatievuur
Subsidiekunst.

Als hij de baas is op de faculteit,
Wordt Waarheid snel Doelmatigheid;
PR en Sport
Vult menig kern-curriculum;
Hij zorgt dat ieder practicum
Commercie wordt.

Atletisch, extravert en ruw
Geeft hij wie eenzaam is en schuw
Geen schijn van kans;
Het doel: een dichtbevolkt Nirwana;
Zijn schild draagt dit devies: Mens Sana
Qui mal y pense.

Zijn vaandels zijn van goudbrokaat;
Triomfen viert hij inderdaad,
Van Links tot Rechts,
Van Yale tot Princeton, en het nieuws
Van Broadway tot de Book Reviews
Geeft niets dan slechts.

Zijn radio galmt homerisch voort,
Niet door besef van maat gestoord
(Pastiche van Whitman);
Vol adjectieven is zijn taal
Om doughnut of om Jan Modaal
Flink te aanbidden.

Van hem is ook de huislyriek
Op huwelijk, hond of hosmuziek,
Op zweet of zwoerd,
Verzonnen door een hoofse bard
Wiens ellenlange rijm verward
Obstructie voert.

Zo gaan naar hem de feest-oraties
En series fuga-variaties
Op volksballaden;
Dieet-experts plengen een glas
Met pruimensap of kalebas
Met snoepsalade.

Hij is als sensatie-zuchtige
Verzot op seks en vluchtige
Godsdienstigheid;
Een stortbui van romans belooft
(Neerplenzend op ons weerloos hoofd)
Een griezeltijd.

Voorts tracht hij in het Hermes-kamp
Met vals tuniek en hoefgestamp
Een wig te drijven;
Het gonst van existentialisten
Die ieder elke hoop betwisten,
Maar blijven schrijven.

Geeft niks, want winnen zal hij niet;
Wij krijgen steun van Aphrodite!
Maar wat gedaan
Als zijn regiem verhardt? Wij zullen,
Bij Zeus, als politieke nullen,
Hem toch verslaan.

Geleerden, schietend uit de muren
Van tijdschriften met veel allure,
Staan voor de feiten;
Ons keurkorps intellectuelen
Bestormt de magazine-burelen
Om trends te grijpen.

’s Nachts smoest de zelfkant-avantgarde
Op feestjes over ons verstarde
Establishment;
Des ochtends stort een groot notabele
Terneer, geveld door een capabele
Verbale stunt.

Moreel herstel vormt onze kracht,
Opdat ons straks het schouwspel wacht
Van ’s vijands vlucht:
Apollo’s heir raakt in paniek.
De dekaloog der Hermetiek
Wordt nu Uw tucht:──

Gij zult professors nimmer vleien,
Noch in uw proefschrift-schrijverijen
Opvoedend praten;
Gij zult projecten niet aanbidden,
Noch onderdanig zijn temidden
Der bureaucraten.

Tegen enquêtes zegt gij nee;
Aan quizzen doet gij nimmer mee;
Niet uit gemak
Zult gij een test doen; vormt geen span
Met statistici; hebt afschuw van
Elk socio-vak.

Gij zult u niet vertonen samen
Met snelle jongens in reclame,
Noch blij verrast
De bijbel lezen om zijn spraak,
Noch vrijen met wie zich te vaak
en grondig wast.

Uw grenzen houden u niet tegen;
Versmaadt vlak water, kalme wegen;
Als het mag zijn,
Kiest wat u hoon oplevert, spot;
Leest The New Yorker; hoopt op God;
En hou het klein.

Advertenties

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s